Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8725

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
03/700493-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 89 Wetboek van Strafvordering sluit de mogelijkheid van een compensatie voor de ondergane inverzekeringstelling en/of voorlopige hechtenis niet uit, indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Volgt de billijkheidstoets ex artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer 03/700493-11

Rekestnummer: 12/166

Deze beschikking is gegeven door de rechtbank Maastricht, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, naar aanleiding van het verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[naam verzoeker],

geboren te [geboortegegevens verzoeker],

wonende te [adresgegevens verzoeker],

hierna te noemen: de verzoeker.

De verzoeker heeft in deze zaak woonplaats gekozen te Maastricht, ten kantore van zijn raadsman mr. Ch. Ingelse.

1. De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die de verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 420,00 ter zake van de door verzoeker ten gevolge van het voorarrest geleden schade.

2. De procesgang

Het verzoek is op 8 maart 2012 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 29 mei 2012 de verzoeker, diens raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

3. De beoordeling

Verzoeker is op 27 september 2011 aangehouden naar aanleiding van een echtelijke twist en op 28 september 2011 in verzekering gesteld. Op 30 september 2011 heeft de rechter-commissaris de gevangenhouding van verzoeker bevolen voor een termijn van 14 dagen maar deze gevangenhouding met onmiddellijke ingang geschorst. Verzoeker is op 30 september 2011 in vrijheid gesteld.

Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Maastricht van 19 december 2011 is ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat hij op 27 september 2011 het slachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het feit en verzoeker zijn strafbaar bevonden. De Politierechter heeft toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Er is dus geen straf of maatregel opgelegd.

Verzoeker vraagt nu een vergoeding voor de dagen die hij in het kader van deze strafzaak in een cel heeft doorgebracht.

De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering überhaupt ruimte biedt om schadevergoeding toe te kennen bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De meningen hierover lopen uiteen.

De tekst van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering sluit die mogelijkheid niet uit nu hierin wordt gesteld dat een compensatie voor ondergane verzekering en/of hechtenis kan worden toegekend indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Daarvan is in het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht sprake.

Bovendien heeft de wetgever in het andere belangrijke wetsartikel over schadevergoeding in het strafrecht, artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, uitdrukkelijk opgenomen dat er geen recht bestaat op een vergoeding bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Nu dit bij artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering niet is gebeurd wordt daaruit wel afgeleid dat deze beperking bij de toepassing van dit artikel kennelijk niet gewild is.

Anderzijds wordt wel aangenomen dat er bij toepassing van artikel 9a ook in het geval van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering geen recht op schadevergoeding bestaat omdat immers vast staat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Daarmee heeft hij het risico van eventuele daaruit voortkomende schade aan zich zelf te wijten en is er geen plaats voor schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de duidelijke wettekst van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering – vergoeding is mogelijk indien geen straf of maatregel is opgelegd – het toekennen van een vergoeding niet is uitgesloten om de enkele reden dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast. Aan de voorwaarde dat geen straf of maatregel is opgelegd is immers voldaan.

Toch zal bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht doorgaans geen ruimte zijn voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering omdat dat naar het oordeel van de rechtbank vaak zal afketsen op artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering, kort gezegd de billijkheidstoets. Het staat immers vast dat verzoeker een strafbaar feit heeft gepleegd en daarmee heeft hij de gevolgen over zichzelf afgeroepen. Dan is er geen grond om eventuele schade te vergoeden.

Hoewel de billijkheidstoets bij toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dus doorgaans negatief voor verzoeker zal uitvallen, hoeft dat niet altijd zo te zijn. Een van de gevallen waaraan dan gedacht kan worden is de situatie die ook in het wetsontwerp “Schadevergoedingen in verband met strafvorderlijk overheidsoptreden” uitdrukkelijk wordt genoemd als een situatie waarbij wel een vergoeding kan worden toegekend, het langer zitten in voorarrest dan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde sanctie. Is sprake van voorarrest en wordt daarna artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast, dan kan het onder omstandigheden toch billijk zijn indien een vergoeding wordt toegekend.

Bij de beoordeling van deze billijkheidstoets neemt de rechtbank in overweging dat verdachte op 27 september is meegenomen naar het politiebureau en dat hij op 28 september is gehoord. De andere betrokkenen/getuigen in deze zaak zijn op 27 en 28 september gehoord. Uit het dossier blijkt niet dat er na 28 september nog een onderzoekshandeling is verricht.

Verzoeker was op dat moment verdacht van het uiten van bedreigingen, niet van het plegen van ernstigere vormen van geweld zoals mishandeling. Verzoeker stond evenmin bekend als gewelddadig. Tenslotte was bij beschikking van de Burgemeester van de gemeente Maastricht van 28 september 2011 aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van 10 dagen waarmee herhaling op korte termijn effectief onmogelijk was gemaakt en er rondom het slachtoffer een veilige situatie was gecreëerd.

Gegeven die feiten ziet de rechtbank geen redenen waarom verzoeker na 28 september 2011 in voorarrest zou hebben moeten blijven.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank redenen van billijkheid ziet om voor het ondergane voorarrest op 29 en 30 september 2011 een vergoeding toe te kennen van

€ 105,00 per dag. De rechtbank zal derhalve een vergoeding van in totaal € 210,00 toekennen.

4. De beslissing:

De rechtbank:

- kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe voor de schade, die de verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 210,00 (tweehonderdtien euro);

- wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Koonen, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer op 19 juni 2012.

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer in strafzaken, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door uitbetaling van € 210,00 (tweehonderdtien euro) aan de verzoeker, door overmaking van dit bedrag op de rekening 0639468926 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Salvador Ingelse Advocaten onder vermelding van [naam verzoeker]/OM; schadevergoeding, zodra bovengenoemde beslissing onherroepelijk is geworden

Aldus gedaan op 19 juni 2012 door mr. R.A.J. van Leeuwen, rechter.