Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8722

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
03-700471-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen de poging tot doodslag op een agent, de bedreiging van een (andere) agent en de opzetheling van een auto. Voorwaardelijk opzet. De poging tot doodslag, de poging tot zware mishandeling, dan wel de bedreiging van een derde agent acht de rechtbank niet bewezen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700471-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juni 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren in [geboortegegevens verdachte],

preventief gedetineerd in het PPC te Maastricht.

Raadsman is mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 21 maart 2012 en 5 juni 2012, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij die [slachtoffer 1] heeft bedreigd, door met een auto op hem in te rijden;

Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2], inspecteur van politie, te doden, dan wel zwaar lichamelijk letstel toe te brengen, dan wel dat hij die [slachtoffer 2] heeft bedreigd, door met een auto op hem in te rijden;

Feit 3: heeft geprobeerd [slachtoffer 3], aspirant van politie, te doden, dan wel zwaar lichamelijk letstel toe te brengen, dan wel dat hij die [slachtoffer 3] heeft bedreigd, door met een auto op hem in te rijden;

Feit 4: al dan niet opzettelijk een auto heeft geheeld;

Feit 5: gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

In de eerste plaats acht de officier van justitie de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe verwijst hij naar de aangiften van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], naar de verklaringen van deze verbalisanten en van verbalisant [“M”] afgelegd ter terechtzitting, naar de verklaringen van [getuige 1], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] en naar het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (VOA).

De officier van justitie brengt naar voren dat verdachte de feiten weliswaar ontkent, doch dat hij ook heeft verklaard dat hem er alles aan gelegen was om weg te komen, toen hij door de politie was klemgereden. Hierbij heeft hij het risico genomen dat hij de verbalisanten omver zou rijden. Gelet op het gewicht van de auto en de kracht waarmee de aanrijding gepaard zou zijn gegaan, was het risico reëel dat de verbalisanten ten gevolge hiervan zouden zijn overleden.

In de tweede plaats acht de officier van justitie feit 4 primair wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe verwijst hij naar de aangifte van de diefstal van de auto en de bekennende verklaring van verdachte.

In de derde plaats acht de officier van justitie feit 5 wettig en overtuigend bewezen, gelet op het gevaarlijke rijgedrag van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman pleit ervoor verdachte vrij te spreken van alle varianten zoals ten laste gelegd onder de feiten 1, 2 en 3. Hiertoe heeft hij onder meer aangevoerd dat:

- het enige dat vaststaat blijkt uit foto 66 van het proces-verbaal van de VOA op pagina 317, waarin de rijlijnen van de auto die door verdachte werd bestuurd, werden ingetekend;

- de verbalisanten veel van elkaar afwijkende tekeningen hebben gemaakt die aantoonbaar niet stroken met de werkelijkheid;

- geen bewijswaarde kan worden gehecht aan de verschillende van elkaar afwijkende verklaringen en situatieschetsen van de verbalisanten;

- de verbalisanten tijdens een evaluatie in februari 2012 met elkaar over het voorval hebben gesproken;

- in het proces-verbaal van de VOA op pagina 277 wordt gerelateerd dat het niet mogelijk is om een overzicht te maken, aangezien de aangeduide posities per verbalisant verschillend waren;

- waar sprake is van een dubbele bevestiging van een verklaring van een van de verbalisanten, deze aantoonbaar onjuist is;

- uit de verschillende verklaringen blijkt dat [slachtoffer 2] nooit op de rijbaan heeft gestaan waarop verdachte reed;

- als de verklaring van [slachtoffer 1] juist zou zijn dat hij op drie meter afstand van de door verdachte bestuurde auto zou hebben gestaan op het moment dat de auto in zijn richting schoot, hij het voorval niet had overleefd, waaruit blijkt dat zijn verklaring niet juist is;

- [slachtoffer 1] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij al was weg gestapt op het moment dat de auto begon te rijden;

- getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] op de rijbaan stond waarop verdachte niet heeft gereden;

- de verklaringen en de situatieschetsen van [slachtoffer 3] op meerdere punten niet kloppen.

Voorts stelt de raadsman dat verdachte bij het wegrijden niemand heeft gezien, niemand omver heeft willen rijden en geen opzet had op het doden, aanrijden of bedreigen van wie dan ook.

Bovendien staat er niets vast over de snelheid van de auto en de aanmerkelijke kans op het overlijden in geval van een aanrijding.

Ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van de feiten 4 en 5 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 7 september 2011 werd om 10:15 uur een personenauto weggenomen vanaf de oprit van een woning aan het [A.park] te Maastricht. Het betrof een personenauto van het merk/type Citroën C3 (hierna ook te noemen: Citroën) met het kenteken [xx-xx-xx].

Op diezelfde dag werd om 17:16 uur via cameratoezicht waargenomen dat de Citroën reed over de [W.singel] in Maastricht en vervolgens de [F.R.weg] inreed. Dit werd portofonisch doorgegeven aan de meldkamer en aan de politiepatrouilles op straat. Op dat moment reden de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden in burger gekleed, samen in een onopvallend dienstvoertuig. Verbalisant [slachtoffer 2] zag de Citroën staan bij een verkeerslicht. De Citroën stak de [V.weg] over en vervolgde zijn weg rechtdoor de [W.A.weg] op, gevolgd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun dienstauto.

In verband met de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank hetgeen hierna is gebeurd eerst, los van de bewijsvraag, in het algemeen beschrijven. Onder het volgende kopje komen dan de redengevende feiten en omstandigheden aan bod.

Bij het voorval dat vervolgens plaatshad op de [W.A.weg] waren de volgende vier voertuigen betrokken:

- de Citroën C3 met als bestuurder verdachte, als bijrijder [persoon 2] en als overige passagiers [persoon 4] en [persoon 3];

- de Volkswagen Golf, een onopvallende politieauto, met als bestuurder verbalisant [slachtoffer 1] en als bijrijder verbalisant [slachtoffer 2];

- de Mercedes Vito, een opvallende hondenbus van de politie, met als bestuurder verbalisant [“M”] en als bijrijder verbalisant [“P”];

- de Volkswagen Touran, een opvallende politieauto, met als bestuurder verbalisant [“C”] en als bijrijder verbalisant [slachtoffer 3].

De Citroën stond stil voor het rode verkeerslicht bij de splitsing van de [W.A.weg] met de [D.straat]. Achter de Citroën stond de Volkswagen Golf. Het verkeerslicht stond op de daar aanwezige middengeleider. Terwijl het verkeerslicht op rood stond, reed de Mercedes Vito links langs de middengeleider en ging daarna haaks voor de Citroën op de rechter weghelft staan. Hierop manoeuvreerde verdachte met de Citroën tussen de Golf en de Vito in en reed vervolgens met hoge snelheid naar links over de middengeleider heen met de bedoeling de auto te keren. Het keren lukte niet in één keer en verdachte reed het trottoir aan de linkerzijde van de weg op, gezien vanuit de [V.weg]. Op datzelfde moment kwam vanuit de richting van de [V.weg] de Volkswagen Touran aangereden die vervolgens de Citroën in de linkerflank aanreed.

Inmiddels waren de verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit de Volkswagen Golf gestapt en de verbalisanten [“M”] en [“P”] uit de Mercedes Vito. Verbalisant [slachtoffer 3] stapte uit de Volkswagen Touran.

Verbalisant [“P”] hield [persoon 2], de bijrijder uit de Citroën, aan. Hij bracht deze naar de muur toe aan de linkerzijde van de weg, gezien vanuit de [V.weg].

Vervolgens reed verdachte achteruit de middengeleider op en tegen de paal van het verkeerslicht aan. Dit gebeurde met een dermate hoge snelheid dat de achterzijde van de Citroën schuin omhoog tegen de paal kwam te staan. Op het moment dat de voorwielen van de Citroën weer grip kregen op de weg, reed deze met hoge acceleratie weg in de richting van de [V.weg]. Hierbij reed de auto deels, met de linker wielen, over de middengeleider heen. De Citroën reed de [V.weg], richting [N.brug], op en vervolgde zijn weg richting België.

Door de politie werd de achtervolging ingezet. Uiteindelijk werd verdachte, als bestuurder van de Citroën, in België aangehouden.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 5

De redengevende feiten en omstandigheden

Op 7 september 2011 te Maastricht sprong omstreeks 17.15 uur ter hoogte van de splitsing [W.A.weg] en [D.straat] het verkeerslicht op rood en stopte de Citroën met daarachter de Volkswagen Golf waarin de verbalisanten [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie) en [slachtoffer 2] zaten. [slachtoffer 2] hoorde achter zich politiesirenes, draaide zich om en zag een Mercedes Benz hondenbus. Deze bus ging links van de middengeleider voorbij, maakte een scherpe bocht naar rechts en kwam haaks voor de Citroën tot stilstand. Hierop reed de Citroën een stukje naar voren, vervolgens draaide deze in naar rechtsachter om daarna scherp naar links in te draaien. De Citroën knalde met gierende banden de middengeleider over.

Ook [slachtoffer 1] zag de Citroën met hoge snelheid over de vluchtheuvel heenrijden.

Verdachte erkent dat hij als bestuurder van de Citroën naar links is gedraaid en vol de vluchtheuvel is opgereden. Dit deed hij volgens zijn eigen verklaring met een snelheid van zeker 50 kilometer per uur.

Aan de overkant van de weg knalde de Citroën het trottoir op, waarop deze door een opvallende politieauto van het merk/type Volkswagen Touran werd aangereden. Vervolgens reed de Citroën hard achteruit met de achterzijde tegen de paal van het verkeerslicht. De achterzijde van de Citroën kwam hierdoor tegen de paal omhoog.

Verdachte heeft verklaard dat hij toen hij de politiebus Vito, die dwars over de weghelft ging staan, zag hij meteen wist dat de ‘politiebus ons moest hebben’, omdat hij in een gestolen auto reed. Hij raakte in paniek en is een uitweg gaan zoeken. Hij wilde vluchten, omdat hij niet gepakt wilde worden. Nadat hij achteruit rijdend tegen de paal was aangereden, heeft hij ‘extra gas gegeven en volle toeren gemaakt’ om van die plek af te komen. Hij wilde ‘koste wat kost’ wegkomen.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij uit de Volkswagen Golf is gestapt op het moment dat de Volkswagen Touran tegen de Citroën aan stond. Hij liep naar de rechtervoorkant van de Volkswagen Touran en de linkerzijde van de Citroën. Hij stond kort op de Citroën om de bestuurder te kunnen aanhouden.

Door het achteruit rijden van de Citroën kwam deze met zijn neus direct voor [slachtoffer 1] te staan op een geschatte afstand van ongeveer drie meter. [slachtoffer 1] zag dat de bestuurder van de Citroën ‘wild’, ‘gejaagd’, ‘agressief’ uit zijn ogen keek. Dat gaf hem het gevoel dat deze koste wat kost wilde wegkomen. Vervolgens zag [slachtoffer 1] de Citroën van de paal afzakken en op hem afkomen, toen hij zich nog steeds recht voor die auto bevond. De Citroën reed in een rechte lijn door in de richting van [slachtoffer 1]. Voordat de Citroën hem zou gaan raken, wist hij weg te stappen of weg te springen.

Verbalisant [“P”] zag dat [slachtoffer 1] ternauwernood kon wegspringen, voordat deze door de Citroën zou worden aangereden.

[slachtoffer 1] zag [slachtoffer 2] op dat moment rechts achter hun dienstvoertuig staan. Nadat de Citroën recht op [slachtoffer 1] was afgekomen, week deze af naar links, in de richting van [slachtoffer 2]. Vóór [slachtoffer 2] werd de auto naar rechts gestuurd.

[slachtoffer 2] zag dat de Citroën vanaf de paal werd ‘gelanceerd’, met de linkerwielen de middengeleider meepakte en vervolgens recht op hem afkwam. Hij schat dat de afstand tussen hem en de Citroën op dat moment vijftien meter was. De auto kwam met hoge snelheid op [slachtoffer 2] af. [slachtoffer 2] loste een schot met zijn wapen toen de Citroën een meter of tien van hem verwijderd was. Na het lossen van het schot gooide de bestuurder het stuur om naar rechts. De auto reed [slachtoffer 2] links voorbij. [slachtoffer 2] stond op dat moment links achter het dienstvoertuig van hem en [slachtoffer 1], ongeveer tegen de middenstreep op het wegdek aan.

Ook verbalisant [“M”] zag de Citroën met snelheid vanaf de paal wegrijden. Hij zag een in het zwart geklede persoon in de rijrichting van de Citroën staan. In een reflex nam [“M”] zijn van dienstwege verstrekte vuurwapen en vuurde een schot in de richting van de achterzijde van de Citroën om te voorkomen dat de persoon zou worden aangereden. Vervolgens zag hij dat de persoon al aan de linkerzijde van de Citroën weg was. Later zag [“M”] dat de in het zwart geklede persoon zijn collega [slachtoffer 2] betrof.

Uit het sporenonderzoek heeft de VOA afgeleid dat de Citroën vermoedelijk de op foto 66 met de gele pijl aangegeven rijlijn heeft gevolgd. Op de foto is aan het eind van de middengeleider een scheef staande paal met een verkeerslicht te zien. Gezien vanuit de paal maakt de gele pijl een rechte lijn naar voren van de middengeleider af, om vervolgens een bocht naar links te maken en zo weer over het einde van de middengeleider heen te komen. Daarna maakt de gele pijl een bocht naar rechts, verlaat de middengeleider en loopt verder in het verlengde van de middengeleider.

De bestuurder van de Citroën reed daarna vanaf de [W.A.weg] naar rechts de [N.brug] op in de richting van de [F.singel]. Verbalisant [“C”] achtervolgde de Citroën. [“C”] schat dat zijn snelheid op de [N.brug] rond de 100 kilometer per uur bedroeg, waar een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur geldt.

Ook [persoon 3] verklaarde dat de bestuurder hard reed op de [N.brug].

Na een achtervolging werd verdachte als bestuurder van de Citroën in België aangehouden.

Overweging naar aanleiding van de verweren van de verdediging

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat de door diverse verbalisanten afgelegde verklaringen op bepaalde punten van elkaar afwijken en dat ook de door hen gemaakte situatieschetsen op bepaalde punten van elkaar verschillen. Die afwijkingen bestaan zowel ten opzichte van de verklaringen en situatieschetsen van de verbalisanten onderling, als ten opzichte van de eigen verklaringen en situatieschetsen van de verbalisanten. De rechtbank verbindt hieraan echter niet de conclusie dat deze verklaringen om die reden niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Er is sprake geweest van een zeer hectische situatie, waarbij de verschillende verbalisanten zich door de gevaarzettende situatie die zij ervoeren, gedwongen hebben gevoeld om hun vuurwapen te trekken. Het kan de verbalisanten niet worden verweten dat zij niet het gehele overzicht op de situatie hebben gehouden. In dat opzicht is het evenmin verwonderlijk dat de verbalisanten niet allemaal even consequent de posities van de verschillende voertuigen en van de verschillende betrokkenen hebben kunnen aangeven op de situatieschetsen. De rechtbank heeft in dat verband voor het bezigen van (onderdelen van) verklaringen acht geslagen op twee aspecten. Ten eerste is er op gelet of hetgeen in een (onderdeel van een) verklaring wordt gezegd al dan niet juist kan zijn in het licht van eenduidig ander bewijs. Ten tweede is er op gelet in hoeverre meer of minder grote verschillen in posities van voertuigen en betrokkenen afdoen aan de gevaarzettende situatie voor betrokkenen.

De rechtbank heeft ervoor gekozen om uit te gaan van de verklaringen van de verbalisanten die zijn afgelegd kort na het gebeuren op 7 september 2011. De herinneringen zullen op dat moment nog het meest vers in hun geheugen hebben gelegen. Bovendien beperkt deze keuze de kans dat er meer of minder uitgebreid met anderen over het gebeuren is gesproken, hetgeen de verklaring zou kunnen kleuren.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat verbalisant [slachtoffer 1] als getuige ter terechtzitting zou hebben verklaard dat, terwijl hij weg stapte, de Citroën begon te rollen, terwijl dit niet in het proces-verbaal terechtzitting van 21 maart 2012 te lezen is. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verklaring van [slachtoffer 1] in het proces-verbaal terechtzitting van 21 maart 2012 onvolledig of onjuist is weergegeven. Bovendien blijkt uit zijn verklaring bij de politie dat de Citroën in een rechte lijn in zijn richting reed en dat hij, voordat de auto hem zou gaan raken, wist weg te stappen.

De conclusie ten aanzien van feit 1

Onder feit 1 primair is ten laste gelegd de poging tot doodslag op [slachtoffer 1].

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met de Citroën is ingereden op [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] alleen niet werd aangereden, omdat hij tijdig weg stapte of weg sprong. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt op dit punt ondersteund door de bevindingen van verbalisant [“P”]. Naar het oordeel van de rechtbank had [“P”], staande bij de muur, goed zicht op het gebeuren. Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de onderzoeksresultaten van de VOA. Gelet op het proces-verbaal van de VOA stelt de rechtbank vast dat de op foto 66 met de gele pijl aangegeven lijn de rijlijn van de Citroën is geweest. De verklaring van [slachtoffer 1] en de positie waar hij zich heeft gepositioneerd op zijn situatieschets bij het verhoor op 9 september 2011 passen hierin. [slachtoffer 1] heeft dan in het verlengde van het eerste gedeelte van de gele pijl op foto 66 gestaan.

Gelet op het gewicht van de auto en de snelheid waarmee de auto op [slachtoffer 1] is ingereden, acht de rechtbank de kans op de dood in geval van een aanrijding aanmerkelijk, gelet op de kracht waarmee de aanrijding gepaard gaat. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het wegrijden niemand voor zijn auto heeft zien staan. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij koste wat kost wilde wegkomen. Indien al wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling dat hij niemand voor de auto heeft zien staan, dan nog heeft verdachte door met hoge snelheid weg te rijden om koste wat kost te ontkomen, nadat hij door de politie tot twee keer toe was klemgereden, wetende dat er diverse agenten rondliepen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij verbalisant [slachtoffer 1], die daar ook aanwezig was, zou aanrijden met fatale afloop. Daaraan kan niet afdoen dat verdachte heeft verklaard dat hij toen ‘in paniek’ heeft gehandeld, reeds omdat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij bij zijn poging om weg te rijden welbewust heeft gehandeld.

De rechtbank acht feit 1 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De conclusie ten aanzien van feit 2

Onder feit 2 is ten laste gelegd primair de poging tot doodslag op [slachtoffer 2], subsidiair de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 2] en meer subsidiair de bedreiging van [slachtoffer 2].

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse in de richting van [slachtoffer 2] is gereden. Dit blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [“M”]. Volgens [slachtoffer 2] is verdachte, toen hij ongeveer tien meter bij hem vandaan was, afgebogen om vervolgens langs hem heen weg te rijden. Deze verklaring vindt steun in de bevindingen van de VOA, waaruit blijkt dat verdachte aanvankelijk reed in de richting van [slachtoffer 2], die naar eigen zeggen op de – gezien vanaf de [V.weg] – rechterrijbaan stond achter zijn dienstauto, en vervolgens is afgebogen en niet op die rechterrijbaan heeft gereden.

Naar het oordeel van de rechtbank zou dit een poging tot doodslag kunnen opleveren, indien kan worden vastgesteld dat verdachte alleen maar is afgebogen – en het delict daarmee niet is voltooid – tengevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van verdachte. Dit kan echter niet worden vastgesteld. [slachtoffer 2] meent dat verdachte is afgebogen, omdat hij een schot heeft gelost in de richting van de Citroën. Verdachte heeft verklaard dat hij niemand heeft gezien. De werkelijke reden van het afbuigen heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen.

Gelet hierop acht de rechtbank feit 2 primair noch feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

Wel acht de rechtbank bewezen dat het met hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 2] rijden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven oplevert.

Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij tijdens het wegrijden niemand voor zijn auto heeft zien staan, doch, indien al wordt uitgegaan van de juistheid van deze stelling, dan nog heeft verdachte door ’koste wat kost’ met hoge snelheid weg te rijden, nadat hij door de politie tot twee keer toe was klemgereden, wetende dat er diverse agenten rondliepen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat verbalisant [slachtoffer 2], die daar ook aanwezig was, zich ernstig bedreigd zou voelen.

De rechtbank acht feit 2 meer subsidiair dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De conclusie ten aanzien van feit 5

Gelet op het hierboven onder het kopje ‘redengevende feiten en omstandigheden’ beschreven rijgedrag acht de rechtbank feit 5 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Onder feit 3 is ten laste gelegd primair de poging tot doodslag op [slachtoffer 3], subsidiair de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] en meer subsidiair de bedreiging van [slachtoffer 3].

In zijn aangifte verklaarde [slachtoffer 3] dat hij zag dat de Citroën een aanrijding veroorzaakte met het verkeerslicht op de middengeleider. Vervolgens zou [slachtoffer 3] hebben gestaan tussen de Citroën en de Volkswagen Touran in, op een afstand van twee meter van de voorzijde van de Citroën. Hierop liep hij weg van de Citroën om de Volkswagen Touran heen en ging hij links midden dan wel achter de Touran staan. Hij bevond zich toen op zeven meter afstand van de neus van de Citroën. Opeens schoot de Citroën recht op hem af. [slachtoffer 3] zette twee stappen zijwaarts en meent dat hij door de Citroën zou zijn overreden, als hij dat niet had gedaan.

De verklaring van [slachtoffer 3] echter wordt ondersteund door de bevindingen van de VOA noch door de verklaringen van getuigen.

Hierboven heeft de rechtbank vastgesteld dat de Citroën vanaf de paal eerst inreed op [slachtoffer 1], vervolgens is gedraaid en in de richting van [slachtoffer 2] is gereden. Dit betekent dat de Citroën niet vanaf de paal in de richting van de Volkswagen Touran is gereden, waardoor [slachtoffer 3] weg heeft moeten stappen.

De rechtbank acht feit 3 primair, 3 subsidiair en 3 meer subsidiair dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. Zij zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [aangever 4];

- de bekennende verklaring van verdachte.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering wordt ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 primair

op 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 meer subsidiair

op 7 september 2011 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met een te hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] gereden;

feit 4 primair

op 7 september 2011 in de gemeente Maastricht een personenauto (merk Citroën, kenteken [xx-xx-xx]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 5

op 7 september 2011 in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto),

- daarmee rijdende op de weg, de [W.A.weg], gekomen bij het verkeerslicht op de splitsing met de [D.straat], aldaar met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse de middengeleider op het wegdek is opgereden en overgestoken en vervolgens met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse het trottoir aan de [W.A.weg] is opgereden en vervolgens met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse achteruit is gereden en het aldaar geplaatste verkeerslicht raakte en vervolgens met hoge snelheid zijn voertuig in de richting van twee aldaar op het wegdek aanwezige politiemensen stuurde, door welke gedragingen van verdachte telkens gevaar op die weg werd veroorzaakt en vervolgens

- met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse over de [N.brug] is gereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De kwalificatie en de strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 4 primair:

opzetheling;

ten aanzien van feit 5:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

C. Clarijs, klinisch psycholoog, heeft, na inzage van de gerechtelijke stukken, een psychologisch onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte. De bevindingen van de psycholoog zijn neergelegd in een Pro Justitia-rapport d.d. 22 mei 2012.

De psycholoog komt tot de conclusie dat bij verdachte sprake was van afhankelijkheid van opiaten, waarbij sprake is van een persoonlijkheidsstoornis te classificeren als een borderline- en anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. Verder zou er in classificerende zin sprake zijn van zwakbegaafdheid. De psycholoog stelde vast dat de persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Ook had verdachte opiaten gebruikt. Dit alles beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

De psycholoog adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor de feiten 1, 2 en 3, indien bewezen. Voor de feiten 4 en 5 wordt, indien bewezen, geadviseerd verdachte enigszins volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De psychiater J.M.L.G. à Campo heeft, na inzage van de gerechtelijke stukken, een psychiatrisch onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte. De bevindingen van de psychiater zijn neergelegd in een Pro Justitia-rapport d.d. 21 mei 2012.

De psychiater komt tot dezelfde conclusie als de psycholoog, behalve dat hij in zijn onderzoek geen zwakbegaafdheid heeft kunnen objectiveren.

De psychiater adviseert verdachte voor de feiten 1, 2 en 3, indien bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar te achten en voor feit 4, indien bewezen, toerekeningsvatbaar.

De rechtbank begrijpt de conclusies en het advies van de psycholoog en de psychiater ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de gronden waarop deze berusten. De rechtbank neemt deze over.

Mede gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen:

- ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijfenveertig maanden met een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde;

- ten aanzien van feit 5: een hechtenis van drie maanden.

Hiertoe heeft hij aangevoerd dat dit een milde straf betreft die is ingegeven door het feit dat zowel verdachte als de samenleving gebaat is bij een klinische behandeling van verdachte. Verdachte is immers nog een jong persoon die in zijn leven al veel narigheid heeft meegemaakt. Zonder hulp zal hij niet beter terugkeren in de samenleving.

De officier van justitie kiest bewust voor een hulptraject tijdens detentie en niet voor een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit ervoor aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een klinische behandeling, eventueel met een proeftijd van drie jaren. Verdachte is hierbij meer gebaat dan bij een lange gevangenisstraf.

De verdediging meent dat de hulp aan verdachte via door de rechtbank opgelegd reclasseringstoezicht dient te lopen en niet via de Penitentiaire Inrichting.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Rijdend in een gestolen auto heeft verdachte, toen hij door de politie werd klem gereden, geprobeerd zich, hoe dan ook, te onttrekken aan zijn aanhouding. Hierbij heeft hij een zeer gevaarlijke situatie op de weg doen ontstaan waarbij hij is ingereden op een agent en dreigend in de richting van een andere agent is gereden. De eerstgenoemde agent mag van geluk spreken dat hij op tijd kon wegstappen. De gevolgen waren anders veel dramatischer geweest. Vervolgens is verdachte op de vlucht geslagen, achtervolgd door de politie. Ook hierbij heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt respectievelijk was de kans groot dat verdachte gevaar op de weg zou veroorzaken.

Dit betekent dat verdachte in een kort tijdsbestek een poging tot doodslag, een bedreiging en een opzetheling van een auto heeft gepleegd. Daarbij heeft hij ook nog gevaar op de weg veroorzaakt. Bovendien reed verdachte zonder rijbewijs. Met dit laatste feit, dat ad informandum is gevoegd en door verdachte ter terechtzitting is erkend, houdt de rechtbank rekening bij de strafoplegging. Gelet op deze feiten is een forse straf op zijn plaats.

Voor een voltooide doodslag wordt in Nederland veelal een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd. In deze zaak gaat het niet om een voltooide doodslag, maar om een poging tot doodslag. Daarnaast heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, niet de bedoeling gehad om verbalisant [slachtoffer 1] dood te rijden. Wel heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zou doodrijden. Ten slotte acht de rechtbank verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar. Gelet hierop acht de rechtbank als straf een derde deel van een gevangenisstraf van zes jaren passend en niet tweederde deel, zoals gebruikelijk is bij de bewezenverklaring van een poging. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf van vierentwintig maanden opleggen voor feit 1 primair.

Voor de bedreiging van verbalisant [slachtoffer 2] acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden op zijn plaats. Hierbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat het gaat om een bedreiging met een dodelijk wapen, te weten een auto, gericht tegen een agent. Voorts houdt de rechtbank, ook bij de strafoplegging voor dit feit, rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Voor de strafmodaliteit en strafmaat voor de opzetheling zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS met betrekking tot diefstal van een auto. Het oriëntatiepunt hiervoor is bij frequente recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Nu verdachte frequente recidive heeft op het gebied van vermogensdelicten, acht de rechtbank deze straf passend.

Het bewezenverklaarde feit 5 is een overtreding. Hiervoor dient een afzonderlijke straf te worden opgelegd. Gelet echter op de straf die verdachte wordt opgelegd voor de overige feiten, zal de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 5 schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Voorts heeft de rechtbank bij de strafoplegging het ad informandum gevoegde feit, het rijden zonder geldig rijbewijs, betrokken.

Psycholoog Clarijs en psychiater À Campo hebben beiden een strafadvies uitgebracht. Zij adviseerden verdachte binnen het kader van een (deels) voorwaardelijke straf klinisch te laten behandelen.

De reclassering, Leger des Heils, echter adviseerde reeds op 9 november 2011 om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij verdachte via detentiefasering zou kunnen worden toegeleid naar klinische behandeling. De reclassering achtte het niet wenselijk dat een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht zou worden opgelegd, omdat men gelet op eerdere ervaringen verwachtte dat verdachte zich niet kan of wil houden aan de gestelde voorwaarden.

De rechtbank ziet geen wettelijke basis voor het opleggen van een door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde dat met de behandeling van verdachte in de inrichting wordt begonnen. Wel is het mogelijk dat een veroordeelde gedetineerde in een verslavingskliniek wordt geplaatst op grond van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Op grond van artikel 31 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, kan de directeur van de inrichting, na instemming van de selectiefunctionaris, besluiten een al dan niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerde in een verslavingskliniek te plaatsen, indien de klinische opname in de verslavingskliniek als detentievervangende behandeling geïndiceerd is en de overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. Een gedetineerde kan voor plaatsing in aanmerking komen indien het strafrestant maximaal twaalf maanden bedraagt.

Nu psycholoog, psychiater, reclassering en het openbaar ministerie het erover eens zijn dat het van belang is dat verdachte behandeld wordt voor zijn verslaving en de overige problemen, en verdachte ook gemotiveerd is om aan een dergelijke behandeling mee te werken, adviseert de rechtbank het openbaar ministerie (dringend) te bewerkstelligen dat deze regeling wordt toegepast. Gelet op de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en de verwachte datum van voorwaardelijke invrijheidstelling, zou dit op vrij korte termijn kunnen gebeuren.

Met de reclassering en de officier van justitie acht de rechtbank een klinische opname als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf minder gewenst, nu verdachte al een keer een klinische opname heeft afgebroken.

De rechtbank zal verdachte dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tweeëndertig maanden opleggen.

6 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

Ten aanzien van feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, terzake van feit 1. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie vordert de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij heeft gepleit voor een integrale vrijspraak van feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Nu de hoogte van de schade niet door de verdediging is betwist en het de rechtbank onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, stelt de rechtbank dit schadebedrag zonder meer vast. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente, dan ook toe.

Voorts wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel toe voor een bedrag van € 600,-, nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Ten aanzien van feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, terzake van feit 2. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie vordert de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij heeft gepleit voor een integrale vrijspraak van feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Nu de hoogte van de schade niet door de verdediging is betwist en het de rechtbank onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, stelt de rechtbank dit schadebedrag zonder meer vast. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat ‘slechts’ de bedreiging is bewezenverklaard. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente, dan ook toe.

Voorts wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel toe voor een bedrag van € 600,-, nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Ten aanzien van feit 3

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, terzake van feit 3. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren nu verdachte van feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 3 meer subsidiair zal worden vrijgesproken. Om diezelfde reden zal de rechtbank niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 24c, 36f, 45, 57, 63, 285, 287 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en 3 meer subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte voor de feiten 1 primair, 2 meer subsidiair en 4 primair tot een gevangenisstraf van 32 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Geen straf of maatregel

- bepaalt dat verdachte ten aanzien van feit 5 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

ten aanzien van feit 1 primair

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 600,- (zegge: zeshonderd euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

ten aanzien van feit 2 meer subsidiair

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd;

ten aanzien van feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 3 meer subsidiair:

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juni 2012.

Buiten staat

Mr. A.J. Hazen is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 1], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], hoofdagent van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 1], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto ingereden op voornoemde [slachtoffer 1], althans is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] gereden;

feit 2

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2], inspecteur van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 2], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 2] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], inspecteur van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 2], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto ingereden op voornoemde [slachtoffer 2], althans is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] gereden;

feit 3

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3], aspirant van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 3], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 3] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], aspirant van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto is ingereden op voornoemde [slachtoffer 3], althans met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto ingereden op voornoemde [slachtoffer 3], althans is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met een (te) hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] gereden;

feit 4

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto (merk Citroën, kenteken [xx-xx-xx]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 september 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een personenauto ((merk Citroën, kenteken [xx-xx-xx]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 5

hij op of omstreeks 7 september 2011, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [W.A.weg], gekomen bij het verkeerslicht op de splitsing met de [D.straat], aldaar met (te) hoge

snelheid voor een veilige verkeer ter plaatse, de middengeleider op het wegdek is opgereden en overgestoken en/of (vervolgens) met (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, het trottoir aan de [W.A.weg] is opgereden en/of (vervolgens) met (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, achteruit is gereden en het aldaar geplaatste verkeerslicht raakte, en/of (vervolgens) met hoge snelheid zijn voertuig in de richting van

de aldaar op het wegdek aanwezige politiemensen stuurde en/of (vervolgens) met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse over de [N.brug] is gereden en/of (vervolgens) op de voor de voor de tegenliggers bedoelde weghelft over de [F.singel] heeft gereden, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.