Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8511

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
03-703527-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: Verdachte heeft, samen met een ander, in zijn auto een automatisch vuurwapen (Uzi) met geluiddemper voorhanden gehad. Onder zijn bed bewaarde verdachte een zogenaamde riotgun/shotgun. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. Aan verdachte wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703527-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juni 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 12 maart 2012 en 31 mei 2012. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Feit 2: samen met een ander of anderen een geluiddemper voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Feit 3: een riotgun/shotgun en munitie voorhanden heeft gehad.

Feit 4: zich heeft schuldig gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van een gsm.

De rechtbank merkt op dat zij kennelijke schrijffouten in de dagvaarding herstelt, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2, 3 en 4 primair wettig en overtuigend bewezen.

Hij voert daartoe ten aanzien van de feiten 1 en 2 aan dat het vuurwapen en de geluiddemper in de auto van verdachte zijn aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft op het moment van aantreffen van de wapens in die auto gezeten en daarmee gereden. Daarom kan het aanwezig hebben van deze wapens ook aan [medeverdachte 5] worden verweten en is er sprake van medeplegen, te meer omdat [medeverdachte 5] in een telefoongesprek met zijn vader heeft gezegd “dat hij het wapen op zich zou nemen”. Voorts zijn er DNA-sporen op het wapen gevonden van verdachte en van [medeverdachte 5]. Ten aanzien van de derde verdachte, [medeverdachte 4], acht de officier geen sprake van medeplegen.

Het onder 3 tenlastegelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen omdat het betreffende wapen in de woning van verdachte is aangetroffen en verdachte heeft bekend dat dit wapen van hem was.

Ten aanzien van feit 4 primair heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte heeft bekend de betreffende gsm te hebben geheeld.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet zal verzetten tegen een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van feit 4 is volgens de raadsman niet duidelijk dat verdachte wist dan wel moest vermoeden dat de gsm een gestolen goed betrof. Verdachte heeft gesproken over een witte telefoon, terwijl de betreffende gsm zwart was. Verder heeft verdachte uitsluitend verteld dat hij de gsm heeft gekocht, zonder daarbij te vermelden waar hij deze heeft gekocht, voor welke prijs en welke accessoires er eventueel bij zaten. Er is dus geen bewijs dat verdachte ervan op de hoogte was dat die gsm gestolen was of dat hij dit had moeten vermoeden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Op 3 september 2011 kreeg de politie een melding dat een aantal personen ruzie maakten op de [K.straat] te Geleen. De personen stonden bij een auto van het merk [merk auto]. Een van de twee inzittenden van die auto zou volgens de melder een vuurwapen hebben. Ter plaatse trof de politie een [merk auto] aan, met kenteken [xx-xx-xx]. Twee mannen - naar later bleek [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] geheten - liepen van deze [merk auto] weg in de richting van de verbalisante. De verbalisante liep vervolgens met deze mannen terug naar de [merk auto]. Desgevraagd antwoordde [medeverdachte 4] dat de auto eigendom was van zijn broer [naam verdachte]. [medeverdachte 5] pakte desgevraagd de autosleutels uit zijn broekzak en overhandigde deze aan de verbalisante.

De auto werd doorzocht. Op de mat voor de bijrijdersstoel lag een vuilniszak. Daaronder lag een houder van een op een UZI gelijkend vuurwapen. Die houder was gevuld met munitie. In de vuilniszak lag een op een UZI gelijkend vuurwapen met daarin nog een houder. Zowel de auto als het wapen zijn op 3 september 2011 in beslaggenomen. Uit het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming op pagina 4515 blijkt dat naast het vuurwapen ook een (geluid)demper in beslag is genomen. Deze geluiddemper zat op het aangetroffen wapen.

Door het Bureau Forensische Opsporing is onderzoek verricht naar het vuurwapen en de geluiddemper. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om een vuurwapen dat geschikt is om er automatisch mee te vuren en dat de geluiddemper door middel van een schroefdraad op de loopmonding van het vuurwapen was gemonteerd. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat het automatische wapen een vuurwapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie en dat de geluiddemper een wapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft verklaard dat hij eigenaar en gebruiker is van een [merk auto] met het kenteken [xx-xx-xx] die door de politie in beslag is genomen. Hij heeft ontkend iets van de aangetroffen wapens en munitie af te weten.

Ook [medeverdachte 4] heeft ontkend iets van de wapens af te weten. Volgens hem is [medeverdachte 5] hem op

3 september 2011 met de [merk auto] komen ophalen. [medeverdachte 4] is toen rechts achterin gaan zitten en samen zijn zij naar de [K.straat] in Geleen gereden. Aanvankelijk verklaarde hij dat hij niet meer weet of [medeverdachte 5] dan wel zijn broer [naam verdachte]toen heeft gereden. Even later verklaart hij echter dat, nadat zijn broer de auto in de [K.straat] geparkeerd had, zijn broer aan de linker voorkant uitstapte. [medeverdachte 5] zat toen op de bijrijdersstoel.

Ook [medeverdachte 5] ontkent wetenschap van de wapens. Hij heeft verklaard dat verdachte bestuurder van de [merk auto] was en dat ook hij - net als [medeverdachte 4] - achterin zat. In de straat waar hij werd aangehouden heeft [medeverdachte 5] volgens eigen zeggen de [merk auto] wel een stukje achteruit gereden.

Op grond van de verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] acht de rechtbank bewezen dat verdachte, samen met zijn broer [medeverdachte 4] en met [medeverdachte 5] op 3 september 2011 te Geleen in de [merk auto] heeft gereden waarin de wapens zijn aangetroffen en dat dit zijn auto was. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of, en zo ja wie van de drie (mede)verdachten als (mede)pleger(s) voor de feiten 1 en 2 moeten worden aangemerkt. Hiervoor is nodig dat de betreffende verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant A-3412 heeft op 28 september 2011 met verdachte gesproken terwijl deze zich bevond op de luchtplaats van het cellencomplex te Maastricht. Verdachte vertelde aan deze ‘undercover’agent dat op 3 september 2011 een vechtpartij had plaatsgevonden tussen [medeverdachte 5] en hemzelf enerzijds en een aantal mannen anderzijds. Die ruzie had te maken met een klant van [medeverdachte 5]. Verdachte wilde achter deze mannen aan gaan en besloot een pistool te halen uit zijn appartement. Samen met [medeverdachte 5] en zijn broertje ([medeverdachte 4]) is hij naar zijn appartement gegaan. Omdat hij zijn pistool niet zo snel kon vinden heeft hij uit een lade zijn machinegeweer gepakt, samen met patronen en een geluiddemper. Daarna is hij met [medeverdachte 5] en zijn broertje naar de klant van [medeverdachte 5] gereden. Tegen [medeverdachte 5] had hij gezegd dat het wapen alleen was bedoeld om de mannen bang te maken. In de [K.straat] in Geleen is hij uit de auto gestapt. [medeverdachte 5] en zijn broertje bleven toen in de auto zitten.

Op grond van deze verklaring kan de rechtbank concluderen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen wapens. Nu het hier een verklaring van een ‘undercover’agent betreft is deze verklaring alleen onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Behalve bovenstaande verklaring bevat het dossier echter ook nog de verklaring van de getuige [persoon 2].

[persoon 2] heeft verklaard dat [naam verdachte]haar in de nacht van 2 op 3 september 2011 verteld heeft dat hij na een ruzie met een wapen op zoek was gegaan naar een man en dat het wapen verpakt in een vuilniszak in de auto lag. Het was een groot wapen, geladen met 50 kogels, en voorzien van een demper.

Bovendien zijn het aangetroffen vuurwapen en de patroonhouder onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI). Uit dit onderzoek is gebleken dat het vuurwapen een DNA-match opleverde met het DNA van verdachte, met een matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard. Uit dit onderzoek is daarnaast gebleken dat de patroonhouder celmateriaal bevatte dat afkomstig kan zijn van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 5], waarbij de matchkans niet is berekend.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het aangetroffen automatische vuurwapen met daarop de geluiddemper en de aangetroffen munitie in zijn auto.

Datzelfde geldt voor de medeverdachte [medeverdachte 5]. Zowel uit de verklaring van [medeverdachte 4], als uit de verklaring van [medeverdachte 5] blijkt dat [medeverdachte 5] op enig moment vóór in de auto heeft gezeten. Volgens de verklaring van [medeverdachte 4] zelfs op de bijrijdersplaats, dus precies op de plaats waar de wapens lagen. Dat [medeverdachte 5] van de wapens afwist blijkt voorts uit de (de-auditu) verklaring van verbalisant A-3412. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen van het NFI, waaruit blijkt dat celmateriaal op de patroonhouder is aangetroffen dat mogelijk van [medeverdachte 5] afkomstig is en een telefoongesprek dat op 7 oktober 2011 om 11.20 uur werd gevoerd door de vader van [medeverdachte 5] met [persoon 2]. In dit gesprek meldt de vader van [medeverdachte 5] dat zijn zoon [medeverdachte 5] tegen hem heeft gezegd dat hij het wapen op zich wil nemen en dat [medeverdachte 5] dat ding geladen heeft.

Op grond van bovenstaande verklaringen en bevindingen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, samen met [medeverdachte 5]. Voor wetenschap bij [medeverdachte 4] biedt het dossier geen bewijs.

Feit 3

Op 14 september 2011 werd bij een doorzoeking van de woning van verdachte onder het bed in zijn slaapkamer een zwart vuurwapen met opschrift Manufrance Rapid Brevette SGDG, Acier Special, Chambre 70, aangetroffen. Dit wapen werd in beslag genomen.

Verdachte heeft verklaard dat dit wapen van hem was. Hij had deze shotgun met munitie aangeschaft omdat hij bang geworden was omdat een aantal ‘gasten’ hem lastig viel.

Door het Bureau Forensische Opsporing is onderzoek verricht naar dit wapen. Daaruit is gebleken dat het ging om een pumpaction geweer, dat zodanig is gewijzigd of vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat dit gewijzigde geweer een vuurwapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 3 van de Wet wapens en munitie.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het door verdachte voorhanden hebben van dit wapen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van munitie (36 patronen), nu in de tenlastelegging is vermeld dat het gaat om munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet wapens en munitie, categorie II, terwijl in het Rapport onderzoek (vuur)wapens en munitie is vermeld dat het munitie van categorie III betreft (pagina 4796 tot en met 4801 van de doornummering).

Feit 4

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde. Naar het oordeel van de rechtbank is het weliswaar duidelijk dat verdachte een gsm van het merk Samsung in zijn bezit had en dat deze gsm van diefstal afkomstig was, maar uit het dossier is niet gebleken dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat deze gsm een door misdrijf verkregen gsm betrof.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II onder 2, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

2.

op 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en vereniging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

3.

op 14 september 2011 in de gemeente Stein een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II, sub 3, te weten een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was, zijnde een zogenaamde riotgun/shotgun (merk Manufrance Rapid Brevette SGDG, Acier Special, Chambre 70) voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 primair op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Feit 2 is volgens de officier van justitie een overtreding. Hiervoor zou derhalve een aparte straf opgelegd moeten worden, maar hierbij kan worden volstaan met verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

De officier van justitie heeft aangekondigd dat hij te zijner tijd een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal maken.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman is deze straf te fors. Uitgangspunt zou moeten zijn een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden per wapen. Hij heeft hiervoor verwezen naar een vonnis van de rechtbank Maastricht, LJN BH5204 en naar een op 9 maart 2012 door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. In die laatste zaak was sprake van het bezit van zeven wapens, een handgranaat en 20 kilo munitie en de betreffende verdachte was reeds twee maal eerder wegens wapenbezit veroordeeld.

Nu verdachte in het bezit was van slechts twee wapens en een geluiddemper, zou volgens de raadsman een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 180 dagen aan de orde zijn. Daar komt bij dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte behoorlijk zijn verslechterd. Hij is zijn werk en woning kwijt. Zijn vrouw en kinderen staan op straat. Hij wil zijn leven weer op de rails krijgen en wil ook graag reclasseringstoezicht. Gelet op dit alles acht de raadsman het passend een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, en daarnaast een deel voorwaardelijk. Tevens zou dan reclasseringstoezicht aan verdachte dienen te worden opgelegd, zulks ter beteugeling van het recidivegevaar. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verzocht om – indien de rechtbank niet mocht overgaan tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf – een boete van € 290,- op te leggen, zulks in overeenstemming met de daarvoor geldende oriëntatiepunten van het LOVS.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft samen met een ander in zijn auto een automatisch vuurwapen met geluiddemper, voorzien van een grote hoeveelheid munitie, voorhanden gehad. Daarnaast heeft verdachte in zijn woning een zogenaamde riotgun/shotgun voorhanden gehad. Dergelijke (automatische) vuurwapens zijn zeer gevaarlijk in handen van een onbevoegde zoals verdachte. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen als onder feit 1 bewezen is verklaard (de Uzi) een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend. Voor het voorhanden hebben van een heimelijk draagbaar wapen (zoals onder feit 3 ten laste gelegd) is in de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden aangegeven. Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde (het voorhanden hebben van een geluiddemper) – dat naar het oordeel van de rechtbank overigens geen overtreding is, maar een misdrijf – geven de oriëntatiepunten als uitgangspunt een boete van € 290,-.

Uitgaande van deze oriëntatiepunten zou de rechtbank – ondanks dat zij tot een mindere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie heeft geëist – kunnen komen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden. Als strafverzwarend element zou de rechtbank nog mee kunnen nemen dat verdachte de Uzi met de geluiddemper niet alleen voorhanden heeft gehad, maar kennelijk ook de intentie had om dat wapen daadwerkelijk te gebruiken, in ieder geval als bedreiging, aangezien hij speciaal naar zijn woning is gegaan om dit (althans een) vuurwapen te gaan halen.

Naar aanleiding van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht en tevens rekening houdend met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, ziet de rechtbank echter geen reden om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest. Zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 4], Geleen, vordert een schadevergoeding van € 280,- ter zake van feit 4, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal deze vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu verdachte van het onder 4 tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 13 en 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 4 primair en subsidiair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], Geleen, niet ontvankelijk, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juni 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II onder 2, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor (een) vuurwapen(s), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 14 september 2011 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II, sub 3, te weten een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was, zijnde een zogenaamde riotgun/shotgun (merk Manufrance Rapid Brevete SGDG, Acier Special, Chambre 70) en/of munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid van categorie II, te weten (ongeveer) 36 patronen, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 14 september 2011, in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een gsm van het merk Samsung heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde gsm wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 14 september 2011 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een gsm van het merk Samsung heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van gsm redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.