Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8507

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
03/703486-11 en 03/269032-11 (ttg)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: Verdachte heeft samen met een ander een juwelierszaak overvallen. Een van de daders heeft de juwelier bedreigd met een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp. De andere dader heeft met een hamer een aantal vitrines, waarin sieraden lagen uitgestald, kapot geslagen. De sieraden zijn meegenomen in een opvallende tas. Bij de overval is gebruik gemaakt van een vluchtauto, die eigendom is van verdachte. Die auto raakte bij de vlucht beschadigd. Diezelfde dag hebben de overvallers de beschadigde auto bij een sloperij ingeleverd.

De bij de overval gebruikte tas, hamer, en glasscherven van de vitrine werden twee weken later teruggevonden in een auto, waarin verdachte had gereden. Op de hamer zat bloed, waarin het DNA van een van de daders werd gevonden.

In de auto lag een automatisch vuurwapen (Uzi) met daarop een geluiddemper geschroefd. Naast deze gewapende overval en het voorhanden hebben van wapens heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan een woninginbraak, diefstal uit een woning, diefstal van een auto met gebruikmaking van de bij de woninginbraak gestolen autosleutels, heling van een gsm en inbraak in een leegstaande flat. Een groot aantal van de goederen die hij bij de inbraken en diefstallen had weggenomen werd door hem verkocht. De strafbare feiten werden gepleegd in een periode van ongeveer twee maanden.

Verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers en kennelijk aan eigen gewin gedacht. Door de houding van verdachte ter terechtzitting heeft de rechtbank niet de indruk gekregen dat hij berouw heeft van zijn handelen of dat hij inzicht heeft in het strafwaardige karakter daarvan. Aan verdachte wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden opgelegd.

De immateriële schadevergoeding van de beide benadeelde juweliers wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit niet vallen onder het bereik van artikel 6:106 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/703486-11, 03/269032-11 (ter terechtzitting gevoegd)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juni 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 12 maart 2012 en 31 mei 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

Feit 1: samen met een ander of anderen met (bedreiging met) geweld een juwelier heeft overvallen.

Feit 2: samen met een ander of anderen een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Feit 3: samen met een ander of anderen een geluiddemper voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Feit 4: samen met een ander of anderen met (bedreiging met) geweld een friture heeft overvallen.

Feit 5: samen met een ander of anderen een woninginbraak heeft gepleegd, door het onbevoegd gebruik maken van huissleutels.

Feit 6: samen met een ander of anderen een woninginbraak heeft gepleegd.

Feit 7: samen met een ander of anderen een personenauto heeft gestolen door gebruikmaking van gestolen autosleutels.

Feit 8: een mobiele telefoon heeft gestolen dan wel geheeld.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

een diefstal heeft gepleegd in een leegstaand pand door middel van inklimming.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

Feit 1:

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van getuige [getuige 1]over het signaleren van de [merk auto] van verdachte nabij de plaats delict de avond vóór de overval, de verklaring van verdachte dat het mogelijk is dat hij die avond daar is geweest, de aangiften van de overvallen personen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het aantreffen van verdachte in de auto van [medeverdachte 1] op 3 september 2011 met daarin een bij de overval gebruikte tas en glasdelen afkomstig van de kapot geslagen vitrinekasten van de juwelier en een bivakmuts met DNA van verdachte, het gesprek tussen [medeverdachte 1] en een undercoveragent, alsmede de resultaten van het DNA-onderzoek dat is uitgevoerd op het bloed van de bij de overval gebruikte hamer, dat een match opleverde met het bloed van medeverdachte [medeverdachte 2]. Verder baseert hij zich op het feit dat de [merk auto] van verdachte ongeveer anderhalf uur nadat de overval werd gepleegd, door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is ingeleverd bij de sloop. De voorruit van deze auto was op dat moment ernstig beschadigd, terwijl uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] is gebleken dat deze bij de overval met een stoel op de voorruit van de vluchtauto heeft geslagen, waarbij een ster in de ruit was ontstaan. Voorts baseert de officier van justitie zich nog op het tapgesprek d.d. 5 oktober 2011 tussen verdachte en [persoon 1]. Ten slotte heeft de officier van justitie de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in zijn overweging betrokken.

Feiten 2 en 3:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd. In de [merk auto] van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn een automatisch vuurwapen, een geluiddemper en vijftig stuks munitie aangetroffen. Op het wapen zijn DNA-sporen aangetroffen die afkomstig bleken te zijn van [medeverdachte 1] en verdachte. Daarnaast wijst de officier van justitie op een tapgesprek tussen de vader van verdachte en [persoon 2], waarin vader spreekt over het wapen en zegt tegen [persoon 2] dat [naam verdachte] hem verteld heeft dat hij het ding geladen heeft.

Feit 4:

De officier van justitie vraagt vrijspraak voor dit feit.

Feiten 5, 6 en 7:

De officier van justitie is van mening dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 5 baseert hij zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 3], de verklaring van [medeverdachte 4], alsmede op een telefoongesprek dat door verdachte wordt gevoerd in de nacht van de inbraak waarin verdachte volgens de officier vertelt waaruit de buit bestaat. De opsomming daarvan komt overeen met de door [slachtoffer 3] gemiste goederen. Verder is een computer die bij deze inbraak is gestolen aangetroffen bij de vader van verdachte.

Ten aanzien van de feiten 6 en 7 baseert de officier van justitie zijn standpunt op de respectievelijke aangiften die betrekking hebben op deze feiten, de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en het bij medeverdachte [medeverdachte 1] aantreffen van een mobiele telefoon die bleek te zijn gestolen. Dit toestel is onderzocht door opsporingsambtenaren, waarbij zij belastend materiaal hebben aangetroffen in de vorm van een telefoongesprek waarin [medeverdachte 1] vraagt “of het al gebeurd is”. Volgens de officier van justitie slaat dit op de inbraak in de woning van de aangever [slachtoffer 4], waarbij onder meer de autosleutels zijn ontvreemd waarmee het onder 7 tenlastegelegde feit is gepleegd.

Feit 8:

De officier van justitie vraagt vrijspraak voor het onder 8 primair tenlastegelegde, maar acht het subsidiair tenlastegelegde bewijsbaar.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

Ook dit feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen, op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van de benadeelde partij.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

Feit 1:

De raadsman heeft ten aanzien van dit feit aangevoerd dat er tienduizenden [merk auto] in Nederland rondrijden en dat een Chrysler Voyager er hetzelfde uitziet als een [merk auto].

Op 20 augustus 2011 heeft getuige [getuige 2] weliswaar om 09:55 uur een busje met kenteken

[XX-XX-XX] zien passeren op de plaats delict, maar verdachte had geen [merk auto] met dit kenteken. Zijn auto had kenteken [YY-YY-YY]. Het was volgens de raadsman dus niet de auto van verdachte die zich op de plaats delict bevond. Dat de auto van verdachte op 20 augustus 2011 aan een sloperij is aangeboden is begrijpelijk, nu het om een oude “bak” ging. Ten aanzien van de beschadiging aan de voorruit heeft de raadsman opgemerkt, dat deze bij het sloopbedrijf eerst vijf dagen nadat de auto ter sloop was aangeboden, is opgemerkt door het personeel van het sloopbedrijf. De auto had toen al meerdere beschadigingen. Bovendien was de plek op de voorruit, die volgens aangever [slachtoffer 1] is veroorzaakt door een klap op de voorruit met een bureaustoel, niet zoals [slachtoffer 1] zegt dof en zeven centimeter groot, maar wit en groter dan zeven centimeter. Voorts is volgens de raadsman niet uit de foto’s gebleken dat [slachtoffer 1] de voorruit heeft geraakt, nu deze met de stoel ter hoogte van de portieren heeft geslagen. De raadsman heeft geconcludeerd dat er dan ook geen verband is tussen de auto die bij de overval is gebruikt en de auto van verdachte.

Uit de verkeersgegevens betreffende de telefoongesprekken is volgens de raadsman gebleken dat verdachte na de overval om 10:27 uur in de [G.straat] is geweest. Volgens hem is het onmogelijk om de afstand tussen de plaats delict, alwaar de overval plaats vond om 10:23 uur, en deze straat in vier minuten af te leggen. Verder blijkt niet uit de verkeersgegevens dat het onderzochte telefoontoestel –hoewel eigendom van verdachte– door verdachte is gebruikt. Op basis van de verkeersgegevens kan verdachte dus niet worden gekoppeld aan de overval, aldus de raadsman. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte een telefoongesprek met juwelier [naam juwelier 1] in Amsterdam heeft gevoerd.

Betreffende de goederen die op 3 september 2011 in de [merk auto] zijn aangetroffen heeft de raadsman opgemerkt, dat verdachte niet de eigenaar van de [merk auto] was en dat hij niet in deze auto is aangetroffen, maar slechts in de nabijheid hiervan. Verdachte heeft dan ook niets met die goederen te maken.

Ook uit de tapgesprekken is niet gebleken dat verdachte iets met de overval te maken heeft gehad. Het opgenomen gesprek met mevrouw [naam moeder], moeder van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4], is kletspraat en bovendien heeft zij later ontkend dat zij heeft gezegd dat verdachte de juwelier heeft overvallen.

Volgens de raadsman is het onmogelijk dat de getuigen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] verdachte op de beelden van de overval hebben herkend, zoals zij verklaarden.

De raadsman concludeert op basis van het voorgaande dan ook dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Feit 2:

Verdachte had weliswaar de sleutels van de [merk auto], waarin het vuurwapen is aangetroffen, in zijn bezit, maar die auto was niet van hem, maar van medeverdachte [medeverdachte 1]. Het vuurwapen lag bovendien niet zichtbaar in de auto. Uit een telefoongesprek met [persoon 1] is naar voren gekomen dat verdachte tegen haar heeft gezegd “die ene ding wat ze gevonden hebben in de auto, die pak ik op mijn naam”. Daaruit blijkt juist dat het aangetroffen wapentuig niet van hem was. Verder zijn geen vingerafdrukken van verdachte op het vuurwapen gevonden. Weliswaar is er wel DNA van verdachte op de patroonhouder aangetroffen, maar deze lag los van het vuurwapen. De raadsman is voorts van mening dat het telefoongesprek tussen de vader van verdachte en de vriendin van verdachte, waaruit zou blijken dat verdachte zou hebben gezegd dat hij het wapen heeft geladen, buiten beschouwing moet blijven. Nu de politie niet gezien heeft dat verdachte daadwerkelijk in de auto waarin het wapen lag heeft gezeten, en er ook voorts geen bewijs is dat hij het wapen voorhanden heeft gehad, dient verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

Feit 3:

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak, omdat op cruciale punten in het dossier geen gewag van een geluiddemper wordt gemaakt.

Feit 4:

Ter zake feit 4 heeft de raadsman gepleit voor vrijspraak van verdachte. Volgens de raadsman kan het feit niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu verdachte heeft ontkend hierbij betrokken te zijn geweest, getapte telefoongesprekken niets hebben opgeleverd en ook de getuigenverklaringen niet tot bewijs kunnen dienen.

Feit 5:

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman opgemerkt dat het feit dat verdachte gestolen goederen in zijn bezit heeft gehad geen bewijs oplevert dat het verdachte was die deze goederen heeft gestolen. De verkeersgegevens hebben weliswaar aangetoond dat verdachte zich in de buurt van de plaats delict bevond rond het tijdstip van de inbraak, maar de zendmast waaronder zijn gsm zich bevond staat op een plaats in de buurt waar verdachte vaak komt. De gebezigde tekst waarbij de beller vraagt of de gebelde al binnen is, levert ook te weinig bewijs op voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Verder heeft niemand daadwerkelijk gezien dat verdachte op het adres aan de [G.G.straat]te Geleen heeft ingebroken en de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] leveren ook niets op in het nadeel van verdachte. Ook van dit feit dient verdachte volgens de raadsman dus te worden vrijgesproken.

Feit 6:

Ten aanzien van feit 6 merkt de raadsman op dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is om verdachte hiervoor te veroordelen. De gegevens die afkomstig zijn van tapgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 3] en verdachte en [“Y”] zijn te onduidelijk en bovendien blijkt niet waaraan men de stem van verdachte denkt te herkennen. Verder zijn de voorwerpen waarover gesproken wordt algemene voorwerpen, die overal van afkomstig kunnen zijn en die niet bij verdachte zijn aangetroffen. De verklaring van [medeverdachte 4] is slechts van horen zeggen en dus niet van belang, terwijl de verklaring van [medeverdachte 3] leugenachtig is.

Feit 7:

Ook ten aanzien van feit 7 is de raadsman van mening dat er geen bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte de Volkswagen Polo met kenteken [PP-PP-PP] heeft gestolen. Weliswaar heeft verdachte gereden in een Polo, maar daar rijden er tienduizenden van, dus wie zegt dat het om de gestolen Polo ging? De verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn te vaag om als bewijs voor het onderhavige feit te dienen. Verdachte dient aldus te worden vrijgesproken van het onder 7 tenlastegelegde.

Feit 8:

Ten aanzien van feit 8 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de betreffende Blackberry gsm enkele weken vóór zijn aanhouding op 3 september 2011 heeft gekocht voor een bedrag van € 40,-. Dat is een normaal bedrag voor een dergelijk toestel. Daarom moet verdachte zowel van het primair als het subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

Dit feit kan naar de mening van de raadsman wel bewezen worden verklaard, nu verdachte heeft bekend het feit te hebben gepleegd en er aangifte is gedaan van diefstal.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de overval op juwelier [naam juwelier 2] heeft gepleegd. Zij baseert dit op de volgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij samen met zijn echtgenote [slachtoffer 2] eigenaar is van edelsmidatelier [naam juwelier 2], gevestigd aan de [BJstraat] te Beek. In de winkel staan meerdere vitrines waarin sieraden zijn uitgestald. Op 20 augustus 2011 omstreeks 10:22 uur was [slachtoffer 1] samen met zijn vrouw in de werkplaats achter in de winkel. Opeens hoorde hij lawaai vanuit het winkelgedeelte. Hij hoorde iemand roepen: “overval, liggen”. [slachtoffer 1] keek in de winkel en zag dat een geheel in het zwart geklede man met een zwarte bivakmuts op zijn hoofd door de winkel kwam gerend. Tevens zag hij een tweede persoon staan, ook in het zwart gekleed. Hij hoorde glasgerinkel en besefte dat de vitrines werden ingeslagen. De eerste man wilde inmiddels de werkplaats inkomen. [slachtoffer 1] hoorde dat de man riep: “liggen”. Hij hoorde meteen twee of drie zachte knallen en realiseerde zich dat de man een pistool moest hebben. Omdat de knallen vrij zacht waren vermoedde hij wel dat het geen echt pistool was. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] een bureaustoel gepakt en met die stoel naar de man geslagen. Hij hoorde toen weer twee of drie knallen. Na een kort gevecht tussen [slachtoffer 1] en de overvaller rende de overvaller de winkel uit. [slachtoffer 1] achtervolgde hem met de stoel. Hij zag de tweede man ook de winkel uitrennen. Toen [slachtoffer 1] bij de uitgang kwam zag hij dat op het trottoir bijna voor zijn winkel een wit busje stond. De eerste man zat al op de bestuurdersplaats, de andere man ging op de bijrijdersplaats zitten. [slachtoffer 1] zag dat zij wilden wegrijden. Hij heeft toen met de bureaustoel een klap tegen de voorruit van de auto gegeven, waardoor een flinke ster (een doffe vlek van ongeveer zeven centimeter doorsnee) in de voorruit ontstond. De daders reden weg.

Ten slotte heeft [slachtoffer 1] verklaard dat in de winkel twee vitrines zijn vernield en dat daaruit sieraden zijn weggenomen, die eigendom waren van hem danwel van zijn vrouw. Een bijlage van de schade is opgenomen in het dossier.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat ook zij zich op 20 augustus 2011 in de juwelierszaak te Beek bevond. Zij zag via een camera dat twee geheel in het zwart geklede mannen de zaak binnen kwamen. Zij hoorde roepen: “ga liggen, overval”. Zij zag dat een van de mannen een vitrine insloeg en hierin graaide. Er waren twee vitrines kapot. Verder zag zij dat een van de daders een pistool vast had en dit op haar man had gericht. Zij heeft twee schoten gehoord.

Bij onderzoek van de plaats delict is een aantal sporen veiliggesteld, waaronder een glasscherf als referentieglas van de vernielde vitrines. Dit glas werd voor glasvergelijkend onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gestuurd.

Door aangever [slachtoffer 1] zijn videobeelden van het camerabeveiligingssysteem ter beschikking van de politie gesteld. Deze beelden zijn door de politie bekeken. Blijkens het proces-verbaal bevindingen inzake het uitlezen van de beelden gaat het, gezien de lichaamsbouw, om twee mannelijke personen. De man die het eerst de zaak binnen komt draagt een muts die met uitzondering van de ogen het gehele hoofd bedekt. Hij draagt donkere kleding, met witte sportschoenen. Bovendien heeft hij zwarte handschoenen aan. Ook de tweede man draagt donkere kleding met een muts die alleen zijn ogen vrijlaat. Ook hij draagt handschoenen.

Deze tweede persoon heeft in zijn linkerhand bovendien een zwarte plastic tas met witte opdruk vast. De onderzijde van de tas is paars van kleur. In zijn rechterhand heeft hij een hamer met lichtbruine steel vast.

De politie heeft naar aanleiding van de overval buurtonderzoek verricht. Hierbij is (onder andere) getuige [getuige 1]gehoord. Zij heeft verklaard dat zij op 19 augustus 2011 omstreeks 19:00 uur (zijnde de avond voor de onderhavige overval) vanuit haar woning, gelegen [AdK] te Beek, een witte auto, die iets weg had van een oud model Amerikaanse auto, zag en hoorde stoppen. Het kenteken van deze auto was [YY-YY-YY]. Er zaten drie geheel in het zwart geklede jongens in. Zij droegen een zwarte capuchon en daaronder een zwarte muts. Verder droegen zij zwarte handschoenen. Eén van hen droeg witte gymschoenen. Twee van hen stapten uit, de derde bleef in de auto. Zij heeft die avond hierover met de politie gebeld.

Een van de jongens die zijn uitgestapt was blank, de ander was licht getint. De rechtbank merkt ten aanzien van deze verklaring op dat zij het een feit van algemene bekendheid vindt (zoals ook blijkt uit Google maps) dat [AdK] te Beek een zijstraat is van de [BJstraat]te Beek, alwaar juwelierszaak [naam juwelier 2] gelegen is.

Uit de RDW bevraging kenteken bleek dat het kenteken [YY-YY-YY] op 20 augustus 2011 geregistreerd stond als behorende bij een auto van het merk [merk auto], toebehorende aan [naam verdachte], geboren op [geboortegegevens].

Op 24 augustus 2011 kreeg de politie via de RDW te horen dat de [merk auto] van [naam verdachte] inmiddels was gesloopt bij de firma [“K”] te Heerlen. Dit was gebeurd op verzoek van de firma [“S”] te Heerlen. Volgens de firma [“S”] was de auto op 20 augustus 2011 in de middag bij dit bedrijf aangeboden. Hiervan waren camerabeelden die door [“S”] ter beschikking van de politie zijn gesteld. Bij het bekijken van de beelden, opgenomen omstreeks 12:52 uur, werd gezien dat een lichtkleurige auto het terrein van het bedrijf opreed. Deze auto betrof qua merk en model zeer waarschijnlijk een [merk auto]. In de voorruit, gezien vanaf de voorzijde van de auto, was een behoorlijke beschadiging aanwezig. De auto voldeed geheel aan de uiterlijke kenmerken van de bij de overval betrokken auto.

De schade aan de voorruit betrof een grote stervormige barst qua hoogte in het midden van de ruit. De barst was 10 x 10 centimeter groot.

Uit ondervraging van een aantal werknemers van de firma [“S”] bleek het volgende.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de bovenbedoelde auto op 20 augustus 2011 rond 12:50 uur bij hem werd ingeleverd door 2 mannelijke personen. Een was blank, de ander getint. Een van zijn werknemers kent een van die twee mannen bij naam.

Getuige [getuige 4], werkzaam bij de firma [“S”], heeft verklaard dat de bijrijder van de jongens, die op 20 augustus een [merk auto] hebben ingeleverd, [medeverdachte 2] heet. Het is een Indische jongen die in Heerlen woont, in een witte [soort woning], een soort paddenstoelenwoning. Aan de auto was hem opgevallen dat er een dikke barst zat in het voorraam aan de bestuurderszijde.

Ook twee andere werknemers van [“S”] hebben verklaard dat zij gezien hebben dat de auto beschadigingen vertoonde. Getuige [getuige 5] heeft gezien dat de voorruit beschadigd was en dat er glassplinters in de auto lagen. Getuige [getuige 6] heeft gezien dat de voorruit aan de bestuurderszijde kapot was. Het leek volgens hem of er op de ruit geslagen was met een voorwerp.

Uit de aangifte en het proces-verbaal inzake het uitlezen van de camerabeelden van de juwelier concludeert de rechtbank dat de daders van de overval op de juwelier te Beek op 20 augustus 2011 gebruik hebben gemaakt van een witte/lichtgekleurde bestelbus-achtige auto en dat deze auto hierbij (in ieder geval) een beschadiging heeft opgelopen aan de bestuurderszijde van de voorruit. Een auto die voldoet aan deze kenmerken, zowel qua auto, als qua beschadiging, is twee en een half uur na de overval naar de sloop gebracht en blijkt eigendom van verdachte. De auto van verdachte is (zo blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 1]) op de avond vóór de overval voorts ook gezien in Beek in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict. Toen zaten er drie mannen in die auto, waaronder een blanke en een licht getinte.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij inderdaad eigenaar is geweest van een [merk auto] en dat hij deze naar de sloop heeft gebracht. Hij ontkent echter iets met de overval te maken te hebben. De beschadigingen aan zijn auto zijn volgens hem door de slopers veroorzaakt, of ze waren al eerder aanwezig.

Over de aanwezigheid van zijn auto in Beek op 19 augustus 2011 omstreeks 19:00 uur, heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat hij daar toen een jointje aan het roken was.

[medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij degene was die op 20 augustus 2011 samen met [naam verdachte] naar het bedrijf van [“S”] in Heerlen is gereden, om de auto die bij die overval betrokken was bij de sloop aan te bieden. Ook hij ontkent echter iets met de overval te maken te hebben.

De rechtbank merkt op dat uit het bovenstaande volgt dat er een sterke aanwijzing is dat de auto van verdachte als vluchtauto bij de overval op de juwelier is gebruikt en dat het zo kort na deze overval ter sloop aanbieden van deze auto vragen oproept over een mogelijke betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 2] bij deze overval. Voor een bewezenverklaring van hetgeen verdachte ten laste is gelegd, is het vorenstaande onvoldoende. Er zijn echter nog meer aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 2] en wel de volgende.

Op 3 september 2011 kreeg de politie een melding dat de inzittenden van een [merk auto] in Geleen rondreden met wapens. In deze zaak zijn toen als verdachten aangehouden de onderhavige verdachte [naam verdachte] en [medeverdachte 4]. De [merk auto] werd in beslag genomen en bij doorzoeking daarvan werden in de kofferbak een vuisthamer en een boodschappentas aangetroffen. Deze vuisthamer vertoonde overeenkomstige kenmerken met de hamer die bij de overval op juwelier [naam juwelier 2] was gebruikt, te weten: de maatverhoudingen, de lichtbruine steel en de kenmerkende vorm van de vuistkop. Op de hamersteel werd bloed aangetroffen. De vuisthamer is in beslag genomen voor tactisch onderzoek.

De boodschappentas vertoonde eveneens overeenkomstige kenmerken met de tas die bij de overval was gebruikt, en wel qua maatverhoudingen, de witte vlakken boven de roze streep, de paars-roze strook onderaan de zijde van de tas en de zwarte strook aan de bovenkant van de tas met de witgekleurde letters “Tradi”. In de tas zaten voorts twee paar zwarte handschoenen, twee zwarte bivakmutsen en glasscherven.

Door het NFI is vervolgens vergelijkend glasonderzoek verricht. Het glas uit de juwelierszaak (het hiervoor eerder vermelde referentieglas) is vergeleken met het glas dat is aangetroffen in de tas, die in de [merk auto] is aangetroffen (vreemd glas). Als resultaat van dit vergelijkend onderzoek wordt vermeld: “De twee stukjes vreemd glas zijn in kleur, dikte, brekingsindex en sporenelementsamenstelling niet van het referentieglas te onderscheiden.” De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: “Voor de twee in de tas aangetroffen stukjes glas geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer deze stukjes afkomstig zijn van de vernielde ruit, waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.”

Voorts is een aanvraag naar het NFI verzonden, met de vraagstelling onderzoek te doen naar DNA-materiaal op de bivakmutsen en het bloedmonster, afkomstig van de hamersteel. Uit dit onderzoek is gebleken, dat het DNA van één van de bivakmutsen een match opleverde met het DNA van verdachte, met een matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard, en dat het bloedmonster afkomstig van de hamersteel DNA van [medeverdachte 2] bevatte, met een matchkans DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard.

Uit bovenstaande bevindingen trekt de rechtbank de conclusie dat in de [merk auto] waarmee verdachte op 3 september 2011 is aangehouden een tas en hamer lagen die sterke overeenkomsten vertonen met de tas en hamer die bij de overval op de juwelier zijn gebruikt. Bovendien zaten er glassplinters in die tas die identiek waren aan het glas van de kapotgeslagen vitrines. Uit de resultaten van het DNA-onderzoek trekt de rechtbank voorts nog de conclusie dat er zeer sterke aanwijzingen zijn dat verdachte de desbetreffende bivakmuts heeft gedragen en dat [medeverdachte 2] de vuisthamer in zijn handen heeft gehad.

Behalve bovenstaande (forensische) aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 2] bevat het dossier nog de volgende belastende aanwijzingen.

[medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat [naam verdachte] en [medeverdachte 2] de overval bij de juwelier hebben gepleegd. [naam verdachte] heeft hem dat zelf verteld. Voorts heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [naam verdachte] hem heeft verteld dat de juwelen boven in Holland verkocht werden. Tijdens zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 4] ten aanzien van de overval bij de juwelier in Beek verklaard dat hij [naam verdachte] op foto 8 (pagina 1175 van de doornummering) heeft herkend aan zijn houding en aan het trainingspak dat hij aan had.

Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij [naam verdachte] herkende aan de kleding die hij droeg en aan zijn houding. Hij droeg een zwart Adidasvest met witte strepen en had een pistool in zijn handen. Dat vest had hij altijd aan.

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon met imeinummer 358243032901210 blijkt voorts dat deze telefoon zich op 20 augustus 2011 omstreeks 10:27 uur bevond onder de mast aan de [G.straat] te Groot Genhout. Om 11:55:33 uur wordt de telefoon aangestraald door de mast te Elsloo, om 12:01:19 uur bevindt hij zich onder de mast te Stein en omstreeks 13:07:44 uur bevindt hij zich onder de mast aan de [I.weg] te Heerlen. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoon toen in gebruik was bij verdachte. Uit de route die de telefoon van verdachte op 20 augustus 2011 heeft afgelegd volgt dat deze telefoon zich ten tijde van de overval bevond nabij de plaats delict en ten tijde van het inleveren van de auto bij de sloop bevond de telefoon zich ook in de nabijheid van het sloopbedrijf.

Met deze telefoon is op 20 augustus 2011 om 15:49:05 uur en om 16:02:20 uur – derhalve enkele uren na de overval – bovendien gebeld met een 020 nummer in Amsterdam, welk nummer toebehoort aan een juwelier.

Uit al deze bewijsmiddelen, bezien in onderlinge samenhang, kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat verdachte en [medeverdachte 2] de overval op de juwelier hebben gepleegd. Bij deze overval zijn verdachte en [medeverdachte 2] – beiden met bivakmuts op – de juwelierszaak binnen gegaan. Een van beiden heeft hierbij een vuurwapen, of een voorwerp wat hierop lijkt, op aangever [slachtoffer 1] gericht. De ander heeft met een vuisthamer een aantal vitrines kapotgeslagen, een aantal juwelen hieruit weggenomen en deze in een opvallende tas gedaan. Het lijkt erop dat deze dader zich hierbij verwond heeft, aangezien er bloed op de hamer is aangetroffen. De tas, met hamer en glasscherven, alsmede in ieder geval één van de bivakmutsen, zijn later aangetroffen in een [merk auto] waarin verdachte ongeveer twee weken na de overval rond reed. Bij de overval is gebruik gemaakt van de [merk auto] van verdachte. Deze auto raakte hierbij beschadigd. Na de overval zijn verdachte en [medeverdachte 2] met de [merk auto] weggereden via Genhout en Elsloo en uiteindelijk hebben verdachte en [medeverdachte 2] de [merk auto] rond 13.00 uur bij een sloperij aangeboden ter vernietiging. Later in de middag heeft verdachte nog naar een juwelier in Amsterdam gebeld - mogelijk om de buit te verkopen, zoals [medeverdachte 4] heeft verklaard, maar voor dit laatstgenoemde is geen verdere bevestiging gevonden in het dossier.

Het oordeel dat verdachte de overval heeft gepleegd met [medeverdachte 2] als mededader heeft de rechtbank mede gebaseerd op een tapgesprek dat plaats heeft gevonden op 5 oktober 2011 om 14:41:42 uur tussen verdachte en een vrouw genoemd [persoon 1]. In dit gesprek zegt verdachte tegen deze [persoon 1]: “Ik pak die ene ding wat ze gevonden hebben, in de auto, die pak ik op mijn naam.” En voorts: “En van dat andere, daar hebben ze geen bewijzen voor daar kunnen ze ons niks voor maken. Alleen [medeverdachte 2] denk ik want die heeft bloed verloren.”

Uit de mededeling dat [medeverdachte 2] bloed verloren heeft bij een incident waarvoor de politie verdachte “niks zou kunnen maken”, zoals verdachte meent, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op dat moment – te weten op 5 oktober 2011 – daderinformatie heeft, inhoudende dat het bloed op de hamer van de medeverdachte [medeverdachte 2] was. Dat het hier om daderinformatie gaat volgt uit het feit dat het bloedspoor op de hamer op het moment van dit telefoongesprek nog niet was onderzocht. De uitslag van het onderzoek naar het bloedspoor is immers pas vermeld in het rapport van het NFI van 22 november 2011. Daar komt bij dat de medeverdachte [medeverdachte 2] geen verklaring heeft gegeven wanneer en op welke wijze zijn bloed op de hamer gekomen is.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de overval op juwelier [naam juwelier 2] heeft gepleegd.

Hetgeen door de raadsman daaromtrent naar voren is gebracht snijdt enerzijds geen hout en wordt anderzijds weersproken door gegevens die zich in het dossier bevinden. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Feiten 2 en 3

Op 3 september 2011 kreeg de politie een melding dat een aantal personen ruzie maakten op de [K.straat] te Geleen. De personen stonden bij een auto van het merk [merk auto]. Een van de twee inzittenden van die auto zou volgens de melder een vuurwapen hebben. Ter plaatse trof de politie een [merk auto] aan, met kenteken [mm-mm-mm]. Twee mannen - naar later bleek [medeverdachte 4] en [naam verdachte] geheten - liepen van deze [merk auto] weg in de richting van de verbalisante. De verbalisante liep vervolgens met deze mannen terug naar de [merk auto]. Desgevraagd antwoordde [medeverdachte 4] dat de auto eigendom was van zijn broer [medeverdachte 1]. [naam verdachte] pakte desgevraagd de autosleutels uit zijn broekzak en overhandigde deze aan de verbalisante.

De auto werd doorzocht. Op de mat voor de bijrijdersstoel lag een vuilniszak. Daaronder lag een houder van een op een UZI gelijkend vuurwapen. Die houder was gevuld met munitie. In de vuilniszak lag een op een UZI gelijkend vuurwapen met daarin nog een houder. Zowel de auto als het wapen zijn op 3 september 2011 in beslaggenomen. Uit het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming op pagina 4515 blijkt dat naast het vuurwapen ook een (geluid)demper in beslag is genomen. Deze geluiddemper zat op het aangetroffen wapen.

Door het Bureau Forensische Opsporing is onderzoek verricht naar het vuurwapen en de geluiddemper. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om een vuurwapen dat geschikt is om er automatisch mee te vuren en dat de geluiddemper door middel van een schroefdraad op de loopmonding van het vuurwapen was gemonteerd. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat het automatische wapen een vuurwapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie en dat de geluiddemper een wapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij eigenaar en gebruiker is van een [merk auto] met het kenteken [mm-mm-mm] die door de politie in beslag is genomen. Hij heeft ontkend iets van de aangetroffen wapens en munitie af te weten.

Ook [medeverdachte 4] heeft ontkend iets van de wapens af te weten. Volgens hem is [naam verdachte] hem op 3 september 2011 met de [merk auto] komen ophalen. [medeverdachte 4] is toen rechts achterin gaan zitten en samen zijn zij naar de [K.straat] in Geleen gereden. Aanvankelijk verklaarde hij dat hij niet meer weet of [naam verdachte] dan wel zijn broer ([medeverdachte 1]) toen heeft gereden. Even later verklaard hij echter dat, nadat zijn broer de auto in de [K.straat] geparkeerd had, zijn broer aan de linker voorkant uitstapte. [naam verdachte] zat toen op de bijrijdersstoel.

Ook verdachte ontkent wetenschap van de wapens. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bestuurder van de [merk auto] was en dat ook hij - net als [medeverdachte 4] - achterin zat. In de straat waar hij werd aangehouden heeft verdachte volgens eigen zeggen de [merk auto] wel een stukje achteruit gereden.

Op grond van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 4] acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1], samen met zijn broer [medeverdachte 4] en met verdachte op 3 september 2011 te Geleen in de [merk auto] heeft gereden waarin de wapens zijn aangetroffen en dat dit zijn ([medeverdachte 1]’s) auto was. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of, en zo ja wie, van de drie (mede)verdachten als (mede)pleger(s) voor deze feiten moeten worden aangemerkt. Hiervoor is nodig dat de betreffende verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant A-3412 heeft op 28 september 2011 met [medeverdachte 1] gesproken terwijl deze zich bevond op de luchtplaats van het cellencomplex te Maastricht. [medeverdachte 1] vertelde aan deze ‘undercover’agent dat op 3 september 2011 een vechtpartij had plaatsgevonden tussen [naam verdachte] en hemzelf enerzijds en een aantal mannen anderzijds. Die ruzie had te maken met een klant van [naam verdachte]. [medeverdachte 1] wilde achter deze mannen aan gaan en besloot een pistool te halen uit zijn appartement. Samen met [naam verdachte] en zijn broertje ([medeverdachte 4]) is hij naar zijn appartement gegaan. Omdat hij zijn pistool niet zo snel kon vinden heeft hij uit een lade zijn machinegeweer gepakt, samen met patronen en een geluiddemper. Daarna is hij met [naam verdachte] en zijn broertje naar de klant van [naam verdachte] gereden. Tegen [naam verdachte] had hij gezegd dat het wapen alleen was bedoeld om de mannen bang te maken. In de [K.straat] in Geleen is hij uit de auto gestapt. [naam verdachte] en zijn broertje bleven toen in de auto zitten.

Op grond van deze verklaring kan de rechtbank concluderen dat [medeverdachte 1] wetenschap had van de aanwezigheid van de aangetroffen wapens. Nu het hier een verklaring van een ‘undercover’agent betreft is deze verklaring alléén onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Behalve bovenstaande verklaring bevat het dossier echter ook nog de verklaring van de getuige [persoon 2].

[persoon 2] heeft verklaard dat ([medeverdachte 1]) haar in de nacht van 2 op 3 september 2011 verteld heeft dat hij na een ruzie met een wapen op zoek was gegaan naar een man en dat het wapen verpakt in een vuilniszak in de auto lag. Het was een groot wapen, geladen met 50 kogels, en voorzien van een demper.

Bovendien zijn het aangetroffen vuurwapen en de patroonhouder onderzocht door het Nederlands Forensisch instituut. Uit dit onderzoek is gebleken dat het vuurwapen een DNA-match opleverde met het DNA van [medeverdachte 1], met een matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard. Uit dit onderzoek is daarnaast gebleken dat de patroonhouder celmateriaal bevatte dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] en van verdachte, waarbij de matchkans niet is berekend.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens in zijn auto.

Datzelfde geldt voor verdachte. Zowel uit de verklaring van [medeverdachte 4], als uit de verklaring van verdachte zelf blijkt dat hij op enig moment vóór in de auto heeft gezeten. Volgens de verklaring van [medeverdachte 4] zelfs op de bijrijdersplaats, dus precies op de plaats waar de wapens lagen. Dat verdachte van de wapens afwist blijkt voorts uit de (de-auditu) verklaring van verbalisant A-3412. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen van het NFI, waaruit blijkt dat celmateriaal op de patroonhouder is aangetroffen dat mogelijk van verdachte afkomstig is en een telefoongesprek dat op 7 oktober 2011 om 11.20 uur werd gevoerd door de vader van verdachte met [persoon 2]. In dit gesprek meldt de vader van verdachte dat zijn zoon [naam verdachte] tegen hem heeft gezegd dat hij het wapen op zich wil nemen en dat [naam verdachte] dat ding geladen heeft.

Op grond van bovenstaande verklaringen en bevindingen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, samen met [medeverdachte 1]. Voor wetenschap bij [medeverdachte 4] biedt het dossier geen bewijs.

Feit 4

De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken, nu de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel is dat hiervoor onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is.

Feit 5

De rechtbank acht dit feit wel wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert dit oordeel op het volgende.

Op 4 juli 2011 heeft slachtoffer 3], wonende te Geleen, aangifte gedaan van inbraak in zijn woning. [slachtoffer 3] heeft op 30 juni 2011 omstreeks 08:30 uur zijn woning verlaten en heeft deze afgesloten achtergelaten. Hij is op 2 juli 2011 op de hoogte gebracht van de inbraak. Er werden diverse goederen weggenomen, waaronder een zwarte motor (merk BMW, type R1150GS, zonder uitlaat), een tv (merk Sony, type Bravia KDL40L40xx. Full HD), een surround systeem (merk Denon), een computer (merk Dell), een computer (merk HP), een laptop (merk Apple) en een laptop (merk HP), motorkleding (bestaande uit een motorbroek, een motorjas en een crosshelm), 3 motorkettingen, een fiets (merk Itek), 2 spaarpotten inhoudende € 1.550,- in totaal, een Ziggo decoder en een fotocamera (merk Nikon). De uitlaat van de gestolen motor lag los bij de motor en die heeft men eveneens gestolen.

Bij een doorzoeking van het pand, gelegen aan de [G.straat]te Kerkrade, zijnde de woning van de vader van verdachte, is onder meer een computer van het merk en type HP Pavilion met serienummer 3CR848217H aangetroffen. Deze computer is in beslag genomen. Op verzoek van het onderzoeksteam werd door aangever [slachtoffer 3] een aankoopbon van de gestolen desktop merk HP ter beschikking gesteld. Het serienummer van de gestolen desktop HP bleek overeen te komen met het serienummer van de in de woning van de vader van verdachte aangetroffen desktop.

Verdachte heeft verklaard dat deze computer van hem was. Hij zou de betreffende computer van ene [“D”] hebben gekocht die woont aan de Schoonbroodstraat. Deze “[“D”]” heeft echter ontkend de betreffende computer aan verdachte te hebben verkocht.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat het aantreffen van de gestolen computer bij verdachte onvoldoende bewijs is dat verdachte deze computer ook zelf heeft gestolen. Het dossier bevat echter ook nog een aantal tapgesprekken, waaruit naar het oordeel van de rechtbank eveneens betrokkenheid van verdachte bij de onderhavige diefstal blijkt. Uit de tapgesprekken en sms-berichten die zijn gevoerd/verzonden tussen verdachte en andere personen is immers (onder meer) het volgende naar voren gekomen:

Gesprek 1 juli 2011 om 13:44:41 uur tussen NN-man 7888 en verdachte:

NN-man zegt dat hij weer een adresje voor [naam verdachte] heeft voor een tv-tje en laptopje.

Gesprek 2 juli 2011 om 00:14:56 uur tussen [naam verdachte] en zijn vader:

[naam verdachte] bun naar pap en zegt: “Ik heb morgen een leuk spuultje morgen.”

Gesprek 2 juli 2011 om 03:18:26 uur tussen [naam verdachte] en NN-vrouw 7518:

[naam verdachte] vraagt of ze kan kijken wat op dit moment de prijs van een laptop is. Het betreft een Sony Bravia KDL 40 Z 4500.

Gesprek 2 juli 2011 om 03:22:57 uur tussen NN-vrouw 7518 en [“Y”]:

Zij zegt dat de vraagprijs van een tv Full HD 40 inch 1080 Bravia LCD tv met motion 960 is.

Sms-bericht 2 juli 2011 om 20:13:52 uur. Inhoud: Ewa heb je interesse in motor.

Sms-bericht 2 juli 2011 om 21:42:15 uur. Inhoud: Hee man helaas (..) die zijn er genoeg die BMW in Nederland (..) die prijs ’s veel t veel.

Gesprek 2 juli 2011 om 22:05:01 uur tussen [naam verdachte] en NN-man 9656:

[naam verdachte] moet de motor kwijt.

Gesprek 2 juli 2011 om 22:37:01 uur tussen [naam verdachte] en NN-man 9656:

[naam verdachte] wil de motor verkopen voor 6 barkies. NN man vraagt of uitlaat erbij zit. [naam verdachte] zegt ja en ook sleutels.

Gesprek 2 juli 2011 om 22:47:56 uur tussen de vader van [naam verdachte] en [naam verdachte]:

[naam verdachte] heeft een plek nodig om een motor te stallen. Vader van [naam verdachte] kent ene [“J”] die verstand heeft van BMW motoren.

Sms-bericht 2 juli 2011 om 23:06:44 uur. Inhoud: Zet die uitlaat ff erop.

Sms-bericht 2 juli 2011 om 23:08:01 uur. Inhoud: Heb geen gereedschap hier ik breng hem wel als je laat weten hoelaat neem uitlaat mee.

Gesprek 3 juli 2011 om 13:02:17 uur tussen [naam verdachte] en NN-man 7825:

NN-man vraagt wanneer die laptie doorverkocht wordt. [naam verdachte] zegt dat die laptie kapot is. [naam verdachte] zegt dat die motor ook niets opbrengt omdat daar superveel van te koop zijn.

Gesprek 8 juli 2011 om 14:20:21 uur tussen [“A”] en [“Y”]:

[“A”] heeft het over de camera van [naam verdachte]. [“A”] heeft de camera nodig.

De rechtbank concludeert uit bovenstaande gesprekken dat verdachte kennelijk spullen te koop heeft aangeboden die overeen komen met de spullen die bij de onderhavige diefstal zijn gestolen, met name een Bravia LCD tv en een BMW motor met een losse uitlaat.

De rechtbank stoelt deze conclusie tevens op de verklaring van [“Y”] . [“Y”] heeft verklaard dat verdachte hem een sms had gestuurd waarin hij hem een Sony Bravia KLD 40 Z 4500 te koop aanbood. Ook heeft hij verklaard dat verdachte een laptop, een HP of een Dell, had die hij echter niet van verdachte wilde kopen omdat deze beschadigd was. Verdachte had hem verder ook een laptop van het merk Apple aangeboden voor € 500,-.

Voorts heeft [medeverdachte 4] bij de politie verklaard dat hij met [naam verdachte] een gesprek heeft gevoerd dat ging over een inbraak. [naam verdachte] had die avond ergens ingebroken. Het huis was in de wijk [K] te Geleen. [naam verdachte] zei tegen [medeverdachte 4] dat hij een huis wist in [K] waar geld zou liggen en waar een motor zou staan. [medeverdachte 4] heeft voorts verklaard dat hij [naam verdachte] de dag na de overval weer heeft gezien en dat [naam verdachte] toen tegen hem zei dat hij eens moest komen kijken. Hij zag dat [naam verdachte] een motor bij de Teniersflat had gestald. [medeverdachte 4] denkt dat er geen uitlaat op die motor zat. Toen [naam verdachte] de motor startte hoorde [medeverdachte 4] namelijk dat de motor veel lawaai maakte. [naam verdachte] zei dat hij die motor gestolen had. [medeverdachte 4] zag dat [naam verdachte] de dag na die inbraak een motorjas en een helm droeg. [naam verdachte] zei dat hij een laptop en 300 of 400 euro had gepakt.

Op grond van bovenstaande verklaringen en bevindingen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de diefstal in de woning aan de [G.G.laan] te Geleen heeft gepleegd en daarbij de in de aangifte vermelde goederen heeft ontvreemd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich de toegang tot de woning heeft verschaft door middel van het onbevoegd gebruik maken van de huissleutels van de woning, nu hiervoor onvoldoende bewijs aanwezig is. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel van het onder 5 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Feiten 6 en 7

Op 24 juli 2011 deed slachtoffer 4] aangifte van diefstal, die in de nacht van 9 op 10 juli 2011 had plaatsgevonden in haar flatwoning aan de [P.straat]te Geleen. Tijdens haar vakantie had zij van [persoon 3], die op haar woning zou letten, gehoord dat in de nacht van 9 op 10 juli 2011 in haar woning was ingebroken. Er waren diverse goederen weggenomen, waaronder diverse computers, diverse sieraden, een Wii spelcomputer, een flatscreen tv, een Xbox met controllers en spellen en autosleutels. Bij thuiskomst bleek dat het raam van de slaapkamer was geforceerd.

[broer slachtoffer 4]heeft op 14 juli 2011, namens zijn zus [slachtoffer 4], aangifte gedaan van diefstal van een auto, merk Volkswagen, type Polo, kleur blauw en kenteken

[PP-PP-PP].

Uit tapgesprekken die op 9 en 10 juli 2011 zijn gevoerd met de telefoon van verdachte is het volgende gebleken.

Op 9 juli 2011 om 16:40 uur:

Nn man 3734 (volgens de tap gaat het hier om [medeverdachte 3]) vraagt of [naam verdachte] zich nog die twee boven herinnert waar ze het toen over hadden. Hij zegt: Die dikkere, die jongen die op vakantie zou gaan. [naam verdachte] antwoordt: ja. [medeverdachte 3] zegt: ja, luister, ze zijn alletwee weg. [naam verdachte] zegt iets van arbeit. [medeverdachte 3] zegt: het is een mooie kans. De hele rechter kant, de twee laatste deuren zijn vrij. [naam verdachte] zegt dat hij hem straks ziet.

Op 9 juli 2011 om 21:26:43 uur:

[medeverdachte 3]: hoe laat wil je dat doen.

[naam verdachte]: straks pas.

Om 22:34:00 uur:

NN: Wanneer gaan we die shit doen?

[naam verdachte]: Dalijk over een uurtje.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft de politie [medeverdachte 3] als medeverdachte aan de onderhavige inbraak gehoord.

[medeverdachte 3], die evenals de aangeefster woonachtig is in de flat aan de [P.straat] te Geleen, heeft verklaard dat hij weet dat aan de [P.straat]- zijnde het adres waar ingebroken is - [persoon 4] woont. [persoon 4] is op vakantie geweest en tijdens zijn afwezigheid is er bij hem ingebroken. Een paar weken na de inbraak kwam [naam verdachte] ([naam verdachte]) naar hem toe met de vraag of hij iemand kende die spullen wou kopen. Hij had onder andere een X-box en wat spelletjes en een Nintendo Wii en nog meer spullen. [naam verdachte] vertelde hem dat hij die inbraak had gedaan.

Na enig doorvragen van de politie verklaart [medeverdachte 3] tevens dat hij degene was die [naam verdachte] de tip had gegeven dat de bewoners van nummer [xxx] op vakantie waren. Hij heeft [naam verdachte] ook geholpen om de flat binnen te komen. Ze hadden afgesproken dat [naam verdachte] twee keer zou bellen op de centrale deurbel. Hij, [medeverdachte 3], zou dan vanuit zijn woning de centrale toegangsdeur open doen. Zo is het gegaan en zo heeft hij ([medeverdachte 3]) het ook gedaan.

Ten aanzien van de X-box die [naam verdachte] hem heeft getoond heeft [medeverdachte 3] nog verklaard dat hier ook een mapje met gekopieerde spellen bij zat en dat hij deze spullen herkende als zijnde van [persoon 4]. Een paar uur na de inbraak, rond middernacht, belde [naam verdachte] [medeverdachte 3] bovendien nog op en zei dat hij naar de achterkant van de Pijperflat moest komen om te chillen, want hij had een auto. [medeverdachte 3] is naar buiten gegaan en zag een blauwe Volkswagen Polo, die hij herkende als zijnde van de zus van [persoon 4]. [naam verdachte] zei dat hij bij het zoeken in het huis van [persoon 4] de autosleutels had gevonden. Hij had die meegenomen en nu reed hij dus in deze auto.

De belastende verklaring van [medeverdachte 3] wordt niet alleen ondersteund door de inhoud van bovengenoemd tapgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 3], maar tevens door de inhoud van de onderstaande drie getapte gesprekken tussen verdachte en [“Y”]. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden kort na de inbraak en hierin wordt gesproken over spullen die bij de inbraak zijn ontvreemd, zoals de X-box en een auto.

Op 10 juli 2011 om 03:10:55 uur:

[naam verdachte]: Ik heb een paar dingen voor je.

[“Y”]: Kun je niet hier langs komen.

[naam verdachte]: Nee man, ik heb echt zat spullen.

[“Y”]: Watte?

[naam verdachte]: Dat kan ik niet zeggen. Maar alles.

[“Y”]: Ja, ongeveer euh.

[naam verdachte]: Je weet toch, schermpje, pc-tje, lappie.

Om 03:48:13 uur:

[“Y”] vraagt wat [naam verdachte] moet hebben voor de TV en voor de X-box. [“Y”] vraagt of er een controller bij zit met een kabel. [naam verdachte] zegt ene met kabel en twee draadloze.

[“Y”] zegt dat [naam verdachte] voor hem de controller moet meenemen. [“Y”] zegt dat hij wel een koper fikst.

Om 13:57:32 uur:

[“Y”]: Maar eh, hoe ben je nou?

[naam verdachte]: Ik ben gewoon met de auto.

[“Y”]: Welke? Van die mensen of wat?

[naam verdachte]: Ja man.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de woninginbraak in de woning aan de [P.straat]te Geleen heeft gepleegd met hulp van [medeverdachte 3], die hem heeft getipt dat de bewoners op vakantie waren en die de deur van de centrale toegangshal van de flat voor hem heeft opengemaakt. De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij deze inbraak de in de aangifte vermelde goederen heeft ontvreemd.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij die inbraak sleutels heeft gestolen van de Volkswagen Polo met kenteken [PP-PP-PP] en dat hij deze auto vervolgens ook heeft gestolen met gebruikmaking van die gestolen sleutels.

Feit 8 primair en subsidiair

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal van de gsm niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen. Zij grondt haar oordeel op het volgende.

[slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan van diefstal van de gsm van het merk Blackberry, imeinummer 355283048671682, gepleegd op 31 augustus 2011 in Geleen. Op 27 september 2011 is een gsm in beslag genomen onder verdachte. Uit onderzoek van deze gsm bleek dat het imeinummer hiervan overeenkwam met het imeinummer van de onder aangeefster [slachtoffer 5] gestolen telefoon.

De rechtbank merkt op dat het enkel in bezit hebben van een gestolen telefoon op zich onvoldoende wettig bewijs oplevert voor heling.

Ter terechtzitting op 31 mei 2012 heeft verdachte echter verklaard dat hij de Blackberry gsm al tien à elf maanden voordat deze in beslag werd genomen had gekocht. Nu de gsm pas op 31 augustus 2011 is gestolen is deze verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig. Nu verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard over het tijdstip waarop hij het gestolen goed voorhanden heeft gekregen acht de rechtbank al met al toch voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte bij het voorhanden krijgen van de gsm wist dat het hier om een gestolen goed ging.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte d.d. 18 mei 2011 bij de politie;

- de aangifte van [persoon 5] namens Zo Wonen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

1.

op 20 augustus 2011 in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een juwelierswinkel heeft weggenomen een aantal juwelen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededader die juwelen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het tezamen en in vereniging met een ander gemaskeerd met bivakmutsen en voorzien van handschoenen en dreigend met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de winkel binnenstormen en vervolgens meerdere schoten lossen met dat vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sommeren en/of dwingen om te gaan liggen en met een vuisthamer de in de winkel aanwezige vitrines stuk slaan;

2.

op 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II onder 2, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

3.

op 3 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

5.

in de periode van 30 juni 2011 tot en met 2 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [G.G.laan], heeft weggenomen een motor (merk BMW) en een tv (merk Sony) en een surround systeem (merk Denon) en meerdere computers en een complete set motorkleding en diverse motorkettingen en een fiets (merk Itek) en twee spaarpotten inhoudende 1550 euro in totaal en een Ziggo decoder en een fotocamera (merk Nikon), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

6.

in de periode van 9 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [P.straat] , heeft weggenomen autosleutels en diverse computers en diverse sieraden en een Wii spelconsole en een flatscreen tv en een Xbox, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

7.

hij in de periode van 9 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, heeft weggenomen een personenauto (merk Volkswagen, type Polo, gekentekend

[PP-PP-PP]), toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de autosleutels welke bij een inbraak in de woning van de eigenaar zijn weggenomen;

8.

subsidiair:

in de periode van 31 augustus 2011 tot en met 27 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een mobiele telefoon (merk Blackberry), voorzien van imeinummer 355283048671682, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van voorhanden krijgen van voornoemde Blackberry wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

op 18 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening, in een leegstaand pand heeft weggenomen diverse metalen voorwerpen, toebehorende aan woningmaatschappij Zo Wonen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

feit 1:

diefstal gepleegd door twee verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, terwijl de diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 5:

diefstal.

Feit 6:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 7:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 8 subsidiair:

opzetheling.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Feit 3 is volgens de officier van justitie een overtreding. Hiervoor zou derhalve een aparte straf opgelegd moeten worden, maar hierbij kan worden volstaan met verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

De officier van justitie heeft voorts aangekondigd dat hij te zijner tijd een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal maken.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair gepleit voor vrijspraak van het tenlastegelegde, met uitzondering van het feit, genoemd onder parketnummer 03/269032-11. Hij is van mening dat een geldboete van een paar honderd euro voor dit feit op zijn plaats is. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat voor het wapenbezit, indien dit bewezen zal worden verklaard, een gevangenisstraf van maximaal drie maanden per wapen passend is. Ten aanzien van feit 1 heeft hij daarnaast opgemerkt dat, indien ook dit feit bewezen zal worden verklaard, het gaat om een lichte overval, nu de juwelier kennelijk niet bang was, getuige het feit dat hij met een stoel achter de overvaller is aangegaan. Voorts verzoekt hij de op te leggen straf te matigen, nu ten aanzien van verdachte niet of nauwelijks sprake is van recidive.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft in korte tijd een groot aantal strafbare feiten gepleegd, waaronder een gewapende overval. Bij deze overval is verdachte samen met zijn mededader met een bivakmuts op een juwelierszaak ingegaan en heeft hier een overval gepleegd, waarbij een vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp is gebruikt. Een van de daders heeft de juwelier en zijn vrouw met dit wapen bedreigd. De andere dader heeft met een hamer vitrinekasten met daarin juwelen kapot geslagen, deze juwelen uit de vitrine gegrist en in een tas gedaan. Daarna zijn verdachte en zijn mededader gevlucht. De overval heeft een grote impact gehad op de eigenaren van de juwelierszaak, die beiden in de zaak aanwezig waren op het moment van de overval.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers langdurig gevoelens van angst en onzekerheid aan dit soort feiten overhouden. Ook leidt dit soort feiten tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte samen met een ander in een auto een automatisch vuurwapen met geluiddemper, voorzien van een grote hoeveelheid munitie, voorhanden gehad. Een automatisch vuurwapen is zeer gevaarlijk in handen van een onbevoegde zoals verdachte. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Voorts heeft verdachte bij een tweetal inbraken en bij twee diefstallen een groot aantal goederen buitgemaakt. Hij heeft hierdoor ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun ook in materieel opzicht schade berokkend. Hij heeft hierbij kennelijk slechts aan eigen gewin gedacht, zonder zich te bekommeren om de gevoelens van de slachtoffers.

Ten slotte heeft verdachte een mobiele telefoon van het merk Blackberry geheeld. Daarmee heeft hij de “steler” van deze telefoon geholpen bij het afzetten van het gestolen goed. Hij heeft daarmee de steler gefaciliteerd door een afzetmarkt te creëren. Ook dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft door de houding van verdachte ter terechtzitting niet de indruk gekregen dat verdachte berouw heeft van zijn handelen of dat hij inzicht heeft in het strafwaardige karakter daarvan. De rechtbank zal met dit alles bij de strafoplegging rekening houden.

Zij is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Voor het bepalen van de hoogte van deze vrijheidsstraf heeft de rechtbank allereerst gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS).

Voor een overval in een winkel geven deze oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren aan, indien er sprake is van gebruik van licht geweld. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van licht geweld, nu het geweld was gericht op goederen en niet op personen. Naast het daadwerkelijk gebruikte geweld ten aanzien van de vitrinekasten is er echter ook nog sprake geweest van bedreiging met geweld tegen personen. Deze bedreiging bestond uit het tonen van een vuurwapen, althans een voorwerp wat daarop leek, en het roepen dat er een overval gaande was en dat de eigenaren moesten gaan liggen. Hierbij zijn kennelijk ook schoten gelost. De rechtbank acht dit strafverzwarend. Ook het feit dat de overval door twee personen samen werd uitgevoerd acht de rechtbank strafverzwarend.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend. Ten aanzien van het voorhanden hebben van een geluiddemper – dat naar het oordeel van de rechtbank overigens geen overtreding is, maar een misdrijf – geven de oriëntatiepunten als uitgangspunt een boete van € 290,-.

Voor een woninginbraak acht het LOVS een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passend uitgangspunt.

De straf die aan verdachte op grond van deze uitgangspunten zou kunnen worden opgelegd, dient nog verhoogd te worden, aangezien verdachte zich ook nog schuldig heeft gemaakt aan een diefstal in een woning, een diefstal van een auto, heling van een telefoon en een inbraak in een leegstaande flat.

Gelet op dit alles zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

6 De benadeelde partijen

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

De benadeelde partij [slachtoffer 1], Beek, vordert een schadevergoeding van € 1.800,- ter zake van feit 1, bestaande uit immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 2], Beek, vordert een schadevergoeding van € 13.145,49 ter zake van feit 1, bestaande uit € 11.345,49 aan materiële schade en € 1.800,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 3], Geleen, vordert een schadevergoeding van € 9.329,- ter zake van feit 5, bestaande uit materiële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 4], Geleen, vordert een schadevergoeding van € 280,- ter zake van feit 6, bestaande uit materiële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 5], Geleen, vordert een schadevergoeding van € 163,93 ter zake van feit 8, bestaande uit materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel kunnen worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 91 dagen hechtenis. Hij vordert eveneens de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] geheel toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair hechtenis gedurende 81 respectievelijk 5 dagen. Ten slotte vordert hij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] af te wijzen, omdat hij heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 8 primair tenlastegelegde.

De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen, omdat hij in alle zaken heeft gepleit voor vrijspraak van verdachte. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat hij de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betreffende de immateriële schade niet toewijsbaar acht, omdat deze niet is onderbouwd. Ook de materiële schadevergoeding die door de benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt gevorderd dient grotendeels te worden afgewezen, omdat niet duidelijk is of deze reeds door de verzekering is vergoed. Indien er sprake is van een eigen risico per gebeurtenis van € 250,- dient hooguit dit bedrag te worden toegewezen.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] dient volgens de raadsman te worden afgewezen omdat de verzekering reeds een bedrag heeft uitgekeerd en voor het overige van de vordering geen bewijsstukken aan het dossier zijn gevoegd.

De raadsman heeft geen bezwaar tegen toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot een bedrag van € 280,-.

Betreffende de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat slechts een bedrag van € 125,-, zijnde het eigen risico, gevorderd kan worden.

De rechtbank is ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van oordeel dat deze betreffende de immateriële schade in beide gevallen

niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat in geval er geen sprake is van fysiek letsel – zoals hier aan de orde – er slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit het voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partijen behoorlijk aangeslagen waren door hetgeen is gebeurd. Zij hebben fysiek ongemak en angstgevoelens ondervonden. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partijen deze negatieve gevoelens graag op de daders zouden willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door genoemde benadeelde partijen aangevoerde gegevens onvoldoende aangevoerd.

Ten aanzien van de materiële schadevergoeding, gevorderd door de benadeelde partij [slachtoffer 2], overweegt de rechtbank dat deze voldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding dan ook hoofdelijk toewijzen. Het verweer van de raadsman dat niet duidelijk is of deze reeds door de verzekering is vergoed wordt door de rechtbank verworpen, nu de raadsman dit verweer niet nader heeft onderbouwd en de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de inhoud van het ingediende voegingsformulier.

Ten aanzien van de schadevordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank als volgt:

Uit de door [slachtoffer 3] overgelegde stukken is gebleken, dat de dagwaarde van de in zijn woning gestolen is vastgesteld op een bedrag van € 7.352,-. Door de verzekering is blijkens de vordering reeds een bedrag van € 8.237,- uitgekeerd. De rechtbank begrijpt dat [slachtoffer 3] de gestolen goederen heeft moeten vervangen en daarom graag de aankoopprijs van deze nieuwe goederen vergoed wil zien. Op grond van de wet kan de rechtbank in gevallen als het onderhavige echter slechts overgaan tot vergoeding van de dagwaarde en niet van de (vervangende) nieuwwaarde. Nu de dagwaarde reeds is vergoed kan de rechtbank daarom niet anders dan de vordering van [slachtoffer 3] afwijzen.

De rechtbank stelt op basis van het onderzoek ter terechtzitting vast dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] met betrekking tot het onder feit 6 tenlastegelegde rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 280,-, bestaande uit een vervangende slotenset van de Volkswagen Polo. Zij zal deze vordering hoofdelijk toewijzen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk verklaren, nu de schade van [slachtoffer 5] het rechtstreekse gevolg is van de diefstal van de gsm en verdachte van deze diefstal zal worden vrijgesproken. De rechtbank kan geen zodanig verband vaststellen tussen de heling (waar verdachte wel voor veroordeeld wordt) en de schade dat verdachte hier alsnog voor verantwoordelijk kan worden gehouden.

Nu aan de verdachte ter zake van de onder 1 en 6 bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] aansprakelijk is voor de schade die door deze strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7 Het beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de inbeslaggenomen munitie en de 3 gram hennep dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De hamer dient verbeurd te worden verklaard. De overige inbeslaggenomen goederen kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

7.2 Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat de bij verdachte in beslag genomen zaken afkomstig zijn van diefstal.

7.3 Het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het beslag zal de rechtbank oordelen conform de vordering van de officier van justitie.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 63, 310, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 13 en 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de (in de tenlastelegging met parketnummer 03/703486-11) onder 4 en 8 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven

voorwerp:

2011104223 23 1 hamer, 1973391;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende in beslag genomen, nog niet

teruggegeven voorwerpen:

2011098170 38 3 stuks munitie, 1977450;

2011098170 40 2 stuks munitie, 1977437;

2011104223 21 3 gram verdovende middelen, hennep;

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de volgende in beslag genomen, nog niet

teruggegeven voorwerpen:

2011098170 30 1 kentekenbewijs, 1969408, deel I;

2011098170 31 1 kentekenbewijs, 1969410, overschrijvingsbewijs

2011098170 32 1 vrijwaringsbewijs, 1969424;

2011098170 33 2 kentekenplaten, [YY-YY-YY], 1969920;

20300266873/001 24 1 navigator, MIO SPIRIT 485, 1973394;

20300266873/002 26 1 Samsung gsm, Gt-E1080, 19733404;

20300266873/003 29 1 zwarte tas, 1973409 koeltas

1 bon, 193375;

1 bankpas ABN/AMRO, 1973377;

Nederlands geld, 34,15 euro (IBG 4-9-2011);

1 ketting, 1973389, zwart koord met steentje;

3 papieren met telefoonnummers, 1973397;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], Beek, in zijn vordering niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], Beek, aan materiële schade te betalen een bedrag van € 11.345,49 (zegge:

elfduizenddriehonderdvijfenveertig euro en negenenveertig eurocent);

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet

gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2], Beek, ter zake de immateriële schade in haar vordering niet-ontvankelijk is;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] deze vordering ter zake de immateriële schade slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 91 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplich-ting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], Geleen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 4], Geleen van een bedrag van € 280,- ,

(zegge: tweehonderdtachtig euro);

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet

gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij

[slachtoffer 4] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij

[slachtoffer 4], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5

dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de

betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting

aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet

gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], Geleen, niet ontvankelijk, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 8 primair tenlastegelegde;

- bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juni 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/703486-11:

1.

hij op of omstreeks 20 augustus 2011 in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (juweliers)winkel heeft weggenomen een aantal juwelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of

dat/die juwelen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, gemaskeerd met (een) bivakmuts(en) en/of voorzien van handschoenen en/of dreigend met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de winkel binnenstormen en/of (vervolgens) meerdere schoten lossen met dat/een vuurwapen, althans met dat/een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] sommeren en/of dwingen om te gaan liggen en/of met een vuisthamer de in de winkel aanwezige vitrines stuk slaan;

2.

hij op of omstreeks 3 september 2011 te Geleen, althans in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie II onder 2, te weten een vuurwapen, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 3 september 2011 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor (een) vuurwapen(s), voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 27 juli 2010 in de gemeente Beek tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen ongeveer 600 euro, in geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) , met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of met een bivakmuts over zijn/hun hoofd de friture is/zijn binnen gegaan en/of (vervolgens) heeft/hebben gezegd "Maak de kassa open, geld geld" en/of (vervolgens) het vuurwapen gericht heeft gehouden in de richting van de aldaar aanwezige [slachtoffer 7]en/of het vuurwapen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 6] heeft gehouden en/of die [slachtoffer 6] in de richting van de kassa heeft geduwd en/of die [slachtoffer 6] heeft gesommmeerd om de kassa te openen en/of (vervolgens) het in de kassa aanwezige geld heeft weggenomen;

5.

hij in of omstreeks 30 juni 2011 tot en met 2 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [G.G.laan] heeft weggenomen (onder meer) een motor (merk BMW) en/of een tv (merk Sony) en/of een surround systeem (merk Denon) en/of meerdere computers en/of een complete set motorkleding en/of diverse motorkettingen en/of een fiets (merk Itek) en/of twee spaarpotten inhoudende ongeveer 1550 euro in totaal en/of een Ziggo decoder en/of een fotocamera (merk Nikon), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruikmaken van de huissleutels;

6.

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [P.straat]heeft weggenomen (onder meer) autosleutels en/of diverse computers en/of diverse sieraden en/of een Wii spelconsole en/of een flatscreen tv en/of een Xbox, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7.

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2011 tot en met 10 juli 2011 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, heeft weggenomen een personenauto (merk Volkswagen, type Polo, gekentekend [PP-PP-PP]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de autosleutels welke bij een inbraak in de woning van de eigenaar zijn weggenomen;

8.

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Blackberry), voorzien van imeinummer 355283048671682, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2011 tot en met 27 september 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een mobiele telefoon (merk Blackberry), voorzien van imeinummer 355283048671682, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde Blackberry wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/269032-11:

hij op of omstreeks 18 mei 2011, in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een leegstaand pand heeft weggenomen diverse metalen voorwerpen en/of koperen buizen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningmaatschappij Zo Wonen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.