Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8501

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
474841 CV EXPL 12-2138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het ontbindingsverzoek is afgewezen in verband met het ontbreken van een dringende reden/veranderingen in de omstandigheden.

Er is een reeks van onzorgvuldigheden en opmerkelijkheden die twijfel doet rijzen omtrent de feitelijke gebeurtenissen zoals deze zich op 15 en 16 maart 2012 hebben voorgedaan en omtrent de beslissing van Univar om in een of meer gedragingen van [verweerder] een dringende reden tot opzegging en/of ontbinding van de arbeidsovereenkomst te willen zien.

Als deze feiten zich al in precies de vorm, ernst en onderlinge verhouding als Univar ze percipieert, zouden hebben voorgedaan, is het bovendien nog maar de vraag of deze een ontbinding rechtvaardigen. Het enkel duwen en trekken aan een collega lijkt op het eerste oog een vergrijp dat een zodanig zwaarwegende maatregel niet rechtvaardigt. Dit zou wellicht anders zijn als het (geformaliseerde) beleid van de onderneming zo compleet en duidelijk is omtrent haar gedragsregels en de consequenties van overtreding hiervan, dat iedere werknemer de gevolgen van een bepaalde verboden of onwenselijk verklaarde handelwijze kan voorzien.

Univar heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij een zero-tolerancebeleid hanteert, maar gesteld noch gebleken is welke normen zij in haar “Code of Conduct” ten aanzien van “fysiek gedrag” hanteert en welke consequenties aan overtreding daarvan verbonden zijn.

Hetzelfde heeft te gelden voor de eventualiteit dat Univar gelijk heeft waar zij stelt dat [verweerder] over het gebeurde niet de (volle) waarheid verteld heeft. Als daarvan sprake is, is dit voor een manager weinig fraai en geen voorbeeld voor anderen in de onderneming, maar in het licht van hetgeen overigens ten aanzien van de begeleidende omstandigheden aannemelijk geworden is een “minor fault”, doch geen dringende reden.

Nu aan de subsidiaire grondslag, veranderingen in de omstandigheden, hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd is, kan hierop evenmin ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgen. De door Univar gestelde feiten zijn immers niet komen vast te staan. Voor het overige is onvoldoende gesteld ten aanzien van de beweerde vertrouwensbreuk tussen Univar en [verweerder]. De enige aanleiding is gelegen in het hiervoor uitvoerig beschreven incident en in de stelling dat [verweerder] hierover “gelogen” heeft. Door Univar is immers ter zitting herhaaldelijk bevestigd dat [verweerder] prima heeft gefunctioneerd als manager van Univar.

Gelijktijdig is - onder verwijzing naar de overwegingen in de ontbindingsbeschikking - de vordering in kort geding tot doorbetaling van loon en wedertewerstelling toegewezen."

Zie ook LJN BW8499

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 474841 CV EXPL 12-2138

typ: LE

Vonnis in kort geding van 6 juni 2012

In de zaak van

[EISER],

wonend te [woonplaats eiser],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. S.G.J. Habets, advocaat te Maastricht

tegen

de naamloze vennootschap UNIVAR ZWIJNDRECHT N.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Zwijndrecht, alsmede kantoorhoudend te Maastricht,

gedaagde partij,

verder te noemen: Univar,

gemachtigden: mr. P.F. van den Brink en mr. J.L. Sintemaartensdijk, advocaten te Dordrecht.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn de navolgende processtukken ingediend/overgelegd:

- een exploot van dagvaarding van 8 mei 2012 met producties 1 tot en met 28;

- een faxbericht van 11 mei 2012 van de zijde van Univar met bijgevoegd vijf (gekopieerde) producties (genummerd 1 tot en met 5);

- een faxbericht van 22 mei 2012 van de zijde van Univar met producties 6 tot en met 10, tevens ingekomen per post op 23 mei 2012;

- een faxbericht van 23 mei 2012 van de zijde van [eiser] met bijgevoegd producties 29 tot en met 32;

- pleitaantekeningen van de zijde van gemachtigden van beide partijen.

Partijen zijn gehoord ter gelegenheid van een eerste mondelinge behandeling op 14 mei 2012 en vervolgens - naar aanleiding van toen gerezen vragen die nadere opheldering vergden - op een tweede zitting die op 23 mei 2012 plaatsvond. Gelijktijdig heeft de behandeling van het door Univar tegen [eiser] ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zaaknummer: 473575 AZ VERZ 12-82) plaatsgevonden. Door de griffier is van het verhandelde ter zitting van 14 respectievelijk 23 mei 2012 schriftelijk aantekening gehouden.

Vervolgens is de beslissing bepaald op heden, tegelijk met de uitspraak in de vermelde verzoekschriftprocedure.

2. MOTIVERING

De vaststaande feiten

[eiser] (door Univar in de processtukken consequent aangeduid als “[eiser]” en in het arbeidscontract als “[eiser]”), geboren op 8 april 1969, is sedert 1 september 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst van Univar in de functie van marketing manager tegen een loon van laatstelijk € 5.575,99 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en bonus.

Univar oefent een groothandel in chemische grondstoffen en chemicali?n voor industri?le toepassing uit als onderdeel van een internationaal opererend concern.

[eiser] is werkzaam als leidinggevende van de vestiging Maastricht, handelend onder de naam “Impact Europe”. Deze afdeling van Univar is verantwoordelijk voor marketing van chemische producten en houdt zich onder andere bezig met (inkoopgerelateerde) campagnes en marktonderzoek. Op de vestiging werken vier medewerkers die in vaste dienst van Univar zijn en een wisselend aantal uitzendkrachten.

Een van de door Univar ingeleende uitzendkrachten in 2012 was [medewerker 1].

[medewerker 1] was door InterUM Young Professionals gedetacheerd.

Op 16 maart 2012 heeft een incident plaatsgevonden tussen [eiser] en [medewerker 1], dat voor [medewerker 1] aanleiding was om een klacht tegen [eiser] in te dienen. Naar aanleiding van deze klacht is door Univar een onderzoek ingesteld, dat erin geresulteerd heeft dat [eiser] onverwijld opgezegd (op staande voet ontslagen) is op 21 maart 2012. Het ontslag is bij brief van 22 maart 2012 schriftelijk bevestigd (productie 7 bij het exploot). [eiser] heeft - bij schrijven van zijn gemachtigde van 27 maart 2012 (productie 8 bij het exploot) - laten weten dat hij van mening is dat het aangezegde ontslag niet rechtsgeldig is, maar nietig althans vernietigbaar. Hij heeft aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn loon en op wedertewerkstelling.

Het geschil

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. Univar te veroordelen tot betaling van het loon van € 5.575,99 bruto per maand vanaf 22 maart 2012 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn be?indigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag dat Univar in gebreke is tot de dag van algehele voldoening;

2. Univar te veroordelen om haar verplichtingen uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst onverkort na te komen, waaronder betaling van 7% loonsverhoging met ingang van 1 april 2012 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn be?indigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag dat Univar in gebreke is tot de dag van algehele voldoening;

3. Univar te bevelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot de bedongen werkzaamheden als marketing manager Impact Europe, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat Univar hiermee in gebreke blijft;

subsidiair

elke andere onmiddellijke voorziening (bij voorraad) te treffen die de kantonrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van [eiser];

primair en subsidiair

Univar te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld, dat Univar nooit tot onverwijlde opzegging had mogen overgaan, nu daarvoor geen enkele rechtvaardiging bestond. Het door Univar naar aanleiding van de klacht van [medewerker 1] ingestelde onderzoek is niet zorgvuldig uitgevoerd en de daaruit getrokken conclusie is onjuist. [eiser] is dan ook primair van mening dat de aangevoerde (objectieve) dringende reden niet bewezen is en dat het ontslag op staande voet (in een bodemprocedure) geen stand kan houden.

Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat het geven van een duw en/of het vastpakken van een arm het aangezegde ontslag op staande voet niet rechtvaardigt.

Univar heeft tegen de vorderingen van [eiser] gemotiveerd verweer gevoerd, waarop - voor zover relevant - onder de beoordeling nader zal worden ingegaan.

De beoordeling

De kantonrechter acht het spoedeisende belang, mede gelet op de aard van de vordering, aannemelijk.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat hetgeen thans gevorderd wordt, in min of meer dezelfde vorm goede kans van slagen heeft bij de bodemrechter. Deze vaststelling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren gebracht is, afgezet tegen de geprognosticeerde kansen in een eventuele bodemprocedure.

Gelet op de door partijen ingediende stukken en op hetgeen tijdens de zittingen naar voren gebracht is, is de kantonrechter van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid gezegd kan worden dat de vorderingen van [eiser] ten aanzien van Univar in een bodemprocedure voor toewijzing vatbaar zijn en dat de bodemrechter de onverwijlde opzegging bij gebreke van een valide dringende reden zal vernietigen.

Met betrekking tot het primaire standpunt van [eiser] - dat de aangevoerde (objectieve) dringende reden niet bewezen is en dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden - wordt verwezen naar hetgeen overwogen is in de beschikking van 6 juni 2012, zaaknummer 473575 AZ VERZ 12-82 onder 2.6 tot en met 2.9. Uit deze overwegingen volgt dat het feitencomplex waarop Univar haar beslissing genomen heeft om [eiser] onverwijld op te zeggen, twijfelachtig is. Er is een reeks van onzorgvuldigheden en opmerkelijkheden die twijfel doet rijzen omtrent de feitelijke gebeurtenissen zoals deze zich op 15 en 16 maart 2012 hebben voorgedaan en omtrent de beslissing van Univar om in een of meer gedragingen van [eiser] een dringende reden te willen zien.

Voor het subsidiaire standpunt - dat het geven van een duw en/of het vastpakken van een arm het aangezegde ontslag op staande voet niet rechtvaardigt - wordt verwezen naar hetgeen in dezelfde beschikking overwogen is onder 2.10. Uit de door Univar toegepaste “Code of Conduct” volgt niet dat Univar ten aanzien van “fysiek gedrag” een voldoende specifieke en door [eiser] overtreden norm hanteert en evenmin dat daaraan de thans toegepaste consequenties bij overtreding verbonden zijn.

Nu - gelet op deze overwegingen - vooralsnog niet gebleken is van de aanwezigheid van een dringende reden die de onverwijlde opzegging rechtvaardigt, is de door [eiser] gevorderde doorbetaling van loon toewijsbaar. Bij gebrek aan valide verweer is de gevorderde loonsverhoging van 7% met ingang van 1 april 2012 eveneens toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de medegevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde wedertewerkstelling heeft Univar eveneens verzuimd expliciet verweer te voeren. Univar heeft zich wel op het standpunt gesteld dat zij haar vertrouwen in [eiser] verloren heeft, enerzijds ten gevolge van het voorval met [medewerker 1] en anderzijds ten gevolge van het feit dat [eiser] hierover “gelogen heeft” (de waarheid geweld aangedaan heeft). Bovendien stelt zij dat medewerkers “bang zijn” voor [eiser] na het incident met [medewerker 1].

Deze omstandigheden zouden aan een wedertewerkstelling in de weg kunnen staan. Nu het feitencomplex waarvan Univar [eiser] de verantwoordelijkheid in de schoenen schuift, echter niet is komen vast te staan, kan geen uitsluitsel worden verkregen omtrent de handelwijze van [eiser]. Hierin kan derhalve geen belemmering worden gevonden om hem tewerk te stellen.

Evenmin is komen vast te staan dat en in welk opzicht [eiser] over zijn handelwijze “gelogen” heeft. Derhalve is er vooralsnog geen aanleiding om het vertrouwen in hem op te zeggen.

Zelfs al zou de zienswijze van Univar op het incident tussen [eiser] en [medewerker 1] juist zijn, dan nog is het maar de vraag of dit aan een terugkeer van [eiser] bij Univar in de weg staat, zelfs als [eiser] hierover niet de waarheid verklaard zou hebben. De ernst van het incident is, mede gelet op het gebrek aan een norm dienaangaande, niet zodanig dat dit tot gevolg heeft dat [eiser] zijn functie niet meer kan uitoefenen. In het geval [eiser] hierover niet of niet ten volle naar waarheid zou hebben verklaard, is er wellicht aanleiding om hem erop aan te spreken dat het verhullen van de waarheid zeker van een leidinggevende niet kan worden getolereerd. Voor zover bekend heeft een dergelijke situatie zich niet eerder voorgedaan en zal volstaan kunnen worden met een waarschuwing, onder aanzegging van de gevolgen bij herhaling. Er is geen aanleiding om hieraan direct het gevolg te verbinden dat [eiser] niet meer bij Univar tewerkgesteld zal kunnen worden.

Ten aanzien van de bewering van Univar dat medewerkers na het incident met [medewerker 1] bang zouden zijn voor [eiser], is volstrekt onvoldoende gesteld. Univar heeft hier in de loop van de procedure niets meer over vermeld. Bovendien wijst geen van de door Univar op schrift gestelde of door haar verkregen verklaringen in die richting en leveren houding en gedrag van [eiser] ter terechtzitting bepaald geen indicaties van een persoon die anderen angst aanjaagt. Derhalve is ook hierin geen belemmering te vinden om [eiser] weder tewerk te stellen.

De vordering tot wedertewerkstelling dient derhalve te worden toegewezen.

De medegevorderde dwangsom is - bij gebrek aan enig verweer - toewijsbaar, met dien verstande dat deze in totaal een bedrag van € 150.000,- niet zal overschrijden.

Univar dient, als merendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden verwezen in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 563,64, waarvan € 90,64 aan explootkosten, € 73,- aan griffierecht en € 400,- voor het salaris van de gemachtigde.

3. BESLISSING

Veroordeelt Univar tot betaling aan [eiser] van het loon van € 5.575,99 bruto per maand vanaf 22 maart 2012 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn be?indigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag dat Univar in gebreke is tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt Univar om haar verplichtingen uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst onverkort na te komen, waaronder betaling van 7% loonsverhoging met ingang van 1 april 2012 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn be?indigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag dat Univar in gebreke is tot de dag van algehele voldoening.

Beveelt Univar om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot de bedongen werkzaamheden als marketing manager Impact Europe, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat Univar hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 150.000,- aan te verbeuren dwangsommen.

Veroordeelt Univar tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op in totaal € 563,64, waarvan € 90,64 aan explootkosten, € 73,- aan griffierecht en

€ 400,- voor het salaris van de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.