Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8260

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
477109 CV EXPL 12-2380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak; ontruiming toegewezen. Afwijzen griffierecht en explootkosten o.g.v. nodeloos begonnen procedure op basis van art. 254 Rv i.p.v. 233 Rv procedure te starten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 477109 CV EXPL 12-2380

Vonnis in kort geding van 13 juni 2012

in de zaak

[eiser],

woonplaats gekozen hebbend te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. A. Kara, advocaat te Maastricht,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonend te [adres],

gedaagde partij,

verder gezamenlijk te noemen [gedaagden]

niet verschenen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Tot het procesdossier behoort naast de beschikking dagbepaling d.d. 24 mei 2012 een exploot van dagvaarding d.d. 31 mei 2012, met vijf (deels meervoudige) meebetekende producties.

De zaak is mondeling behandeld op maandag 11 juni 2012 in aanwezigheid van [eiser], bijgestaan door haar raadsman mr. A. Kara.

Partij [gedaagden] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

De griffier heeft van het verhandelde ter zitting schriftelijk aantekening gehouden.

Daarna is vonnis bepaald waarvan de uitspraak op heden gesteld is.

MOTIVERING

[eiser] vordert bij wege van onmiddellijke voorziening bij voorraad veroordeling van [gedaagden] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte gelegen te [woonplaats] aan de [adres] met alle (van haar zijde aanwezige) personen en zaken te verlaten en te ontruimen en het gehuurde onder afgifte van alle sleutels geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, met machtiging aan [eiser] om zo nodig die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met inschakeling van justitie en politie indien [gedaagden] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, alsmede [gedaagden] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.658,50 te vermeerderen met de wettelijke rente en verschuldigde boete vanaf de dag van het vervallen zijn van de verschillende huurtermijnen tot de dag van algehele betaling.

Tevens vordert [eiser] veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de kosten van het geding.

Mede gelet op het tegen [gedaagden] verleende verstek, kan als vaststaand tussen partijen worden aangenomen dat [eiser] met ingang van 1 februari 2011 aan [gedaagden] verhuurt de woonruimte staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] tegen een huurprijs van € 936,70 per maand.

[eiser] stelt dat [gedaagden] een achterstand in de huurbetalingen heeft die tot en met de maand mei 2012 in totaal € 4.658,50 bedraagt.

[eiser] heeft verder nog gesteld dat zij [gedaagden] reeds eerder in een procedure voor de kantonrechter heeft betrokken over ontstane huurachterstand. In die procedure, bekend onder zaaknummer 447200 CV EXPL 11-4506, heeft [gedaagden] zich beroepen op (kleine) gebreken aan het gehuurde. In die procedure heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden waarna de zaak aangehouden is omdat er nadere informatie door [gedaagden] diende te worden verstrekt, hetgeen tot op heden nog steeds niet is gebeurd.

Hoewel [eiser] alle door [gedaagden] opgesomde gebreken heeft hersteld, heeft [gedaagden] sedertdien geen enkel huurbedrag betaald.

Op grond van het bij herhaling in gebreke blijven en het groeien van de huurachterstand is [eiser] van mening, althans zo begrijpt de kantonrechter haar stellingen, dat zij een spoedeisend belang heeft om in deze procedure, vooruitlopend op een beslissing in de bodemprocedure, reeds thans ontruiming van het gehuurde te vorderen en een voorschot te vorderen op de in de bodemprocedure aan haar toe te wijzen achterstallige huur.

Het spoedeisende belang van [eiser] is gelegen in het feit dat zij voor de betaling van de hypotheekschuld die betrekking heeft op de litigieuze woning, aangewezen is op de betaling van de huur door [gedaagden]. Omdat [gedaagden] reeds geruime tijd geen huur betaalt, is [eiser] niet in staat aan haar financiële verplichtingen uit de hypothecaire geldlening te voldoen waardoor zij zelf in een noodsituatie terecht is gekomen.

Tegen [gedaagden] is verstek verleend. Hieruit leidt de kantonrechter vooralsnog af dat [gedaagden] er weinig belang aan hecht om nog langer in het gehuurde te blijven.

Zou zij dit belang wel vooropstellen, dan is de gedemonstreerde proceshouding (het uitblijven van iedere vorm van verweer in dit kort geding) onbegrijpelijk.

Het door [eiser] gestelde spoedeisende belang is door [gedaagden] enerzijds niet weersproken en anderzijds verre van onaannemelijk.

Gelet op hetgeen door [eiser] ter zake is gesteld, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden wegens aanmerkelijke en toerekenbare tekortkoming van [gedaagden]. Ook de actuele achterstand in de huurbetaling is niet bestreden, zodat een gevorderd bedrag van € 4.658,50 voor toewijzing in aanmerking komt (met de rente).

De vordering van [eiser] ligt derhalve voor toewijzing gereed, waarbij de kantonrechter de ontruimingstermijn zal stellen op twee weken na betekening van dit vonnis.

Weliswaar heeft [eiser] naast een bevel tot ontruiming tevens gevorderd dat zij gemachtigd wordt een dergelijke ontruiming zelf te doen uitvoeren, maar die nevenvordering leent zich niet voor toewijzing. De artikelen 555 en 556 Rv stellen immers buiten twijfel dat de ontruiming geschiedt door een (gerechts)deurwaarder die zijn bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, zodat een afzonderlijke rechterlijke machtiging overbodig is.

Ook is niet toewijsbaar de door [eiser] gevorderde boete, nu deze eventueel door [gedaagden] verschuldigde boete op generlei wijze onderbouwd is.

Onduidelijk is waarom [eiser] voor deze vordering gekozen heeft voor de weg van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en niet voor een vordering ex artikel 223 Rv in het bestek van de (nog steeds) aanhangige bodemzaak. Nu [eiser] gekozen heeft voor de weg van artikel 254 Rv, dient zij nogmaals griffierecht en explootkosten te betalen, hetgeen voorkomen had kunnen worden indien zij gekoerst had op een voorlopige voorziening in de al lopende huurzaak. De voorzieningenrechter is derhalve van mening dat deze kosten (griffierecht en explootkosten) als nodeloos aangewend voor rekening van [eiser] dienen te komen.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagden] wel de overige kosten van het geding te dragen.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en te verlaten met al degenen die zich daar harentwege bevinden en al hetgeen zich daarin harentwege bevindt, alsmede het gehuurde, onder afgifte van alle sleutels, geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen.

Veroordeelt [gedaagden] verder om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 4.658,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vervallen zijn van de verschillende huurtermijnen tot de dag van betaling.

Veroordeelt [gedaagden] ten slotte tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot heden in totaal begroot op € 400,00 ter zake van salaris van de gemachtigde van [eiser].

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. STAAL, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

HP