Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW6833

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
03/855595-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag op motoragent, gepleegd door een bestuurder van een snorfiets (voorwaardelijk opzet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/855595-11

vonnis van de meervoudige kamer in kinderstrafzaken d.d. 15 maart 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. S.X.J. Zuidema, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de achter gesloten deuren gehouden zitting van

1 maart 2012, waarbij de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd om die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) op een zodanige wijze heeft gereden, dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

Feit 2: een bromfiets heeft geheeld.

Feit 3: op een bromfiets heeft gereden, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert haar standpunt op de aangifte van verbalisant

[slachtoffer], de processen-verbaal van bevindingen en de verklaring van de getuige

[naam getuige]. Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte als bestuurder van een bromfiets met een snelheid van ongeveer 60 of 70 kilometer per uur op de wegen, de Heigank en de N299, meermalen plotseling heeft ingestuurd op de zich naast hem, op een politiemotor rijdende [slachtoffer]. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een aanrijding tussen hem en de motoragent had kunnen ontstaan, hetgeen voor de motoragent dodelijk letsel tot gevolg had kunnen hebben. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht (LJN: BV 6316).

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij tijdens de achtervolging alleen vóór zich heeft gekeken en dus niet bewust met zijn bromfiets op de motoragent heeft ingestuurd, niet aannemelijk. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat uit voormelde bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte kort voor het insturen op de motoragent opzij heeft gekeken in de richting van motoragent [slachtoffer]. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de officier van justitie het niet aannemelijk dat verdachte niet in de gaten heeft gehad dat de agent op politiemotor naast hem reed en hem tot stoppen wilde dwingen.

Ten aanzien van feit 2 en 3

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [aangever] en de verklaring van verdachte bij de politie. Verdachte heeft de bromfiets naar eigen zeggen gekocht van een onbekende jongen van Marokkaanse afkomst. De verkoop vond plaats op de kermis en de prijs van de bromfiets bedroeg 300 euro. Verdachte heeft geen navraag gedaan naar de herkomst van de bromfiets. Daarbij komt dat de bromfiets niet was voorzien van een geldig kentekenbewijs. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het vermoeden had dat er iets niet klopte. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden om de bromfiets te kopen. Gelet op vorenstaande, kan worden geconcludeerd dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets van diefstal afkomstig was. Door desondanks de bromfiets te kopen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling.

Met betrekking tot feit 3 heeft de officier van justitie haar standpunt gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van bevindingen en de uitdraai van ROMA, waaruit blijkt dat verdachte niet beschikt over een geldig rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe allereerst – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte het bloot opzet heeft gehad op de dood van de motoragent, zijnde [slachtoffer], dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer]. Verdachte heeft steevast ontkend dat hij bewust op de motoragent is ingereden. Naar eigen zeggen had hij last van tunnelvisie en heeft hij tijdens de achtervolging alleen maar recht voor zich gekeken. Hij heeft uit alle macht geprobeerd om zich aan de aanhouding te onttrekken. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte in ieder geval niet bewust op de motoragent is ingereden, met de bedoeling hem dood te maken, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat evenmin kan worden bewezen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de motoragent, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de motoragent. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden aangenomen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn weggedrag een aanrijding zou ontstaan met voor de motoragent dodelijk letsel, dan wel zwaar lichamelijk letstel tot gevolg. Verdachte heeft verklaard dat hij niet uit was op een aanrijding. Bovendien is het niet aannemelijk dat verdachte de kans op een aanrijding op de koop toe heeft toegenomen, terwijl hij wist dat hij ten gevolge van een botsing met de motoragent zelf ook aanzienlijk gevaar zou oplopen. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een tweetal arresten van de Hoge Raad, te weten het Porsche-arrest (Hoge Raad 15 oktober 1996, NJ 1997, 199) en het A73-arrest (Hoge Raad 5 december 2006, LJN: AZ1668). Volgens de raadsman kan zonder meer worden gezegd dat verdachte roekeloos heeft gereden. Roekeloos rijgedrag brengt op zichzelf echter niet zomaar voorwaardelijk opzet met zich. Immers, bij roekeloos rijgedrag worden de risico’s van een bepaalde gedraging te lichtzinnig ingeschat, hetgeen betekent dat verdachte dus niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ten gevolge van zijn rijgedrag de motoragent zou overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De raadsman acht het voorwaardelijk opzet, gericht op zowel de poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling van motoragent [slachtoffer], gelet op het vorenstaande, dan ook niet aannemelijk.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2 en 3

De raadsman heeft zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 13 oktober 2011 bevonden de verbalisanten Van D. en V. zich op de Brunssummerweg, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Landgraaf. Op enig moment zagen zij dat een persoon, rijdend op een snorfiets, een middengeleider op de weg aan de linkerkant passeerde. De bestuurder van de snorfiets droeg geen helm. Ter controle van de juiste naleving van de Wegenverkeerswet 1994, gaven de verbalisanten, die zich op dat moment verplaatsten in een politieauto, de bestuurder van de bromfiets een stopteken.

De bestuurder voldeed niet aan het stopteken, maar reed gewoon door. Hierop werd door de verbalisanten de achtervolging ingezet. De bestuurder van de snorfiets keek om in de richting van de verbalisanten en ging vervolgens hevig slingerend over de weg rijden. Dit belette de verbalisanten om vóór de snorfiets te gaan rijden om deze aan de kant te zetten. Uiteindelijk konden de verbalisanten de bestuurder van de snorfiets passeren. Zij gaven hem opnieuw een stopteken, waarop de bestuurder zijn snorfiets keerde en terug reed in de richting van de Brunssummerweg. De verbalisanten zagen dat de bestuurder van de snorfiets over het trottoir reed aan de rechterzijde van de weg en dat hij vervolgens rechtsaf sloeg, de Brunssumerweg op en nog steeds slingerende bewegingen maakte met zijn snorfiets over de gehele breedte van de weg. De gehele achtervolging gebeurde met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur.

Aan het einde van de Brunssumerweg, komende bij de Hoogstraat, zagen de verbalisanten dat de snorfiets een motorrijder met een opvallende dienstmotor en gekleed in een opvallend politie-uniform, passeerde. De bestuurder van de snorfiets stak de rotonde aan de Hoogstraat over, in de richting van de Heigank. De politiemotor zette daarop eveneens de achtervolging in. Hij voerde daarbij blauw zwaailicht. De verbalisanten zagen vervolgens dat de motoragent meerdere malen naast de bestuurder van de snorfiets ging rijden en met zijn rechterhand een stopteken gaf. De bestuurder van de bromfiets keek naar de motorrijder, maar gaf geen gehoor aan het stopteken. Voorts zagen de verbalisanten dat de bestuurder van de bromfiets opnieuw naar de motoragent keek en vervolgens met een harde ruk aan het stuur, op de motoragent instuurde. De motoragent werd net niet geraakt. Zij zagen dat de motoragent vervolgens nog meerdere keren hard moest remmen vanwege eenzelfde actie door de bestuurder van de snorfiets. Dit gebeurde op de Heigank ten minste twee keer. De motoragent moest meerdere keren bruusk wegsturen om een aanrijding met de snorfiets te voorkomen. Op de Heigank bleef de bestuurder van de snorfiets hevig slingerend rijden en hij reed opnieuw via de linkerzijde een vluchtheuvel voorbij. Het tegemoet komend verkeer moest hard remmen en aan de rechterkant van de weg stoppen om een aanrijding met de bestuurder van de snorfiets te voorkomen. De bestuurder van de snorfiets vervolgde zijn weg via de Herenweg en de Schanserweg, richting de N299. De achtervolging ging nog steeds met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur. Eenmaal op de N299 lukte het de verbalisanten om de bestuurder van de snorfiets te passeren en deze aan te houden. De bestuurder van de snorfiets bleek te zijn: [naam verdachte], zijnde verdachte.

Door verbalisant [slachtoffer] (verder te noemen: [slachtoffer]), zijnde de bestuurder van de politiemotor, werd eveneens een relaas van bevindingen opgemaakt. [slachtoffer] relateerde dat hij op 13 oktober 2011 doende was met de incidentenafhandeling binnen het district Heerlen. Hij reed hierbij op een opvallende dienstmotor en was tevens gekleed in een opvallend politie-uniform. Omstreeks 19.40 uur hoorde [slachtoffer] dat door een andere politiepatrouille de achtervolging was ingezet van een snorfiets, welke achtervolging op dat moment plaatsvond op de Brunssummerweg te Landgraaf. Na het horen van deze melding reed [slachtoffer], die zich op dat moment op de Hoogstraat bevond, in de richting van de Brunssumerweg. [slachtoffer] zag vervolgens dat een politieauto met zwaailicht en sirene kwam aanrijden en dat de snorfiets via de rotonde Brunssumerweg/Hoogstraat, richting de Heigank reed. [slachtoffer] reed vervolgens direct achter de snorfiets aan. Hij zag op de snelheidsmeter van de motor dat hij reed met een snelheid van 70 kilometer per uur. De snorfiets reed met eenzelfde snelheid als zijn dienstmotor. [slachtoffer] had tevens zijn blauwe zwaailichten ontstoken. [slachtoffer] is vervolgens naast de snorfiets gaan rijden, om de bestuurder een stopteken te kunnen geven. Vervolgens zag hij dat de bestuurder van de snorfiets direct in zijn richting stuurde. Hij deed dit met een directe stuurbeweging in de richting van de motor. [slachtoffer] moest hard remmen en direct uitwijken om een aanrijding te voorkomen. De snorfiets reed met onverminderde snelheid door. [slachtoffer] probeerde nogmaals om naast de snorfiets te gaan rijden om hem te stoppen. Hierop maakte de bestuurder van de snorfiets opnieuw een stuurbeweging in de richting van zijn motor. [slachtoffer] moest wederom hard remmen en direct uitwijken om een aanrijding te voorkomen. De bestuurder van de snorfiets vervolgde zijn weg via de Schanserweg, in de richting van de N299. Eenmaal op de N299 werd de bestuurder van de snorfiets door een andere politiepatrouille aangehouden. Door verbalisant [slachtoffer] werd na het voorval aangifte gedaan tegen verdachte wegens poging tot doodslag c.q. poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij uit paniek was weggereden voor de politie. Hij gaf toe dat hij tijdens de achtervolging over de weg had geslingerd, vluchtheuvels aan de linkerkant was gepasseerd en over de stoep had gereden. Het zou volgens verdachte wel kunnen dat hij met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur had gereden. Verdachte verklaarde dat hij zich achteraf realiseert dat de motoragent ten gevolge van een aanrijding dood had kunnen gaan.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte onvoorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de motoragent [slachtoffer], in die zin dat hij willens en wetens zou hebben geprobeerd de motoragent te doden. Vervolgens dient beoordeeld te worden of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de motoragent. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden en verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Is er sprake van een aanmerkelijke kans op de dood?

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De rechtbank heeft bij de beantwoording van die vraag het volgende in overweging genomen.

Verdachte heeft gezien dat hij werd achtervolgd door verschillende politievoertuigen, waaronder een politiemotor. Naar eigen zeggen zag verdachte de zwaailichten en was hij zich ervan bewust dat de politie hem aan de kant wilde zetten. Desondanks is hij niet gestopt. Integendeel, verdachte heeft getracht zich te onttrekken aan de staande houding door met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur door te rijden. Eenmaal op de weg, de Heigank, heeft verdachte blijkens de bevindingen van de verbalisanten Van D., V. en [slachtoffer], meermalen plotseling ingestuurd op de naast hem rijdende motoragent. Verbalisant [slachtoffer] moest telkens hard remmen en de snorfiets direct ontwijken om een aanrijding te voorkomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het met een bromfiets, rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur, meermalen plotseling op een motorrijder insturen, onder de gegeven omstandigheden naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op een ernstige aanrijding met dodelijke gevolgen voor de motorrijder oplevert. De rechtbank heeft daarbij tevens in overweging genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat motorrijders zeer kwetsbare verkeersdeelnemers zijn en dat de gevolgen van een motorongeval zeer ernstig kunnen zijn voor de bestuurder van de motor.

Heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust aanvaard?

De vaststelling dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood is echter nog niet voldoende om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzet op de dood te kunnen concluderen. Daarvoor is ook nodig dat vaststaat dat de verdachte die aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. De rechtbank neemt in de beoordeling van deze vraag in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte over een langere afstand uiterst risicovol heeft gereden. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur slingerend over de weg. Daarnaast is hij over de stoep gereden en heeft hij meermalen vluchtheuvels aan de verkeerde kant gepasseerd. Uit vorenstaande leidt de rechtbank af dat de verdachte al voorafgaand aan het insturen op de naast hem rijdende politiemotor, onaanvaardbare risico’s in het verkeer heeft genomen om te ontkomen aan de politie.

Eenmaal rijdend op de weg, de Heigank, heeft verdachte meermalen plotseling ingestuurd op de zich naast hem op een politiemotor rijdende [slachtoffer]. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de politiemotor niet heeft gezien omdat hij tijdens de achtervolging alleen recht voor zich heeft gekeken, niet aannemelijk. Verdachte wist dat hij werd achtervolgd door de politiemotor. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de instuurhandeling, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat die handeling bewust gericht was op de op dat moment naast hem rijdende motoragent. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten Van D. en V. is bovendien gebleken dat verdachte kort voor het insturen op de motoragent opzij heeft gekeken in de richting van [slachtoffer].

De rechtbank is voorts in het geheel niet gebleken van handelingen waaruit zou moeten worden afgeleid dat verdachte op enigerlei wijze risico’s voor zichzelf, de motoragent of andere weggebruikers heeft willen vermijden of beperken.

Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte - door te handelen zoals hiervoor is omschreven - de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat zijn weggedrag zou kunnen leiden tot een aanrijding met dodelijke gevolgen voor de motoragent.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk geprobeerd heeft (in de zin van voorwaardelijk opzet) om de motoragent [slachtoffer] van het leven te beroven.

Feit 2

Op 13 oktober 2011 werd verdachte, na een achtervolging door de politie, aangehouden als bestuurder van een snorfiets. De achtervolging vond plaats in de gemeente Kerkrade en de gemeente Landgraaf. De snorfiets, merk Piaggio, werd door de politie in beslag genomen. Uit een identiteitsonderzoek van de snorfiets bleek dat deze als gestolen stond geregistreerd.

De verdachte verklaarde in zijn verhoor bij de politie dat hij de bromfiets op de kermis had gekocht van een voor hem onbekende jongen van Marokkaanse afkomst. Verdachte had

€ 300,- betaald voor de bromfiets. De bromfiets was niet voorzien van een geldig kentekenbewijs. Verdachte wist naar eigen zeggen niet dat de bromfiets gestolen was, maar had wel in zijn achterhoofd dat deze van diefstal afkomstig kon zijn.

Ter terechtzitting voegde verdachte aan voormelde verklaring toe dat hij op de kermis op zoek was gegaan naar iemand die een bromfiets wilde verkopen. Uiteindelijk was hij terecht gekomen bij de voor hem onbekende jongen van Marokkaanse afkomst. De Marokkaanse jongen had hem verteld dat de scooter een ongeluk had gehad en in het verleden een keer in beslag was genomen in verband met de verzekering. Verdachte was daar verder niet op ingegaan en had de scooter gekocht.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte de bromfiets heeft gekocht van een onbekende jongen van Marokkaanse afkomst. De verkoop vond plaats op de kermis en de prijs van de bromfiets bedroeg € 300,-. Verdachte heeft geen, althans onvoldoende navraag gedaan naar de herkomst van de bromfiets. Daarbij komt dat bij de verkoop van de bromfiets geen geldig kentekenbewijs werd overhandigd. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om de bromfiets te kopen. Onder voormelde omstandigheden had verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs moeten vermoeden dat de door hem gekochte bromfiets van diefstal afkomstig was. Daarbij heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat in zijn achterhoofd had dat de bromfiets van diefstal afkomstig kon zijn. De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde, te weten schuldheling.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

- het proces-verbaal van bevindingen;

- de verklaring met betrekking tot verificatie rijbewijsgegevens middels ROMA;

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 13 oktober 2011, in de gemeente Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een bromfiets rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur op de weg, de Heigank, meermalen plotseling heeft ingestuurd op de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en Landgraaf, een bromfiets (Piaggio) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

op 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) heeft gereden op de weg, de Kleikoelenweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

schuldheling.

Ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt dat verdachte een agressieregulatietraining (ART) dient te volgen en/of gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd dient deel te nemen aan het traject ITB-Harde Kern.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie indien de werkstraf niet binnen een jaar naar behoren wordt verricht. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient in mindering te worden gebracht op de werkstraf, naar rato van 2 uren per dag.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie te hoog en heeft de rechtbank verzocht om deze straf te matigen. Dit geldt ook indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen van het onder 1 primair of subsidiair tenlastegelegde. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het door Bureau Jeugdzorg over verdachte opgemaakte rapport en met de omstandigheid dat verdachte - nadat hij was aangehouden - zonder enige aanleiding een vuistslag in zijn gezicht heeft gekregen van verbalisant [slachtoffer]. Tot slot heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte berouw heeft getoond voor zijn gedrag.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzondere het volgende in overweging genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, schuldheling en rijden zonder rijbewijs. Met name het eerste feit, te weten de poging tot doodslag, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De politie heeft verdachte achtervolgd, waarbij verdachte meerdere stoptekens heeft genegeerd. Tijdens de achtervolging heeft verdachte een aantal levensgevaarlijke manoeuvres uitgehaald op zijn bromfiets. Hij heeft met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur bewust meermalen op een naast hem rijdende politiemotor ingestuurd. Daarnaast heeft hij slingerend over de weg gereden, vluchtheuvels aan de verkeerde kant gepasseerd en over de stoep gereden. Verdachte heeft koste wat het kost aan een aanhouding willen ontkomen en heeft dit zwaarder laten wegen dan het leven van een daarbij betrokken politieagent. Daarbij komt dat verdachte ook zijn eigen leven en het leven van andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht. Dat de motoragent het voorval zonder kleerscheuren heeft doorstaan is niet aan verdachte te danken.

De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat het handelen van verdachte gericht was tegen politieambtenaren. Het is immers van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren hun werkzaamheden kunnen doen en niet worden tegengewerkt of belemmerd in de uitoefening van hun functie. Verdachte heeft door zijn gedragingen het gezag en respect dat de politie toekomt in ernstige mate miskend. Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat het voorval een grote impact heeft gehad op het slachtoffer [slachtoffer]. Hij was na de aanhouding van verdachte zelfs dermate ontdaan over het gedrag van verdachte, dat hij uit een reflex een vuistslag heeft gegeven in het gezicht van verdachte. Hoewel deze reactie van het slachtoffer werd veroorzaakt door een opwelling van emotie, en in die zin te begrijpen valt, acht de rechtbank deze gedraging van verbalisant [slachtoffer] ongepast en ongeoorloofd. Het is niet de bedoeling dat politieambtenaren het heft in eigen handen nemen. De vuistslag heeft een impact gehad op de minderjarige verdachte. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf hiermee ook rekening houden. Voorts rekent de rechtbank de verdachte aan dat hij, behalve voormelde poging tot doodslag, zich tevens schuldig heeft gemaakt aan schuldheling en rijden zonder rijbewijs. Verdachte heeft van een onbekende jongen een bromfiets gekocht voor € 300,-. Verdachte had weliswaar het vermoeden dat de bromfiets van diefstal afkomstig kon zijn, doch dit heeft hem er niet van weerhouden om de bromfiets te kopen. De rechtbank acht dit kwalijk, nu verdachte een gewaarschuwd mens was. Hij is in het verleden immers een keer eerder veroordeeld wegens schuldheling. Kennelijk heeft hij daar niet van geleerd. Dat laatste geldt ook voor het rijden zonder rijbewijs.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 oktober 2011 en de rapporten van Bureau Jeugdzorg d.d. 10 november 2011 en 16 februari 2012. Daarnaast heeft zij acht geslagen op hetgeen door de gezinsvoogd A. Peters en de jeugdreclasseerder S.J.H. L’Espoir omtrent de persoon van verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Uit voormelde rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming is onder andere gebleken dat bij verdachte sprake is van agressieproblematiek. Verdachte kan snel in de stress geraken en dit dan op een verkeerde manier afreageren. Hij is een relationeel beschadigde jongen met beperkte zelfregulatieve mogelijkheden en een discrepant intelligentieprofiel. Verder lijkt er sprake te zijn van stemmingswisselingen, mogelijk veroorzaakt door het gebruik van softdrugs. Volgens de Raad voor de Kinderbescherming is het, gelet op de problematiek van verdachte, van belang dat de begeleiding van verdachte, ook na zijn 18e levensjaar, zal worden gecontinueerd door middel van begeleiding door de Jeugdreclassering.

Uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van S.J.H. L ‘Espoire is naar voren gekomen dat het gevaar voor recidive aanwezig blijft, zolang verdachte niet leert om te gaan met zijn emoties. De heer L’Espoir onderschrijft het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en acht, gelet op de problematiek van verdachte, het volgen van een ITB-Harde Kern traject en een agressieregulatietraining (ART) geïndiceerd.

Tot slot heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij ondanks zijn jeugdige leeftijd al meermalen is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten, te weten winkeldiefstal, schuldheling en diverse verkeersdelicten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie van

4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van de hiervoor vermelde rapporten en gelet op hetgeen door S.J.H. L’Espoir ter terechtzitting naar voren is gebracht, aanleiding om aan deze voorwaardelijke jeugddetentie de bijzondere voorwaarde te koppelen, inhoudende dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt dat verdachte een agressieregulatietraining (ART) dient te volgen en/of gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd dient deel te nemen aan het traject ITB-Harde Kern.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie indien de werkstraf niet binnen een jaar na onherroepelijk worden van dit vonnis naar behoren is verricht.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 45, 63, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 287, 417bis en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit en het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt dat verdachte een agressieregulatietraining (ART) dient te volgen en/of gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd dient deel te nemen aan het traject ITB-Harde Kern;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Dautzenberg, voorzitter tevens kinderrechter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 maart 2012.

BIJLAGE I: De (gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en/of Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een bromfiets rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur althans met hoge snelheid op de weg(en), de Heigank en/of de N299, meermalen althans eenmaal plotseling althans onverwacht heeft ingestuurd op/naar de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en/of Landgraaf ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een bromfiets rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot70 kilometer per uur althans met hoge snelheid op de weg(en), de Heigank en/of de N299 meermalen althans eenmaal plotseling althans onverwacht heeft ingestuurd op/naar de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en/of Landgraaf, als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg(en), de Kleikoelenweg en/of de Brunssumerweg en/of de Heigank en/of de Schanserweg en/of de N299 met zodanige snelheid en/of zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/of hevig slingerend gebruik makend van de de gehele breedte van de rijba(a)n(en) en/of rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur althans met hoge snelheid op de weg(en), de Heigank en/of de N299 meermalen althans eenmaal plotseling althans onverwacht heeft ingestuurd op/naar een zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende agent van politie en/of op zodanige wijze heeft gereden en/althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of zo onoordeelkundig heeft geremd, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en/of Landgraaf, in elk geval in Nederland, een bromfiets (Piaggio) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Kerkrade en/of Landgraaf als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets) heeft gereden op de weg, de Kleikoelenweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.