Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW6612

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 592
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na toepassing bestuurlijke lus. Vervolg op LJN BU4333. In het naar aanleiding van de tussenuitspraak uitgebrachte aanvullend advies is op genoegzame wijze uiteengezet waarom het door eiseres overgelegde advies verweerder er niet toe heeft hoeven te brengen alsnog tot aanwijzing van de kerk tot gemeentelijk monument over te gaan. Niet is gebleken dat dit advies, dat als deskundigenadvies is aan te merken, niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins zodanige gebreken kleven dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat het aanvullend advies niet door eiseres is bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 592

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de Stichting Cuypersgenootschap, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 maart 2011

Kenmerk: 11uit00863

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit, voor zover voor de onderhavige procedure van belang, heeft verweerder het verzoek van eiseres tot aanwijzing van de Onze Lieve Vrouw van de Wonderdadige Medaille kerk, gelegen aan het Onze Lieve Vrouwe plein 1, te Beek (hierna: de kerk), als gemeentelijk monument afgewezen.

Tegen het besluit van 2 maart 2011 heeft eiseres (tijdig) beroep bij de rechtbank ingesteld. De beroepsgronden zijn ingediend bij brief van 6 mei 2011.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011, waar voor eiseres is verschenen haar bestuurslid mr. M.M.G.M. Richter.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J.S. Verjans, werkzaam bij verweerders gemeente, en ir. I.C.T.M. Beckers en ing. J.S.M. Hendrix, voorzitter respectievelijk lid van de commissie Ruimtelijke kwaliteit (hierna: de commissie).

Bij tussenuitspraak van 16 november 2011 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na de verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 2 maart 2011 te herstellen.

Bij brief van 27 december 2011 heeft verweerder een aanvullend advies van de commissie ingezonden.

Bij brief van 3 januari 2012 is eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze, als bedoeld in artikel 8:51b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), over de brief van verweerder van 27 december 2011 naar voren te brengen, van welke gelegenheid evenwel geen gebruik is gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Awb bepaald, overigens met instemming van partijen, dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Zij heeft het onderzoek op 5 maart 2012 gesloten.

2. Overwegingen

2.1 De tussenuitspraak van 16 november 2011 maakt onderdeel uit van deze einduitspraak en wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast.

2.2 In de tussenuitspraak is overwogen dat noch in het besluit van 2 maart 2011, noch in het daaraan ten grondslag liggende advies van de commissie, noch in het verweerschrift is ingegaan op het door eiseres (in bezwaar) ingebrachte advies van dr. G. Vermeer (hierna: Vermeer) van 13 juli 2010 waaruit blijkt dat de kerk een hoge monumentale waarde bezit. Voor zover verweerder ter zitting van 13 oktober 2011 heeft betoogd dat de commissie in een nadere toelichting zou hebben uitgelegd waarom zij de redenering van Vermeer niet kan volgen, is dit niet uit de stukken gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank geven de stukken derhalve geen blijk van een (gemotiveerde) reactie op het advies van Vermeer.

2.3 De rechtbank gaat er van uit dat verweerder met zijn brief van 27 december 2011 heeft beoogd (de motivering van) het besluit van 2 maart 2011 nader te onderbouwen met het aanvullend advies van commissie.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank is in dit aanvullend advies op genoegzame wijze uiteengezet waarom het advies van Vermeer verweerder er niet toe heeft hoeven te brengen alsnog tot aanwijzing van de kerk tot gemeentelijk monument over te gaan. Niet is gebleken dat dit advies, dat als deskundigenadvies is aan te merken, niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins zodanige gebreken kleven dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat het aanvullend advies niet door eiseres is bestreden.

2.5 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het aanvullend advies van de commissie verweerders beslissing om de kerk niet tot gemeentelijk monument aan te wijzen kan dragen. Hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen met betrekking tot het aan het besluit van 2 maart 2011 klevende gebrek geeft evenwel reden het beroep gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen. De rechtbank ziet echter in het aanvullend advies van de commissie en hetgeen zij met betrekking tot dit advies heeft overwogen, aanleiding op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.6 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag. Het bedrag van de reiskosten van de vertegenwoordiger van eiseres wordt vastgesteld op € 15,40, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse. Het bedrag van de verletkosten van de vertegenwoordiger van eiseres wordt vastgesteld op 2 uren à € 53,09, zijnde het in dezen ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb toepasselijke maximale uurtarief.

Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

2.7 Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 maart 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 121,58, te vergoeden aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (ad € 302,-) vergoedt.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mrs. J.N.F. Sleddens en R.J.G.H. Seerden, leden, in tegenwoordigheid van F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2012.

w.g. F. Schulmer w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden:

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.