Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW4042

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/1172
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken niet houdbaar. De kritiek ziet op een relatief korte periode en houdt verband met ziekte. Subsidiaire ontslaggrond wel houdbaar. 24 maanden volledig arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1172

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Landgraaf, eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.T.J. Meuwissen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van de Schraaff).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de vaste aanstelling van eiseres met ingang van 1 januari 2011 beëindigd.

Bij besluit van 24 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.K.T. Schoffelen, als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres was sedert 1993 werkzaam voor de gemeente Landgraaf, sedert 20 augustus 2001 in de onderscheiden deelfuncties van medewerker debiteurenadministratie (0,4 fte) en medewerker terugvordering en verhaal (0,6 fte) voor in totaal 36 uur per week.

In 2006 zijn twee beoordelingen opgemaakt met betrekking tot het functioneren van eiseres in voormelde functies over de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2006. Deze beoordelingen van 2006 staan in rechte vast. Op 22 augustus 2007 zijn twee beoordelingen opgemaakt over de periode van 1 april 2006 tot 1 april 2007. In die periode heeft eiseres wegens ziekte in totaal 71 dagen gewerkt. Eiseres heeft tegen die laatste beoordelingen van 2007 rechtsmiddelen aangewend. Verweerder heeft op 17 oktober 2007 het voornemen geuit om vanwege een verstoorde arbeidsrelatie de aanstelling van eiseres met ingang van

1 januari 2008 eervol te beëindigen. Dit is niet doorgezet. Op 19 augustus 2009 heeft verweerder het voornemen geuit om eiseres ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid, anders dan wegens ziekte of gebreken.

Naar aanleiding van de zienswijze heeft verweerder aangekondigd met vervolgstappen te wachten totdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitspraak heeft gedaan inzake de beoordelingen van 2007. Die uitspraak is gedaan op 18 november 2010. De CRvB oordeelde dat de beoordelingen van 2007 niet op onvoldoende gronden berusten.

In de tussentijd heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bij besluit van 17 december 2009 eiseres met ingang van 17 september 2009 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

In dit schrijven staat vermeld dat eiseres op dit moment niet kan werken, maar dat er wel een kans is op herstel.

2.Het bestreden besluit gaat over het eervol ontslag verlenen primair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken (ongeschiktheidontslag), gebaseerd op de twee beoordelingen van 2007, en subsidiair wegens volledige arbeidsongeschiktheid, gelet op het besluit van het UWV van 17 december 2009 (ziekteontslag).

3.De primaire ontslaggrond

3.1.Eiseres voert terzake het ongeschikheidontslag aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de beoordelingen, die naar haar mening zeker niet overwegend negatief zijn, een ontslag rechtvaardigen. Indien al sprake is van minder functioneren, dan zou de oorzaak hiervan zijn gelegen in haar lichamelijke en geestelijke beperkingen en zou verweerder onvoldoende hebben gedaan om haar functioneren te verbeteren.

Verweerder brengt daartegen in dat uit de rechtens vaststaande beoordelingen van 2007 afdoende naar voren zou komen dat eiseres onvoldoende heeft gefunctioneerd en dat de oorzaak hiervan niet in de langdurige ziekte van eiseres is gelegen.

3.2.De rechtbank stelt voorop dat het primair en subsidiair hanteren van elkaar min of meer uitsluitende ontslaggronden op de wijze zoals in dit geval is geschied niet in strijd is met het stelsel van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf (ARL). Gelet op de primair gehanteerde ontslaggrond, ziet de rechtbank zich eerst voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die vereist zijn voor een goede functievervulling alsmede of eiseres verbeterkansen zijn geboden. Nu hier sprake is van twee deelfuncties dient die beoordeling hier ten aanzien van die beide functies te worden gemaakt.

Het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van eiseres om de processtukken inzake de beoordelingen van 2007 aan het dossier toe te voegen, wijst de rechtbank af. De rechtbank ziet hiertoe de noodzaak niet.

3.3.Voor wat betreft het ongeschiktheidontslag ten aanzien van de deelfunctie medewerker debiteurenadministratie, stelt de rechtbank het volgende voorop.

Verweerder legt in het primaire besluit duidelijk alleen de beoordeling van 2007 aan het vermeende disfunctioneren ten grondslag. Verweerder heeft dit vervolgens zo in de beslissing op bezwaar gehandhaafd. Uit de direct daaraan voorafgaande beoordeling van 2006 blijkt niet dat er toen concrete (verbeter)afspraken zijn gemaakt. Dit impliceert dat verweerder in ieder geval niet betwist dat eiseres, die al vanaf 2001 werkzaam was in die deelfunctie, voorheen en in ieder geval tot 1 april 2006 op zich voldoende functioneerde.

De beoordeling van 2007 ziet, vanwege de ziekmelding van eiseres per 21 september 2006, feitelijk slechts op het tijdvak van 1 april 2006 tot 21 september 2006. Indien de afwezigheid van ziekte en verlof niet wordt meegerekend, gaat het, aldus die beoordeling, om 71 werkdagen. Gelet op de beoordeling ten aanzien van de andere deelfunctie, begrijpt de rechtbank dat dit aantal werkdagen ziet op 1,0 fte. Feitelijk ziet die beoordeling dan ook slechts op 28 volledige werkdagen. Uit de beoordeling blijkt verder dat, vanwege de veelvuldige afwezigheid van eiseres, de kwantiteit van haar werk niet in de beoordeling is betrokken. Uit de beoordeling van 2007 is eveneens op te maken dat kennis en kunde, zelfstandigheid/werkwijze matig (=voldoet niet geheel aan de eisen) is beoordeeld. Werkhouding/taakopvatting en uitdrukkingsvaardigheid zijn normaal (=voldoet aan eisen) beoordeeld. Enkel en alleen op het onderdeel contact zou eiseres niet voldoen aan de functie-eisen. De rechtbank gaat hier nader op in.

In de beoordeling is te lezen dat het contact met de leiding is verslechterd. Nu in de vorige beoordeling nog staat te lezen dat het contact met de leiding als correct wordt ervaren, kan de rechtbank dit verwijt niet plaatsen. De kritiek ziet bovendien specifiek daarop dat eiseres in haar perioden van afwezigheid niet te bereiken zou zijn en iedereen op afstand houdt. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat eiseres slechts éénmaal formeel hierop is aangesproken,

te weten bij brief van 22 januari 2007, omdat zij niet zou meewerken aan mediation. Uit de stukken blijkt echter eveneens dat eiseres heeft meegewerkt aan de eerste sessie voor mediation op 5 december 2006, dat het traject zou worden vervolgd in de tweede week van januari 2007 en dat, kort na de brief van 22 januari 2007, op 6 februari 2007 niettemin een mediationgesprek heeft plaatsgehad. De rechtbank begrijpt verder dat de door verweerder geuite kritiek op het sociaal functioneren slechts kan zien op de periode dat eiseres zich langdurig ziek moet hebben gemeld, aldus vanaf oktober 2006. Bovenal acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat verweerder (medisch) heeft onderzocht waarom eiseres haar collega’s en werkgever op afstand wilde houden, en of dit bijvoorbeeld verband hield met haar ziekte. De rechtbank acht dit op voorhand zeker niet onaannemelijk. De psychiater en psycholoog hebben naast burnout en fybromyalgie, een (chronische) aanpassingsstoornis met depressieve en angstige kenmerken, weliswaar achteraf, vastgesteld.

Er is ook niet gebleken dat eiseres concreet de mogelijkheid heeft gekregen om zich te verbeteren, zo haar gedrag al geen verband zou houden met haar psychische klachten.

De door verweerder geschetste kritiek op de houding van eiseres, betrekking hebbend op een relatief korte periode tijdens ziekte, rechtvaardigt dan ook geenszins ongeschiktheidontslag. Deze beroepsgrond treft doel.

3.4.Voor wat betreft het ongeschiktheidontslag met betrekking tot de deelfunctie medewerker terugvordering en verhaal, stelt de rechtbank vast dat verweerder ook hier enkel de beoordeling van 2007 aan het ontslag ten grondslag legt. De rechtbank gaat eerst terug naar het functioneren van eiseres vóór deze beoordelingsperiode. Voor wat betreft het functioneren over 2005 is in die beoordeling vastgesteld dat eiseres beschikt over een basale kennis op het gebied van terugvordering en niet beschikt over kennis op het gebied van verhaal. Haar kennis en kunde en haar zelfstandigheid/werkwijze is als matig beoordeeld. Haar werkhouding/taakopvatting normaal, haar contact en uitdrukkingsvaardigheid eveneens matig. Afsluitend is geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de functie-eisen. Het betreft de kwaliteit en kwantiteit van het werk als de houding naar de organisatie en collega’s. Deze beoordeling is in ieder geval niet zodanig negatief dat deze ten grondslag is gelegd aan het onderhavige ontslag.

Dan de beoordeling van 2007. Deze ziet, zoals al opgemerkt bij de andere deelfunctie, op een zeer korte periode van omgerekend (0.6 x71 dagen=) 42 volle werkdagen.

Zelfstandigheid/werkwijze is matig beoordeeld. Haar werkhouding/taakopvatting en haar uitdrukkingsvaardigheden zijn als normaal beoordeeld. Op het onderdeel contact scoort eiseres slecht. Eiseres is beleefd maar afstandelijk, zo wenst eiseres geen contact gedurende haar ziekte. Ook hier is opgemerkt dat het contact met de leiding zou zijn verslechterd en dat zij afspraken omtrent contact houden niet nakomt. De rechtbank is evenwel niet gebleken van gemaakte afspraken, dat de contacten met de (wisselende) leiding voorheen als slecht moesten worden betiteld, althans door toedoen van eiseres, dat verweerder de redenen voor de terughoudendheid heeft onderzocht of dat eiseres hierop formeel is aangesproken.

Verder is kennis en kunde slecht beoordeeld, waarbij is opgemerkt dat haar kennis is verouderd door haar veelvuldige afwezigheid. Een kwalitatieve beoordeling is niet gemaakt.

De rechtbank is over het geheel gezien niet gebleken dat eiseres concrete kansen heeft gehad om zich te verbeteren, mede gezien de korte beoordelingsperiode. Zo is niet gebleken dat verweerder haar cursussen of begeleiding heeft aangeboden of haar extra inwerktijd heeft gegund na haar periode van ziekte. De rechtbank neemt hierbij weliswaar in aanmerking dat de rechtbank eerder ten aanzien van het vaststellen van de beoordelingen heeft overwogen dat het uitdrukkelijk op de weg van eiseres had gelegen om hierop actie te ondernemen

- waarvan vaststaat dat dit niet is geschied - maar dit laat onverlet dat in het kader van de thans te maken beoordeling omtrent het ontslag er door verweerder ook concrete verbeterkansen moeten zijn aangeboden. Verweerder heeft nagelaten actief kennis te stimuleren bij eiseres. Het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat een en ander zijn oorzaak vindt in de langdurige ziekte van eiseres, acht de rechtbank niet houdbaar. De verouderde kennis en haar slechte bereikbaarheid in de periode van haar ziekteverzuim, kunnen niet zonder meer los worden gezien van haar ziekte. Ook het standpunt van verweerder dat door eiseres niet is aangetoond dat een en ander door beperkingen zou zijn veroorzaakt omdat het door eiseres ingebrachte rapport niet objectief is, deelt de rechtbank niet. Verweerder heeft zelf geen onderzoek gedaan, terwijl dit in dit geval gezien het langdurig ziekteverzuim wel op de weg van verweerder had gelegen. Nu is enkel commentaar geleverd op hetgeen eiseres heeft aangedragen. De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB maakt het vorenstaande niet anders. Hoewel op grond van die uitspraak moet worden aangenomen dat over vrijwel de gehele lijn geen positief beeld bestond over het functioneren van eiseres, rechtvaardigt dit alleen nog geen ontslag. Deze beroepsgrond treft doel.

3.5.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het ongeschiktheidontslag, voor vernietiging in aanmerking komt.

3.6.De rechtbank is van oordeel dat het primaire besluit op een zelfde, niet houdbaar geachte grond berust en dat dit gebrek niet hersteld kan worden. De beoordelingen staan immers vast. Daarom zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door ook het primaire ontslagbesluit op dit onderdeel te herroepen.

4.De rechtbank komt toe aan een bespreking van de subsidiaire ontslaggrond.

4.1.Eiseres voert terzake het ziekteontslag aan dat zij slechts tijdelijk arbeidsongeschikt was en dat verweerder ten onrechte een herplaatsingonderzoek achterwege heeft gelaten. Verweerder brengt daartegen in dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is en dat herplaatsing dan niet aan de orde is.

4.2.Ontslag op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking wegens ziekte mag op grond van artikel 8:4, derde lid, van de ARL slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden. Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering. Op grond van het vierde lid wordt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling betrokken. In artikel 8:5 van de ARL is het ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geregeld. Een dergelijk ontslag mag slechts plaatsvinden indien het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen.

4.3.Eiseres is sinds 21 september 2006 ziek. Bij brief van 11 december 2009 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder bericht dat eiseres door het UWV inmiddels (telefonisch) is toegezegd dat zij een WIA-uitkering zal ontvangen op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid, dit naar aanleiding van een uitgebracht expertiseverslag. Deze medische situatie wordt bevestigd in het schrijven van het UWV van 17 december 2009. Ter zitting heeft de waarnemer van gemachtigde opgemerkt dat de brief van 11 december 2009 is gebaseerd op een medische beoordeling van eiseres, dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is en dat de medische situatie nadien niet is gewijzigd. Ten tijde van het primaire besluit was eiseres dan ook al 24 maanden volledig arbeidsongeschikt. Een herplaatsingonderzoek was zodoende niet aan de orde. De stelling van eiseres ter zitting, dat eiseres enkel volledig arbeidsongeschikt was voor haar eigen functie, kan de rechtbank niet volgen.

Verweerder was bevoegd om eiseres ziekteontslag te verlenen. Niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

4.4.Het vorenstaande leidt ertoe dat het besluit om eiseres ziekteontslag te verlenen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

5.Artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht geeft de rechtbank alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid een partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Eiseres heeft in beroep verzocht om vergoeding van rente en (overige) kosten, zonder dit laatste op enigerlei wijze te specificeren. Omdat het ontslag sec in stand kan blijven, en gesteld noch gebleken is van schade die alleen voortvloeit uit het ongeschiktheidontslag, wijst de rechtbank het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

6.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.748,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Van overige kosten is ook in dit verband niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het ongeschiktheidontslag is gehandhaafd;

-herroept het besluit van 14 december 2010 voor zover daarbij ongeschiktheidontslag is verleend;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan eiseres te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels, voorzitter, en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. W.A.M. de Loo, leden, in aanwezigheid van mr. I.H.J. van Neer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2012.

w.g. I. van Neer w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 13 april 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.