Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW2210

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
03/700639-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weliswaar vormverzuim ten aanzien van machtiging tot binnentreden woning, maar verdachte daardoor niet in enig belang geschaad;

Ingevolge artikel 49 Wet wapens en munitie kunnen opsporingsambtenaren ten allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700639-11

Datum uitspraak: 14 maart 2012

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 februari 2012 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

verblijvende te [adresgegevens verblijfplaats verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 november 2011 te Maastricht een wapen van categorie III, sub I, te weten een vuurwapen in de vorm van een revolver (inscripties: KING COBRA, 357 magnum cartridge) en/of munitie van categorie III, te weten zes en/of dertien patronen (passende in die revolver, met bodemstempel 357 Magnum R-P), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 23 november 2011 in de gemeente Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 48,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 3,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 22 november 2011 in de gemeente Maastricht, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft primair aangevoerd dat aan hoofdagent V. alleen een machtiging is afgegeven om de woning van verdachte te betreden voor zijn aanhouding, maar niet ter inbeslagneming of voor een doorzoeking van de woning. Verder behelst de machtiging niet dat V. zich door anderen kan doen vergezellen. Verdachte heeft geen toestemming gegeven de woning te betreden. Uit het opgemaakte proces-verbaal blijkt, dat naast V. ook andere politieagenten de woning hebben betreden en voorwerpen inbeslaggenomen hebben. Het wapen was direct zichtbaar op de bank gelegen maar niet de munitie. De munitie bevond zich onder deze bank en kan derhalve slechts bij een doorzoeking zijn aangetroffen. De drugs zijn aangetroffen door verbalisanten die niet gemachtigd waren de woning te betreden noch te doorzoeken. Er heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarvoor geen machtiging was afgegeven. De raadsvrouwe heeft geconcludeerd dat sprake is van onrechtmatige inbeslagname en onrechtmatige doorzoeking, zodat het als resultaat van dat onderzoek verkregen bewijs, waaronder de verklaring van verdachte, niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van alle hem ten laste gelegde feiten.

De raadsvrouwe heeft subsidiair aangevoerd dat de feiten 1 en 2 bewezen geacht kunnen worden maar dat feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen geacht kan worden. Voor feit 3 geldt dat verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode vaker drugs heeft verstrekt aan personen, maar dat deze verklaring van verdachte het enige bewijsmiddel voor feit 3 is en dat verder géén ander bewijs voorhanden is, zodat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken. Bovendien is voorafgaand aan de door verdachte op 3 januari 2012 tegenover de politie afgelegde verklaring niet aan hem medegedeeld dat hij een raadsman kon raadplegen, zodat deze verklaring niet voor het bewijs van feit 3 gebruikt mag worden.

De nietigheid van de dagvaarding

De zich in het dossier bevindende stukken geven de rechtbank aanleiding eerst ambtshalve te onderzoeken of de dagvaarding wat betreft het onder 3 ten laste gelegde nietig behoort te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat – gelet op de inhoud van de zich in het dossier bevindende

processen-verbaal van de politie en overige stukken – onduidelijk is op welke concrete feitelijke handelingen van verdachte het onder 3 ten laste gelegde ziet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde nietig behoort te worden verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 november 2011 te Maastricht een wapen van categorie III, sub I, te weten een vuurwapen in de vorm van een revolver (inscripties: KING COBRA, 357 magnum cartridge) en munitie van categorie III, te weten zes en dertien patronen (passende in die revolver, met bodemstempel 357 Magnum R-P), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 23 november 2011 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 48,4 gram van een materiaal bevattende heroïne en 3,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing van de rechtbank dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De rechtbank overweegt betreffende het verweer van de raadsvrouwe het volgende:

Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de regiopolitie Limburg-Zuid was informatie binnen gekomen dat [naam verdachte], wonend op het adres [adresgegevens verdachte] te Maastricht in het bezit is van meerdere vuurwapens. Op dat adres stond [naam verdachte], geboren op [geboortedatum verdachte], ingeschreven. Vanwege verdenking van overtreding van artikel 26 Wet wapens en munitie beval de officier van justitie aanhouding buiten heterdaad. Aan V., hoofdagent van politie regio Limburg-Zuid werd een machtiging verleend om, zonder toestemming van de bewoner, ter aanhouding van genoemde [naam verdachte], de woning [adresgegevens verdachte] te Maastricht te betreden. V. is krachtens genoemde machtiging de woning binnengetreden zonder toestemming van de verdachte, waarna verdachte is aangehouden. Daarbij was hij vergezeld van andere opsporingsambtenaren. Op de bank in de woonkamer werd onder andere een geladen vuurwapen aangetroffen en onder de bank behalve patronen ook verdovende middelen (p. 37). Andere verdovende middelen werden in een kast in de woonkamer en in de lade van de salontafel aangetroffen. De genoemde voorwerpen zijn inbeslaggenomen.

De rechtbank overweegt dat de machtiging tot binnentreden er inderdaad niet toe strekt dat V. zich kon doen vergezellen van andere opsporingsambtenaren. In zoverre is er dus sprake van een vormverzuim.

Echter, door dit verzuim is verdachte niet in enig belang geschaad. Immers, ook als V. alleen zou zijn binnengetreden zou hij het wapen direct hebben zien liggen op de bank en tot inbeslagname zijn overgegaan. Met andere woorden, verdachte is in deze situatie “niet slechter” af.

De rechtbank overweegt voorts dat, op grond van het bepaalde in artikel 49 van de Wet wapens en munitie, bij of krachtens artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking kunnen doen. De betrokken opsporingsambtenaren waren dus bevoegd deze doorzoeking te doen en daarbij de onderhavige voorwerpen in beslag te nemen, waaronder ook de aangetroffen verdovende middelen, die zij deels voor de hand, en deels tijdens de doorzoeking hebben aangetroffen.

De rechtbank verwerpt om die redenen het primair verweer van de raadsvrouwe en is van oordeel dat de resultaten van de genoemde doorzoeking voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten die moeten worden gekwalificeerd als:

feit 1:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 3 zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging als bijzondere voorwaarde van een meldingsgebod en een behandelverplichting, als door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 gevorderd de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd te verklaren.

De raadsvrouwe heeft, betreffende de strafmaat voor feit 1, aangevoerd dat het wapen en de munitie niet aan verdachte toebehoorden, maar dat hij deze spullen voor een ander in bewaring had. Zij heeft verzocht verdachte géén onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en – mocht de rechtbank overgaan tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf – de duur van de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf te matigen. De raadsvrouwe heeft verder verzocht als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte zich dient te houden aan de door de reclassering aan hem op te leggen aanwijzingen, waaronder de geadviseerde ambulante behandeling door “De Horst”. De raadsvrouwe heeft daarnaast teruggave van het inbeslaggenomene verzocht, waaronder de geldbedragen.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank acht slechts twee van de drie feiten bewezen en is reeds om die reden van oordeel dat aan verdachte een lagere straf opgelegd dient te worden dan de officier van justitie gevorderd heeft. Daarnaast overweegt de rechtbank nog als volgt.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 28 februari 2012 volgt dat de reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod, inhoudend dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, én dat verdachte een (ambulante) behandeling dient te ondergaan door

FPP “De Horst” te Maastricht, zolang de reclassering dit nodig acht.

Verdachte heeft een vuurwapen in de vorm van een revolver en voor dat revolver geschikte munitie, beiden van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden gehad. Illegaal wapenbezit is in hoge mate onwenselijk. Verder heeft verdachte 52,1 gram harddrugs aanwezig gehad. De rechtbank overweegt voorts dat harddrugs als de onderhavige grote gevaren opleveren voor de gezondheid van de gebruikers en dat deze gebruikers hun verslaving vaak door crimineel handelen bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met hetgeen ter terechtzitting omtrent de persoon van verdachte naar voren is gekomen. Met name dat uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte, gelet op zijn psychische- en verslavingsproblemen, begeleiding door de reclassering en een ambulante behandeling door FPP “De Horst” te Maastricht nodig heeft voor een gunstige verdere ontwikkeling. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij graag begeleiding door de reclassering wenst en dat hij bereid is de door de reclassering geadviseerde ambulante behandeling te ondergaan.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het documentatieregister van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte weliswaar eerdere contacten heeft gehad met politie en justitie, maar dat verdachte slechts eenmaal eerder in verband met de Opiumwet is veroordeeld, en wel in 1995.

De rechtbank acht het ter voorkoming van recidive – en dus in het belang van zowel verdachte als de maatschappij – vooral belangrijk dat verdachte hulp en begeleiding krijgt. Afstraffing, boven op de straf die verdachte reeds heeft ondergaan, acht de rechtbank op dit moment minder van belang.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het opleggen van een werkstraf voor de duur van 88 uren op welke werkstraf het reeds door verdachte ondergane voorarrest in mindering dient te worden gebracht, naar de maatstaf van 2 uren per dag voorarrest. Nu hij reeds 44 dagen in voorarrest heeft doorgebracht hoeft feitelijk geen werkstraf meer te worden verricht.

In het bijzonder acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, onder oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, op zijn plaats. Met oplegging van deze voorwaardelijke straf en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden wordt de strafoplegging, naar de rechtbank hoopt, dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de misdrijven waarvoor verdachte is vervolgd, zijn de op de beslaglijst onder de nummers 13 tot en met 16 genoemde voorwerpen in beslag genomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat deze, aan verdachte toebehorende, voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Uit de aard van deze gezamenlijkheid van voorwerpen volgt dat zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Deze voorwerpen zullen daarom aan het verkeer worden onttrokken.

Ten aanzien van de op de beslaglijst onder de nummers 22 tot en met 25 vermelde voorwerpen, te weten de inbeslaggenomen geldbedragen, zal de rechtbank, gelet op na te melden beslissing ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, thans géén beslissing nemen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

Partitiële nietigverklaring dagvaarding

- verklaart de dagvaarding voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde nietig;

Bewezenverklaring

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

Straffen

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een werkstraf voor de duur van 88 uren;

- beveelt voor het geval veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 44 dagen;

- bepaalt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 44 dagen, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar de maatstaf van 2 uren per dag;

- veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

- beveelt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, onder de (algemene) voorwaarden dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

b. de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, ter inzage aanbiedt,

alsmede onder de (hierna te noemen) bijzondere voorwaarde;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de

Reclassering Nederland, waaronder:

* dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet blijven melden bij deze Reclassering, alsmede:

* dat veroordeelde zich moet laten behandelen door FPP “De Horst”, of een dergelijke instelling,

een en ander zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende voorwerpen, te weten:

volgnummer 13: een huls, special .38, (L-1-7, .38 special;

volgnummer 14: een spuitbus (pepperspray) (L-1-6, merk red 22,5 ml);

volgnummer 15: een mes (L-1-20, gruntik imperial).

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. E.P.J. Rutten en mr. J. Woretshofer, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 14 maart 2012.