Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW2102

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
03/700553-11, 03/703419-09 (TUL) en 03/700348-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, wegens poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en mishandeling. Daarnaast heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel bevolen. Met betrekking tot het opleggen van een gevangenisstraf in combinatie met de tenuitvoerlegging van voornoemde maatregel heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “Uit de omstandigheid dat de ISD-maatregel voorwaardelijk – met de algemene voorwaarde van het niet plegen van strafbare feiten – kan worden opgelegd, leidt de rechtbank af dat het mogelijk moet zijn de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel te bevelen omdat de veroordeelde een strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl tegelijkertijd straf wordt opgelegd voor dat nieuwe strafbare feit. Het kan volgens de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de rechter te beletten dat hij in de hoofdzaak aan de verdachte een (gevangenis)straf oplegt, wanneer hij op vordering van de officier van justitie besluit om een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel alsnog ten uitvoer te leggen. Een bevel tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel staat, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet in de weg aan het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de onderliggende strafzaak.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700553-11, 03/703419-09 (TUL) en 03/700348-10 (TUL)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg-Zuid – De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. E.E.W.J. Maessen respectievelijk mr. S. Weening, beiden advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 januari 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt. Vervolgens is de uitspraak bepaald op 7 februari 2012. Op deze datum heeft de rechtbank de zaak bij tussenvonnis heropend. De zaak is vervolgens, nadat de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting had hervat in de stand waarin dit zich ten tijde van de sluiting op 24 januari 2012 bevond, verder behandeld op de zitting van 21 februari 2012, waarbij de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman hun (nadere) standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (deels gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd die [benadeelde partij 1], agent van politie en werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel die [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Feit 2 en 3: [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Wat feit 1 betreft heeft de officier van justitie naar de aangifte van verbalisant [benadeelde partij 1] en de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van bevindingen verwezen. De officier van justitie twijfelt niet aan de herkenning van verdachte, temeer, nu [benadeelde partij 1] verdachte ambtshalve kent.

De ter terechtzitting afgelegde verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], inhoudende dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in de woning van [getuige 1] aanwezig is geweest, vindt de officier van justitie ongeloofwaardig. Deze verklaringen komen niet overeen met de aangifte van [benadeelde partij 1] en diens proces-verbaal van bevindingen. Daarbij komt dat getuige [getuige 4], nadat zij op 24 januari 2012 ter zitting was aangehouden op verdenking van meineed, bij de politie heeft verklaard dat zij was benaderd door de vriendin van verdachte, zijnde [getuige 1], om een (ontlastende) verklaring af te leggen. Voorts verklaarde [getuige 4] dat zij niet zeker wist of verdachte op 15 oktober 2011 in de woning van [getuige 1] was geweest. De officier van justitie leidt daaruit af dat de verklaringen van de voormelde getuigen gelogen zijn. Het feit dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 1], nadat zij eveneens ter zitting van 24 januari 2012 waren aangehouden op verdenking van meineed, bij de politie hebben volhard in hun verklaringen, doet daar niet aan af.

Volgens de officier van justitie levert het handelen van verdachte een poging tot doodslag op. Als [benadeelde partij 1] niet op de deurpost van de auto was gesprongen, was hij hoogstwaarschijnlijk ten val gekomen en had hij overreden kunnen worden, met dodelijk letsel als mogelijk gevolg. Verdachte heeft, na [benadeelde partij 1] sprong, de auto niet tot stilstand gebracht, maar is slingerend en met hoge snelheid weggereden. [benadeelde partij 1] had door de slingerende auto en/of aanhangwagen geraakt kunnen worden. Dit had eveneens dodelijk letsel tot gevolg kunnen hebben. De conclusie is dan ook dat verdachte door aldus te handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij 1] zou komen te overlijden.

Wat feit 2 betreft heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [benadeelde partij 2],

de bekennende verklaring van verdachte en het door de verbalisant bij genoemde [benadeelde partij 2] geconstateerde letsel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte ontkent dat hij het tenlastegelegde heeft begaan. De getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4] hebben ter terechtzitting onder ede verklaard dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in de woning van [getuige 1] – en dus niet op de plaats van het delict – aanwezig is geweest. [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de bestuurder van de auto in kwestie niet zijn zoon (verdachte) was, maar iemand anders. De officier van justitie heeft voormelde getuigen, nadat zij hun verklaring ter terechtzitting hadden afgelegd, aangehouden op verdenking van meineed. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben bij de politie volhard in hun verklaring. De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij niet meer zeker weet of verdachte op de pleegdatum in de woning van [getuige 1] is geweest. Zij twijfelt dus over de datum, maar zegt niet dat verdachte er niet is geweest.

Het is, mede gelet op het vorenstaande, dan ook goed mogelijk dat verbalisant [benadeelde partij 1] zich heeft vergist. Dit geldt temeer, nu hij de bestuurder van de auto maar kort heeft kunnen zien. De officier van justitie stelt dat verbalisant [benadeelde partij 1] zich niet vergist kan hebben, omdat hij verdachte ambtshalve kent. Verbalisant [benadeelde partij 1] zou meermalen foto’s van verdachte hebben gezien tijdens briefings op het politiebureau en hij zou hem in het verleden een keer hebben aangehouden tijdens een routinecontrole. Het is echter niet duidelijk wanneer voormelde briefings hebben plaatsgevonden. Voorts heeft verbalisant [benadeelde partij 1] geen antwoord kunnen geven op de vraag wanneer hij verdachte eerder heeft aangehouden; dit kan dus al enige tijd geleden zijn geweest. Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er teveel twijfel bestaat over de vraag of verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de bestuurder is geweest van de Opel Corsa. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde; dit geldt voor alle onder 1 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3

In het dossier bevindt zich volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte ontkent dat hij het tenlastegelegde heeft begaan. De politie was kort na het voorval ter plaatse. De verbalisanten hebben geen letsel geconstateerd bij aangeefster. Daar komt bij dat aangeefster haar verklaring heeft afgelegd in een dronken bui.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 15 oktober 2011 omstreeks 05.10 uur waren [benadeelde partij 1], agent van de politie, (verder te noemen: [benadeelde partij 1]) en Van U., hoofdagent van politie, (verder te noemen Van U.) belast met de incidentenafhandeling in het district Sittard. Zij waren gekleed in politie-uniform.

Op genoemde datum en tijdstip kregen de verbalisanten een melding, inhoudende dat een persoon had gezien dat vanaf de [K.Straat] in Elsloo een aanhanger werd gestolen. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen, zagen zij verse blokkeersporen op het wegdek.

De verbalisanten volgden deze blokkeersporen. De sporen eindigden op de [P.Straat] te Genhout, waar een woonwagenkamp is gelegen. De verbalisanten zagen dat een aanhanger op de woonwagenlocatie stond. Na controle bleek dat dit de gestolen aanhanger was. De verbalisanten besloten de aanhanger in beslag te nemen en bleven ter plaatse, in afwachting van de bergingwagen.

Omstreeks 05.40 uur hoorde [benadeelde partij 1] in de nabijheid van genoemde woonwagenlocatie een geluid dat hij herkende als zijnde de motor van een auto. [benadeelde partij 1] stond op dat moment op de woonwagenlocatie bij de aangetroffen en in beslag genomen aanhanger. Vanwege het geluid besloot [benadeelde partij 1] naar de ingang van de woonwagenlocatie te lopen. Hij hield daarbij een ontstoken zaklamp in zijn linkerhand. Op enig moment zag [benadeelde partij 1] dat een Opel Corsa de woonwagenlocatie opreed en dat deze auto een aanhanger voorttrok. De bestuurder van de auto remde abrupt, waarop [benadeelde partij 1] zijn zaklamp op de bestuurderszijde richtte. Hij zag dat een persoon in de auto zat, die hij herkende als de hem ambtshalve bekende [naam verdachte] (verdachte). [benadeelde partij 1] rende hierop naar het bijrijdersportier van de Opel Corsa en opende dit met zijn rechterhand. Hij zag dat op dat moment de interieurverlichting aansprong en herkende de bestuurder van de auto opnieuw als zijnde verdachte. Nadat [benadeelde partij 1] het bijrijdersportier had geopend, bukte hij zich om aan de bestuurder kenbaar te maken dat hij uit de auto moest stappen. [benadeelde partij 1] stond op dat moment met zijn lichaam tussen het bijrijdersportier en de auto. Toen [benadeelde partij 1] de bestuurder aansprak, zag hij dat deze de versnellingspook van de auto in de achteruit zette.. Hij voelde vervolgens dat de auto begon te rijden. [benadeelde partij 1] voelde dat hij door de achteruitrijdende auto werd meegevoerd. Hierop besloot hij om in de auto te springen. Dit deed hij om te voorkomen dat hij ten val zou komen en onder het voertuig zou belanden. [benadeelde partij 1] bevond zich gedeeltelijk in de auto en moest zichzelf goed vasthouden om te voorkomen dat hij uit het voertuig zou vallen. [benadeelde partij 1] zei nogmaals tegen de bestuurder dat hij de auto tot stilstand moest brengen en dat hij moest uitstappen. Vervolgens zag en voelde [benadeelde partij 1] dat de auto met aanhanger in de struiken tot stilstand kwam. Het lukte hem op dat moment niet om het voertuig te verlaten, omdat het bijrijdersportier klem zat in de struiken en daardoor niet verder openging. [benadeelde partij 1] zag vervolgens dat de bestuurder de versnellingspook in de eerste versnelling bracht en voelde dat de auto vooruit wegreed. Hij hoorde dat de banden van de Opel Corsa een piepend geluid maakten bij het wegrijden. Door de snelheid waarmee dit wegrijden plaatsvond, dreigde [benadeelde partij 1] uit de auto te worden geslingerd. Hij moest zich met alle kracht aan het voertuig vasthouden om dit te voorkomen. Een aantal meter verderop besloot [benadeelde partij 1] om uit het voertuig te springen. Nadat hij uit het voertuig was gesprongen, zag hij dat de aanhanger, die door de Opel Corsa werd voortgetrokken, hem rakelings passeerde. De auto reed vervolgens slingerend weg en verdween uit het zicht. [benadeelde partij 1] deed na het voorval aangifte tegen verdachte wegens poging tot doodslag c.q. poging tot zware mishandeling.

Ter terechtzitting van 24 januari 2012 is [benadeelde partij 1] als getuige onder ede gehoord. Zijn getuigenis hield een bevestiging in van zijn aangifte bij de politie en van zijn processen-verbaal van bevindingen.

Verbalisant Van U. relateerde dat hij op enig moment een zwaar motorgeluid de woonwagenlocatie hoorde naderen. Van U. zag dat zijn collega [benadeelde partij 1] in de richting van de ingang van de woonwagenlocatie liep. Vervolgens zag hij dat een Opel Corsa met daarachter een aanhanger krachtig afremde. Zijn collega [benadeelde partij 1] rende naar het de genoemde auto. Hij opende het bijrijderportier en riep: “Staan blijven! Politie!”. Hierop zag Van U. dat de auto met de aanhanger achteruit een bossage in reed. Vervolgens hoorde Van U. dat het geluid van de motor van de auto intensiever werd en meteen hierop zag hij dat de Opel Corsa met gierende banden wegreed. [benadeelde partij 1] bevond zich met de helft van zijn lichaam in de auto en werd door de auto meegevoerd. Na ongeveer 20 meter sprong [benadeelde partij 1] uit de auto. De genoemde Opel Corsa reed met hoge snelheid weg. Tot slot zag Van U. dat de aanhanger achter de Opel Corsa door een abrupte stuurbeweging begon te slingeren. Hierdoor werd [benadeelde partij 1] bijna door de aanhanger geraakt.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank heeft zich als eerste de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die in de vroege ochtend van 15 oktober 2011 de Opel Corsa heeft bestuurd. Deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit de verklaring van verbalisant [benadeelde partij 1] is gebleken dat hij verdachte ambtshalve kent. [benadeelde partij 1] heeft niet alleen diverse keren foto’s van verdachte gezien tijdens briefings op het politiebureau, maar hem ook een aantal keren een bekeuring uitgeschreven en hem aan verkeerscontroles onderworpen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat [benadeelde partij 1] zich in de persoon van verdachte heeft vergist. Dit geldt temeer, nu hij de verdachte op twee verschillende momenten heeft herkend; de eerste keer toen hij met de zaklamp op de voorruit van de Opel Corsa scheen en de tweede keer toen hij de bijrijdersportier van de auto opende. Bij het openen van het bijrijdersportier sprong de binnenverlichting van de auto aan. Hierdoor heeft [benadeelde partij 1] de bestuurder van de auto van dichtbij goed kunnen zien.

De rechtbank ziet, gelet op het vorenstaande, dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de herkenning van verdachte door verbalisant [benadeelde partij 1].

Het verweer van de raadsman, inhoudende dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet op de plaats van het delict aanwezig is geweest, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte ontkent dat hij op 15 oktober 2011 de bestuurder is geweest van de Opel Corsa. Zowel bij de politie als ter terechtzitting van 24 januari 2012 heeft verdachte verklaard dat hij op voormelde datum samen met [getuige 3] en [getuige 4] aanwezig is geweest in de woning van een vriendin genaamd [getuige 1], die zelf eveneens aanwezig was. Ter terechtzitting van 24 januari 2012 en 21 februari 2012 zijn deze personen als getuige gehoord. Zij hebben ter terechtzitting allen – kort gezegd – verklaard dat verdachte in de nacht van 14 op 15 oktober 2011 in de woning van [getuige 1] is geweest en dat hij de woning niet heeft verlaten. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de bestuurder van de auto in kwestie niet zijn zoon (verdachte) was, maar iemand anders.

De rechtbank acht deze verklaringen allen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. De officier van justitie heeft de getuigen, nadat zij hun verklaring hadden afgelegd, aangehouden op verdenking van meineed. De getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 4] zijn in het kader van deze verdenking nader gehoord door de politie. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben tijdens hun verhoor bij de politie volhard in de verklaringen die zij hebben afgelegd ter terechtzitting van 24 januari 2012. De getuige [getuige 4] heeft tijdens haar verhoor bij de politie echter verklaard dat zij ter terechtzitting van 24 januari 2012 niet naar waarheid heeft verklaard. [getuige 4] verklaarde dat zij voor haar eerste verhoor bij de politie d.d. 30 oktober 2011 bij [getuige 1] was geweest. [getuige 1] had haar verteld dat verdachte in voorlopige hechtenis zat vanwege de verdenking van het inrijden op een politieagent. Zij had vervolgens tegen [getuige 4] gezegd dat zij bij de politie moest verklaren dat verdachte in de nacht van vrijdag 15 oktober 2011 bij haar, [getuige 1], had geslapen. De rechtbank acht, gelet op deze verklaring van [getuige 4], de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 3], inhoudende dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in de woning van [getuige 1] is geweest, evenmin geloofwaardig. Dit ligt niet anders waar het de verklaring van de getuige [getuige 2] betreft. Dit geldt temeer, nu deze verklaringen geheel in strijd zijn met de bevindingen van verbalisant [benadeelde partij 1].

Nu vast is komen te staan dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de bestuurder is geweest van de Opel Corsa, rest de vraag of het handelen van verdachte, zoals hiervoor in de bewijsmiddelen is beschreven, een strafbaar feit oplevert en, zo ja, welk strafbaar feit.

De rechtbank vindt dat het bewezen geachte geen poging tot doodslag oplevert. Uit het dossier is gebleken dat de auto uit stilstand achteruit is gereden. Dit maakt niet aannemelijk dat de auto bij het achteruitrijden een hoge snelheid heeft bereikt. De kans dat [benadeelde partij 1] ten gevolge van een niet met hoge snelheid achteruitrijdende auto ten val zou komen en vervolgens zou overlijden, is naar het oordeel van de rechtbank niet aanmerkelijk te noemen. Toen de auto achteruit begon te rijden, is [benadeelde partij 1] met zijn benen in de auto gesprongen. Zijn bovenlichaam bevond zich op dat moment nog buiten de auto. [benadeelde partij 1] hield zich met beide handen vast aan de auto om te voorkomen dat hij tijdens het rijden uit de auto zou worden geslingerd. De auto en de aanhanger zijn een aantal meters achteruitgereden en vervolgens tot stilstand gekomen in de struiken. Hiervoor is al vastgesteld dat de auto geen hoge snelheid zal hebben bereikt. De kans dat [benadeelde partij 1] uit de auto zou worden geslingerd en daardoor zou komen te overlijden, is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden dan ook evenmin aanmerkelijk te noemen. Nadat de auto en de aanhanger in de struiken tot stilstand waren gekomen, is de auto met de aanhanger vooruit weggereden. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het relaas van [benadeelde partij 1] en Van U., wel worden vastgesteld dat de auto met hoge snelheid is weggereden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden vastgesteld dat de auto – op het moment dat [benadeelde partij 1] uit de auto sprong – een dermate hoge snelheid heeft gehad dat daardoor de aanmerkelijk kans bestond dat hij het leven zou laten. Dat de aanhanger [benadeelde partij 1] rakelings is gepasseerd, nadat hij uit de auto was gesprongen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Op grond van het dossier kan immers niet worden vastgesteld met welke snelheid de aanhanger verbalisant [benadeelde partij 1] heeft gepasseerd. Verdachte dient, gelet op het vorenstaande, te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, wel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte door zijn handelen aan verbalisant [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel had kunnen toebrengen.

Feit 2

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [benadeelde partij 2];

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

Feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. (subsidiair)

op 15 oktober 2011 te Genhout in de gemeente Beek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], agent van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto Opel Corsa

- met enige snelheid achteruit heeft gereden terwijl die [benadeelde partij 1] in het geopend bijrijdersportier stond waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegevoerd door die achteruitrijdende personenauto en vervolgens

- hij, verdachte, met hoge snelheid is weggereden (voorwaarts), terwijl die [benadeelde partij 1] half in voornoemde auto zat en aan het geopend portier heeft gehangen, waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegevoerd door die voorwaarts wegrijdende personenauto, en vervolgens

- hij, verdachte, die [benadeelde partij 1], nadat die [benadeelde partij 1] uit de Opel Corsa was gesprongen, op korte afstand/rakelings heeft gepasseerd en die [benadeelde partij 1] bijna heeft geraakt met de door hem, verdachte, bestuurde Opel Corsa en de daarachter hangende aanhanger, terwijl verdachte op dat moment met hoge snelheid en slingerend wegreed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 22 oktober 2011 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon. te weten [benadeelde partij 2], meermalen heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf is gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging en de vorderingen tot tenuitvoerlegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 ½ jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij de door haar gevorderde straf in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van de feiten en het uitgebreide strafblad van verdachte.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging te bevelen van een gevangenisstraf van 5 maanden, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer te Maastricht d.d. 10 mei 2010, gewezen onder parketnummer 03/703419-09. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen. Tevens is ter terechtzitting behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer te Maastricht d.d. 18 februari 2011, gewezen onder parketnummer 03/700348-10. Ook deze vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek ter terechtzitting d.d. 24 januari 2012 en 21 februari 2012 is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd van beide hiervoor vermelde opgelegde voorwaardelijke sancties, opnieuw heeft schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten en dus de algemene voorwaarde heeft overtreden. De officier van justitie heeft daarom de tenuitvoerlegging gevorderd van beide aan verdachte opgelegde voorwaardelijk sancties.

Volgens de officier van justitie is de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde ISD-maatregel mogelijk, zelfs indien in de hoofdzaak een gevangenisstraf wordt opgelegd. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Volgens de Hoge Raad is het niet mogelijk om in één en dezelfde strafzaak – dat wil zeggen in de hoofdzaak – een gevangenisstraf in combinatie met een ISD-maatregel op te leggen, omdat de strekking van de ISD-maatregel zich daartegen verzet. De situatie als voormeld is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde. De in de hoofdzaak gevorderde vrijheidsstraf staat immers los van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 februari 2011 door deze rechtbank opgelegde voorwaardelijk ISD-maatregel.

De executie van de ISD-maatregel kan plaatsvinden nadat verdachte de eventueel op te leggen gevangenisstraf in de hoofdzaak en de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van

5 maanden heeft uitgezeten.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft niets aangevoerd ten aanzien van de strafmaat.

Wat de gevorderde tenuitvoerleggingen betreft heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 5 maanden geheel ten uitvoer kan worden gelegd.

Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde

ISD-maatregel, heeft de raadsman verwezen naar de Hoge Raad, die heeft bepaald dat een gevangenisstraf niet kan worden opgelegd in combinatie met een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, omdat de strekking van de maatregel zich daartegen verzet. Dit wordt volgens de raadsman niet anders wanneer het gaat om de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel. De raadsman heeft de rechtbank dan ook primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke

ISD-maatregel, af te wijzen.

Maar ook indien het wel mogelijk zou zijn om de voorwaardelijke ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, heeft de raadsman geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. De deskundige M.P.P. Smeets heeft volgens de raadsman een contra-indicatie gegeven voor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Verdachte is volgens Smeets gebaat bij een ambulante behandeling en hij heeft in het verleden aangetoond dat hij de afspraken kan nakomen. Een ambulante behandeling biedt goede mogelijkheden om de kans op recidive te verkleinen. Een ISD-maatregel heeft geen toegevoegde waarde.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in overweging genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, te weten een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een politieambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van diens bediening en een mishandeling. De omstandigheden rondom de poging tot zware mishandeling van de politieambtenaar zijn hierboven al uitvoerig besproken. Wat de mishandeling betreft, gaat het om een geval van “zinloos geweld”: een willekeurige voorbijganger die meermalen en hard door verdachte is geslagen. De enige reden die verdachte daarvoor kon geven was dat deze man op een bepaalde manier naar hem keek. Verdachte had op dat moment alcohol gedronken.

Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers. Daarbij komt dat feiten zoals de onderhavige tot gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving leiden. Dit geldt temeer, nu beide strafbare feiten zijn gepleegd op de openbare weg en tijdens de nacht. De rechtbank tilt zwaar aan het feit dat verdachte de gezondheid van een ambtenaar, te weten een agent van de politie, in gevaar heeft gebracht, aangezien juist politieagenten degenen zijn die ervoor zorgen dat de toestand op straat veilig en overzichtelijk blijft en zij hun beroep moeten kunnen uitoefenen zonder daarbij het risico te lopen op een gewelddadige manier te worden bejegend. De wetgever heeft dit niet voor niets als strafverzwarend aangemerkt en de rechtbank zal daarmee dan ook rekening houden.

Verder zal de rechtbank in de strafmaat laten meewegen dat verdachte noch bij de politie noch ter terechtzitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden gepleegd op

15 oktober 2011.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. Verdachte liep in de proeftijd van een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke straf en maatregel, te weten een gevangenisstraf van 5 maanden en een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar. Van deze voorwaardelijk opgelegde straf en maatregel wordt thans de tenuitvoerlegging gevorderd. Beide vorderingen zijn in beginsel toewijsbaar, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte/veroordeelde in de proeftijd strafbare feiten heeft gepleegd en zich daarmee niet aan de algemene voorwaarde heeft gehouden.

In het vonnis d.d. 18 februari 2011, waarbij de voorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd, is vermeld dat de rechtbank aan verdachte nog één laatste kans heeft willen bieden om zijn leven zelf – met hulp van de reclassering – op orde te krijgen. De verdachte heeft deze kans niet gegrepen. Hij heeft tijdens de proeftijd immers opnieuw twee geweldsdelicten gepleegd. De druk van de voorwaardelijke ISD-maatregel heeft verdachte er dus kennelijk niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen. Dat betekent dat de tijd van voorwaardelijke sancties voor verdachte nu echt voorbij is. De vordering tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, die zoals hiervoor is vastgesteld in beginsel toewijsbaar is, moet dan ook daadwerkelijk worden toegewezen. Deze omstandigheid heeft de rechtbank echter voor een dilemma gesteld wat betreft de op te leggen straf in de hoofdzaak. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 21 maart 2006, LJN AV1161 bepaald dat – mede gezien de parlementaire geschiedenis – aangenomen moet worden dat de combinatie van ISD-maatregel en (gevangenis)straf niet mogelijk is. In dat geval ging het om de oplegging van een straf en maatregel in één en dezelfde zaak. Die situatie is thans echter niet aan de orde. In de onderhavige zaak wordt namelijk de tenuitvoerlegging gevorderd van een reeds eerder opgelegde ISD-maatregel, omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden. Uit de omstandigheid dat de ISD-maatregel voorwaardelijk – met de algemene voorwaarde van het niet plegen van strafbare feiten – kan worden opgelegd, leidt de rechtbank af dat het mogelijk moet zijn de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel te bevelen omdat de veroordeelde een strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl tegelijkertijd straf wordt opgelegd voor dat nieuwe strafbare feit. Het kan volgens de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de rechter te beletten dat hij in de hoofdzaak aan de verdachte een (gevangenis)straf oplegt, wanneer hij op vordering van de officier van justitie besluit om een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel alsnog ten uitvoer te leggen. Een bevel tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel staat, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet in de weg aan het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de onderliggende strafzaak. Dat betekent dat de rechtbank verdachte ook een zodanige straf zal opleggen.

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS ligt het oriëntatiepunt voor zware mishandeling rond de zes of zeven maanden gevangenisstraf. Nu het hier om een poging gaat, zou conform de wettelijke bepalingen dat oriëntatiepunt met een derde kunnen worden verminderd, maar daar tegenover staat dat het gaat om een politieambtenaar, waardoor het oriëntatiepunt weer met 33 tot 100 procent kan worden verhoogd. Daarnaast is er nog een mishandeling bewezen geacht, waarvoor het betreffende oriëntatiepunt 3 maanden gevangenisstraf aangeeft. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met verdachtes omvangrijke strafblad en met de omstandigheid dat hij in twee proeftijden van eerdere veroordelingen liep. Dat alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is en wel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Nu de rechtbank echter het bevel zal geven tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, ziet zij – ondanks dat zij de tijd voor voorwaardelijke veroordelingen voor verdachte voorbij acht – toch aanleiding om een groot deel van die gevangenisstraf, te weten 9 maanden, voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte op relatief korte termijn kan starten met de ISD-maatregel.

Dat betekent dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is. De rechtbank zal aldus een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De eerste reden hiervoor is dat de rechtbank de verdachte, anders dan de officier van justitie, niet schuldig acht aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

De tweede reden is dat verdachte op deze manier op korte termijn kan starten met de ISD-maatregel.

De rechtbank ziet, gelet op de omstandigheid dat in de hoofdzaak al een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, aanleiding om ten aanzien van de door deze rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden, de proeftijd te verlengen met één jaar. Die proeftijd is nu geschorst, omdat verdachte vastzit, en zal verder lopen zodra verdachte weer op vrije voeten is.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 450,- ter zake van feit 1. De vordering bestaat geheel uit immateriële schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 670,28 ter zake van feit 2. De vordering bestaat voor € 350,- uit immateriële schade en voor het overige uit materiële schade, te weten tandartskosten.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 362,39 ter zake van feit 3. De vordering bestaat voor € 350,- uit immateriële schade en voor het overige uit materiële schade, te weten reiskosten.

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd.

Zij heeft tevens gevorderd om – bij toewijzing van de vordering – de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2]

De vordering van de benadeelde partij dateert van 22 oktober 2011, maar is pas ingediend nadat het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2012 was gesloten. Nu het onderzoek in de zaak tegen verdachte bij tussenvonnis van 7 februari 2012 is heropend, kan de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] volgens de officier van justitie alsnog in behandeling worden genomen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gestelde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Zij heeft tevens gevorderd om – bij toewijzing van de vordering – de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade, te weten de tandartskosten, komt volgens de officier van justitie niet voor vergoeding in aanmerking, omdat uit de stukken in het dossier niet is gebleken dat een causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het door verdachte gepleegde feit. De benadeelde partij [benadeelde partij 2] dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard met betrekking tot de gevorderde materiële schade.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan de vordering ten grondslag liggende feit.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]

De raadsman heeft niets aangevoerd met betrekking tot de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3].

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat een benadeelde partij tot de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting gerechtigd is om een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Nu de benadeelde partij [benadeelde partij 2] pas na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2012 zijn vordering heeft ingediend, dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, ook in het geval de benadeelde partij [benadeelde partij 2] wel gerechtigd was om bij de heropening van het onderzoek zijn vordering in te dienen, hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat verdachte na de sluiting van het onderzoek op 24 januari 2012 erop mocht vertrouwen dat [benadeelde partij 2] geen vordering tot schadevergoeding meer zou indienen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1]

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, waarvoor de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Nu de vordering niet is betwist, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 450,- geheel toewijzen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer, bij niet-betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] dateert van 22 oktober 2011, maar is pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2012 ter griffie binnengekomen. Bij tussenvonnis van 7 februari 2012 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak heropend. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij bij een heropening van onderzoek opnieuw in de gelegenheid is om een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Het onderzoek wordt immers heropend in zijn gehele omvang en de civielrechtelijke aansprakelijkheid blijft ook na sluiting van het onderzoek bestaan. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] kan, gelet op vorenstaande, dan ook worden meegenomen in het strafproces.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] door het onder 2 bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, waarvoor de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Nu de vordering op dit punt niet is betwist, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 350,- geheel toewijzen.

Het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade, te weten de kosten voor de tandarts, komt naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking, omdat uit de stukken in het dossier niet is gebleken dat een causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het door verdachte gepleegde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de gevorderde materiële schade.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer, bij niet-betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3]

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu verdachte zal worden vrijgesproken van het aan de vordering ten grondslag liggende feit.

7 Het beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om ten behoeve van de rechthebbende de bewaring te bevelen met betrekking tot de in beslag genomen maar nog niet teruggegeven goederen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niets aangevoerd met betrekking tot het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt van de in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerpen en deze goederen naar het oordeel van de rechtbank niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring, zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

De vorderingen tot tenuitvoerlegging

- gelast te tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 18 februari 2011 (03/700348-10) opgelegde voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

- verlengt de proeftijd van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 10 mei 2010 (03/703419-09) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden, met één jaar;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], [adresgegevens benadeelde partij 1], van een bedrag van € 450,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], voornoemd bedrag te betalen, bij niet-betaling te vervangen door

9 dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

15 oktober 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adresgegevens benadeelde partij 2], van een bedrag van € 350,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] vervalt en omgekeerd;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adresgegevens benadeelde partij 3], niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt [benadeelde partij 3] in de kosten van de verdachte in het kader van het verweer tegen deze vordering gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende inbeslaggenomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen:

- 1 stuk: fiets, merk: Batavus Monaco (heren), XXXXXXX

- 1 stuk: fiets, merk: Gazelle Saphir, XXXXXXX

- 1 stuk: aanhanger, merk: Stema M4075 (enkelasser), XXXXXXX

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. J.A.A.C. Claessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 maart 2012.

Buiten staat

Mr. J.A.A.C. Claessen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De (deels gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Genhout, in de gemeente Beek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto Opel Corsa

- met (zeer) hoge snelheid achteruit heeft gereden terwijl die [benadeelde partij 1] in het geopend bijrijdersportier stond (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die achteruitrijdende personenauto) en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, met (zeer) hoge snelheid is weggereden (voorwaarts) terwijl die [benadeelde partij 1] half in voornoemde auto zat en/of aan het geopend portier heeft gehangen (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die voorwaarts wegrijdende personenauto) en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, die [benadeelde partij 1] (nadat die [benadeelde partij 1] uit de Opel Corsa is gesprongen) op (zeer) korte afstand/rakelings heeft gepasseerd en/of die [benadeelde partij 1] bijna heeft geraakt/aangereden met de door hem, verdachte, bestuurde Opel Corsa en/of de daarachter hangende aanhanger, terwijl verdachte op dat moment met (zeer) hoge snelheid en/of (hevig) slingerend wegreed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Genhout in de gemeente Beek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1] agent van politie werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto Opel Corsa

- met (zeer) hoge snelheid achteruit heeft gereden terwijl die [benadeelde partij 1] in het geopend bijrijdersportier stond (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die achteruitrijdende personenauto) en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, met (zeer) hoge snelheid is weggereden (voorwaarts) terwijl die [benadeelde partij 1] half in voornoemde auto zat en/of aan het geopend portier heeft gehangen (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die voorwaarts wegrijdende personenauto), en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, die [benadeelde partij 1] (nadat die [benadeelde partij 1] uit de Opel Corsa is gesprongen) op (zeer) korte afstand/rakelings heeft gepasseerd en/of die [benadeelde partij 1] bijna heeft geraakt/aangereden met de door hem, verdachte, bestuurde Opel Corsa en/of de daarachter hangende aanhanger, terwijl verdachte op dat moment met (zeer) hoge snelheid en/of (hevig) slingerend wegreed, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 te Genhout in de gemeente Beek [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid achteruit gereden terwijl die [benadeelde partij 1] in het geopend bijrijdersportier stond (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die achteruitrijdende personenauto) en/of (vervolgens)

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid weggereden (voorwaarts) terwijl die [benadeelde partij 1] half in voornoemde auto zat en/of aan het geopend portier heeft gehangen (waardoor die [benadeelde partij 1] een eind werd meegesleurd door die voorwaarts wegrijdende personenauto) en/of (vervolgens)

- hij, verdachte, die [benadeelde partij 1] (nadat die [benadeelde partij 1] uit de Opel Corsa is gesprongen) op (zeer) korte afstand/rakelings heeft gepasseerd en/of die [benadeelde partij 1] bijna heeft geraakt/aangereden met de door hem, verdachte, bestuurde Opel Corsa en/of de daarachter hangende aanhanger, terwijl verdachte op dat moment met (zeer) hoge snelheid en/of (hevig) slingerend wegreed;

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2011 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 2]), meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 oktober 2011 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 3]), (met een vuist) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;