Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW2003

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 1403
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens de Memorie van Toelichting is de regering zich ervan bewust geweest dat de keuze om de langdurigheidstoeslag te decentraliseren met zich mee zou brengen dat er tussen gemeenten onderling verschil­len in de toepassing van de lang­durigheidstoeslag konden ontstaan. Desondanks heeft de regering toch voor decentralisatie gekozen, omdat zij de verantwoorde­lijkheid en de armslag die de gemeenten hiermee zouden verkrijgen zwaarder vond wegen.

Op basis van het voorgaande ziet de rechtbank geen grond te oordelen dat verweerder met artikel 3 van zijn Verordening langdurigheidstoeslag in strijd is gekomen met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Het is niet onredelijk te achten dat in deze beleidregel besloten ligt dat ook een langer durende periode van detentie als een voor de toepassing van artikel 36 van de Wwb relevante omstandigheid wordt aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 11 / 1403

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Heerlen, eiser,

gemachtigde: mr. O.T.J.A. Kicken,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Dekker.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juli 2011, waarbij zijn bezwaar tegen een door verweerder genomen besluit van 11 februari 2011 ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is gedetineerd geweest van 21 december 2007 tot 12 oktober 2008.

Vanaf 13 oktober 2008 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Op 5 januari 2011 heeft hij verweerder verzocht hem in aanmerking te brengen voor een langdurigheids¬toeslag. Verweerder heeft de aanvraag beoordeeld voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft verweerder eisers aanvraag voor wat betreft het jaar 2008 afgewezen, omdat eiser op de peildatum 1 januari 2008 gedetineerd was. Wanneer er sprake is van detentie, is er sprake van uitsluiting van het recht op bijstand op grond van artikel 13 van de Wwb. Met betrekking tot de jaren 2009 tot en met 2011 is de aanvraag afgewezen, omdat eiser in de onderzoeksperiode van telkens 36 maanden langer dan 30 dagen gedetineerd is geweest, namelijk van 21 december 2007 tot 12 oktober 2008.

Bij brief van 23 maart 2011 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Volgens eiser geeft artikel 3 van de Verordening langdurigheidstoeslag een onjuiste invulling aan hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de begrippen “langdurig een laag inkomen” en “het vooruitzicht op inkomensverbetering”. Naburige gemeenten zouden geen enkele bepaling hebben opgenomen ten aanzien van kortdurende detentie.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de Wwb is de langdurigheidstoeslag bedoeld als een inkomensondersteuning voor personen, die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Daarbij is het begrip arbeidsmarktperspectief van wezenlijke betekenis. Doorslaggevend is in dit verband of eiser in verweerders visie over de gehele periode van 36 maanden voldoende heeft getracht alge¬meen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Naar eigen zeggen heeft eiser gewerkt in de horeca en wil hij ook graag opnieuw werkzaam zijn in de horeca. Zo bezien heeft eiser ten eerste uitzicht op inkomensverbetering. Daarnaast is hij gedetineerd geweest van 21 december 2007 tot 12 oktober 2008. In die periode heeft hij naar verweerders oordeel niet getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, althans daarvan is niet gebleken. In een ononderbroken periode van 36 maanden, voorafgaand aan het jaar waarover eiser langdurig¬heidstoeslag heeft aangevraagd, bevindt zich een periode van detentie. Om die reden, en mede gelet op het voorgaande, heeft hij geen recht op een langdurigheidstoeslag, aldus verweerder.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de in artikel 36 van de Wwb vermelde kernvoorwaarden zijn: “langdurig”, “laag inkomen” en “uitzicht op inkomensverbetering”. Verweerder heeft op een te enge, te stringente en derhal¬ve onjuiste wijze invulling gegeven aan artikel 36 van de Wwb en voormelde begrippen. Daarom is met name artikel 3 van de Verordening lang¬durigheidstoeslag van de gemeente Heerlen in strijd met artikel 36 van de Wwb en de bedoelingen van de wetgever. Nagenoeg alle gemeenten in de buurt van Heerlen maar ook andere gemeenten hebben in hun verordening geen enkele bepaling/uitsluiting opgenomen ten aanzien van kortdurende detentie noch detentie in het algemeen. Met andere woorden: op grond van deze verorde¬ningen zou de detentieperiode geen belemmering hebben gevormd. Een detentieperiode zegt niets over het uitzicht op inkomensverbetering. Een wens van een bijstandsgerechtigde zegt niets over een reëel en concreet vooruitzicht op werk of een inkomensverbetering. Eiser kan verweerders gevolgtrekking dan ook niet volgen. Overigens is eiser door verweerder ontheven van de arbeidsverplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden en om zich te laten registreren als werkzoekende.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder op goede gronden heeft besloten eisers verzoek om toekenning van een langdurigheidstoeslag over de jaren 2008 tot en met 2011 af te wijzen.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wwb verleent het college op aanvraag een langdurigheids¬toeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen, als bedoeld in artikel 34, heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

In artikel 1, eerste lid, onder c, van de Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Heerlen (de Verordening) is bepaald dat onder langdurig wordt verstaan: een ononderbroken periode van 36 maanden, voorafgaande aan het jaar waarover langdurig¬heidstoeslag wordt aangevraagd.

In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat recht op langdurigheids¬toeslag op grond van de Wwb en deze verordening heeft de belanghebbende die:

a.een langdurig laag inkomen heeft;

b.op de dag van een aanvraag voor langdurigheidstoeslag geen in aanmerking te nemen vermogen heeft;

c.geen zicht heeft op inkomensverbetering.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is bepaald dat een belang¬hebbende is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, indien op enig moment gedurende de periode, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van deze verordening, één van de uitsluitingsgronden, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, van de Wwb, van toepassing is.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

In artikel 3, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat een kortdurende detentie in de zin van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wwb geen reden is om een belanghebbende uit te sluiten van het recht op langdurigheidstoeslag.

In artikel 3, derde lid, van de Verordening is bepaald dat onder kortdurend in de zin van het tweede lid wordt verstaan: een termijn van maximaal 30 dagen per jaar.

Gelet op hetgeen in beroep naar voren is gebracht spitst het onderhavige geding zich toe op de vraag of een periode van detentie als uitslui¬tingsgrond voor een langdurigheidstoeslag, zoals opgenomen in de Verordening, in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever.

De rechtbank overweegt dat gemeenten binnen de in artikel 36 van de Wwb geformuleerde kaders verplicht zijn bij verordening regels te stellen ten aanzien van de hoogte van de lang¬durigheidstoeslag en de voorwaarden waaraan de belanghebbende moet voldoen om voor deze toeslag in aanmerking te komen. Hierbij moet worden bepaald wat onder begrippen als “langdurig”, “laag inkomen” en “uitzicht op inkomensverbetering” moet worden verstaan. Bij dit laatste kan een gebrek aan arbeidsmarktperspectief mede bepalend zijn.

Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet decentralisering langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning huishoudens met schoolgaande kinderen (Kamerstukken II 2007-2008, 31 441, nr. 3) is de regering zich ervan bewust geweest dat de keuze om de langdurigheidstoeslag te decentraliseren met zich mee zou brengen dat er tussen gemeenten onderling verschil¬len in de toepassing van de lang¬durigheidstoeslag konden ontstaan. Desondanks heeft de regering toch voor decentralisatie gekozen, omdat zij de verantwoorde¬lijkheid en de armslag die de gemeenten hiermee zouden verkrijgen zwaarder vond wegen.

Op basis van het voorgaande ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder met voormelde beleidsregel in strijd is gekomen met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Het is niet onredelijk te achten dat in deze beleidregel besloten ligt dat ook een langer durende periode van detentie als een voor de toepassing van artikel 36 van de Wwb relevante omstandigheid wordt aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat eiser van 21 december 2007 tot 12 oktober 2008 gedetineerd is geweest, een detentie die gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Verordening niet kan worden aangemerkt als een kortdurende detentie.

Op grond van deze detentie heeft verweerder de langdurigheidstoeslag afgewezen, hetgeen de rechtbank in overeenstemming met de ter zake opgestelde beleidsregel acht.

De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan verweerder van zijn beleidsregel had moeten afwijken.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de rechtbank verder nog het volgende.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit mede ten grondslag gelegd dat eiser naar eigen zeggen heeft gewerkt in de horeca en dat hij ook graag opnieuw werkzaam wil zijn in de horeca. Zo bezien heeft eiser uitzicht op inkomensverbetering, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders argumentatie in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet onredelijk, mede gelet op eisers verklaring ter zitting dat hij het liefst direct weer gaat werken en dat verweerder hem daarbij moet helpen.

Volgens eisers gemachtigde is hij daar nog niet klaar voor, mede gelet op het feit dat eiser is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Eisers gemachtigde heeft betoogd dat verweerder moet objectiveren dat eiser perspectieven heeft op de arbeidsmarkt.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en dat hij uit coulance is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen.

De rechtbank overweegt dat nu eiser niet meewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijk¬heden tot arbeidsinschakeling, moeilijk van verweerder kan worden gevergd te objectiveren dat eiser perspectieven heeft op de arbeidsmarkt. Hetgeen in zoverre is aangevoerd leidt dan ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verweer¬der op goede gronden heeft besloten eisers verzoek om toekenning van een langdurigheids¬toeslag over de jaren 2008 tot en met 2011 af te wijzen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.M. Kavelaars, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.

w.g. C. Kavelaars w.g. R. Gijselaers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:7 maart 2012

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.