Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW1755

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 207
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep tegen besluit tot wijziging geurvoorschriften milieuvergunning. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit een inhoudelijk (milieutechnisch) complexe zaak betreft. De rechtbank heeft dan ook in de hoofdzaak een adviseur ingeschakeld. Vaststaat dat de adviseur nog geen verslag heeft uitgebracht. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op voornoemde complexheid, de zaak zich meer leent om te worden afgedaan door een meervoudige kamer dan in een procedure als de onderhavige.

Het onderhavige verzoek zal derhalve met name worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging, waarin de beoordeling van de mate van ingrijpendheid van toewijzing van het verzoek, het nadeel van de ene partij in verhouding tot dat van de andere partij én de mate van onomkeerbaarheid van het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening centraal staan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 207

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2012 in de zaak tussen

de besloten vennootschap “Componenta BV”, te Weert, verzoekster,

(gemachtigde: mr. T.A.G. Vermeulen),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder.

(gemachtigden: S.M.T. Michon, L.F.M. Rhoen en M.H.J.H. Verlinden).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Actie Comité Ten Esschen, te Hoensbroek

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft verweerder besloten, gelet op de bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de in dit besluit uiteengezette overwegingen, ambtshalve de geurvoorschriften in de milieuvergunning 2004 van verzoekster te wijzigen. De voorschriften E.1 tot en met E.5 zijn vervangen door nieuwe voorschriften E.1 en E.2. Deze laatste voorschriften zijn een verzwaring van de geurnorm ten opzichte van de oude voorschriften.

Tegen het besluit van 13 december 2011 is door verzoekster beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Op 1 februari 2012 is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingekomen tot het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De door verweerder ingezonden stukken zijn aan verzoekster gezonden.

Voormeld verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 5 april 2012, waar verzoekster is vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger], bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens heeft verzoekster [naam deskundige] (milieudeskundige) meegebracht. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij is [naam gemachtigde] (voorzitter) verschenen.

Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor een verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard en niet bindend in de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu door verzoekster beroep is ingesteld tegen verweerders beslissing op bezwaar ter zake waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd en de rechtbank Maastricht bevoegd kan worden geacht om van de hoofdzaak kennis te nemen. De voorzieningenrechter acht de vereiste onverwijlde spoed ook voldoende aannemelijk gemaakt, aangezien verzoekster vóór 31 december 2012 geurreducerende maatregelen moet nemen, teneinde te voldoen aan de nieuwe voorschriften E.1 en E.2, hetgeen tot gevolg heeft dat verzoekster thans al de nodige (hoge) investeringen moet gaan verrichten. Een en ander zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter leiden tot niet of nagenoeg niet omkeerbare maatregelen en voorzieningen.

Met betrekking tot het onderhavig verzoek om voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit ambtshalve de vergunningsvoorwaarden E.1 tot en met E.5 van de aan verzoekster verleende revisievergunning vervangen door nieuwe voorschriften E.1 en E.2 ter voorkoming van geuroverlast.

Verzoekster heeft onder meer aangevoerd het niet eens te zijn met de wijziging van de geurnorm, de wijziging van de tijdsduur meten en de wijziging van de meetpunten. Daarnaast betwijfelt verzoekster of deze wijzigingen haalbaar zijn en of de opgelegde geurreducerende maatregelen voor de deadline van 31 december 2012 gerealiseerd kunnen worden. Ook verwacht verzoekster problemen met het vergoed krijgen van de financiële gevolgen van de opgelegde maatregelen op grond van de Circulaire schadevergoeding.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderhavige besluit een inhoudelijk (milieutechnisch) complexe zaak betreft. De rechtbank heeft dan ook in de hoofdzaak een adviseur ingeschakeld. Vaststaat dat de adviseur nog geen verslag heeft uitgebracht. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op voornoemde complexheid, de zaak zich meer leent om te worden afgedaan door een meervoudige kamer dan in een procedure als de onderhavige.

Het onderhavige verzoek zal derhalve met name worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging, waarin de beoordeling van de mate van ingrijpendheid van toewijzing van het verzoek, het nadeel van de ene partij in verhouding tot dat van de andere partij én de mate van onomkeerbaarheid van het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening centraal staan.

In dat kader wordt overwogen dat toewijzing van het onderhavig verzoek niet zeer ingrijpend is te achten. Er wordt immers geen voorlopig oordeel gegeven over de uitkomst van de hoofdzaak. Voorts zal de rechtbank de hoofdzaak op korte termijn (tussen 15 augustus 2012 en 8 september 2012) ter zitting behandelen.

Ten aanzien van de mate van onomkeerbaarheid van het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening, overweegt de voorzieningenrechter dat het niet treffen van een voorlopige voorziening kan leiden tot (zoals hiervoor reeds is weergegeven) een situatie waarin onomkeerbare gevolgen voor verzoekster kunnen ontstaan. Verzoekster moet immers dan nu al beginnen met het doen van forse investeringen, terwijl rechtens nog niet vast staat of de opgelegde maatregelen, waarvoor deze investeringen moeten worden gedaan, terecht zijn opgelegd door verweerder.

Onder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster bij toewijzing van het verzoek dienen te prevaleren boven die van verweerder bij onverkorte uitvoering van het bestreden besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden toegewezen, in dier voege dat het bestreden besluit zal worden geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak van deze rechtbank op het beroep van verzoekster.

De voorzieningenrechter heeft geen toepassing gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het onderzoek in de hoofdzaak wordt voortgezet. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter op de mogelijkheid voor partijen – indien daarvoor aanleiding bestaat – om een verzoek in te dienen op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb tot opheffing van de voorlopige voorziening.

Nu het verzoek wordt toegewezen, dient het griffierecht aan verzoekster te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het bestreden besluit van 13 december 2011 wordt geschorst, zulks tot zes weken na verzending van de uitspraak van deze rechtbank op het beroep van verzoekster;

2. bepaalt dat aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 wordt vergoed door verweerder;

3. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 899,54 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 874,00), te vergoeden aan verzoekster.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.

w.g. D. Laeven w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.