Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW0668

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
03/700098-11 en 03/855243-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Uitgaansgeweld. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een poging tot doodslag heeft gepleegd door het slachtoffer met een mes in de buikstreek te steken. Uit heersense jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN BP1142) volgt dat in het algemeen geldt dat het toebrengen van een messteek in de buikstreek -gelet op de ligging van vitale organen aldaar- de aanmerkelijke kans meebrengt dat een slachtoffer ten gevolge van zo'n messteek komt te overlijden. De rechtbank vindt dat die jurisprudentie in deze strafzaak ook van toepassing is. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer, nu uit getuigenverklaringen is gebleken dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes of andermans lijf. Het bestaan van een zogenaamde noodweersituatie is dus niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van de Hoge Raad die is gepubliceerd onder LJN BK4788. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept niet kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer volgens de Hoge Raad niet slagen, om welke reden de rechtbank dit onderdeel van het verweer verwerpt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700098-11 en 03/855243-10 (vordering tot tenuitvoerlegging)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 juni 2011 en 20 maart 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer alsmede benadeelde partij] te doden dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes te steken.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Aan de hand van een tweetal vonnissen (rechtbank Den Bosch d.d. 28 februari 2012, LJN BV7161 en rechtbank Zutphen d.d. 4 oktober 2011, LJN BT6579) betoogt de officier van justitie dat het onder hectische omstandigheden toebrengen van een messteek in de buikstreek het aanmerkelijke risico op levensbedreigend letsel oplevert. Bovendien volgt uit deze jurisprudentie dat aan de hand van de oppervlakkigheid van een verwonding door een messteek een indicatie kan worden gegeven van de kracht waarmee die messteek is toegebracht. Uit het procesdossier volgt dat verdachte een mes met een lemmet van ongeveer 8 tot 10 centimeter lang heeft gebruikt. Voorts volgt uit de geneeskundige verklaring dat het mes voorbij de buikwand is gekomen. Gezien de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de getuigenverklaringen in het procesdossier, is de officier van justitie van mening dat verdachte met voldoende kracht heeft gestoken om de buikwand te doorboren en daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij vitale organen van het slachtoffer [slachtoffer alsmede benadeelde partij] zou raken, ten gevolge waarvan deze zou kunnen overlijden. Dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] betrekkelijk licht gewond is geraakt, is geen verdienste van verdachte maar betreft puur geluk.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit, zowel in primaire als in subsidiaire zin. De raadsman wijst erop dat verdachte niet in de buikstreek van [slachtoffer alsmede benadeelde partij], maar in diens flank heeft gestoken. Dit maakt iedere vergelijking met de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie zinloos, te meer nu de spiermassa in de flank- en rugstreek wezenlijk anders is dan in de buikstreek. Verdachte heeft voorts bij de politie en ter terechtzitting aangegeven slechts een korte, gecontroleerde beweging in de richting van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] te hebben gemaakt. De plek waar [slachtoffer alsmede benadeelde partij] is geraakt, tot op de buikwand, en de manier waarop de verdachte heeft gestoken kunnen in ieder geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte het voorwaardelijk opzet op het overlijden van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] had. De raadsman verwijst in dit verband naar de verklaring van de huisarts van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] en naar de huisartsenbrief van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, die [slachtoffer alsmede benadeelde partij] bij zijn vordering als benadeelde partij heeft gevoegd.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit, nu hij zich met succes kan beroepen op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer. Volgens de raadsman was er tijdens het incident op 26 februari 2011 sprake van een tweetal fasen. Tijdens de eerste fase waren [getuige 1] en [slachtoffer alsmede benadeelde partij] met elkaar in gesprek, waarna [getuige 1] vervolgens [slachtoffer alsmede benadeelde partij] duwde. Nadat deze situatie was gesust, maar [getuige 1] toch door [slachtoffer alsmede benadeelde partij] werd aangevallen, heeft verdachte zijn mes gepakt en dit na een aantal waarschuwingen gebruikt. Volgens de raadsman volgt uit getuigenverklaringen dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] in de tweede fase overduidelijk de agressor is geweest. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van andermans lijf, te weten dat van [getuige 1]. De raadsman stelt dat verdachte een mes heeft gehanteerd om zijn vriend in veiligheid te brengen. Wellicht was het hanteren van het mes een te vergaand middel, maar dit werd ingegeven door een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de aanranding van [getuige 1]. De raadsman verwijst in dit verband naar de conclusies van de gz-psycholoog drs. M.M. van der Veer op pagina 14 van de door haar opgestelde Pro Justitia rapportage en stelt dat verdachte op het moment dat hij stak geen ander handelingsalternatief voor ogen had. Verdachte herbeleefde immers een eerder steekincident, waarbij hij zelf slachtoffer is geweest. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat geen sprake was van een werkelijke noodweersituatie zoals verdachte veronderstelde, kan verdachte volgens de raadsman succesvol een beroep doen op putatief noodweer.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 26 februari 2011 vond rond 03:00 uur een steekincident plaats op de openbare weg in Valkenburg, waarbij verdachte en de aangever [slachtoffer alsmede benadeelde partij] betrokken waren. Ten tijde van dit incident bevond de aangever [slachtoffer alsmede benadeelde partij] zich in het gezelschap van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. Verdachte bevond zich op dat moment in het gezelschap van de getuigen [getuige 1] en [getuige 4]. Getuige [getuige 5] heeft het incident tevens waargenomen.

Ten aanzien van het primaire feit

Aangever [slachtoffer alsmede benadeelde partij] heeft verklaard dat hij op voornoemde datum en plaats door een hem onbekende persoon in zijn zij is gestoken, terwijl hiertoe geen aanleiding bestond. Na een confrontatie op straat met verdachte bemerkte [slachtoffer alsmede benadeelde partij] dat zijn witte T-shirt roodgekleurd was vanwege een wond aan de linkerzijde aan de rugzijde.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat hij verdachte met een korte steekbeweging met een mes heeft gestoken. Volgens verdachte heeft hij de jongen richting de buik geraakt. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij die avond een vlindermes bij zich had. Dit mes is door de politie bij verdachte aangetroffen.

Verbalisanten hebben geconstateerd dat er aan de linkerzijde van het lichaam van [slachtoffer alsmede benadeelde partij], onder de ribbenkast, iets aan de achterzijde van de rug, een vermoedelijke steekwond met een doorsnede van 1 centimeter zat. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] een steekverwonding in zijn linkerflank had en dat het mes voorbij de buikwand (fascie) is geweest.

De rechtbank concludeert op grond van de verklaring van verdachte, de bevindingen van de verbalisanten en het letsel van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] dat verdachte [slachtoffer alsmede benadeelde partij] met een vlindermes in de buikstreek heeft gestoken. Uit heersende jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN BP1142) volgt dat in het algemeen geldt dat het toebrengen van een messteek in de buikstreek - gelet op de ligging van vitale organen aldaar - de aanmerkelijke kans meebrengt dat een slachtoffer ten gevolge van zo’n messteek komt te overlijden. De rechtbank vindt dat die jurisprudentie in deze strafzaak ook van toepassing is. Nu verdachte het slachtoffer immers in zijn linkerflank, onder de ribben, heeft gestoken, heeft verdachte het slachtoffer geraakt op een kwetsbare plek van het menselijk lichaam, nu daar vitale organen liggen. Dit geldt te meer nu uit de geneeskundige verklaring volgt dat het mes al voorbij de buikwand is geweest. De rechtbank ziet in dit verband geen tegenstrijdigheden tussen deze geneeskundige verklaring en de door de raadsman aangehaalde verklaring van de huisarts en de huisartsenbrief van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, nu uit deze beide laatste verklaringen niet volgt hoe diep de aan [slachtoffer alsmede benadeelde partij] toegebrachte messteek was. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] aan de gevolgen van de messteek in zijn flank zou kunnen overlijden en dat hij dus het voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] had.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 februari 2011 te Valkenburg, in de gemeente Valkenburg aan de Geul, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer alsmede benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam van die [slachtoffer alsmede benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 Strafbaarheid van het feit en de verdachte

4.1 Ten aanzien van het beroep op noodweer/noodweerexces/putatief noodweer

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) in deze zaak in beginsel moet komen vast te staan dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes of eens anders lijf. De rechtbank dient hiervoor de gebeurtenissen tijdens het incident van 26 februari 2011 te beoordelen.

Aanleiding van het incident

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij samen met de getuigen [getuige 1] en [getuige 4] na het uitgaan naar huis ging, toen [getuige 1] door een onbekend meisje en door [slachtoffer alsmede benadeelde partij] werd aangesproken. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij zag dat [getuige 1] en [slachtoffer alsmede benadeelde partij] dicht bij elkaar stonden, naar hen is toegegaan om te vragen of alles in orde was. Door zowel [getuige 1] als [slachtoffer alsmede benadeelde partij] wordt bevestigd dat zij met elkaar over voetbal spraken. Ook [getuige 4] heeft gezien dat zij dicht bij elkaar stonden. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte zich in het gesprek mengde en vroeg of er problemen waren. [getuige 1] is hierop weggelopen, maar zag vlak daarna dat verdachte en [slachtoffer alsmede benadeelde partij] ruzie met elkaar maakten en tegen elkaar scholden. Getuige [getuige 3] heeft anders verklaard. Volgens [getuige 3] ontstond er wrijving tussen [getuige 1] en [slachtoffer alsmede benadeelde partij], waarop verdachte zich ook ermee wilde bemoeien. Verdachte werd volgens getuige [getuige 2] tegengehouden door [getuige 4].

Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens met [getuige 4] stond te praten en een tik op zijn schouder voelde, waarna hij door [slachtoffer alsmede benadeelde partij] bij zijn keel werd gegrepen. Volgens verdachte heeft [getuige 1] [slachtoffer alsmede benadeelde partij] toen weggeduwd. De rechtbank constateert dat [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] en verdachte elkaar over en weer duwden, voordat verdachte door [slachtoffer alsmede benadeelde partij] bij zijn keel werd gegrepen. Volgens [getuige 1] heeft hij toen inderdaad [slachtoffer alsmede benadeelde partij] van verdachte weggeduwd.

Op grond van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat er tijdens deze eerste fase van de gebeurtenissen op enig moment wrijving is ontstaan, doch dat niet kan worden vastgesteld wie dit heeft geïnitieerd. Verdachte heeft zich in ieder geval niet ongemoeid gelaten.

4.2 De door verdachte gestelde ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Verdachte heeft verklaard dat hij hierna geschreeuw hoorde en dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] hem tegen zijn scheenbeen trapte. Volgens verdachte heeft [getuige 1] [slachtoffer alsmede benadeelde partij] toen nogmaals weggeduwd.

De rechtbank constateert dat ook [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer alsmede benadeelde partij] verdachte tegen zijn scheenbeen schopte. [getuige 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] hierop wederom heeft weggeduwd en bij diens keel heeft gegrepen. Getuige [getuige 2] heeft dit gezien. Volgens [getuige 1] en [getuige 5] heeft [getuige 1] [slachtoffer alsmede benadeelde partij] ook met zijn rechtervuist tegen het voorhoofd geslagen. Volgens [getuige 1] kwam een vriend van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] naar hem toe en gaf deze [getuige 1] een duw, waarop [getuige 1] hem terug zou hebben geduwd. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat hij probeerde om [slachtoffer alsmede benadeelde partij] van [getuige 1] weg te halen, maar dat hij werd geslagen. Getuige [getuige 3] en getuige [getuige 5] verklaren beiden dat getuige [getuige 2] door [getuige 1] werd geslagen.

Volgens verdachte heeft hij herhaaldelijk gewaarschuwd dat de situatie op moest houden, omdat het anders uit de hand zou lopen. De rechtbank constateert dat [getuige 3] heeft gehoord dat verdachte zei: “Houd hem weg, want ik steek hem dadelijk”. [getuige 3] zag dat verdachte een mes in zijn handen hield. [getuige 2] heeft verklaard dat hij, nadat hij had gezien dat de blanke jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte) een eerder op de grond gevallen vlindermes in zijn broekzak had gestopt, heeft gehoord dat deze jongen riep “Ik ga je steken” of woorden van die strekking. Dat was voordat hij zag dat de donkere jongen ([getuige 1]) [slachtoffer alsmede benadeelde partij] bij diens keel pakte.

Volgens verdachte zei iemand vervolgens dat verdachte een mes in zijn hand had. Hierop is hij naar [slachtoffer alsmede benadeelde partij] gelopen en heeft hij hem ‘geprikt’. Hij had die avond een mes bij zich, terwijl hij op stap was in Valkenburg, omdat hij zich vanwege een eerder steekincident niet meer veilig voelde op straat. Volgens verdachte heeft hij dit mes alleen ter verdediging gebruikt. Hij herbeleefde het eerdere steekincident en zag geen andere uitweg.

4.3 Oordeel van de rechtbank

Op grond van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat, zoals door de verdediging wordt gesteld, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte dan wel het lijf van [getuige 1]. De tweede fase van het incident, voorafgaand aan het steken door verdachte, is hiervoor bepalend. Uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen volgt immers dat juist [slachtoffer alsmede benadeelde partij] en [getuige 2] te maken kregen met een aanranding door [getuige 1], en niet andersom. Uit de getuigenverklaringen is evenmin gebleken dat verdachte niet de agressor is geweest in zijn conflict met [slachtoffer alsmede benadeelde partij]. Integendeel, er zijn in het dossier voldoende aanwijzingen te vinden dat verdachte degene is geweest die de escalatie heeft geïnitieerd. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt immers dat verdachte zich plotseling bij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] had gevoegd en ruzie met hem maakte. Volgens andere getuigenverklaringen mengde verdachte zich opeens in het gesprek van [slachtoffer alsmede benadeelde partij] en [getuige 1]. Verdachte heeft bij de politie zelf verklaard dat hij niet heeft gezien dat er werd geslagen, maar dat hij wel een mes heeft gepakt en heeft gestoken. De rechtbank concludeert dat verdachte in de onderhavige zaak de meeste agressie heeft getoond. Wat de verdediging nog heeft opgemerkt over het op pagina 14 van het psychologische rapport beschrevene is naar het oordeel van de rechtbank geheel gebaseerd op verdachtes versie van het incident, die tegenover de deskundige ook anders luidde dan wat verdachte bij de politie heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van een zogenaamde noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad die is gepubliceerd onder LJN BK4788. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept niet kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer volgens de Hoge Raad niet slagen. Dat onderdeel van het verweer wordt dan ook verworpen.

4.4 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.5 Strafbaarheid van verdachte

Drs. M.M. van der Veer, gezondheidszorgpsycholoog, heeft, na inzage van de gerechtelijke stukken, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek een rapport, gedateerd 15 oktober 2011, opgemaakt, welk rapport vermeldt - zakelijk weergegeven - als conclusie:

- Betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is sprake van kenmerken die wijzen in de richting van posttraumatische stressstoornis en er is sprake van een tekortschietende impulsbeheersing na frustraties.

- Ten tijde van het tenlastegelegde waren deze kenmerken ook aanwezig.

- Betrokkene heeft in zijn ontwikkeling te weinig frustratietolerantie en te weinig impulscontrole opgebouwd. Hij voelt zich snel boos en gekrenkt en reageert hierop middels boosheid en woede-uitbarstingen. Indien hij zich getergd blijft voelen ontaardt zijn boosheid in woede-uitbarstingen waarbij hij zichzelf niet meer in de hand kan hebben. Hij heeft graag zijn zin en wil situaties naar zijn hand zetten. Hij vindt het moeilijk om te accepteren dat hij niet alles kan bepalen. Hij kan vanuit zijn boosheid moeilijk stoppen. Hij is daarvan afhankelijk van anderen. Hij redeneert vanuit zichzelf en is niet bezig met de gevolgen van zijn gedrag voor de ander. Men kan stellen dat er sprake is van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank begrijpt deze conclusie en hoe die tot stand gekomen is. De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte over.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met oplegging van een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd dient de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte zich zal dienen te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich ambulant zal moeten laten behandelen bij FPK De Horst of een soortgelijke instelling. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging komt, heeft de raadsman bepleit dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeer contraproductief zal zijn voor verdachte. Na een detentie zal verdachte al hetgeen hij heeft opgebouwd kwijt zijn, meer in het bijzonder de winst uit de begeleiding door Primapsychologen. Bovendien zal hij niet kunnen deelnemen aan ambulante behandeling bij FPK De Horst. Gelet op de adviezen in de Pro Justitiarapportage en de reclasseringsrapportage acht de raadsman een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest en een groot voorwaardelijk deel de meest gerede straf, zodat verdachte buiten de gevangenis zijn problematiek kan blijven aanpakken. De raadsman stelt voor om aan de op te leggen proeftijd de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden te verbinden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft na een uitgaansavond [slachtoffer alsmede benadeelde partij], een hem volslagen onbekende, met een mes in het lichaam gestoken. Daar was geen enkele aanleiding toe. Dat verdachte zich met een vlindermes in het uitgaansleven heeft begeven is op zichzelf al onbegrijpelijk, nu dit grote risico’s meebrengt. Daarnaast is verdachte zelf ook ooit door onbekenden met een mes gestoken, zodat van hem mag worden verwacht dat hij weet wat hij een ander op die manier aandoet. Verdachte heeft door het plegen van dit feit geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van een ander en hij is er niet voor teruggeschrokken om een ander pijn te doen en letsel te bezorgen. Dit alles maakt dat het bewezenverklaarde feit een zeer ernstig strafbaar feit is dat, gelet op plaats en tijdstip, kan worden geschaard onder het begrip uitgaansgeweld. Het is een vorm van zinloos geweld die veel onrust veroorzaakt in de samenleving.

Gelet op de strafmaatjurisprudentie behorende bij een poging tot doodslag – het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch kiest als uitgangspunt daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren – acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op zijn plaats. De rechtbank ziet echter aanleiding om hiervan ten voordele van verdachte af te wijken. Niet alleen houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd waarop verdachte onderhavig feit heeft begaan, maar ook met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Ten aanzien van factoren voortkomend uit de stoornis van verdachte die van belang kunnen zijn voor de kans op recidive heeft de psycholoog drs. M.M. van der Veer in haar rapport d.d. 15 oktober 2011 geadviseerd -zakelijk weergegeven-:

- Betrokkene heeft intensieve psychologische hulp nodig gericht op zijn tekortschietende impulscontrole, zijn woede-uitbarstingen en zijn geringe frustratietolerantie. Dit kan individueel maar ook door middel van een groepstraining. Hij heeft mogelijk EMDR nodig om de overval in de tunnel te verwerken. Daarnaast is toezicht en begeleiding gewenst bij het kunnen volhouden van werk.

- Tevens wordt diepgaand neuropsychologisch onderzoek geadviseerd zodat helder wordt of de vroege ontwikkelingsbijzonderheden en de latere hersenkneuzing mede een rol spelen in zijn emotionele ontwikkelingsachterstand.

- Geadviseerd wordt om betrokkene een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan toezicht van de reclassering ook als dat inhoudt dat betrokkene zich onder ambulante begeleiding stelt van de forensische polikliniek De Horst of een andere vergelijkbare instelling en meewerkt aan verder neuropsychologisch onderzoek.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de conclusie en het advies van de psycholoog.

De reclassering heeft in haar rapport d.d. 26 januari 2012 geadviseerd tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een meldingsgebod, deelname aan de gedragsinterventie ‘Leefstijltraining (kort)’ en een ambulante behandelverplichting bij de forensische polikliniek De Horst dan wel een soortgelijke instelling.

Op grond van de adviezen van de psycholoog en de reclassering concludeert de rechtbank dat zowel verdachte als de samenleving er meer bij gebaat zijn als verdachte geen zodanige onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt opgelegd dat hij nog terug moet naar de gevangenis, omdat in dat geval geen behandeling van de ontwikkelingsstoornis van verdachte zal kunnen plaatsvinden. Om deze reden zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest én een zeer forse werkstraf. Dit beantwoordt volgens de rechtbank voldoende aan de ernst van het door verdachte gepleegde feit en geeft daarnaast de mogelijkheid dat hij voor zijn ontwikkelingsstoornis wordt behandeld. Daarbij zal de rechtbank, ter voorkoming van recidive en als stok achter de deur, een langere proeftijd opleggen dan gebruikelijk is. De rechtbank drukt de hoop uit dat verdachte zich terdege realiseert welke zware straf hij thans ontloopt.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden (zijnde 600 dagen), waarvan 546 dagen voorwaardelijk met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte (54 dagen) en met een proeftijd van 3 jaren de meest geëigende straf. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank de door de psycholoog en de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden verbinden. Voorts zal de rechtbank de maximale onvoorwaardelijke werkstraf opleggen van 240 uren.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.494,26, waarvan € 594,26 aan materiële schade en € 900,00 aan immateriële schade gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen en heeft daarbij tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De raadsman heeft primair betoogd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu hij vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadman afwijzing van de gevorderde vergoeding van de broek en de riem bepleit, nu deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. Voorts heeft de raadsman afwijzing van de kosten voor de carnavalsvereniging bepleit, nu dit geen rechtstreeks ten gevolge van het strafbare feit geleden schade is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voert de raadsman aan dat deze aanzienlijk dient te worden gematigd, nu de vergelijking met het in de schadeonderbouwingsformulier aangehaalde voorbeeld uit de ANWB-smartengeldgids niet opgaat.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij slechts gedeeltelijk toewijzen, nu zij vindt dat uit het onderzoek is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.194,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Het toegewezen schadebedrag omvat alle gevorderde materiële schadeposten, nu de rechtbank van oordeel is dat deze het rechtstreekse gevolg zijn van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank acht al deze posten bovendien voldoende onderbouwd.

De rechtbank heeft de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 600,00, nu zij het aangehaalde voorbeeld uit de ANWB-smartengeldgids niet voldoende vergelijkbaar vindt met onderhavige casus. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een werkstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen jeugddetentie, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Maastricht d.d. 24 juni 2010, gewezen onder parketnummer 03/855243-10. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan, zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden (zijnde 600 dagen), waarvan 546 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook indien deze inhouden:

- een meldingsgebod;

- deelname aan de gedragsinterventie Leefstijltraining (kort);

- een ambulante behandelverplichting bij de Forensische Polikliniek De Horst of

een soortgelijke instelling;

- medewerking aan een neuropsychologisch onderzoek;

- draagt de reclassering op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer alsmede benadeelde partij], wonende te [adresgegevens slachtoffer alsmede benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1.194,26 (eenduizend eenhonderdvierennegentig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer alsmede benadeelde partij], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer alsmede benadeelde partij] vervalt en omgekeerd;

Opheffing voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Vordering tot tenuitvoerlegging (03/855243-10)

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 24 juni 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 03/855243-10, te weten een werkstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie, zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Valkenburg, in de gemeente Valkenburg

aan de Geul, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer alsmede benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen,

althans eenmaal, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig

voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer alsmede benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de

Geul, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een

persoon genaamd [slachtoffer alsmede benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval

met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer alsmede benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;