Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW0655

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
0370038911
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Politieman veroorzaakt ongeval met letsel. OM ontvankelijk. Werking Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de Brancherichtlijn verkeer.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/45 met annotatie van C.J. van Eekelen

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700389-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

Op 25 januari 2012 heeft de politierechter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken. De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met een politievoertuig een ongeluk heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dan wel dat verdachte een politievoertuig heeft bestuurd en daarbij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd.

3 De voorvragen

Ter zake van het aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de raadsman betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman stelt in de eerste plaats dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, nu aan verdachte op 5 mei 2011 door zijn Chef van het Bureau Interne Zaken, [naam Chef Bureau Interne Zaken], is bericht dat zijn strafzaak geseponeerd zou worden. Dit bericht werd vervolgens aan verdachte bevestigd door de Chef Basiseenheid, [naam Chef Basiseenheid]. Bij verdachte is door deze mededelingen van leidinggevenden van voldoende niveau het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat door het bevoegde gezag was besloten om de zaak te beëindigen door middel van een sepot. Deze berichten zouden volgens het Openbaar Ministerie berusten op een misverstand. De raadsman merkt op dat het geen constitutief vereiste is dat een sepotbericht schriftelijk wordt medegedeeld en dat er mag worden vertrouwd op mondelinge mededelingen. In de tweede plaats stelt de raadsman dat het beginsel van een evenredige en deugdelijke belangenafweging, voorafgaand aan de beslissing van het Openbaar Ministerie om verdachte te vervolgen, is geschonden. Immers, verdachte wordt bijzonder hoog gewaardeerd als politieagent. Ook gelet op de contacten tussen het Korps en het slachtoffer was verdere vervolging van verdachte in het geheel niet noodzakelijk.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sepotbeslissingen altijd schriftelijk worden gecommuniceerd. De officier van justitie verwijst verder naar de brief van 5 december 2011 waarin reeds uiteen is gezet dat aan verdachte foutieve informatie is verstrekt die is te herleiden tot een telefoongesprek tussen de officier van justitie en [naam Chef Bureau Interne Zaken]. Dat telefoongesprek ging echter wat de officier van justitie betreft over een ander verkeersongeval.

Verder heeft de officier van justitie meegedeeld dat het Openbaar Ministerie tot vervolging van verdachte is overgegaan op basis van het dossier. Daarbij heeft een rol gespeeld dat het gevolg van verdachtes handelen is geweest dat iemand ernstig gewond is geraakt.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Uit het rapport d.d. 18 november 2011 van [naam Chef Bureau Interne Zaken], bureauchef Integriteit, veiligheid en juridische zaken van de politie Limburg-Zuid, en uit de brief d.d. 5 december 2011 van de officier van justitie volgt dat de telefonische mededeling van het Openbaar Ministerie aan [naam Chef Bureau Interne Zaken], inhoudende dat onderhavige strafzaak geseponeerd zou worden, op een misverstand berustte. De raadsman betwist dit ook niet. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat een sepotbeslissing in beginsel tevens mondeling kan worden overgebracht. Uit genoemde stukken volgt echter dat er namens het Openbaar Ministerie geen opdracht of toestemming aan [naam Chef Bureau Interne Zaken] of [naam Chef Basiseenheid] werd gegeven om aan verdachte mee te delen dat de zaak zou worden geseponeerd. Het kan niet voor rekening van het Openbaar Ministerie komen dat een leidinggevende van de politie toezeggingen aan verdachte doet zonder daartoe opdracht van het Openbaar Ministerie te hebben ontvangen. Het verweer van de raadsman faalt aldus.

Wat een mogelijke schending van het vervolgingsbeginsel betreft geldt dat de rechtbank de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie slechts marginaal kan toetsen. Gelet op hetgeen de officier van justitie heeft gesteld over de redenen om tot vervolging over te gaan stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie in redelijkheid tot die beslissing kon komen. Ook dit verweer van de raadsman faalt.

Het voorstaande brengt met zich mee dat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is geweest van zodanige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie wijst erop dat de verklaringen van verdachte en van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [slachtoffer] en diens echtgenote [echtgenote slachtoffer] over het ongeval zelf weinig ongerijmdheden bevatten.

De officier van justitie stelt dat politieagenten over verregaande bevoegdheden beschikken, maar dat deze worden begrensd door richtlijnen. In onderhavige zaak was er volgens de officier van justitie geen grondslag voor het voeren van optische en geluidssignalen. De officier van justitie is van mening dat uit de uitgeschreven gesprekken van de meldkamer volgt dat verdachte en getuige [getuige 1], in strijd met de richtlijnen, ook geen toestemming aan de meldkamer hebben gevraagd voor het voeren van optische en geluidssignalen.

Terwijl verdachte en getuige [getuige 1] hebben verklaard dat zij niet op het verkeerslicht op de kruising van de Urmonderbaan en de Oude Postbaan hebben gelet, hebben het slachtoffer [slachtoffer] en zijn echtgenote verklaard dat zij groen licht hadden toen zij de weg opreden. Uit de rapportage naar aanleiding van het onderzoek door het Bureau VerkeersOngevalanalyse is niet gebleken van enig mankement aan de verkeersinstallatie. Hieruit volgt dat verdachte het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd. De officier van justitie stelt dat verdachte dit op grond van de “Brancherichtlijn verkeer” (hierna: Brancherichtlijn) stapvoets diende te doen. Uit de onderzoeksbevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt echter dat verdachte vlak voor het ongeval tussen de 76 en 107 kilometer per uur reed. Verdachte heeft hiermee de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur overschreden. Gelet op voormelde Brancherichtlijn mocht verdachte op provinciale wegen tot 20 kilometer harder dan de maximumsnelheid rijden. Verdachte heeft minstens 76 kilometer per uur gereden en heeft de meldkamer niet in kennis gesteld van zijn snelheid.

De officier van justitie is van mening dat verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt. Verdachte was tijdens de uitoefening van zijn functie te zeer gefixeerd op het voertuig dat hij achtervolgde, terwijl er geen reden bestond om dit voertuig te achtervolgen. Verdachte had het ongeval kunnen voorkomen door zich aan de richtlijnen van de politie te houden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad met LJN-nummer AV0252 stelt de officier van justitie dat het slachtoffer [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen: te weten een gebroken borstbeen en een aantal gebroken ribben. De aandacht van het slachtoffer was afgeleid door een andere patrouille die met optische en geluidssignalen aan de zijde van de A2 bij de kruising stond. Deze omstandigheid brengt niet mee dat verdachte geen verwijt valt te maken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem primair tenlastegelegde. De raadsman stelt dat de culpa niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiervoor is een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vereist, te weten een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid en daarvan was geen sprake. Verdachte was op de avond van het ongeval werkzaam als politieagent. Op grond van de Brancherichtlijn was verdachte in beginsel gerechtigd om de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) te overtreden, waarbij wel het belang van de dienst dat moet vorderen en de veiligheid van het verkeer gewaarborgd wordt. Een enkele verkeersovertreding is op grond van heersende jurisprudentie echter onvoldoende om tot bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) te komen. Dit betekent dat, ook indien er in strijd met de Brancherichtlijn is gereden, daardoor geen schuld in de zin van artikel 6 WVW ontstaat. De raadsman wijst erop dat er geen agent is die in een vergelijkbaar geval voor het stoplicht zou gaan wachten. Daarnaast is niet bewezen dat verdachte inderdaad door rood is gereden. Volgens de raadsman is het bovendien niet overdreven om daar op dat tijdstip wat harder te rijden dan gebruikelijk.

De raadsman stelt dat het voorgaande tevens leidt tot vrijspraak van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW, nu het bestanddeel ‘gevaar’ op grond van het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Meer subsidiair voert de raadsman aan dat verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, nu er onvoldoende sprake is van strafrechtelijk relevante schuld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 12 september 2010 heeft omstreeks 00.30 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de Provincialeweg N294 - Urmonderbaan ter hoogte van de kruising met de Oude Postbaan te Geleen, gemeente Sittard-Geleen. Deze kruising is gelegen buiten de bebouwde kom van de gemeente Sittard-Geleen. Genoemde wegen zijn voor het openbaar verkeer openstaande wegen. De maximumsnelheid ter plaatse bedroeg op dat moment vanwege tijdelijke verkeersmaatregelen 50 kilometer per uur voor bestuurders van motorvoertuigen. Ongeveer 130 meter voor de kruising met de Oude Postbaan waren vanwege deze tijdelijke verkeersmaatregelen aan weerszijden naast de rijbaan van de Provincialeweg 294 - Urmonderbaan verkeersborden geplaatst, inhoudende ‘werk in uitvoering’ en ‘maximum snelheid 50 kilometer per uur’. De kruising is voorzien van een driekleurige verkeersregelinstallatie.

De rechtbank constateert op grond van het proces-verbaal van aanrijding dat verdachte als bestuurder van een opvallend politievoertuig van het type [type voertuig] met het kenteken XX-XXX-X reed op de N276 op de Urmonderbaan in de gemeente Sittard-Geleen, komende uit de richting Sittard/Geleen. Verdachte voerde optische en geluidssignalen, omdat hij een voertuig achtervolgde dat een stopteken had genegeerd. Verdachte bevond zich samen met zijn collega, zijnde getuige [getuige 1], in dit voertuig. Toen verdachte de kruising van de Urmonderbaan met de Oude Postbaan naderde, kwam vanuit de tegenovergestelde richting, te weten de richting A2/Stein, een ander als zodanig herkenbaar politievoertuig. Dit laatste voertuig was mobilofonisch op de hoogte gebracht van de achtervolging. Bij het naderen van de kruising van de Urmonderbaan en de Oude Postbaan werden de optische en geluidssignalen van dit laatste politievoertuig in werking gezet. In dit voertuig bevonden zich twee verbalisanten, zijnde de getuigen [getuige 3] en [getuige 2]. Op dat moment naderde vanaf de Oude Postbaan, uit de richting van Berg aan de Maas, een derde voertuig de kruising. In dit voertuig, een [type voertuig] met het kenteken

XX-XX-XX, bevonden zich [slachtoffer] en diens echtgenote [echtgenote slachtoffer]. [slachtoffer] was bestuurder van deze auto. [slachtoffer] reed met zijn personenauto het kruisingsvlak op toen hij het politievoertuig met optische en geluidssignalen bemerkte dat voor hem van rechts kwam, te weten uit de richting A2/Stein. [slachtoffer] reageerde hierop door abrupt te remmen. Kort hierna werd het personenvoertuig van [slachtoffer] linksachter aangereden door de voorzijde van het politievoertuig van verdachte dat voor [slachtoffer] van links over de Urmonderbaan, uit de richting van Sittard/Geleen naderde. [slachtoffer], zijn echtgenote [echtgenote slachtoffer] en verdachte hebben ten gevolge van het ongeval letsel opgelopen.

De rechtbank stelt vast dat de aanleiding van het ongeval, zoals geschetst in het proces-verbaal van aanrijding, overeenstemt met hetgeen verdachte en de getuigen [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [slachtoffer] en [echtgenote slachtoffer] hierover hebben verklaard.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer] een breuk van het borstbeen en van zijn eerste en tweede rib heeft opgelopen. Gelet op heersende jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat deze verwondingen als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte in onderhavige zaak, door zich aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend in het verkeer te gedragen, door zijn schuld een ongeval heeft veroorzaakt. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of [slachtoffer] als gevolg hiervan het hiervoor vermelde zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank stelt voorop dat uit de “Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” (hierna: de Vrijstelling) volgt dat aan politieagenten vrijstelling is verleend van de bepalingen van het RVV. Hierbij is bepaald dat aan de uitoefening van de bevoegdheden, ontleend aan deze vrijstelling, het voorschrift is verbonden dat de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd alsmede het voorschrift dat van deze vrijstelling alleen gebruik mag worden gemaakt voor zover dit voor de uitvoering van de opgedragen taken noodzakelijk is. Op politievoertuigen die rijden met optische en geluidssignalen (en dus voorrangsvoertuig zijn in de zin van het RVV) is tevens de Brancherichtlijn verkeer van toepassing. In deze richtlijn zijn bepalingen opgenomen die volgens de inleiding van de richtlijn moeten worden gezien als de maximaal toelaatbare grens voor het rijden met de algemene ontheffing van de bepalingen van 1990.

In de Brancherichtlijn staat dat het gebruik van optische en geluidssignalen uitsluitend is toegestaan na toestemming van de centralist van de meldkamer. Deze verleent slechts toestemming indien er sprake is van een dringende taak. Verdachte en getuige [getuige 1] hebben verklaard dat zij niet weten of zij toestemming hebben gevraagd aan de meldkamer om de optische en geluidssignalen te voeren. Op grond van het uitgeschreven mobilofoonverkeer tussen het politievoertuig en de meldkamer van de politieregio Limburg-Zuid stelt de rechtbank vast dat verdachte de optische en geluidssignalen in zijn politievoertuig heeft gebruikt zónder toestemming van de centralist van de meldkamer. Verdachte heeft aldus gehandeld in strijd met de voorschriften van de Brancherichtlijn.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en zo ja, of dat hem op grond van de voor hem geldende Vrijstelling en Brancherichtlijn toegestaan was. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij bij het naderen van de kruising niet gelet heeft op de voor hem geldende verkeerslichten. Ter terechtzitting heeft hij hierover verklaard dat hij zijn aandacht had gefocust op de auto die hij achtervolgde.

Het verkeer op de kruising wordt geregeld door middel van een driekleurige verkeersregelinstallatie. De verkeersregelinstallatie is beveiligd, zodat verkeerslichten van conflicterende fasen nimmer gelijktijdig een groen dan wel een geel licht kunnen uitstralen. De Forensische Opsporing heeft tijdens de verkeersongevalanalyse vastgesteld dat voor de signaalgroep 11 (geldend voor verdachte) binnen de regeling onder meer een hard conflict bestaat met signaalgroep 2 (geldend voor [slachtoffer]). Dat betekent dat deze signaalgroepen bij een correct werkende installatie niet gelijktijdig groen of geel licht kunnen uitstralen. Tijdens het onderzoek op de plaats van het ongeval op 12 september 2010 omstreeks 01:00 uur stelde de forensisch onderzoeker K. vast dat de verkeersregelinstallatie in werking was. Gelet op deze vaststelling kan de onderzoeker met zekerheid stellen dat de verkeersregelinstallatie ten tijde van het ongeval naar behoren functioneerde en dat er geen storingen waren. De rechtbank acht deze conclusie gerechtvaardigd, gezien de inhoud van het rapport. Gelet op de verklaringen van de getuigen [slachtoffer] en [echtgenote slachtoffer] stelt de rechtbank vast dat voor hen een groen licht uitstralend verkeerslicht gold. Gezien de hiervoor genoemde conclusies van de Forensische Opsporing over de werkwijze van de verkeersregelinstallatie concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat voor verdachte een rood licht uitstralend verkeerslicht gold en dat hij dit heeft genegeerd, ten gevolge waarvan de aanrijding met de personenauto waarin [slachtoffer] en [echtgenote slachtoffer] zaten heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte op grond van de Brancherichtlijn een rood verkeerslicht slechts stapvoets mocht negeren. Bij het negeren van het rode verkeerslicht dient de bestuurder ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan, om welke reden er zo nodig wordt gestopt. Het stond verdachte dus niet vrij om het voor hem geldende rode verkeerslicht te negeren. Gelet op de voorschriften van de Brancherichtlijn is het relevant met welke snelheid verdachte het voor hem geldende verkeerslicht heeft gepasseerd. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting en bij de politie heeft verdachte hieromtrent verklaard dat hij niet weet hoe hard hij precies op de kruising afreed, omdat hij zijn aandacht met name op de auto die hij achtervolgde had gefocust.

Tijdens de verkeersongevalanalyse is onderzoek verricht naar de snelheid waarmee het voertuig van verdachte heeft gereden. De conclusie van dit onderzoek was dat op het laatste moment voor de botsing de snelheid van de betrokken [type voertuig] ten minste 76 kilometer per uur en ten hoogste 105 kilometer per uur was, waarbij op grond van subjectieve overwegingen een hogere snelheid van 81 kilometer per uur te verwachten is. De rechtbank acht die conclusie eveneens gerechtvaardigd, gezien de daaraan ten grondslag liggende redenering. Nu de maximale toegestane snelheid op de Provincialeweg N294 - Urmonderbaan vanwege tijdelijke verkeerswerkzaamheden 50 kilometer per uur bedroeg, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, maar ook dat hij de T-kruising met een snelheid van ongeveer 81 kilometer per uur is genaderd. De Brancherichtlijn schrijft voor dat, wanneer een politievoertuig optische en geluidssignalen voert, het naderen en oversteken van kruispunten met aangepaste snelheid dient te gebeuren. Uit de Brancherichtlijn volgt dat het overschrijden van de maximumsnelheid in zijn algemeenheid een beperking moet kennen van 20 kilometer per uur boven de ter plaatse toegestane maximumsnelheid op lokale en provinciale wegen.

Gelet op de voorschriften van de Brancherichtlijn is de rechtbank van oordeel dat verdachte een snelheidsovertreding heeft begaan. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank extra zwaar, nu verdachte op grond van de voor hem geldende Brancherichtlijn een rood verkeerslicht slechts stapvoets mag negeren. Juist van bestuurders van voorrangsvoertuigen mag extra voorzichtig verkeersgedrag worden verlangd. Dit geldt te meer nu door de Forensische Opsporing in de verkeersongevalanalyse wordt geconcludeerd dat het ongeval niet had hoeven plaats te vinden, indien verdachte gevolg zou hebben gegeven aan het voor hem bestemde verkeersteken en dus zijn voertuig tot stilstand zou hebben gebracht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte de veiligheid van het verkeer niet zoveel als mogelijk heeft gewaarborgd op de wijze die is voorgeschreven in de Vrijstelling.

Gelet op het - in strijd met de Vrijstelling en de Brancherichtlijn - voeren van optische en geluidssignalen zonder toestemming van de centralist van de meldkamer, het negeren van het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht en het overschrijden van de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de aanrijding van het politievoertuig van verdachte met de personenauto van [slachtoffer] evident aan de schuld van verdachte te wijten is. Verdachte heeft niet op de voor hem geldende verkeerslichten gelet, noch op zijn snelheid. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onoplettend gedragen. Voorts heeft verdachte in strijd met de voor hem geldende richtlijnen gehandeld, hij heeft te hard gereden en een rood verkeerslicht genegeerd. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen. Gelet op deze opsomming van verkeersovertredingen faalt het verweer van de raadsman, inhoudende dat er geen sprake is van culpa aan de zijde van verdachte.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, in die zin dat verdachte door zijn schuld een ongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer te gedragen.

De rechtbank komt dan ook niet toe aan de door de raadsman ter zake van het subsidiaire feit gevoerde verweren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 september 2010, in de gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, te weten een als zodanig herkenbaar hulpverleningsvoertuig, zijnde een politievoertuig), daarmede rijdende over de weg, de Urmonderbaan gaande in de richting van Stein en gekomen bij de kruising van die weg met de Oude Postbaan, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- in strijd met de "Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" en de “Brancherichtlijn verkeer" van de politie -

- rijdende met optische en geluidssignalen -

- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer

per uur -

zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising op te rijden op het moment dat een personenauto, rijdende over de Oude Postbaan doende was deze kruising op te rijden om vervolgens in de richting van Sittard te rijden, ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met die personenauto, door welk verkeersongeval [slachtoffer], zijnde de bestuurder van die personenauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen en gebroken ribben, werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor aan een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie heeft in haar strafeis verdisconteerd dat het een ernstig feit betreft, waarbij [slachtoffer] behoorlijk gewond is geraakt en dat verdachte als politieagent een voorbeeldfunctie in het verkeer heeft. Voorts houdt de officier van justitie er ten voordele van verdachte rekening mee dat verdachte ook zelf gewond is geraakt en psychisch onder het ongeval gebukt ging. Verdachte heeft contact onderhouden met [slachtoffer] en heeft ook enige tijd in de veronderstelling geleefd dat onderhavig feit geseponeerd zou worden. Verdachte heeft geen strafblad en doet zijn werk als politieagent zeer goed.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zou komen heeft de raadsman aangevoerd dat hij geen meerwaarde ziet in het opleggen van een straf aan verdachte. Volgens de raadsman dient artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te worden toegepast.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt waardoor het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is een ernstig strafbaar feit. De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van de voorzitters van de strafsectoren met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie ‘aanmerkelijke verkeersfout’. Het oriëntatiepunt voor deze categorie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Als strafverzwarend dient te wegen dat verdachte, als politieman, niet de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die nodig zijn bij het besturen van een voorrangsvoertuig dat optische en geluidssignalen voert. Verdachte heeft onvoldoende acht geslagen op de voor hem als politieman in het verkeer geldende richtlijnen. De rechtbank kent hier met name gewicht aan toe, nu verdachte als politieman een voorbeeldfunctie in het verkeer heeft te vervullen.

Als strafverminderende factor zal de rechtbank rekening houden met het feit dat verdachte reeds geruime tijd psychisch gebukt gaat onder het feit dat hij als politieman een ongeval heeft veroorzaakt. Bovendien is verdachte tengevolge van het ongeval ook zelf gewond geraakt en ondervindt hij nog steeds hinder van zijn lichamelijke klachten. Uit de door de raadsman overgelegde stukken volgt dat verdachte zijn werk als politieman goed uitvoert en volgens zijn leidinggevenden hoog in aanzien staat. Verdachte heeft geen strafblad. Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte enige tijd -zij het ten onrechte- in de veronderstelling heeft verkeerd dat zijn strafzaak geseponeerd zou worden.

Gelet op alle hiervoor genoemde factoren ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte de door de officier van justitie geëiste straf op te leggen: een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Gelet op de ernst van het feit ontkomt de rechtbank er niet aan verdachte een rijontzegging op te leggen. De rechtbank ontzegt aan de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, doch geheel voorwaardelijk.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat deze rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 september 2010,

in de gemeente Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een

personenauto, te weten een als zodanig herkenbaar hulpverleningsvoertuig,

zijnde een politievoertuig),

daarmede rijdende over de weg, de Urmonderbaan gaande in de richting van Stein

en gekomen bij de kruising van die weg met de Oude Postbaan,

door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- in strijd met de "Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van

het Reglement verkeersregeles en verkeerstekens 1990" en de

"Brancherichtlijn verkeer" van de politie -

- rijdende met optische en geluidssignalen -

- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van

50 kilometer per uur, althans met een voor die verkeerssituatie te hoge

snelheid -

zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting

te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood

licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising op te

rijden op het moment dat een personenauto, rijdende over de Oude Postbaan

doende was deze kruising op te rijden om vervolgens in de richting van

Sittard te rijden, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem

bestuurde motorrijtuig in aanrijding of botsing is gekomen met die

personenauto,

door welk verkeersongeval

[slachtoffer], zijnde de bestuurder van die personenauto, zwaar

lichamelijk letsel, te weten licht schedel/hersenletsel van categorie 3 en/of een gebroken borstbeen en/of een of meer gebroken ribben, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 september 2010,

in de gemeente Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen,,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, te weten een als zodanig

herkenbaar hulpverleningsvoertuig, zijnde een politievoertuig),

daarmee rijdende op de weg, gaande in de richting van Stein en gekomen bij de

kruising van die weg met de Oude Postbaan,

- in strijd met de "Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van

het Reglement verkeersregeles en verkeerstekens 1990" en de

"Brancherichtlijn verkeer" van de politie -

- rijdende met optische en geluidssignalen -

- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van

50 kilometer per uur, althans met een voor die verkeerssituatie te hoge

snelheid -

zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting

te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood

licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising is

opgereden op het moment dat een personenauto, rijdende over de Oude Postbaan

doende was deze kruising op te rijden om vervolgens in de richting van

Sittard te rijden, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem

bestuurde motorrijtuig in aanrijding of botsing is gekomen met die

personenauto,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;