Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW0033

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
03/702778-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4522, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering gelden [benadeelde partij 1] bewezen. Gang van zaken rond kluisverklaringen is geen belemmering voor eerlijk proces. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De rechtbank rekent verdachte de schaamteloosheid waarmee hij meende aanzienlijke bedragen ten eigen nutte aan te kunnen wenden, zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702778-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 28 november 2011 en 13 maart 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: ongeveer € 145.000,-, toebehorende aan [benadeelde partij 1], heeft verduisterd;

Feit 2: € 3.370,-, toebehorende aan [benadeelde partij 2], heeft verduisterd;

Feit 3: een leningsovereenkomst heeft vervalst;

Feit 4: zijn moeder heeft mishandeld;

Feit 5: zijn moeder heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling;

Feit 6: zijn vader heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.

3 De voorvragen

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in zijn pleidooi zijn preliminair verweer herhaald en aldus betoogd dat de officier van justitie met betrekking tot de feiten 1 tot en met 3 in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte in zogenaamde kluisverklaringen de verklaringen die hij eerder tegenover de politie heeft afgelegd, heeft ingetrokken, omdat die eerdere verklaringen niet in overeenstemming zijn met de waarheid. Verdachte en het Openbaar Ministerie hebben, nadat verdachte deze kluisverklaringen had afgelegd, geen overeenkomst gesloten over het gebruik van die kluisverklaringen. Door enerzijds geen overeenkomst met verdachte te sluiten en anderzijds verdachte te vervolgen, wetende dat de door hem bij de politie afgelegde verklaringen onjuist en in de kluisverklaringen gewijzigd zijn, en wetende dat verdachte wegens ernstige veiligheidsproblemen niet conform de waarheid kan verklaren, brengt het Openbaar Ministerie verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen in een positie dat hij zich niet kan verdedigen zoals hij dat zou willen. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat er kluisverklaringen bestaan en dat het dossier derhalve niet compleet is, hetgeen volgens de raadsman in strijd is met de grondslagen van het strafproces

Hieraan heeft de raadsman in zijn pleidooi het volgende toegevoegd.

Voorts is de raadsman van mening dat het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 dat - in opdracht van de rechtbank - op 1 december 2011 door de officier van justitie aan het dossier is toegevoegd, niet als ‘tactische verklaring’ aangemerkt kan worden. Volgens de raadsman is dit in strijd met de strekking en bedoeling van de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. Uit deze aanwijzing blijkt dat een schriftelijk verslag van een gesprek tussen een getuige en de politie, dat als basis voor onderhandelingen omtrent kluisverklaringen dient, van gebruik door het Openbaar Ministerie is uitgesloten indien die onderhandelingen niet tot enig resultaat leiden. Nu verdachte de verklaring op 9 juli 2009 als basis voor verdere onderhandelingen omtrent kluisverklaringen als getuige heeft afgelegd, kan het Openbaar Ministerie het proces-verbaal van bevindingen hieromtrent niet in deze strafprocedure inbrengen. Mocht deze verklaring wel een ‘tactische verklaring’ zijn, die in vrijheid door verdachte is afgelegd, dan moet volgens de raadsman worden vastgesteld dat het Openbaar Ministerie heeft verzuimd om deze verklaring uit eigen beweging aan het dossier toe te voegen.

Daarnaast is de raadsman van mening dat de officier van justitie verdachte ter terechtzitting van 28 november 2011 heeft betiteld als een “pathologische leugenaar”. Deze betiteling is een ernstige schending van de onschuldpresumptie.

De raadsman is van mening dat, gelet op het bovenstaande, er door de officier van justitie ernstige inbreuken zijn gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming aan de belangen van verdachte tekort wordt gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Deze inbreuken leveren volgens de raadsman vormverzuimen op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Nu deze vormverzuimen onherstelbaar zijn, moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’ in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Verdachte is en was geen kroongetuige of bedreigde getuige, in welke strafzaak dan ook. Voorafgaand aan het afleggen van de kluisverklaringen heeft verdachte verklaringen afgelegd waarvan hij wist dat deze mogelijk tegen hem gebruikt konden worden. Verdachte heeft zich toen vrij gevoeld om te verklaren. De verklaringen, zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009, kunnen derhalve volgens de officier van justitie aan het dossier in deze strafzaak worden toegevoegd.

De officier van justitie heeft bevestigd dat verdachte in juli 2009, op zijn eigen verzoek, door het Openbaar Ministerie beveiligd is. Deze beveiliging stond echter los van de procedure van getuigenbescherming in het kader van de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. Toen er geen sprake bleek te zijn van een objectief veiligheidsrisico van verdachte, is de beveiliging beëindigd. Ook thans bestaat er geen objectief veiligheidsrisico voor verdachte. Verdachte is derhalve vrij om een verklaring af te leggen.

Ten slotte is de officier van justitie van mening dat hij verdachte niet heeft betiteld als een pathologische leugenaar. Hij heeft gezegd dat de verklaringen in het dossier de indruk wekken dat zij door een pathologische leugenaar zijn afgelegd. Deze bewoordingen kunnen volgens de officier van justitie echter niet leiden tot zijn niet-ontvankelijkheid.

De officier van justitie heeft verzocht om het verweer van de raadsman te verwerpen.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt met betrekking tot de zogenaamde kluisverklaringen op dat het Openbaar Ministerie aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat het die kluisverklaringen niet zonder zijn toestemming zou gaan gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte

- gelet op de door de raadsman overhandigde correspondentie tussen hem en het Openbaar Ministerie - er op mocht vertrouwen dat dit evenzeer zou gelden voor de zogenaamde tactische verklaring, die in het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 is opgenomen. Nu het Openbaar Ministerie is gehouden om zijn eigen toezeggingen na te komen, vloeit daaruit voort dat het de kluisverklaringen noch de tactische verklaring in de onderhavige strafprocedure mag inbrengen. De rechtbank heeft daarom ter terechtzitting van 13 maart 2012 aan de officier van justitie opdracht gegeven om de tactische verklaring uit het dossier te verwijderen.

De rechtbank merkt daarnaast op dat de officier van justitie heeft medegedeeld dat er geen sprake is van een objectief veiligheidsrisico voor verdachte. De beveiliging die verdachte in 2009 heeft gekregen was niet georganiseerd in het kader van een getuigenbeschermingsprogramma zoals bedoeld in de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. De rechtbank heeft geen redenen om aan deze verklaring van de officier van justitie te twijfelen, temeer nu van de zijde van de verdediging de stelling, dat een veiligheidsrisico heeft bestaan en ook nu nog bestaat als de verklaringen openbaar zouden worden, niet is onderbouwd. De rechtbank ziet niet in dat verdachte door toedoen van het Openbaar Ministerie niet meer vrijelijk zijn procespositie kan bepalen en niet meer in vrijheid zou kunnen verklaren.

De rechtbank is dan ook, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het Openbaar Ministerie in deze zaak dan wel in verband met deze zaak geen ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank overweegt verder dat, gezien hetgeen ter terechtzitting over de kluisverklaringen bekend is geworden, het Openbaar Ministerie niet gehouden was om in deze zaak melding te maken van het feit dat verdachte kluisverklaringen heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt voorts dat de uitlatingen van de officier van justitie ten aanzien van de vermeende leugenachtigheid van verdachte, in welke concrete bewoordingen dan ook gedaan, niet van dien aard zijn dat ze kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank verwerpt derhalve de desbetreffende verweren van de raadsman en verklaart de officier van justitie in de vervolging van verdachte ontvankelijk.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij met betrekking tot de feiten 1, 2, 4, 5 en 6 op de aangiftes en de bekennende verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie, en met betrekking tot feit 3 op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], alsmede de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte met betrekking tot de feiten 1 tot en met 3 niet in staat is geweest om een optimale verdediging te kunnen voeren. Gelet op de verklaringen die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 is de raadsman van mening dat een veroordeling van verdachte enkel op basis van zijn eerdere verklaringen afgelegd bij de politie, onrechtvaardig zou zijn.

Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman betoogd dat het uiten van de bewoordingen “ik sla je op je bek” geen bedreiging met zware mishandeling is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De bruikbaarheid van verklaringen van verdachte voor het bewijs

Nadat verdachte al drie keer door de politie was verhoord, heeft hij – op eigen initiatief – op 18 mei 2009 bij de politie een vierde en een vijfde verklaring afgelegd met een bekennende strekking ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3. Ter terechtzitting heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de kluisverklaringen anders heeft verklaard dan in zijn vierde en vijfde verklaring. Nu de rechtbank bij de bespreking van het beroep van de raadsman op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie reeds heeft overwogen dat zij geen grond ziet dat verdachte (door toedoen van het Openbaar Ministerie) niet meer in vrijheid zou kunnen verklaren, bestaat er geen reden om de in deze zaak afgelegde verklaringen van verdachte van het bewijs uit te sluiten.

Feit 1:

Uit de aangifte van [aangever benadeelde partij1], voorzitter van de [benadeelde partij 1] (hierna: de stichting), blijkt dat verdachte vanaf 1 maart 2007 penningmeester van de stichting is geweest. De stichting houdt een girorekening aan bij de Postbank en heeft daarnaast twee bankrekeningen bij de ABN AMRO Bank. Verdachte had als penningmeester beschikking over de gelden van de stichting. Verdachte heeft met een bankpas en een pincode die op naam stonden van voormalig bestuurslid [naam bestuurslid benadeelde partij 1] en die hoorden bij het op naam van de stichting staande rekeningnummer [XX.XX.XX.XXX]bij de ABN AMRO bank, geldbedragen opgenomen die niet op de boekhouding van de stichting voorkwamen. Ook heeft verdachte zonder toestemming van het bestuur geldbedragen van de bankrekening op naam van de stichting op zijn eigen rekening gestort.

Verdachte heeft verklaard dat hij als penningmeester geld van de stichting heeft verduisterd. Hij heeft dit gedaan door geld over te maken naar zijn eigen bankrekening en door geld dat op de bankrekening van de stichting stond, op te nemen bij geldautomaten, met name bij banken in Hoensbroek en Nuth. Volgens verdachte gaat het om een bedrag van totaal, inclusief de overboekingen, € 130.000,- . Verdachte heeft verder verklaard dat hij in maart 2007 is gevraagd om penningmeester van de stichting te worden en dat hij op 12 december 2008 zijn functie als penningmeester heeft neergelegd.

Uit een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Limburg blijkt dat verdachte op 1 maart 2007 in het handelsregister is ingeschreven als penningmeester van de stichting.

Uit onderzoek naar de bankrekeningen die door de stichting werden aangehouden bij de ABN AMRO bank, is gebleken dat tussen 30 maart 2007 en 5 december 2008 in totaal een bedrag van € 119.490,- aan contant geld van rekeningnummer [XX.XX.XX.XXX]werd opgenomen.

Daarnaast werden in gemelde periode regelmatig geldbedragen, tot een totaal van

€ 48.508,58, overgemaakt vanaf rekeningnummer [XX.XX.XX.XXX]naar verschillende bankrekeningnummers ten name van verdachte. Er is echter onvoldoende bewijs om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen tot op welke hoogte dat geld is verduisterd. De rechtbank zal daarom het gehele overgemaakte bedrag van € 48.508,58 voor de bewezenverklaring van feit 1 buiten beschouwing laten.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 1 maart 2007 tot en met 12 december 2008 als penningmeester van de stichting, opzettelijk een geldbedrag van € 119.490, - toebehorende aan de Stichting, heeft verduisterd.

Feit 2:

[aangever benadeelde partij 2], woonachtig te Heerlen, heeft namens [benadeelde partij 2] (hierna [BENADEELDE PARTIJ 2]) aangifte gedaan van verduistering door verdachte. Zij heeft verklaard dat verdachte sinds 9 maart 2009 adviseur is van [BENADEELDE PARTIJ 2] en dat hij vanaf die dag vaker bij haar thuis kwam om over de [BENADEELDE PARTIJ 2] te spreken. Op 7 april 2009 heeft verdachte € 3.600,- van [aangever benadeelde partij 2] ontvangen. Dit geld was bedoeld om de kosten voor het oprichten van een nieuwe stichting en dringende rekeningen van [BENADEELDE PARTIJ 2] te betalen. Hiervan is door [aangever benadeelde partij 2] als enig bestuurslid van [BENADEELDE PARTIJ 2] een bestuursbesluit opgemaakt en ondertekend. Uit dit besluit blijkt dat verdachte van dat geld een bedrag van € 130,- heeft betaald inzake kosten van een bestuursoverleg en een bedrag van € 100,- aan een cliënt van [BENADEELDE PARTIJ 2]. In mei 2009 heeft [aangever benadeelde partij 2] diverse keren het resterende bedrag ad € 3.370, - teruggevraagd van verdachte. Verdachte heeft hierop niet gereageerd en het geld niet teruggegeven.

Verdachte heeft bekend dat hij, nadat hij een bedrag van € 3.500, - , eigendom van [BENADEELDE PARTIJ 2], van [aangever benadeelde partij 2] in ontvangst had genomen, heeft besloten om dit niet terug te geven en voor privédoeleinden te gebruiken. Wel heeft hij hiervan op verzoek van [aangever benadeelde partij 2] nog een bedrag van € 130,00 aan haar vergoed in verband met een restaurantrekening, Toen [aangever benadeelde partij 2] hem in mei 2009 sommeerde om het restantbedrag ad € 3.370, - terug te geven, had hij dit bedrag reeds uitgegeven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van

€ 3.370, - , toebehorende aan [BENADEELDE PARTIJ 2], heeft verduisterd.

Feit 3:

Op 13 mei 2009 heeft [getuige 1] verklaard dat hij samen met verdachte valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Op 11 mei 2009 is verdachte bij [getuige 1] geweest. Verdachte heeft toen aan hem gevraagd om een contract op te stellen waarin stond dat [getuige 1] op 1 maart 2007 een bedrag van € 41.500, - aan verdachte had geleend. De inhoud daarvan was echter gelogen. Volgens [getuige 1] wilde verdachte dit document hebben, zodat hij tegenover de politie een verklaring had voor het feit dat hij in 2007 en in 2008 over veel geld beschikte. Het document is door zowel verdachte als [getuige 1] opgemaakt en ondertekend in de woning van een kennis van [getuige 1] in Voerendaal. Ook verdachte heeft verklaard dat hij samen met [getuige 1] op 11 mei 2009 in Voerendaal een valse overeenkomst, gedateerd op 1 maart 2007, heeft opgesteld en ondertekend. De overeenkomst was bedoeld om zijn uitgaven te kunnen verantwoorden omdat hij zou worden aangehouden.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 mei 2009 te Voerendaal een valse leningovereenkomst heeft opgemaakt, met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken.

Feit 4 en feit 5:

Uit de aangifte van [naam moeder verdachte], moeder van verdachte, woonachtig te Nuth, blijkt dat zij zich voorafgaande aan 6 januari 2010 al enige tijd geïntimideerd voelde door haar zoon. Op 5 januari 2010 heeft zij aan verdachte gevraagd om € 600, - voor haar te gaan pinnen. Toen hij terug was gekomen en het pinbonnetje aan haar had overhandigd, bleek dat hij € 650, - had opgenomen. Hierover is een woordenwisseling ontstaan. Naar aanleiding hiervan was de maat voor aangeefster vol en wilde zij haar zoon niet meer in huis hebben. Zij heeft toen zijn huissleutels afgepakt. Op 6 januari 2010 is verdachte ‘s ochtends weggegaan. Rond 16:50 uur heeft haar man verdachte bij hun buren aangetroffen en zijn zij samen naar de ouderlijke woning van verdachte gegaan. Eenmaal binnen begon verdachte te schelden, te tieren en met spullen te gooien. Vervolgens heeft hij in iedere hand een paraplu gepakt en heeft hij zijn moeder meerdere malen hiermee geslagen. Zij voelde hierdoor pijn aan haar rechter onderarm, rechterhand en rug. Toen [naam moeder verdachte] aangifte deed, hebben de verbalisanten ook een behoorlijk grote rode plek op haar onderrug gezien. Intussen had de vader van verdachte de politie gebeld. Voordat deze arriveerde hoorden verdachtes ouders hem zeggen dat als zijn moeder iets verkeerds zou zeggen hij haar op haar bek zou slaan.

Verdachte heeft bekend dat hij met een paraplu in de richting van zowel zijn vader als zijn moeder heeft geslagen en dat hij hen daarbij heeft geraakt. Hij denkt dat hij zijn moeder een of twee keer heeft geraakt.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 januari 2010 zijn moeder, [naam moeder verdachte], meerdere keren met een paraplu heeft geslagen en dat deze daarbij letsel heeft opgelopen en daarvan pijn heeft ondervonden.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte daarna tegen zijn moeder heeft gezegd, te weten “als je iets verkeerds zegt, sla ik je op je bek”, geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel een bedreiging met zware mishandeling oplevert. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel deze bewoordingen mogelijk dreigend op [naam moeder verdachte] zijn overgekomen, het uiten hiervan objectief gezien niet de redelijke vrees oplevert dat zij daardoor daadwerkelijk het leven zou verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder feit 5 tenlastegelegde.

Feit 6:

Uit de aangifte van [naam vader verdachte], vader van verdachte, en de getuigenverklaring van [naam moeder verdachte] blijkt dat er op 15 juli 2010 in de woning van de ouders van verdachte een ruzie tussen verdachte en zijn ouders is ontstaan. Verdachte heeft daarbij gedreigd dat hij de gaskraan zou opendraaien. Vervolgens begon hij alle deuren af te sluiten. [naam moeder verdachte] heeft daarop haar buurvrouw gebeld en is haar woning uitgevlucht. De buurvrouw heeft vervolgens de politie gewaarschuwd. De politie is naar de woning gelegen aan de [adres] te Nuth gekomen en heeft een gesprek met verdachte gevoerd. Op enig moment is verdachte aangehouden. Tijdens de aanhouding is verdachte voor zijn vader gaan staan en heeft tegen hem gezegd: “Doe geen aangifte, want ik maak je dood.”

De verbalisanten die verdachte op 15 juli 2010 hebben aangehouden, hebben verklaard dat verdachte, op het moment dat zij hem transporteerden naar hun dienstvoertuig, met een wijsvinger tegen de borst van zijn vader porde en daarbij heeft gezegd: “Pa, waag het niet om aangifte tegen mij te doen, want dan maak ik je dood.”

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat er op 15 juli 2010 geen ruzie is ontstaan en dat zijn aanhouding overdreven was. Hij heeft wel verklaard dat hij tegen zijn vader heeft gezegd: “Pa, als je meer verteld dan nodig is dan maak ik je dood.”

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 15 juli 2010 [naam vader verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem opzettelijk dreigend de woorden “Doe geen aangifte, want ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, toe te voegen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1:

in de periode van 1 maart 2007 tot en met 12 december 2008, in het arrondissement Maastricht, opzettelijk een geldbedrag van 119.490 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde partij 1], en welk geld aan verdachte als beheerder van voornoemde instelling van weldadigheid in bewaring was gegeven, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 2:

in de periode van 7 april 2009 tot en met 12 mei 2009 in de gemeente Heerlen, opzettelijk een geldbedrag van 3.370 euro, toebehorende aan [benadeelde partij 2], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als stichtingsadviseur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Feit 3:

op 11 mei 2009 in de gemeente Voerendaal, een leningsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde overeenkomst verklaard, dat hij van ene heer [getuige 1] een geldbedrag zou hebben geleend van 41.500 euro, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Feit 4:

op 6 januari 2010 in de gemeente Nuth, meerdere malen opzettelijk mishandelend zijn moeder [naam moeder verdachte] met een paraplu heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Feit 6:

op 15 juli 2010, in de gemeente Nuth, [naam vader verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam vader verdachte] dreigend de woorden toegevoegd: "Doe geen aangifte, want ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

verduistering gepleegd door hem wie het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven

T.a.v. feit 2:

verduistering

T.a.v. feit 3:

valsheid in geschrift

T.a.v. feit 4:

mishandeling, begaan tegen zijn moeder

T.a.v. feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De officier van justitie neemt het verdachte zeer kwalijk dat verdachte het vertrouwen dat anderen in hem als penningmeester van een maatschappelijke organisatie hebben gesteld, ernstig heeft geschaad. Hij heeft daarmee niet alleen de andere bestuursleden benadeeld, maar ook de donateurs en alle anderen die de [benadeelde partij 1] een warm hart toedroegen. De officier van justitie heeft daarnaast bij zijn eis rekening gehouden met het feit dat de ouders van verdachte hebben aangegeven hun aangifte tegen verdachte in te willen trekken.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het blanco strafblad van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft gedurende ruim anderhalf jaar geldbedragen verduisterd die toebehoorden aan de [benadeelde partij 1] en de [benadeelde partij 2]. Verdachte heeft met zijn handelen zijn eigen financiële belangen boven het belang van beide stichtingen geplaatst. Verdachte heeft hierdoor het vertrouwen van beide stichtingen, de daarbij betrokken vrijwilligers en de verschillende donateurs ernstig geschonden. De schaamteloosheid waarmee verdachte meende aanzienlijke bedragen ten eigen nutte aan te kunnen wenden, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte, om te voorkomen dat zijn verduistering aan het licht zou komen, een valse leningovereenkomst opgemaakt. De rechtbank rekent ook dit verdachte zwaar aan.

Voorts heeft verdachte zijn moeder meerdere keren geslagen met een paraplu en heeft hij zijn vader ernstig bedreigd. Ondanks dat de rechtbank kennis heeft genomen van de slachtofferverklaring van zijn ouders, waarin zij begrip tonen voor hun zoon, en heeft gelezen dat deze hun aangiften wilden intrekken, neemt de rechtbank dit verdachte ook zeer kwalijk. Het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij in die periode onder grote stress leefde, doet daar niet aan af. Temeer nu verdachte dan deze ‘stress’, door het plegen van de eerdere strafbare feiten, voor een deel zelf over zich heeft afgeroepen.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank bij haar overweging mee dat de afhandeling van de zaken langere tijd heeft geduurd. Tevens wordt meegewogen dat verdachte geen strafblad heeft.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom in de verleiding komt om dergelijke strafbare feiten te plegen, een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk is.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten doet daaraan niet af dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, één van de feiten niet bewezen acht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen14a, 14b, 14c, 57, 225, 285, 300, 304, 321 en 323 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 5 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. I.T. Dautzenberg en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Luthuli, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 maart 2012.

Buiten staat

Mr. I.T. Dautzenberg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 12 december 2008 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk een geldbedrag van ongeveer 145.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld aan verdachte als beheerder van voornoemde instelling van weldadigheid in bewaring was gegeven, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2009 tot en met 12 mei 2009 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk een geldbedrag van (ongeveer) 3370 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als stichtingsadviseur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 11 mei 2009 in de gemeente Voerendaal, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een leningsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde overeenkomst verklaard, dat hij van ene heer [getuige 1] een geldbedrag zou hebben geleend van 41.500 euro, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij op of omstreeks 6 januari 2010 in de gemeente Nuth, meerdere malen althans eenmaal, opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten [naam moeder verdachte], (met een paraplu) heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 6 januari 2010 in de gemeente Nuth zijn moeder, [naam moeder verdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam moeder verdachte] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je iets verkeerds zegt, sla ik je op je bek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6.

hij, op of omstreeks 15 juli 2010, in de gemeente Nuth, [naam vader verdachte], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam vader verdachte] dreigend de woorden toegevoegd :"Doe geen aangifte, want ik maak je dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;