Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV9822

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
153303 / HA ZA 10-872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht zogenaamde zorgovereenkomsten, gesloten tussen PGB-houders en bemiddelingsbureau, betreffende de besteding van het PGB nietig wegens strijd met de openbare orde.

Wetsverwijzingen
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 44
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2012/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153303 / HA ZA 10-872

Vonnis van 14 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CZ ZORGKANTOOR B.V.,

gevestigd te Tilburg,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.A.H. Zegers te Tilburg,

tegen

1. de vennootschap onder firma

YNFO THUISBEGELEIDING VOF,

tevens h.o.d.n. ‘‘RAAD & DAAD THUISBEGELEIDING’’,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4],

gevestigd te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 5].,

gevestigd te [woonplaats],

advocaat mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

6. [gedaagde 6],

wonende te Heerlen,

advocaat mr. F.G.H.J. Niemarkt te Heerlen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie.

Partijen zullen hierna CZ en (gezamenlijk) Raad&Daad worden genoemd. Indien en voor zover er aanleiding bestaat gedaagden in conventie, eisers in reconventie, afzonderlijk aan te duiden, zullen zij respectievelijk Ynfo (gedaagde sub 1), [gedaagde 2 en 3]. (gedaagden sub 2 en 3), [gedaagde 4] (gedaagde sub 4), [gedaagde 5] (gedaagde sub 5) en [gedaagde 6] (gedaagde sub 6) worden genoemd.

1. De verdere procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure tot 29 december 2010 wordt verwezen naar het vonnis in het incident van die datum. Vervolgens hebben partijen de volgende proceshandelingen verricht:

- de conclusie van repliek in conventie, tevens akte tot eiswijziging/eisvermindering, en conclusie van antwoord in reconventie van CZ,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Ynfo, [gedaagde 2 en 3]., [gedaagde 4] en [gedaagde 5],

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [gedaagde 6],

- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte tot eiswijziging/eisvermindering en eisvermeerdering in conventie, van CZ,

- de akte houdende verzet tegen wijziging van eis in conventie, tevens akte uitlating producties in reconventie van Ynfo, [gedaagde 2 en 3]., [gedaagde 4] en [gedaagde 5],

- de akte houdende verzet tegen wijziging van eis in conventie, tevens akte uitlating producties in reconventie van [gedaagde 6].

1.2. Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Als zorgkantoor verstrekt CZ persoonsgebonden budgetten (hierna: PGB's), als bedoeld in artikel 44 van de AWBZ en paragraaf 2.6. van de Regeling subsidies AWBZ (hierna: de PGB-regeling), aan personen met wie zij een PGB-overeenkomst heeft gesloten. De PGB's worden toegekend op basis van een indicatiebesluit van het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg).

2.2. Raad&Daad exploiteerde een instelling voor thuisbegeleiding en vormde aldus een schakel tussen CZ en zorgverleners. Raad&Daad schakelde voor haar cliënten verzorgers en verplegers in en was behulpzaam bij - onder meer - het voeren van de PGB-administratie van haar cliënten. Met de PGB-houders werden in dat kader zogenaamde zorgovereenkomsten gesloten.

2.3. Aanvankelijk exploiteerde Ynfo - met als vennoten [gedaagde 2 en 3]. - onder de handelsnaam ‘Raad&Daad Thuisbegeleiding’ de onderneming. In augustus 2008 is de besloten vennootschap Raad&Daad Thuisbegeleiding B.V. (hierna: de BV) opgericht en op 30 december 2008 werden de activiteiten van Ynfo - via tussenkomst van [gedaagde 5] - in de nieuw opgerichte BV ingebracht. Als bestuurders van de BV werden benoemd [gedaagde 5] en [gedaagde 6] Holding BV, tevens aandeelhouders van de BV. Bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 6] Holding BV was [gedaagde 6]. [gedaagde 2 en 3]. waren bestuurders en aandeelhouders van [gedaagde 5]. [gedaagde 2 en 3]. hebben in het verleden aan hen toegekende beëindigingsvergoedingen gestort in [gedaagde 4].

2.4. Raad&Daad hanteerde een systeem (door haar ?netto-budget-regeling' genoemd), waarbij - kort gezegd - zorg werd verleend tegen het (gehele) door het CIZ toegekende budget. De door CZ verstrekte PGB's werden deels op zogenaamde inzake-rekeningen, op naam van Raad&Daad, en deels op bankrekeningen van PGB-houders, waartoe Raad&Daad was gemachtigd, overgemaakt.

2.5. Met ingang van juli 2009 is de PGB-regeling door de wetgever aldus gewijzigd, dat zorgkantoren voorschotten nog uitsluitend overmaken op de bankrekening van de verzekerde, zijnde in dit geval de PGB-houder. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft CZ hiervan Raad&Daad in kennis gesteld.

2.6. Tussen CZ en Raad&Daad is in de loop van 2009 een conflict gerezen over de door Raad&Daad gehanteerde ?netto-budget-regeling', de besteding van de PGB's, de wijze waarop zulks werd verantwoord alsmede de tenaamstelling van de bankrekeningen waarop de PGB's werden overgemaakt. CZ heeft over het jaar 2009 verantwoordingen vastgesteld, waaruit volgt dat door de PGB-houders aanzienlijke bedragen zouden moeten worden terugbetaald. Raad&Daad wordt hiervoor aansprakelijk gehouden.

2.7. Bij vonnis van deze rechtbank van 30 december 2009 is de BV in staat van faillissement verklaard.

2.8. Ter verzekering van verhaal van haar pretense vordering heeft CZ in juni/juli 2010 ten laste van Raad&Daad conservatoire beslagen doen leggen.

2.9. CZ procedeert mede op basis van akten van cessie waarbij het pretense vorderingsrecht van PGB-houders op Raad&Daad is gecedeerd aan CZ.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Bij dagvaarding heeft CZ veroordeling van Raad&Daad (te weten alle gedaagden hoofdelijk) gevorderd tot betaling van primair € 1.581.036,48 en subsidiair € 980.417,42, vermeerderd met rente en kosten. Bij conclusie van repliek heeft zij haar eis aldus gewijzigd dat de primaire vordering is verminderd tot € 1.322.554,27 en haar subsidiaire vordering is vermeerderd tot € 1.103.427,65. CZ heeft bij akte tot eiswijziging haar primaire eis nogmaals verminderd, ditmaal met een bedrag van € 4.774,64, hetgeen resulteert in een primaire vordering van € 1.317.779,63. Bij diezelfde akte heeft CZ haar primaire eis ten slotte ?voorwaardelijk' verminderd met een bedrag van € 96.250,36.

3.2. CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat de onderhavige zorgovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met de wet en goede zeden, dan wel vernietigbaar omdat zij onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden, respectievelijk dwaling tot stand zijn gekomen. In subsidiaire zin is CZ van oordeel dat [gedaagde 2 en 3]. en [gedaagde 6] jegens CZ en hun cliënten onrechtmatig hebben gehandeld, onder meer hierin bestaande dat zij hebben geprofiteerd van de door hen zelf bewerkstelligde wanprestatie van de PGB-houders jegens CZ. Dit verwijt wordt ook aan de overige gedaagden gemaakt. Meer subsidiair is, aldus CZ, sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

3.3. Feitelijk komt de aantijging van CZ op het volgende neer. Raad&Daad heeft het vertrouwen van hulpbehoevenden beschaamd door middel van manipulaties met banktegoeden en de tenaamstelling daarvan. Zij heeft zich het volledige PGB van de cliënten laten overdragen - zonder daaromtrent aan deze cliënten afdoende informatie te verschaffen - en heeft dat budget steeds volledig opgesoupeerd. In voorkomende gevallen heeft Raad&Daad de PGB-houders met deze handelwijze voorzienbaar met schulden (te weten een terugbetalingsverplichting aan CZ) opgezadeld. Daarbij kwam het zelfs voor dat gelden helemaal niet aan zorg werden besteed. De aan deze handelwijze ten grondslag liggende zorgovereenkomsten laten zich niet verenigen met de PGB-regeling en de hieromtrent afgelegde verantwoordingen snijden geen hout. Er is zelfs sprake van malafide praktijken, waarbij de natuurlijke personen [gedaagde 2 en 3]. en [gedaagde 6] zich niet achter de aan hen gelieerde rechtspersonen kunnen verschuilen, omdat sprake is van vereenzelviging tussen deze entiteiten. Er zijn tenslotte dubieuze geldstromen naar deze vennootschappen getraceerd.

3.4. De handelwijze van Raad&Daad heeft er volgens CZ in geresulteerd dat, rekening houdend met de door CZ goedgekeurde verantwoordingen, over het jaar 2009 door 195 PGB-houders in totaal € 1.144.344,85 te weinig aan budget is verantwoord. Voorts vormen de voor 2010 door CZ betaalde voorschotbedragen, in totaal belopende € 173.444,78, een schadepost, nu deze voorschotten in het faillissement van de BV blijken te zijn gevallen (primaire vordering). Voor een deel van het bedrag van € 1.144.344,85 heeft CZ zich de zelfstandige vorderingen van de PGB-houders op Raad&Daad door middel van 144 cessies laten overdragen. De totale overgedragen vordering beloopt € 929.982,87 (subsidiaire vordering).

3.5. Bij akte tot eisvermeerdering heeft CZ haar eis ten slotte andermaal vermeerderd, zulks met een bedrag van € 104.134,12 ter zake van het PGB van de cliënt [betrokkene]. Ook deze vordering heeft CZ zich laten overdragen. Kort gezegd verwijt CZ Raad&Daad te hebben gemanipuleerd met het budget van voormelde cliënt. Tegen deze eisvermeerdering heeft Raad&Daad zich verzet.

3.6. Raad&Daad voert verweer.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.8. Raad&Daad vordert, samengevat, de door CZ gelegde beslagen - met uitzondering van de beslagen die ten laste van [gedaagde 4] zijn gelegd - op te heffen, met veroordeling van CZ in de kosten van de procedure. In de optiek van Raad&Daad ontberen de vorderingen van CZ goede grond. De beslagen ten laste van [gedaagde 4] zijn reeds opgeheven.

3.9. CZ voert verweer.

3.10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Vermeerdering van eis

4.1. Raad&Daad verzet zich tegen de vermeerdering van eis van CZ en voert hiertegen aan dat sprake is van strijd met een goede procesorde als bedoeld in artikel 130 lid 1 Rv, nu CZ heeft verzuimd eerder de betreffende schadepost bij haar vordering te betrekken. Zij was immers al medio 2009 op de hoogte van de feiten en omstandigheden die zij aan haar eiswijziging ten grondslag legt.

4.2. Het verzet tegen de vermeerdering van eis wordt niet gehonoreerd. Voorop staat dat eiswijziging is toegelaten zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Weliswaar moet aan Raad&Daad worden toegegeven dat de onderhavige eisvermeerdering in een rijkelijk laat stadium wordt voorgedragen, maar dat neemt niet weg dat de grondslag ervan, gelet op de verwevenheid met de overige aantijgingen, Raad&Daad bezwaarlijk kan hebben overvallen. Bovendien heeft Raad&Daad op inhoudelijke gronden uitvoerig verweer gevoerd tegen de desbetreffende schadepost. Om die redenen is er geen sprake van een onredelijke vertraging van het geding, noch kan gezegd worden dat Raad&Daad bij toelating van deze eisvermeerdering in haar verdediging wordt bemoeilijkt.

Cessie-akten

4.3. Raad&Daad heeft niet betwist dat er 145 cessie-aktes zijn (144 plus één akte

betreffende de PGB-houder [betrokkene]), zodat dit thans in rechte vaststaat. Wel heeft Raad&Daad betoogd dat CZ heeft nagelaten om de cliënten juist en volledig te informeren en hen onder druk heeft gezet om een cessie-akte te ondertekenen. Voorts heeft Raad&Daad gesteld dat een deugdelijke titel ontbreekt en niet blijkt dat (en welke) tegenprestatie door CZ verschuldigd is. Raad&Daad doet bijgevolg een beroep op de nietigheid van de aktes.

4.4. De onderhavige cessie-aktes voldoen aan de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in artikel 3:94 BW. Een cessie-akte behoeft niet de titel voor de door de levering beoogde overdracht in te houden. Voldoende is dat de verkrijger van de vordering redelijkerwijs uit de akte heeft mogen begrijpen dat zij tot levering was bedoeld en zulks is hier onmiskenbaar het geval. Dat een tegenprestatie voor de overdracht nodig zou zijn, zoals door Raad&Daad is betoogd, berust op een verkeerde rechtsopvatting. Nu de rechtbank ook in het geheel niet gebleken is dat CZ ongeoorloofde druk op de PGB-houders heeft uitgeoefend om de aktes te ondertekenen dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt - wat daar ook van zij - dient het verweer van Raad&Daad te worden verworpen.

Zorgovereenkomsten

4.5. De rechtbank heeft bij de stukken voornamelijk zorgovereenkomsten aangetroffen die ten name zijn gesteld van de PGB-houder enerzijds en Ynfo anderzijds. Partijen nemen bij hun debatten ook tot uitgangspunt dat zowel vóór als ná de oprichting van de BV, in augustus 2008, zorgovereenkomsten zijn gesloten tussen Ynfo en de successieve PGB-houders. De rechtbank is geneigd hieruit af te leiden dat, mede gezien de periode van onregelmatigheden waarop CZ het oog heeft, het leeuwendeel van de in de onderhavige zaak relevante zorgovereenkomsten tussen voormelde partijen is tot stand gekomen. Deze kwestie is niet zonder belang, waartoe het volgende moge dienen.

4.6. Partijen hebben zich geconcentreerd op de vraag of de later opgerichte BV de zorgovereenkomsten gesloten tussen de PGB-houders en Ynfo (stilzwijgend) heeft bekrachtigd. Door Raad&Daad is gesteld dat aan de PGB-houders brieven en/of facturen op naam van de BV zijn toegestuurd, waartegenover CZ heeft benadrukt dat hiermee niet aan de eisen van (stilzwijgende) bekrachtiging wordt voldaan. De rechtbank begrijpt het debat van partijen aldus, dat zij het oog hebben op de rechtsfiguur zoals bedoeld in artikel 2:203 BW.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 2:203 BW in dezen evenwel niet van toepassing. Blijkens de tekst van de hier bedoelde zorgovereenkomsten zijn - het zij herhaald - als contractspartijen opgetreden de PGB-houder enerzijds en Ynfo anderzijds. Dat Ynfo daarbij namens een op te richten vennootschap heeft gehandeld blijkt uit niets en is door Raad&Daad ook niet met zoveel woorden aangevoerd. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat Ynfo bij alle op haar naam gesloten zorgover-eenkomsten pro se is opgetreden. Voor (stilzwijgende) bekrachtiging van de rechtshandeling door een later opgerichte vennootschap, als bedoeld in voormelde wetsbepaling, is in een dergelijk geval geen plaats.

4.8. In het licht hiervan komt de vraag of de BV partij is geworden bij de ten name van Ynfo gestelde zorgovereenkomsten in de sleutel van de contractsoverneming te staan. Artikel 6:159 BW vereist voor contractsoverneming de medewerking van de wederpartij bij de overeenkomst. Het enkele feit dat aan de PGB-houders brieven en/of facturen op naam van de BV zijn toegestuurd en zij als ontvangers daarop niet hebben gereageerd, zoals door Raad&Daad is gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de PGB-houders met de overname van de zorgovereenkomst door de BV hebben ingestemd. Evenmin kan de akte van cessie, die is opgesteld op wens van CZ om PGB-houders die hun budgetten hadden overgeheveld naar Raad&Daad, te vrijwaren voor aansprakelijkheid, in dat kader enig soelaas bieden. Nog daargelaten dat deze akte, naar de rechtbank begrijpt, slechts door enkele PGB-houders is ondertekend, is het betreffende (onder meer als productie 21 van Raad&Daad overgelegde) document zodanig innerlijk tegenstrijdig dat hieraan geen conclusies kunnen worden verbonden. De akte is immers weliswaar ondertekend namens de BV, maar haaks hierop staat de aanhef, waaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat de natuurlijke persoon Maas als contractspartij optreedt.

4.9. Vooralsnog leidt zulks tot de slotsom dat Ynfo partij was en is gebleven als het gaat om de zorgovereenkomsten die te haren name zijn gesteld. Mochten er in de voor deze zaak relevante periode ook zorgovereenkomsten ten name van [gedaagde 6] zijn gesloten, dan geldt daarvoor mutatis mutandis hetzelfde.

4.10. De rechtbank geeft zich er rekenschap van dat partijen over deze kwestie niet in vorenvermelde zin hebben gedebatteerd. Zij zal hen daarom in de gelegenheid stellen zich bij akte hieromtrent uit te laten. Bij die gelegenheid dienen partijen zich tevens uit te laten:

a. over de vraag om hoeveel op naam van Ynfo - en eventueel [gedaagde 6] - gestelde zorgovereenkomsten het gaat, waarbij ook aandacht dient te worden besteed aan de vraag welk deel van de initiële vordering aan de desbetreffende zorgovereenkomsten gerelateerd kan worden;

b. over de vraag om hoeveel op naam van de BV gestelde zorgovereenkomsten het gaat, waarbij ook aandacht dient te worden besteed aan de vraag welk deel van de initiële vordering aan de desbetreffende zorgovereenkomsten gerelateerd kan worden;

c. over de vraag of en zo ja, tot welke bedragen de onder a en b bedoelde vorderingen aan CZ zijn gecedeerd, waarbij de meest gerede partij de cessie-aktes in het geding dient te brengen.

Strijd met de wet?

4.11. Door CZ is betoogd dat de onderhavige zorgovereenkomsten tot stand zijn gekomen in strijd met een dwingende wetsbepaling, meer in het bijzonder met artikel 3:5 van de Wet op het Financieel Toezicht (hierna: Wft), en derhalve moet worden geconcludeerd dat de in deze zaak centraal staande zorgovereenkomsten alle nietig zijn. Het is ingevolge deze bepaling niet toegestaan om - zonder vergunning - bedrijfsmatig en buiten een besloten kring opvorderbare publieke gelden aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben. Onder de vigeur van de zorgovereenkomsten heeft Raad&Daad zich volgens CZ hieraan niettemin schuldig gemaakt, waar zij zich de budgetten van de cliënten via de geopende ‘inzake’-rekeningen - en de rekeningen waartoe zij zich heeft laten machtigen - de facto heeft ‘toegeëigend’. Raad&Daad heeft een en ander bestreden en heeft onder meer aangevoerd dat aan de vereisten voor toepassing van artikel 3:5 Wft niet is voldaan.

4.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Raad&Daad op dit punt het gelijk aan haar zijde. Anders dan CZ ingang wil doen vinden, is er immers van ‘opvorderbare gelden’, zoals bedoeld in meergenoemde wetsbepaling, geen sprake. Zoals blijkt uit het zogenaamde Clickfonds-arrest (HR 21 december 2007, NJ 2008, 45) zijn onder ‘opvorderbare gelden’ slechts die gelden te verstaan die nominaal opvorderbaar zijn. Daarbij is van belang dat de toezichthoudende autoriteit, de Nederlandsche Bank, haar beleid aldus heeft ontwikkeld dat het gelden moet betreffen die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald en op welke wijze de eventuele vergoeding moet worden berekend. In aanmerking genomen dat de budgetten van de PGB-houders, in de onderhavige zaak, in het kader van aan deze cliënten te verlenen zorg ter beschikking werden gesteld, waarbij niet werd voldaan aan de eis dat op voorhand vaststond welk deel van de desbetreffende gelden zou worden terugbetaald, moet worden aangenomen dat niet van nominaal opvorderbare gelden kan worden gesproken. Weliswaar is het genoemde Clickfonds-arrest gewezen onder de vigeur van de Wet toezicht kredietwezen 1978 resp. 1992, maar aangenomen moet worden dat het arrest zijn gelding heeft behouden, nu de wetgever met de invoering van de Wft per 1 januari 2007 dienaangaande geen wijziging voor ogen heeft gehad. Het beroep van CZ op artikel 3:5 van de Wft faalt daarom.

Strijd met de openbare orde of goede zeden?

4.13. In artikel 5 van de zorgovereenkomst is bepaald (met ‘de zorginstelling’ is

Raad&Daad bedoeld):

‘De zorginstelling biedt en organiseert de zorg op de met cliënt(e) af te spreken tijden passende binnen het netto budget.’

Artikel 6 behelst de volgende bepaling:

‘De vergoeding bedraagt voor werkzaamheden vallende onder AWBZ, zijnde Persoonlijke Verzorging, Verpleging, Ondersteunende Begeleiding Algemeen alsmede Activerende Begeleiding het vastgestelde netto toegekende budget over het betreffende budgetjaar.

(…)’

Wat op deze wijze in de zorgovereenkomst is neergelegd is door Raad&Daad met de term ‘netto-budget-regeling’ aangeduid. Dit door Raad&Daad in het leven geroepen stelsel komt hierop neer dat zorg werd verleend tegen het (gehele) door het CIZ toegekende budget. Raad&Daad heeft uitgelegd dat in haar optiek de PGB-houder in beginsel vrij is in de wijze, waarop hij het toegekende budget aan zorg besteedt. Zolang sprake is van zorg als bedoeld in de AWBZ, mag hij inkopen tegen het door hem wenselijk geachte tarief. Daarbij doet het niet ter zake, zo verklaart Raad&Daad zich nader, of aan een uur zorg € 40,- wordt besteed dan wel € 100,-. Aan het einde van het jaar kan simpelweg herleid worden hoeveel de PGB-houder voor elk uur geleverde zorg heeft betaald: het toegekende budget gedeeld door het aantal effectief verleende zorguren.

4.14. Vooropgesteld wordt dat de PGB-regeling, waarin het PGB-stelsel is neergelegd, hierop neerkomt dat een Zorgkantoor, tenzij er een afwijzingsgrond is, op een daartoe strekkend verzoek een netto-PGB verleent voor in de regeling omschreven vormen van zorg als de verzoeker beschikt over een indicatiebesluit (artikel 2.6.3). In dat kader bevat de PGB-regeling bepalingen omtrent de aan de verzoeker op te leggen verplichtingen (artikel 2.6.9), waaronder de plicht om periodiek door middel van een formulier aan het Zorgkantoor verantwoording af te leggen over het gebruik van het voorschot (lid 1 sub e), de wijze van bevoorschotting (artikel 6.2.10), de verleningsbeschikking (art. 2.6.11) en de intrekking en wijziging van verleningsbeschikkingen (artikel 2.6.12). Artikel 2.6.12 lid 2 onder b bepaalt dat de verleningsbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd als de bij of krachtens artikel 2.6.9 opgelegde verplichtingen niet zijn nagekomen, dus bijvoorbeeld als niet behoorlijk verantwoording is afgelegd. In artikel 2.6.13 is bepaald dat na elk kalenderjaar de subsidie voor dat jaar wordt vastgesteld (lid 1), dat het verant-woordingsformulier over de laatste voorschotperiode dient als aanvraag tot subsidievaststelling (lid 3), dat het Zorgkantoor het netto-PGB binnen zes weken na de aanvraag vaststelt (lid 4), en dat het Zorgkantoor onverschuldigd betaalde bedragen terugvordert of verrekent met verschuldigde PGB-bedragen (lid 7).

4.15. Samengevat behelst de PGB-regeling een stelsel van bevoorschotting en het afleggen van rekening en verantwoording achteraf, aan de hand waarvan in voorkomende gevallen een surplus wordt vastgesteld, dat aan het Zorgkantoor dient te worden terugbetaald. Wat Raad&Daad met de door haar in het leven geroepen ‘netto-budget-regeling’ voorstaat komt - ontdaan van alle franje - hierop neer dat het voorschot de facto de eindafrekening vormt omdat dat voorschot te allen tijde opgesoupeerd mag worden. Zulks staat haaks op de bedoeling van de wetgever. Met de onderhavige regeling, die een evenwichtig systeem van verificatie van zorgkosten behelst, heeft de wetgever immers juist beoogd de besteding van publieke middelen (PGB’s) in de vorm van subsidies te bewaken. Zou men meegaan met de benadering die Raad&Daad propageert, dan zou de PGB-regeling goeddeels tot een dode letter verworden, hetgeen hoegenaamd niet de bedoeling kan zijn. Alles overziend luidt de conclusie van de rechtbank dat de zorgovereenkomst, op de wijze zoals deze door Raad&Daad wordt uitgelegd, met de meergenoemde PGB-regeling in strijd komt. Er is bijgevolg sprake van een rechtshandeling die tot het verrichten van een bij de wet verboden prestatie verplicht, en in het licht van het zo-even besproken karakter van de PGB-regeling, moet geoordeeld worden dat zij ingevolge artikel 3:40 lid 1 BW nietig is wegens strijd met de openbare orde. Alle in deze zaak relevante zorgovereenkomsten worden door dit lot getroffen. De verwijzing van Raad&Daad naar het modelformulier dat door de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking is gesteld (productie 7), maakt dat niet anders.

in reconventie

4.16. In afwachting van voornoemde door partijen in conventie te nemen aktes wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 april 2012 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over hetgeen is opgenomen in rechtsoverweging 4.10,

houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen, mr. T.A.J.M. Provaas en

mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.