Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV9195

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
458589 CV EXPL 12-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer op staande voet ontslagen. Een onevenredige en ongepaste maatregel om buiten werknemer om aan een recherchebureau opdracht te geven onderzoek te doen naar rechtmatigheid van de door werknemer ingediende declaraties, nu er voor werkgever andere, minder vergaande, maatregelen ten dienste stonden zoals het inbouwen van een track- en tracesysteem, waarover al met de werknemer was gesproken. Werknemer geen inzage gehad in het gehele rapport en hem stonden tijdens gesprek waarin ontslag op staande voet is meegedeeld geen middelen ten dienste om de in het rapport genoemde data op juistheid te verifiëren. Van zorgvuldig handelend werkgever mocht verwacht worden werknemer tijd en gelegenheid te geven om integraal kennis te nemen van de inhoud van de in het rapport neergelegde bevindingen van recherchebureau en op later tijdstip vervolggesprek te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolnr: 458589 CV EXPL 12-89

CJ

Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv d.d. 24 januari 2012

inzake

[eiser],

wonende aan de [adres]

eiser, hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. S. van der Vegt te Deventer;

t e g e n

de besloten vennootschap Mazon B.V.,

statutair gevestigd te Sittard en kantoorhoudende aan de Oude Roderweg 10, 6422 PE Heerlen,

gedaagde, hierna te noemen: Mazon,

gemachtigde: mr. M.J.E. Spee te Maastricht Airport.

1. Het verloop van de procedure

[eiser] heeft een dagvaarding met producties ingediend en zijn standpunt aan de hand van een overgelegde pleitnota ter zitting van 18 januari 2012 nader toegelicht.

Mazon heeft ter zitting van 18 januari 2012 verweer gevoerd conform aldaar ingediende pleitnota, daarbij verwijzend naar de door haar op voorhand toegezonden producties.

De inhoud van voormelde stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

2. Het geschil

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - voor zover thans van belang - het volgende vast.

2.2 [eiser], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 maart 1983 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Mazon in dienst in de functie van sales manager, zulks tegen een salaris van laatstelijk € 3.945,00 bruto per maand, exclusief overige emolumenten.

2.3 In mei 2010 constateert [eiser] bij het ophalen van de leaseauto dat er een track- en tracesysteem is ingebouwd. [eiser] gaat hiermee niet akkoord, waarna het track- en tracesysteem is gedemonteerd.

2.4 Tijdens een gesprek op 14 september 2010 wordt aan [eiser] meegedeeld dat hij niet in staat is een sluitende administratie c.q. bezoekrapportages over te leggen. De administratie c.q. bezoekrapportages ontbreken over veertig werkdagen. [eiser] krijgt bij brief van 6 oktober 2010 de gelegenheid deze gegevens binnen acht dagen aan te vullen. Bij brief van 8 oktober 2010 deelt [eiser] mee dat hij daartoe niet in staat is, omdat hij niet weet om welke data het gaat en verzoekt Mazon aan te geven welke dagen ontbreken, hetgeen Mazon weigert.

2.5 Op 20 oktober 2010 vindt er tussen partijen een gesprek plaats waarin nadere afspraken worden gemaakt over het bijhouden van bezoekrapporten en de kilometerregistratie. Verder wordt er afgesproken dat begin januari 2011 een evaluatiegesprek zal plaatsvinden en indien dan mocht blijken dat de rapportages niet naar behoren zijn alsnog een track- en tracesysteem zal worden ingebouwd. Er vindt vervolgens geen evaluatiegesprek plaats.

2.6 [eiser] is niet akkoord gegaan met het door Mazon in de zomer van 2011 aangeboden beëindigingsvoorstel.

2.7 In opdracht van Mazon van 24 augustus 2011 heeft RBZ Recherche te Geleen-Sittard [eiser] gedurende een periode van drie maanden geobserveerd voor wat betreft de uitvoering van zijn werkzaamheden als vertegenwoordiger en van die observaties een rapport opgemaakt. Uit het rapport, dat op 14 december 2011 is uitgebracht, blijkt dat er afwijkingen zijn geconstateerd in de door [eiser] ingediende declaraties. Tijdens het gesprek op 14 december 2011 is [eiser] in de gelegenheid gesteld zijn reactie te geven op de bevindingen van RBZ Recherche, waarna hij op staande voet is ontslagen, hetgeen direct met de hem ter hand gestelde brief van 14 december 2011 is bevestigd. In de ontslagbrief staat ondermeer:

‘De uitkomst van het onderzoek, die aan ons hedenochtend is medegedeeld door het bedrijfsrecherchebureau in kwestie, leert dat er van de tien onderzochte data over een periode van drie maanden, maar liefst acht afwijkende declaraties zijn geconstateerd.

Naar aanleiding van de bevindingen van het bedrijfsrecherchebureau hebben wij u heden gehoord over deze kwestie, zulks in het bijzijn van bedrijfsrechercheur Klingestijn en onze advocaat Mr. Spee, teneinde u in de gelegenheid te stellen om uw visie op de onderzoeksresultaten en op hetgeen u verweten wordt aan ons mede te delen. U bleek echter geen plausibele noch sluitende verklaring te kunnen geven.

Dit feit levert een dringende reden op die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Immers is er sprake van het grovelijk veronachtzamen van de plichten welke de arbeidsovereenkomst aan u oplegt, althans is er - subsidiair - sprake van ernstige misleiding en zelfs bedrog, waardoor u het vertrouwen van werkgever onwaardig bent geworden.’

2.8 Bij brief van 14 december 2011 heeft Mazon haar relaties op de hoogte gesteld van het per direct verbreken van de dienstbetrekking met [eiser].

2.9 Bij schrijven van 20 december 2011 heeft (de gemachtigde van) [eiser] het ontslag op staande voet vernietigd en zich beschikbaar gehouden voor de bedongen werkzaamheden.

2.10 Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] bij wege van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, wedertewerkstelling, rectificatie van de door Mazon aan haar zakenrelaties verstuurde brief en veroordeling van Mazon tot betaling van het salaris vanaf 14 december 2011, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, alsmede de buitengerechtelijke kosten, proceskosten, nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

2.11 [eiser] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De beginselen van hoor en wederhoor zijn geschonden, het ontslag is niet onverwijld gegeven en een dringende reden ontbreekt althans is niet gelijktijdig meegedeeld. Het rapport dient buiten beschouwing te worden gelaten in verband met een ernstige inbreuk op de privésfeer.

2.12 Mazon stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en verzoekt de vordering van [eiser] af te wijzen, zulks met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3. De beoordeling

3.1 Gezien de aard van de vordering is de kantonrechter, alleen al voor wat betreft de gevorderde doorbetaling van het loon, van oordeel dat in deze zaak genoegzaam sprake is van een spoedeisend belang.

3.2 Beoordeeld moet worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vordering vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is. Uitgangspunt is dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiser] wordt gevorderd, het voldoende aannemelijk moet zijn dat het ontslag op staande voet in een eventueel nog tussen partijen te voeren bodemprocedure geen stand zal houden, waarbij op Mazon de last rust om aannemelijk te maken dat het ontslag op staande voet wel stand zal houden.

3.3 Als dringende redenen voor de werkgever worden ingevolge artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.4 Nu Mazon op 12 december 2011 door RBZ Recherche telefonisch is geïnformeerd over de bevindingen van het onderzoek, Mazon het rapport op 14 december 2011 heeft ontvangen en met [eiser] heeft gesproken en vervolgens diezelfde dag het ontslag op staande voet schriftelijk is bevestigd, is naar het oordeel van de kantonrechter het ontslag op staande voet onverwijld gegeven en faalt het daarop betrekking hebbende betoog van [eiser].

3.5 Als werkgeefster van [eiser] mocht Mazon controle uitoefenen op diens juiste naleving van zijn verplichtingen ingevolge de arbeidsovereenkomst en daarnaar onderzoek doen. Mazon had [eiser] diverse malen aangesproken over zijn wijze van rapporteren, zodat er voor Mazon reden was om zich van de juistheid van de door [eiser] ingediende declaraties te vergewissen en daarnaar zonodig onderzoek te doen. In die zin was [eiser] een gewaarschuwd mens. Het doen controleren van een werknemer buiten diens weten door een recherchebureau is echter alleen dan aanvaardbaar wanneer sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waarin tegen de werknemer ernstige verdenkingen zijn gerezen ter zake van ernstige overtredingen welke een onderzoek buiten de betrokkene om noodzakelijk maken. Van zulke omstandigheden is voorshands niet gebleken. De kantonrechter overweegt dienaangaande het navolgende.

3.6 Vooropgesteld zij, dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene (in casu: [eiser]) niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met het onderzoek te dienen doel (proportionaliteit) en dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze moet kunnen worden verwezenlijkt (subsidiariteit). Uit het door RBZ Recherche opgemaakte rapport d.d. 14 december 2011 blijkt dat het doel van het onderzoek is een beeld te krijgen van de rechtmatigheid betreffende de ingediende declaraties. Het inschakelen van een recherchebureau zonder medeweten van [eiser] is in strijd met de eerder tussen partijen op 20 oktober 2010 gemaakte en bij brief van 22 oktober 2010 schriftelijk bevestigde afspraken. Zonder nadere toelichting, die evenwel niet door Mazon is gegeven, is niet duidelijk waarom begin januari 2011 geen evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden, zoals partijen op 20 oktober 2010 hebben afgesproken en bij brief van 22 oktober 2010 door Mazon schriftelijk is bevestigd. In dat gesprek had dan bezien kunnen worden of de door [eiser] ingediende declaraties naar behoren waren en zo niet alsnog het track- en tracesysteem ingebouwd kunnen worden. Mazon stonden andere, minder vergaande, maatregelen ten dienste dan het inschakelen van een recherchebureau. Voorts ontbreken over de periode oktober 2010 tot augustus 2011 verslagen van gesprekken waarin [eiser] op de onjuistheid van zijn handelen wordt gewezen en bij het uitblijven van verbetering een beëindiging van het dienstverband in het vooruitzicht wordt gesteld. Onder die omstandigheden was het een onevenredige en ongepaste maatregel om buiten [eiser] om aan een recherchebureau opdracht te geven onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de door [eiser] ingediende declaraties.

3.7 Voorts heeft Mazon, naar aanleiding van de bevindingen van het recherchebureau, [eiser] weliswaar op 14 december 2011 gehoord, maar [eiser] is voorafgaand niet op de hoogte gesteld van de inhoud van het gesprek, zodat hij zich niet op het gesprek met Mazon heeft kunnen voorbereiden. Gelet op de verschillende standpunten waarop partijen zich stellen, is in de onderhavige procedure, waar geen plaats is voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, niet komen vast te staan dat [eiser] integraal kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het door het recherchebureau opgestelde rapport. Mazon stelt dat zulks wel het geval is geweest, maar [eiser] ontkent dit. [eiser] stelt ter zake dat hij tijdens het gesprek inzage heeft gekregen in de eerste drie pagina’s van het rapport. Verder heeft [eiser] ter zitting onweersproken gesteld dat hem tijdens het gesprek geen andere middelen, zoals een eigen agenda, ten dienste stonden om de in het rapport genoemde data en geconstateerde afwijkingen te controleren. In deze situatie had van Mazon als zorgvuldig handelend werkgever verwacht mogen worden [eiser] tijd en gelegenheid te geven om integraal kennis te nemen van de inhoud van de in het rapport neergelegde bevindingen van het recherchebureau en op een later tijdstip een vervolggesprek met [eiser] te voeren.

3.8 Naar het voorshands oordeel van de kantonrechter is het onderzoek van Mazon naar de gronden waarop zij [eiser] op staande voet heeft ontslagen niet zorgvuldig geweest en stonden deze gronden niet voldoende vast ten tijde van het ontslag. Derhalve is onvoldoende gebleken dat op 14 december 2011 van Mazon redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst met [eiser] te laten voortduren. Gelet hierop is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopen daarop gerechtvaardigd is. Gelet op het vorenstaande zal de gevorderde betaling van het salaris worden toegewezen vanaf 14 december 2011. De vordering die ziet op betaling van de wettelijke verhoging van het salaris zal worden toegewezen, voor zover het betreft achterstallige betalingen, waarbij deze verhoging billijkheidshalve zal worden vastgesteld op 15%. De gevorderde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.

3.9 Ten aanzien van de gevorderde wedertewerkstelling is de kantonrechter van oordeel dat ter zitting is gebleken dat er sprake is van een dermate grote vertrouwensbreuk tussen partijen, dat een terugkeer van [eiser] momenteel uitgesloten is. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat een terugkeer bij Mazon niet zal meevallen. Daar komt bij dat de (zelfstandige) aard van de functie van [eiser] met zich brengt dat het vertrouwen van de werkgever in de werknemer een vereiste is. De kantonrechter zal om die reden de gevraagde voorlopige voorzieningen ter zake de wedertewerkstelling en rectificatie weigeren.

3.10 De buitengerechtelijke kosten zullen eveneens worden afgewezen, nu onvoldoende gemotiveerd is gesteld dat ter zake meer kosten zijn gemaakt dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) reeds een vergoeding plegen in te houden.

3.11 De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu die kosten nog niet zijn gemaakt en in artikel 237 lid 4 Rv voor het verhaal van deze kosten een afzonderlijke procedure is voorgeschreven.

3.12 In de aard en de uitkomst van het geschil wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Mazon bij wege van voorlopige voorziening om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting binnen één dag na betekening van het vonnis te betalen het salaris vanaf 14 december 2011 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te stellen op 15% en de wettelijke rente over de achterstallige betalingen vanaf de dag waarop de periodieke salarisbetalingen zijn vervallen c.q. het salaris direct opeisbaar is geworden tot de dag der algehele voldoening;

weigert de overige gevorderde voorzieningen;

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.