Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV6197

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
03/995017-10 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/995017-10

Datum uitspraak: 14 februari 2012

Beslissing inzake de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht onder voormeld parketnummer, gedateerd 1 juli 2011 en bij deze rechtbank ter terechtzitting van 14 september 2011 aanhangig gemaakt, daartoe strekkende dat de rechtbank ten laste van

[Verdachte],

geboren [geboortedatum en geboorteplaats],

wonende [adres].

hierna te noemen: [verdachte],

het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en [verdachte] de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel.

De vordering is gericht op de ontneming van het voordeel verkregen uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.

De officier van justitie heeft deze vordering ingesteld naar aanleiding van een door hem onder opgemeld parketnummer gelijktijdig op 14 september 2011 aangebrachte strafzaak tegen [verdachte]. In deze zaak heeft de rechtbank heden vonnis gewezen. Bij dit vonnis is [verdachte] (hierna ook te noemen: verdachte) onder meer veroordeeld ter zake het volgende:

Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken, verder te noemen 'de Stichting' op tijdstippen in de periode van de maand augustus 2005 tot en met de maand februari 2007, in de gemeente [gemeente], telkens (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de Stichting

- zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie een samenstel van

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft de Stichting valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie opgenomen en verwerkt,

- een akte van benoeming gedagtekend 29 november 2005 door de Stichting als werkgever van [persoon] tot onderwijsassistent op basisschool [naam basisschool] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon], gedagtekend 29 november 2005,

zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen.

De procesgang

De vordering dateert van 1 juli 2011. De aan deze vordering ten grondslag liggende uitspraak is op 14 februari 2012 door de rechtbank gedaan. De officier van justitie heeft de vordering derhalve aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.

De rechtbank heeft gezien de inhoud van het aan voormeld vonnis ten grondslag liggend dossier en gelet op de behandeling van de vordering ter terechtzitting van 14 september 2011 en 31 januari 2012, bij gelegenheid waarvan de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouwe zijn gehoord.

De officier van justitie heeft gevorderd vorenbedoeld voordeel vast te stellen op € 31.058,00.

De bespreking van de feiten

De raadsvrouwe heeft geconcludeerd -kort gezegd- dat [verdachte], ondanks het feit dat hij

€ 31.058,00 aan salaris voor zijn echtgenote[naam] heeft ontvangen, slechts € 10.000,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De overige € 21.058,00 heeft hij namelijk voor een deel afgedragen aan de medeverdachte [naam medeverdachte], destijds penningmeester van het bestuur van de Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken, en voor het overige deel aangewend om kosten gemaakt voor het leerlingenvervoer van de islamitische basisschool [naam basisschool] [gemeente] te betalen.

De officier van justitie heeft bij zijn vordering gepersisteerd.

Het door [verdachte] op grond van het bovenstaande verkregen voordeel kan in deze worden geschat op een bedrag van € 31.058,00. Deze schatting is gebaseerd op de inhoud van de volgende wettige bewijsmiddelen vervat in het aan deze vordering ten grondslag liggende procesdossier.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de inhoud van het vonnis van de strafzaak met het hiervoor vermelde parketnummer

03/995017-10, waarin de bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde feiten zijn opgenomen.

De schatting is gebaseerd op de inhoud van de volgende wettige bewijsmiddelen, vervat in het aan deze vordering ten grondslag liggende procesdossier.

De aangifte van fraude met betrekking tot de rijksbekostiging voor aanstellingen bij de “Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken” (de Stichting).

De bekennende verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 januari 2012 waarin hij heeft verklaard dat zijn echtgenote salaris heeft ontvangen op hun gezamenlijke bankrekening in de periode augustus 2005 tot en met juli 2007 voor de fictieve aanstelling van zijn echtgenote bij de Stichting, en dat hij dat geld heeft opgenomen en gebruikt.

De rechtbank gaat er van uit, nu [verdachte] en [naam] met elkaar zijn gehuwd, zij ook een economische eenheid vormen.

Door de FIOD is aan de hand van de bankafschriften van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte] en/of [naam echtgenote] een inventarisatie gemaakt van het totaal door [verdachte] voor de fictieve functie van zijn echtgenote [naam] ontvangen nettosalaris over de periode 1 augustus 2005 tot en met 1 augustus 2007. Hieruit blijkt dat [verdachte] in deze periode hiervoor van de Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken in totaal € 31.058,00 aan nettosalaris heeft ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte], ondanks het feit dat hij daartoe uitgebreid in de gelegenheid is gesteld - ondermeer door middel van een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering -, op onvoldoende verifieerbare wijze aannemelijk heeft gemaakt dat dient te worden afgeweken van het door de officier van justitie gevorderde bedrag ter zake het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

[verdachte] heeft in totaal € 31.058,00 wederrechtelijk aan nettosalaris ontvangen.

Aldus bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel € 31.058,00.

De hoogte van het te ontnemen geldbedrag

De rechtbank acht geen termen aanwezig het door [verdachte] te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

Ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal aan [verdachte] de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 31.058,00.

DE BESLISSING

De rechtbank

- stelt het geschatte voordeel, dat [verdachte] vanwege voormelde strafbare feit wederrechtelijk heeft verkregen, vast op een bedrag van € 31.058,00;

- verplicht [verdachte], ter ontneming van voren¬bedoeld wederrechtelijk verkregen voordeel, tot betaling aan de staat van een bedrag van € 31.058,00.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.W. Oosterman, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 14 februari 2012.