Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV3912

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
03/995009-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en werkstraf van 240 uren ter zake valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Verdachte heeft als bestuurslid van de ''Stichting Islamitische School Heerlen en omstreken'' op een geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/995009-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [woongegevens verdachte].

Raadsman is mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14 september 2011 en 31 januari 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van september 2003 tot en met februari 2007 meerdere keren opdracht heeft gegeven tot en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door de “Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken”, door middel van het opmaken en gebruiken van valse akten van benoeming;

feit 2: in de periode van januari 2004 tot en met december 2008 een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van door misdrijf verkregen geldbedragen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden geacht. Hij heeft daartoe verwezen naar de bewijsmiddelen in het dossier.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 september 2011

en ter terechtzitting d.d. 31 januari 2012;

- de aangifte;

- de akten en de verklaringen betreffende de benoemingen van [persoon 1];

- de akten en de verklaringen betreffende de benoemingen van [verdachte];

- de akte en de verklaring betreffende de benoeming van [persoon 2];

- de akte en de verklaring betreffende de benoeming van [persoon 3];

- de akte en de verklaring betreffende de benoeming van [persoon 4];

- de bankafschriften betreffende rekeningnummer [rekeningnummer]ten name van [persoon 3;

- de bankafschriften betreffende rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [verdachte].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken, verder te noemen 'de Stichting' op tijdstippen in de periode van de maand september 2003 tot en met de maand februari 2007, in de gemeenten [gemeente] en [gemeente], telkens (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de Stichting - zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie telkens een samenstel van

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft de Stichting telkens valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie opgenomen en verwerkt, althans doen opnemen en verwerken

- een akte van benoeming gedagtekend 14 oktober 2003 door de Stichting als werkgever van [persoon 1] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 0.4000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 september 2003 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 1], gedagtekend 10 november 2003, en

- een akte van benoeming gedagtekend 14 oktober 2003 door de Stichting als werkgever van [verdachte] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 0.4000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 september 2003 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [verdachte], gedagtekend 9 november 2003, en

- een akte van benoeming door de Stichting als werkgever van [persoon 1] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 0.8000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2006 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 1], gedagtekend 11 februari 2007, en

- een akte van benoeming door de Stichting als werkgever van [verdachte] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 0.8000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2006 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [verdachte], gedagtekend 11 februari 2007, en

- een akte van benoeming gedagtekend 14 november 2003 door de Stichting als werkgever van [persoon 2] tot conciërge op basisschool [basisschool 2] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2003 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 2], gedagtekend 2 december 2003, en

- een akte van benoeming gedagtekend 14 september 2004 door de Stichting als werkgever van [persoon 3] tot administratief medewerker op basisschool [basisschool 2] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2004 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 3], gedagtekend 13 september 2004, en

- een akte van benoeming gedagtekend 29 november 2005 door de Stichting als werkgever van [persoon 4] tot onderwijsassistent op basisschool [basisschool 2] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 en een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 4], gedagtekend 29 november 2005,

zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte telkens opdracht gegeven tot die strafbare feiten en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen.

2.

hij op tijdstippen in de periode van de maand januari 2004 tot en met de maand december 2008 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar krachtens die gewoonte voorwerpen, te weten bedragen aan geld tot een totaalbedrag groot € 58.481,83 op en/of vanaf bankrekening nummer [rekeningnummer]ten name van [persoon 3]en bedragen aan geld tot een totaalbedrag groot € 41.654,87 euro op bankrekening nummer [rekeningnummer] ten name van hem, verdachte, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op.

Feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn strafeis naar voren gebracht dat de onderhavige feiten zeer ernstig van aard zijn, aangezien op grote schaal gemeenschapsgelden voor privédoeleinden zijn aangewend. Ten voordele van verdachte heeft hij bij zijn strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat er voor deze strafzaak veel media-aandacht is geweest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte niet meer dan een werkstraf op te leggen. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte de feiten heeft gepleegd met het oog op een hoger doel, namelijk het met behulp van het ten onrechte verkregen overheidsgeld in stand houden van de islamitische basisscholen [basisschool 2] te [gemeente] en [basisschool 1] te [gemeente], welke scholen door financiële problemen in het kader van het leerlingenvervoer in hun voortbestaan werden bedreigd. Voorts heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop na het plegen van de onderhavige feiten en het gegeven dat verdachte door deze strafzaak noodgedwongen afstand heeft moeten nemen van de eerdergenoemde islamitische basisscholen, waarvan hij mede-oprichter is geweest. Tevens heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte reeds is gestraft doordat hij in aanzienlijke mate gezichtsverlies heeft geleden. Ten slotte heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte door een gevangenisstraf zijn baan als medewerker van een penitentiaire inrichting zal verliezen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Door de “Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken” (hierna: de Stichting) zijn gemeenschapsgelden verworven gedurende een periode van ruim 3½ jaar door aan de subsidieverstrekker voor te wenden dat zij vijf personen in functies had aangesteld, die deze functies nimmer daadwerkelijk hebben vervuld. De aanstellingen werden voorgewend door middel van het opmaken van valse akten van benoeming die in de (bedrijfs)administratie van de Stichting werden opgenomen en als bewijs moesten dienen. Als voorzitter van het bestuur van de Stichting heeft verdachte opdracht tot en feitelijk leiding gegeven aan deze praktijk van fictieve werknemers. Ook verdachte zelf werd in 2003 (voor een werktijdfactor 0.4) en in 2006 (voor een werktijdfactor 0.8) aangesteld als leraar in dienst van de Stichting, terwijl hij deze functie nimmer heeft vervuld. Hetzelfde geldt voor zijn echtgenote [persoon 3] die in 2004 werd aangesteld als administratief medewerker. In de periode waarin verdachte en zijn echtgenote bij de Stichting in dienst waren ontvingen zij maandelijks salaris uitbetaald op hun bankrekeningen, terwijl daar niet de in de benoemingsakten bedoelde prestaties tegenover stonden. In totaal werd vanaf januari 2004 tot en met december 2008 op de bankrekeningen zo’n € 100.000 aan salaris gestort. Door in deze periode maandelijks geld - waarvan verdachte wist dat dit uit misdrijf afkomstig was - te ontvangen en te gebruiken, heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Verdachte heeft aangevoerd dat de door de Stichting op deze wijze ten onrechte verworven gemeenschapsgelden aangewend werden voor bekostiging van het leerlingenvervoer ten behoeve van de Islamitische basisschool [basisschool 2] te [gemeente] en de Islamitische basisschool [basisschool 1] te [gemeente]. Datzelfde zou het geval zijn met betrekking tot de bedragen die hijzelf en zijn echtgenote op hun bankrekeningen hebben ontvangen.

Of bedoelde gemeenschapsgelden daadwerkelijk voor het leerlingenvervoer zijn aangewend, heeft de rechtbank - na verdachte alle gelegenheid gegeven te hebben om dit aan te tonen - niet kunnen vaststellen. De Stichting heeft met betrekking tot het leerlingenvervoer geen administratie bijgehouden waaruit de beweringen van verdachte zouden kunnen blijken en verdachte heeft ook niet met verifieerbare bewijzen aangetoond of aannemelijk weten te maken dat dit het geval is. Overigens als dit al wel het geval zou zijn geweest, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het verboden en verwerpelijke karakter van de bewezen gedragingen.

Door als voorzitter op een geraffineerde wijze misbruik te maken van zijn functie en in die hoedanigheid oneigenlijk gebruik te maken van relatief grote bedragen aan gemeenschapsgelden, heeft verdachte zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waarbij hij ook de goede naam van de Stichting heeft geschaad. In beginsel is naar het oordeel van de rechtbank hiervoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Ten voordele van verdachte zal de rechtbank echter rekening houden met de omstandigheid dat hij, mede door de vele media-aandacht voor de onderhavige zaak, gezichtsverlies heeft geleden in de Islamitische gemeenschap, hetgeen hij als een straf heeft ervaren. Ook heeft verdachte zijn functie van voorzitter moeten neerleggen. Verder zal de rechtbank in strafmatigende zin rekening houden met het blanco strafblad van verdachte en het gegeven dat de bewezenverklaarde feiten reeds enkele jaren geleden hebben plaatsgevonden. Ook acht de rechtbank van belang dat verdachte met deze straf de mogelijkheid geboden wordt om zijn baan te behouden.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Daarnaast zal zij de maximale werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, aan verdachte opleggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225, 420 bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W. Oosterman, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 februari 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

Stichting Islamitische School [gemeente] en omstreken, verder te noemen 'de

Stichting' op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de

maand september 2003 tot en met de maand februari 2007, althans op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van het jaar 2003 tot en met het jaar

2007 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente], althans in Nederland, (telkens)

(een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de Stichting - zijnde (dat deel

van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen

- (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft de Stichting

(telkens) valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in

(dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of

verwerkt, althans doen opnemen en/of verwerken

- een akte van benoeming gedagtekend 14 oktober 2003 door de Stichting als

werkgever van [persoon 1] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst

van de Stichting in werktijdfactor 0.4000 voor onbepaalde tijd vanaf 1

september 2003 en/of een verklaring van de benoeming voornoemd door [persoon 1], gedagtekend 10 november 2003 en/of

- een akte van benoeming gedagtekend 14 oktober 2003 door de Stichting als

werkgever van [verdachte] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst

van de Stichting in werktijdfactor 0.4000 voor onbepaalde tijd vanaf 1

september 2003 en/of een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd

door [verdachte], gedagtekend 9 november 2003 en/of

[verdachte] en/of

- een akte van benoeming door de Stichting als werkgever van [persoon 1] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in

werktijdfactor 0.8000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2006 en/of een

verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [persoon 1], gedagtekend 11 februari 2007 en/of

- een akte van benoeming door de Stichting als werkgever van [verdachte] tot leraar op basisschool [basisschool 1] in dienst van de Stichting in

werktijdfactor 0.8000 voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2006 en/of een

verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd door [verdachte],

gedagtekend 11 februari 2007 en/of

- een akte van benoeming gedagtekend 14 november 2003 door de Stichting als

werkgever van [persoon 2] tot concierge op basisschool [basisschool 2] in dienst

van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 voor onbepaalde tijd vanaf 1

augustus 2003 en/of een verklaring van aanvaarding van de benoeming voornoemd

door [persoon 2], gedagtekend 2 december 2003 en/of

- een akte van benoeming gedagtekend 14 september 2004 door de Stichting als

werkgever van [persoon 3] tot administratief medewerker op [basisschool 2] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 voor onbepaalde tijd

vanaf 1 augustus 2004 en/of een verklaring van de benoeming voornoemd door

[persoon 3], gedagtekend 13 september 2004 en/of

- een akte van benoeming gedagtekend 29 november 2005 door de Stichting als

werkgever van [persoon 4] tot onderwijsassistent op

basisschool [basisschool 2] in dienst van de Stichting in werktijdfactor 1.0000 voor

onbepaalde tijd vanaf 29 november 2005 en/of een verklaring van de benoeming

voornoemd door [persoon 4], gedagtekend 29 november 2005

, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van)

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

hebbende hij, verdachte (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand

januari 2004 tot en met de maand december 2008 in de gemeente [gemeente],

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) toen

aldaar krachtens die gewoonte,

(een) voorwerp(en), te weten (een of meer) bedrag(en) aan geld tot een

totaalbedrag groot € 58.481,83 of daaromtrent op en/of vanaf bankrekening

nummer [rekeningnummer]ten name van [persoon 3]en/of (een) of meer bedrag(en) aan

geld tot een totaalbedrag groot € 41.654,87 of daaromtrent op bankrekening

nummer [rekeningnummer] ten name van hem, verdachte, (telkens) heeft verworven

en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans

van voornoemd(e) voorwerp(en) (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij,

verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit (enig)

misdrijven/misdrijf;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/995009-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 14 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [woongegevens verdachte] .

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.