Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV2224

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
03/702936-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot – onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk ter zake van poging tot zware mishandeling van 3 politieagenten. De agenten zaten in een zogenaamde lokauto en waren op de autosnelweg A2 belast met de bestrijding van de overlast van agressieve drugsrunners. Verdachte is op zeer korte afstand naast de lokauto gaan rijden, heeft op het raam van de lokauto geslagen en heeft het portier van de lokauto opengetrokken. Verdachte is voor de lokauto gaan rijden, heeft met twee andere auto’s de lokauto ingesloten en heeft plotseling krachtig geremd, waardoor de lokauto genoodzaakt was om fors te remmen. Ook is verdachte, achteruit rijdend tegen de rijrichting in terwijl er vrachtverkeer naderde, achter de lokauto aangereden. Geen poging tot moord of poging tot doodslag, wel poging tot zware mishandeling omdat de beide auto’s op het moment van krachtig remmen hun respectieve snelheid al aanmerkelijk hadden teruggebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702936-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 januari 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht – Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2012 waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland van het leven te beroven, dan wel samen met anderen heeft geprobeerd om voornoemde personen van het leven te beroven, dan wel samen met anderen heeft geprobeerd om [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel samen met anderen [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Feit 2: samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op donderdag 7 april 2011 waren de verbalisanten [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en [NAAM SLACHTOFFER 3], werkzaam bij het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland, belast met de bestrijding van de overlast van agressieve drugsrunners op de A2 in de omgeving van Eijsden richting Maastricht. Zij opereerden daarbij als leden van het Joint Hit Team. Dit team van de politie Limburg-Zuid houdt zich specifiek bezig met de internationale aanpak van drugshandel, waaronder drugsrunners.

Een drugsrunner is een persoon die drugskopers werft en ze naar een plaats van

verkoop of gebruik van die middelen brengt. Drugsrunners zijn vooral actief binnen het politiedistrict Maastricht en met name op de A2 vanuit België. Het maken van contact met potentiële drugskopers gebeurt op en rond autosnelwegen, veelal op een zeer agressieve en verkeersgevaarlijke wijze. Drugsrunners gebruiken vaak snelle auto’s. Zij wachten met gedoofde lichten op parkeerplaatsen en parkeerstroken of opritten of rijden met zeer lage snelheid over de snelwegen of grenswegen. Zij speuren naar voertuigen met potentiële drugskopers. Dit zijn in de regio Maastricht vooral auto’s voorzien van Franse of Belgische kentekenplaten. Bij het zien van potentiële klanten start het feitelijke ‘runnen’. De aandacht van klanten wordt gelokt door bumperkleven, het geven van lichtsignalen, gebaren of tijdens het rijden op de autosnelwegen slaan en tikken tegen de zijramen. Drugsrunners hangen hierbij vaker uit de portierramen. Ook komt het voor dat auto’s worden afgesneden en klemgereden. Dit gebeurt soms met twee of meer runnerauto’s tegelijkertijd. Potentiële kopers worden regelmatig bedreigd of onder bedreiging en intimidatie doorgeleid naar een dealer.

Het Joint Hit Team maakt in de praktijk gebruik van zogenaamde lokvoertuigen, ook wel ghostauto’s genoemd, die zijn uitgerust met Franse kentekenplaten en waarin zich een deels Franstalige bemanning bevindt. Deze lokauto’s rijden door Maastricht en omgeving en laten zich door drugsrunners benaderen.

In het verleden is gebleken dat burgers die zich met name in de nachtelijke uren over de A2 verplaatsen in voertuigen met buitenlandse kentekens, door het zeer gewelddadige gedrag van drugsrunners in levensbedreigende omstandigheden terecht kunnen komen. Dat is de reden dat de lokauto soms gecombineerd wordt met de inzet van een gespecialiseerd arrestatieteam.

7 april 2011

In de zeer vroege ochtend van 7 april 2011 reden de verbalisanten [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en [NAAM SLACHTOFFER 3] in hun lokauto over de A2 in de omgeving van Eijsden richting Maastricht. De auto betrof een Renault Scenic voorzien van Franse kentekenplaten. Doel van de actie was de bestrijding van de overlast van agressieve drugsrunners.

Bestuurder van de lokauto was de Franse politieagent [naam slachtoffer 2]. Het Nederlandse lid van een arrestatieteam [NAAM SLACHTOFFER 3] zat als bijrijder in de lokauto. Achterin zat de Nederlandse politieagent [naam slachtoffer 1].

De inzittenden van de lokauto kregen iets na 01.00 uur van hun collega’s gegevens door van drie in verband met drugsrunnen bekende auto’s. De auto’s betroffen twee Volkswagens van het type Golf en een Opel van het type Vectra. Toen de lokauto langs de Opel Vectra reed, volgde de Vectra de lokauto direct.

Verbalisant [NAAM SLACHTOFFER 3] zag dat vlak na de oprit Moelingen de Opel Vectra op korte afstand links naast de lokauto kwam rijden. Hij zag dat de bijrijder van de Opel Vectra heftig gebaarde dat de bestuurder van de lokauto het raam naar beneden moest doen. Voorts heeft hij gerelateerd dat op dat moment rechts naast de lokauto op de vluchtstrook een zilverkleurige Volkswagen Golf kwam rijden. Hij zag dat de bestuurder van de Volkswagen Golf het raam van het bestuurdersportier had geopend en eveneens gebaarde dat het raam van de lokauto moest worden geopend. Hierna zag hij dat de bestuurder van de Volkswagen Golf met een gebalde vuist enkele malen hard tegen het portierraam van de lokauto sloeg en vervolgens het bijrijdersportier van de lokauto opende. Ondertussen hoorde hij dat de bestuurder van de Volkswagen Golf in de Franse taal naar hem schreeuwde: “Stop of ik maak je kapot”. De Volkswagen Golf ging vervolgens voor de lokauto rijden, waarna er door de bestuurder van de Volkswagen Golf fors werd geremd. De plek rechts naast de lokauto werd hierna opgevuld door een andere Volkswagen Golf.

In zijn proces-verbaal schrijft [NAAM SLACHTOFFER 3] dat de auto waarin hij zat op een gegeven moment dusdanig door de drie auto’s werd ingesloten, dat de bestuurder [naam slachtoffer 2] de auto tot stilstand moest brengen. Hierna zag hij dat de bijrijder van de Opel Vectra en de bestuurder van één van de Volkswagens Golf uit hun auto stapten en in de richting van de lokauto liepen. [naam slachtoffer 2] reed vervolgens de lokauto achteruit, waarna de mannen weer in hun auto stapten en ook hun voertuigen achteruit reden.

Als getuige bij de rechter-commissaris heeft [NAAM SLACHTOFFER 3] verklaard dat toen de lokauto achteruit reed, er een vrachtwagen naderde. De lokauto reed vervolgens weer vooruit en kon tussen de auto’s van de drugsrunners door wegrijden. De lokauto werd vervolgens opnieuw ingehaald en er werd wederom afgeremd door het voertuig voor de lokauto. De auto waarin hijzelf, [NAAM SLACHTOFFER 3], en [naam slachtoffer 1] zaten ging op de linkerrijbaan stilstaan en reed achteruit om een veilige afstand tot de andere voertuigen te bewaren. De auto’s van de drugsrunners reden vervolgens ook achteruit en gingen achter elkaar stilstaan op de vluchtstrook. [NAAM SLACHTOFFER 3] zag toen het arrestatieteam naderen. Hij had het arrestatieteam ingelicht op het moment dat er op het raam van de lokauto werd geslagen.

De Franse politieagent [naam slachtoffer 2] heeft op 7 april 2011 en op 14 april 2011 als getuige bij zijn Nederlandse collega’s een verklaring afgelegd. De Nederlandse collega’s hebben de verklaring van [naam slachtoffer 2] beide keren vastgelegd in een proces-verbaal.

[naam slachtoffer 2] heeft op 7 april 2011 verklaard dat hij die dag deelnam aan een ”ghost-actie”. Hij was de bestuurder van een Renault Scenic met een Frans kenteken. Hij reed vanuit de richting België over de A2 Nederland binnen. Hij werd direct gevolgd door een Opel Vectra en twee Volkswagens Golf. Hij reed met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur. De Opel Vectra kwam links naast hem rijden. Er waren slechts enkele centimeters tussen zijn voertuig en de Opel Vectra. De persoon in de Opel Vectra zei tegen [naam slachtoffer 2] ”koop drugs van mij, stop stop, als jij niet stopt dan vermoord ik je”. De Opel Vectra bewoog meerdere keren in de richting van de auto van Kreb[naam slachtoffer 2] moest diverse keren uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Vrijwel direct kwam een van de Volkswagens naast [naam slachtoffer 2] rijden. De bestuurder van de Volkswagen was ook aan het gebaren en schreeuwen en reed op de vluchtstrook. [naam slachtoffer 2] hoorde vrijwel direct hierop een harde klap. De andere Volkswagen reed ongeveer één meter voor de auto van [naam slachtoffer 2]. De auto van [naam slachtoffer 2] was op dat moment aan de linker, rechter en voorzijde geheel ingesloten. [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij door de bestuurders van de drie auto’s gedwongen werd om te stoppen. [naam slachtoffer 2] stopte op de rechterrijstrook van de A2. Er wilden vervolgens personen uit de drie auto’s stappen. [naam slachtoffer 2] reed zo hard mogelijk achteruit. De beide Volkswagens en de Opel begonnen vervolgens ook achteruit te rijden. [naam slachtoffer 2] wist weg te rijden door een kleine opening tussen de auto’s. [naam slachtoffer 2] reed vervolgens richting Maastricht. De Volkswagens Golf en de Opel Vectra kwamen weer achter [naam slachtoffer 2] aan rijden. [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat de drie auto’s hem opnieuw en op dezelfde wijze als de vorige keer tot stoppen wilden dwingen. Hij zag toen geen andere mogelijkheid dan opnieuw zijn voertuig tot stilstand te brengen en weer zo hard mogelijk achteruit te rijden. Hij zag de collega’s van het arrestatieteam aan komen rijden. De Volkswagens Golf en de Opel Vectra reden daarop weg in de richting van Maastricht.

Op 14 april 2011 heeft [naam slachtoffer 2] als getuige bij zijn Nederlandse collega’s, onder verwijzing naar de door hem een week eerder afgelegde verklaring, het volgende verklaard:

Tussen zijn auto en de Opel Vectra zat maar iets van 20 centimeter. De auto’s links en rechts naast hem verkleinden de ruimte tot ongeveer 5 centimeter. Hij zag dat de bestuurder van de Opel het raam van het rechterportier omlaag deed. Hij zag de mond van deze bestuurder bewegen. De bestuurder gebaarde dat [naam slachtoffer 2] het raam moest openen. [naam slachtoffer 2] opende het linkerportierraam. Hij hoorde dat er in de Frans taal geschreeuwd werd of hij verdovende middelen wilde kopen. De bestuurder van de Opel gebaarde dat hij moest stoppen. De Opel maakte steeds bewegingen naar rechts om [naam slachtoffer 2] tot stoppen te dwingen. Ook de bestuurder van de Volkswagen Golf maakte heftige armbewegingen om [naam slachtoffer 2] tot stoppen te dwingen. De snelheid waarmee [naam slachtoffer 2] reed was ongeveer 100 kilometer per uur. De afspraak was om tijdens de ghost-actie te rijden met een snelheid van ongeveer 90 tot 100 kilometer per uur. [naam slachtoffer 2] hoorde een harde klap uit de richting van de Golf.

De verbalisanten [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en [NAAM SLACHTOFFER 3] hebben na het gebeuren op de A2 in de vroege ochtend van 7 april 2011 aangifte gedaan van poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling.

Verbalisant [naam slachtoffer 1] heeft tijdens het onderzoek op de terechtzitting als getuige verklaard dat de Volkswagen Golf meerdere keren krachtig remde op het moment dat deze voor de lokauto ree[naam slachtoffer 1] werd meerdere malen door de lokauto geslingerd, op de momenten dat er krachtig moest worden geremd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 7 april 2011 één van de Volkswagens Golf heeft bestuurd. Voorts heeft hij, kort samengevat, verklaard dat hij op korte afstand naast de lokauto heeft gereden, op het portierraam van de lokauto heeft geslagen en het portier van de lokauto heeft opengetrokken, de lokauto tot stoppen heeft gedwongen door met de Opel Vectra en de tweede Volkswagen Golf de lokauto in te sluiten en vervolgens te remmen en met de door hem bestuurde Volkswagen Golf achteruit heeft gereden op de snelweg, waarbij hij in zijn binnenspiegel een vrachtwagen zag naderen.

Ten aanzien van feit 1

Voorbedachte raad

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de raadsman is er geen bewijs aanwezig voor het bestaan van kalm beraad en rustig overleg.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs bestaat dat verdachte op 7 april 2011 met voorbedachten rade heeft gehandeld. Niet gebleken is dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg tewerk is gegaan. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte vantevoren het plan had gemaakt om de inzittenden van de lokauto om het leven te brengen. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.

(Voorwaardelijk) opzet

De rechtbank acht op basis van de hiervoor opgenomen verklaringen van de verbalisanten en van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 april 2011 op de A2 op zeer korte afstand naast de lokauto heeft gereden en heeft geschreeuwd: “stop of ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en vervolgens tegen het portierraam van de lokauto heeft geslagen en het portier van de lokauto heeft opgetrokken en vervolgens meermalen de lokauto tot stoppen heeft gedwongen door meermalen aan weerszijden van en voor de lokauto te gaan rijden en vervolgens plotseling krachtig te remmen en vervolgens achteruit rijdend – tegen de rijrichting in – achter de lokauto heeft aangereden, terwijl er vrachtverkeer naderde. De vraag is of dit poging tot doodslag, dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert, zoals de officier van justitie subsidiair respectievelijk meer subsidiair aan verdachte onder feit 1 heeft tenlastegelegd.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende bewijs bestaat dat verdachte ”boos opzet” op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden van de lokauto heeft gehad.

De volgende vraag is dan of verdachte zogenaamd voorwaardelijk opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden van de lokauto heeft gehad.

Op grond van de leer van het voorwaardelijk opzet kan een persoon in strafrechtelijke zin verantwoordelijk worden gehouden voor de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander, indien de persoon door te handelen zoals hij heeft gedaan, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood of zwaar lichamelijk letsel bij een ander het gevolg van zijn handelen zou kunnen zijn. Het moet dan gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden ten tijde van zijn gedraging bewust moet hebben aanvaard oftewel op de koop toe moet hebben genomen. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank leidt uit de hierboven weergegeven verklaringen van de verbalisanten en van verdachte af dat verdachte, door op zeer korte afstand naast de lokauto te rijden en daarbij als bestuurder op het raam van de lokauto te slaan en het portier open te trekken, alsmede door de lokauto tot stoppen te dwingen, zozeer gevaarlijk met zijn voertuig heeft gereden dat er een aanmerkelijke kans bestond op een ernstig ongeval. De rechtbank doelt dan met name op de noodzaak voor de lokauto om in die situatie plotseling krachtig te remmen, als gevolg van het rijgedrag van de voor hem rijdende Volkswagen Golf. Dat de inzittenden van de lokauto – [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en de medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland – als gevolg van verdachtes rijgedrag dodelijk letsel zouden hebben kunnen oplopen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de beide auto’s op het moment van dit krachtig remmen hun respectieve snelheid al aanmerkelijk hadden teruggebracht.

De rechtbank acht wel voldoende bewijs aanwezig dat verdachtes rijgedrag had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van de lokauto. De beschreven gedragingen van verdachte kunnen immers naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de genoemde drie personen, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dat het niet daadwerkelijk tot een botsing of een aanrijding is gekomen, is niet aan verdachte te danken. De rechtbank zal hierna dan ook het onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Medeplegen

De officier van justitie heeft onder feit 1 ten laste gelegd dat verdachte het hem verweten strafbare feit tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft begaan.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet als medepleger heeft gehandeld. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat verdachte nauwgezet en bewust heeft samengewerkt met de inzittenden van de Opel Vectra en de tweede Volkswagen Golf, daar zij elkaars concurrenten waren en daarmee tegenstrijdige doelen nastreefden.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat er wel degelijk sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Hij heeft daartoe verwezen naar de verklaring van verbalisant [NAAM SLACHTOFFER 3], dat de drugsrunners structureel te werk gingen en dat er duidelijk sprake was van een samenspel.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op een en hetzelfde resultaat. De van medeplegen verdachte persoon moet hieraan een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Het eerste vereiste, te weten de nauwe en bewuste samenwerking, zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk voor het bestaan van medeplegen is een dergelijke vooraf gemaakte afspraak echter niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan.

Uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, heeft de rechtbank afgeleid dat verdachte op 7 april 2011 heeft geprobeerd om de lokauto tot stoppen te dwingen. Om dat doel te bereiken heeft verdachte samen met de bestuurders van de andere twee auto’s de lokauto meermalen ingesloten. Vervolgens hebben verdachte en de bestuurders van de andere twee auto’s, de tweede Volkswagen Golf en de Opel Vectra, meermalen krachtig geremd en tot tweemaal toe hun auto achteruit gereden op de snelweg. De rechtbank overweegt dat door deze gedragingen deze drie auto’s herhaaldelijk op elkaar hebben ingespeeld, en wel zodanig dat er gedurende deze feitelijke handelingen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.

Dat de inzittenden van de drie auto’s elkaars concurrenten waren, zoals de raadsman heeft betoogd, doet aan het voorgaande niets aan af, nu de feitelijke handelingen van de desbetreffende bestuurders in eerste instantie waren gericht op het doen stoppen van de lokauto en pas in een later stadium op de verkoop van verdovende middelen.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geprobeerd om aan [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte verdovende middelen heeft aangeboden, zoals opgenomen in lijst I van de Opiumwet.

Evenals de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat verdachte verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, namelijk harddrugs, aan de inzittenden van de lokauto heeft aangeboden. Artikel 10a van de Opiumwet stelt slechts strafbaar voorbereidingshandelingen met betrekking tot harddrugs. Nu niet gebleken is dat het om harddrugs gaat, dient verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 7 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten op de A2 tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet – terwijl die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en die medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland zich in een auto bevonden op de autosnelweg, welke auto een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed –

op zeer korte afstand naast voornoemde auto heeft gereden en vervolgens heeft geschreeuwd: “stop of ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke aard of strekking

en vervolgens tegen het portierraam van voornoemde auto heeft geslagen en het portier van voornoemde auto heeft opengetrokken

en vervolgens meermalen voornoemde auto tot stoppen heeft gedwongen door meermalen aan weerszijden van voornoemde auto en voor voornoemde auto te gaan rijden en vervolgens plotseling krachtig te remmen

en vervolgens achteruit rijdend – tegen de rijrichting in – achter voornoemde auto heeft aangereden, terwijl er vrachtverkeer naderde,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

De deskundige [naam psycholoog], klinisch psycholoog, heeft een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 2 september 2011. Dit rapport houdt onder meer in:

(…)

13. Beantwoording van de vragen

(…)

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Onderzochte is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken.

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (indien bewezen).

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/ gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuze c.q. zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit (mede) verklaard kan worden?

De eventuele gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes, c.q. zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde (indien bewezen) zodanig dat het tenlastegelegde daaruit (mede) verklaard kan worden.

4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat geschiedde:

b. in welke mate het geschiedde:

Betrokkene maakt ten aanzien van het tenlastegelegde (indien tenlastegelegde bewezen wordt geacht) gebruik van zijn zwijgrecht en geeft als zodanig geen inzage in zijn delictgedrag (indien bewezen)

c. welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is:

Mocht het tenlastegelegde bewezen worden dan kunnen daar met name de antisociale kenmerken van de bij hem gevonden persoonlijkheidsstoornis mee in verband gebracht worden en is licht verminderde toerekeningsvatbaarheid te adviseren.

(…)

De rechtbank neemt de inhoud van dit advies over en komt op grond hiervan tot de conclusie dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij de aanhouding van verdachte disproportioneel geweld is gebruikt. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat met deze aanhouding het leven van verdachte onnodig in gevaar is gebracht. De inzet van de afdringprocedure was absoluut niet gerechtvaardigd. Nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, heeft de raadsman ex artikel 359a lid 1 sub a van het Wetboek van Strafvordering verzocht om strafvermindering.

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verwezen naar de rapportage van het NIFP. In zijn rapport heeft de psycholoog geconcludeerd dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is. Hij heeft de rechtbank geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair dan wel meest subsidiair, in verband met de dan op te leggen straf, verdachte thans lang genoeg in voorarrest heeft doorgebracht. Hij heeft daartoe om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht en daarbij verwezen naar een tweetal uitspraken, te weten rechtbank Almelo d.d. 25 juni 2010, LJN BM9571 en rechtbank Breda d.d. 9 augustus 2005, LJN AU6032.

Tot slot heeft de raadsman benadrukt dat de raadkamer van deze rechtbank op 1 december 2011 enkel ernstige bezwaren aanwezig heeft geacht voor de onder feit 1 meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 7 april 2011 op de A2 tezamen en in vereniging met anderen geprobeerd om aan [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatietam Zuid Nederland, die in een lokauto van de politie zaten, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ten gevolge van de gedragingen van verdachte en zijn mededaders met hun auto’s bestond er een reëel gevaar op zwaar lichamelijk letsel voor de inzittenden van de lokauto. De slachtoffers hebben verklaard dat zij ten tijde van het voorval doodsangsten hebben uitgestaan.

Duidelijk is geworden dat verdachte zich in zijn Volkswagen Golf koste wat kost aan een aanhouding wilde onttrekken. Dit heeft het arrestatieteam er klaarblijkelijk toe gebracht om ter aanhouding van verdachte de zogenaamde afdringprocedure in te zetten. Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er bij diens aanhouding geen disproportioneel geweld is toegepast.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de door het Landelijk overleg van strafvoorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten. Voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) geldt als oriëntatiepunt het opleggen van een gevangenisstraf van één jaar. In de omstandigheid dat verdachte in de onderhavige zaak getracht heeft om aan drie personen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, ziet de rechtbank aanleiding om op dit oriëntatiepunt een vermenigvuldigingsfactor toe te passen. In aanmerking genomen dat het in casu evenwel bij een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is gebleven, zal de rechtbank op het aldus verkregen uitgangspunt een kortingsfactor toepassen.

De rechtbank heeft, ten nadele van verdachte, bij het bepalen van de straf verder acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad reeds vanaf zeer jonge leeftijd met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Omtrent de persoon van verdachte heeft psycholoog [naam psycholoog] op 2 september 2011 een advies uitgebracht. Uit zijn rapport blijkt dat verdachte een nog wat onrijpe jongeman is, bij wie het ontbreekt aan gewetenscontrole en bij wie er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken. De kans op recidive van strafbare feiten is aanwezig. Intensief reclasseringstoezicht is derhalve geïndiceerd. De psycholoog adviseert de rechtbank tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Op 11 augustus 2011 heeft de reclassering een advies uitgebracht. De reclassering adviseert oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf , met als bijzondere voorwaarden onder meer een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het deskundigenrapport en het reclasseringsadvies, oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht een passende straf is voor verdachte.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal aan de straf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook indien deze inhouden een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie, te weten een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en een arbeidsvaardigheden training (ARVA).

Nu de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafrecht zich thans nog niet voordoet, zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] vorderen ieder een schadevergoeding van

€ 600,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen.

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht . De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen en vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal ter zake van deze vorderingen ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen

7 Het beslag

De rechtbank heeft bij haar beslissing omtrent de inbeslaggenomen goederen de beslaglijst van 13 december 2011 als uitgangspunt genomen, nu dit de meest recente door de officier van justitie verstrekte lijst is.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen Blackberry dient te worden teruggegeven aan verdachte, nu niet is komen vast te staan dat deze telefoon op enige wijze verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst merkt de rechtbank op dat niet gebleken is van enige relatie met het bewezen verklaarde feit en volgens het dossier geen eigenaar van deze voorwerpen bekend is. Daarom zal de rechtbank gelasten dat deze voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie, te weten een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en een arbeidsvaardigheden training (ARVA);

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

• 1 GSM, kleur: zwart, Blackberry 9700 (goednummer 1915499), accu los, achterklepje niet aangetroffen;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

• 1 GSM, kleur: rood, Nokia (goednummer 1915501);

• 1 GSM, kleur: zwart/wit, Nokia (goednummer 1915510);

• 6 Papieren (goednummer 1915819);

• 5 Papieren (goednummer 1915819);

• 1 Cd-Rom, TDK (goednummer 1940520);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] van een bedrag van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam slachtoffer 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] van een bedrag van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. A.J. Hazen en

mr. J.H. Klifman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.T. Latour, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 januari 2012, zijnde mr. Y.T. Latour buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 07 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten en/of in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht (op de A2) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en een

medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - terwijl die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die medewerker van het Interregionaal arrestatieteam Zuid Nederland zich in een auto bevonden op de autosnelweg, welke auto een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, althans met een hoge snelheid reed - op zeer korte afstand naast voornoemde auto heeft gereden en/of (vervolgens) heeft geschreeuwd: "koop drugs van mij, stop, stop stop. Als jij niet stopt dan vermoord ik je" en/of "stop ik maak je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) tegen het portierraam van voornoemde auto heeft geslagen en/of het portier van voornoemde auto heeft opengetrokken en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, voornoemde auto tot stoppen heeft gedwongen door meermalen, althans eenmaal, aan weerszijden van voornoemde auto en voor voornoemde auto te gaan rijden en (vervolgens) plotseling (krachtig) te remmen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, achteruit rijdend - tegen de rijrichting in - achter voornoemde auto heeft aangereden, terwijl er (vracht-) verkeer naderde, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 07 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten en/of in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht (op de A2) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland van het leven te beroven, met dat opzet,

- terwijl die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland zich in een auto bevonden op de autosnelweg, welke auto een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, althans met een hoge snelheid reed - op zeer korte afstand naast voornoemde auto heeft gereden en/of (vervolgens) heeft geschreeuwd: "koop drugs van mij, stop, stop stop. Als jij niet stopt dan vermoord ik je" en/of "stop ik maak je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) tegen het portierraam van voornoemde auto heeft geslagen en/of het portier van voornoemde auto heeft opengetrokken en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, voornoemde auto tot stoppen heeft gedwongen door meermalen, althans eenmaal, aan weerszijden van voornoemde auto en voor voornoemde auto te gaan rijden en (vervolgens) plotseling (krachtig) te remmen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, achteruit rijdend - tegen de rijrichting in - achter voornoemde auto heeft aangereden, terwijl er (vracht-) verkeer naderde, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 07 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten en/of de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht (op de A2) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - terwijl die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland zich in een auto bevonden op de autosnelweg, welke auto met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, in elk geval met een hoge snelheid reed -op zeer korte afstand naast voornoemde auto heeft gereden en/of (vervolgens) heeft geschreeuwd: "koop drugs van mij, stop, stop stop. Als jij niet stopt dan vermoord ik je" en/of "stop ik maak je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) tegen het portierraam van voornoemde auto heeft geslagen en/of het portier van voornoemde auto heeft opengetrokken en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, voornoemde auto tot stoppen heeft gedwongen door meermalen, althans eenmaal, aan weerszijden van voornoemde auto en voor voornoemde auto te gaan rijden en (vervolgens) plotseling (krachtig) te remmen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, achteruit rijdend - tegen de rijrichting in - achter voornoemde auto heeft aangereden, terwijl er (vracht-) verkeer naderde, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 07 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten en/of de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht (op de A2) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en een medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, - terwijl die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of die medewerker van het Interregionaal Arrestatieteam Zuid Nederland zich in een auto bevonden op de autosnelweg, welke auto met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, in elk geval met een hoge snelheid reed - op zeer korte afstand naast voornoemde auto gereden en/of geschreeuwd: "koop drugs van mij, stop, stop stop. Als jij niet stopt dan vermoord ik je" en/of "stop ik maak je kapot", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) tegen het portierraam van voornoemde auto geslagen en/of het portier van voornoemde auto opengetrokken en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, voornoemde auto tot stoppen gedwongen door meermalen, althans eenmaal, aan weerszijden van voornoemde auto en voor voornoemde auto te gaan rijden en (vervolgens) plotseling (krachtig) te remmen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, achteruit rijdend

- tegen de rijrichting in - achter voornoemde auto aangereden, terwijl er (vracht-) verkeer naderde;

2.

hij op of omstreeks 07 april 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten en/of de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, door rijdend in een personenenauto te gebaren naar de inzittenden van een andere personenauto en/of (vervolgens) door het geopende portierraam

naar de bestuurder en/of inzittenden van die andere personenauto te roepen: "koop drugs van mij, stop stop. Als jij niet stopt dan vermoord ik je", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of de andere personenauto tot stoppen te dwingen.