Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BV1365

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-01-2012
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
03-703480-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor intensieve handel in en teelt van hennepstekken, lidmaatschap criminele organisatie en witwassen van geld;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703480-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 januari 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19, 20 en 22 december 2011 en 2 januari 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen hennep heeft geteeld in drie verschillende panden en hennep(stekken) heeft verkocht;

Feit 2: deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie;

Feit 3: samen met een ander of anderen geld en goederen heeft witgewassen.

3 De voorvragen

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 (witwassen) nietig moet worden verklaard. Volgens de raadsman is de tenlastelegging onvoldoende duidelijk, waardoor niet duidelijk is waartegen verdachte zich moet verweren.

3.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de beschuldiging in de tenlastelegging voldoende duidelijk omschreven, nu in haar visie verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van en handelen in hennepstekken en daarmee duidelijk is dat er sprake is van grote illegale verdiensten. In dat licht bezien is ook duidelijk dat verdachte ervan beschuldigd wordt dat hij geld en goederen heeft witgewassen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de woorden geldbedragen en luxegoederen in een tenlastelegging die betrekking heeft op witwassen op zichzelf voldoende duidelijk zijn. Dat wil zeggen dat zij voldoende feitelijke betekenis hebben en dat de dagvaarding dus in beginsel voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De dagvaarding dient daarnaast in het concrete geval te worden beoordeeld in het licht van de inhoud van het dossier en van de samenhang tussen de tenlastegelegde feiten onderling.

Om te kunnen bepalen of duidelijk is wat verdachte verweten wordt, heeft de rechtbank dan ook de inhoud van het dossier bij de beoordeling betrokken. Zij is van oordeel dat uit de in het dossier vervatte bewijsmiddelen valt op te maken dat de officier van justitie de stelling heeft ingenomen -kort gezegd- dat verdachte en zijn partner (medeverdachte [naam medeverdachte 1]) in de tenlastegelegde periode te weinig legaal inkomen hebben genoten om van rond te kunnen komen en derhalve moeten hebben beschikt over geldbedragen uit de misdrijven die hem onder feit 1 ten laste zijn gelegd. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat in de handel met drugs veel geld verdiend wordt en dit geld en/of de met dit geld verworven (luxe)goederen vervolgens ook witgewassen worden, is ook voor de rechtbank voldoende duidelijk waar feit 3 feitelijk op doelt. Daarmee is duidelijk waartegen verdachte zich verweren moet en waar de rechtbank over zal moeten beslissen.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voldoende duidelijk en feitelijk is en daarom voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsman wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte hennepstekken heeft geteeld en verhandeld, maar pas met ingang van augustus 2010 en niet al vanaf 1 januari 2010, zoals de officier van justitie meent. De verklaringen van medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] zijn op dit punt niet concreet genoeg. Ook het gegeven dat er vóór augustus 2010 telefonische contacten zijn geweest tussen verdachte en diverse medeverdachten, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat er toen al sprake was van teelt van en handel in hennep, nu er niets te zeggen valt over de inhoud van deze telefonische contacten.

Voorts kan niet bewezen worden dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en evenmin dat er sprake is geweest van een criminele organisatie. Dit betekent dat verdachte gedeeltelijk van feit 1 en geheel van feit 2 moet worden vrijgesproken.

Van feit 3 moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende sluitend bewijs bevat dat verdachte in het geheel niet beschikte over legale inkomsten. Ook is niet duidelijk of en hoe verdachte zijn verdiensten uit de hennepstekkenhandel heeft aangewend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 tezamen en in vereniging met anderen in alle drie de in de tenlastelegging genoemde panden hennepstekken/planten heeft geteeld en dat hij in diezelfde periode meermalen hennepstekken heeft verkocht en afgeleverd.

Dat verdachte in genoemde periode tezamen en in vereniging hennepstekken/planten heeft geteeld op de bedoelde adressen baseert de rechtbank op de verklaringen van medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2], alsmede op de verklaringen van medeverdachte [naam medeverdachte 4], in combinatie met de bij verdachte thuis in beslag genomen “administratie” die aan [naam medeverdachte 4] is voorgehouden.

[naam medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat zij sinds begin 2010 handelt in hennepstekjes en dat verdachte die stekjes samen met medeverdachte [naam medeverdachte 1], de partner van verdachte, bij haar huis afleverde. Verder heeft [naam medeverdachte 2] bij de politie verklaard dat zij [naam medeverdachte 3] met verdachte in contact heeft gebracht.

[naam medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat [naam medeverdachte 2] hem nog voor de feestdagen van 2009 in contact had gebracht met verdachte en samen met verdachte en [naam medeverdachte 1] bij hem thuis is gekomen. Verdachte is in januari 2010 begonnen met het opzetten van de stellages voor de stekkentrays. De kwekerij en de in de zomer van 2010 neergezette plantage hebben in zijn ([naam medeverdachte 3]) woning gestaan tot en met de inval van de politie op 16 februari 2011.

[naam medeverdachte 4] heeft bij de politie in april 2011 verklaard, nadat hem de bij verdachte in beslag genomen “administratie” werd getoond, dat hij ruim een jaar zaken doet met verdachte op het gebied van hennepstekken.

Dat verdachte in genoemde periode tezamen en in vereniging hennepstekken heeft verkocht en afgeleverd, baseert de rechtbank op diverse telefoongesprekken tussen verdachte en/of [naam medeverdachte 1] onderling en op diverse telefoongesprekken tussen verdachte en/of [naam medeverdachte 1] met medeverdachten [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7] en waarin door betrokkenen in versluierde termen wordt gesproken over het (ver)kopen en leveren van hennepstekken. Voorts worden hierbij betrokken de verklaringen van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 4] over deze gesprekken, in combinatie met de diverse observatieverslagen waaruit blijkt dat verdachte zich kort na dergelijke telefoongesprekken, daarbij regelmatig in het gezelschap van [naam medeverdachte 1] verkerend, naar de door hem beheerde kwekerijen begeeft en daar met dozen of volle bigshoppers weer uit komt om vervolgens door te rijden naar de woningen dan wel het bedrijf van genoemde personen.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigen bewezen dat verdachte in genoemde periode deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie.

Artikel 11a van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis). Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen.

De rechtbank is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat kan worden vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 sprake is geweest van een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld en dat dit samenwerkingsverband zich heeft bezig gehouden met het telen van grote hoeveelheden hennepstekken, alsmede met het verkopen en afleveren van een groot aantal hennepstekken. Van deze organisatie maakten behalve verdachte, in ieder geval ook de volgende personen deel uit:

- [naam medeverdachte 1]

- [naam medeverdachte 2]

- [naam medeverdachte 3]

- [naam medeverdachte 8]

- [naam medeverdachte 4]

- [naam medeverdachte 7]

- [naam medeverdachte 5]

- [naam medeverdachte 6]

Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol dan wel taak. De organisatie had met andere woorden een zekere duurzaamheid en structuur. Een en ander blijkt uit het volgende.

Verdachte heeft in genoemde periode leiding gegeven aan de organisatie. Hij was degene die op grote schaal handelde in hennepstekken en daartoe in de drie in de tenlastelegging genoemde panden stekkenkwekerijen had opgezet en ingericht. Verdachte was ook degene die deze kwekerijen onderhield. Verdachte onderhield ook de contacten met zowel de verschillende afnemers/doorverkopers als de bewoners/huurders van de panden waarin de stekkenkwekerijen stonden. Tevens hield verdachte zich bezig met het zoeken naar andere panden waarin kwekerijen en/of plantages gevestigd konden worden.

[naam medeverdachte 1], de partner van verdachte, was van dit alles volledig op de hoogte en heeft meegeprofiteerd van de opbrengsten. Zij vergezelde en assisteerde verdachte zeer regelmatig zowel bij het verkopen en afleveren van de hennepstekken aan verschillende afnemers als (in minstens één geval) bij het aangaan van het eerste contact met de teler, alsook het opzetten, inrichten, afbreken en onderhouden van de kwekerijen, als bij het zoeken naar nieuwe panden waarin kwekerijen en/of plantages gevestigd konden worden. Ook was zij degene die, op de momenten dat verdachte niet bereikbaar was, door zowel de telers als de afnemers kon worden gebeld en werd gebeld en die dan, na ruggespraak met verdachte, zaken afhandelde. Ook verdachte zelf belde indien nodig met [naam medeverdachte 1] om haar dingen te vragen of te laten doen die verband hielden met de hennep.

[naam medeverdachte 2] heeft in genoemde periode bij verdachte in ieder geval twee telers aangeleverd, namelijk [naam medeverdachte 9] ([E.straat] te Sittard) en [naam medeverdachte 3] ([B.weg] in Obbicht). [naam medeverdachte 2] nam tevens diverse malen hennepstekken van verdachte af, die ze weer doorverkocht aan een onbekend gebleven derde. Zij kreeg daarbij korting, omdat zij mensen had aangeleverd. [naam medeverdachte 2] had regelmatig telefonisch contact met zowel verdachte als [naam medeverdachte 1]. Na de inval bij de kwekerij/plantage bij [naam medeverdachte 3] had [naam medeverdachte 2] vrijwel direct telefonisch contact met zowel met [naam medeverdachte 3] als verdachte en/of [naam medeverdachte 1].

[naam medeverdachte 3] heeft vanaf 1 januari 2010 tot en met 16 februari 2011 zijn woning in Obbicht ter beschikking gesteld aan verdachte die hierin een stekkenkwekerij heeft opgezet en later ook een plantage. Tevens heeft [naam medeverdachte 3], vanaf januari 2011, samen met verdachte en [naam medeverdachte 1] gezocht naar andere panden die geschikt waren voor het kweken en/of telen van hennep.

[naam medeverdachte 8]heeft hand- en spandiensten verricht die bestonden in het helpen opzetten en afbreken bij alle drie de in de tenlastelegging genoemde kwekerijen/plantages en het ophalen van bestellingen bij het bedrijf van medeverdachte [naam medeverdachte 4].

[naam medeverdachte 4] heeft in de genoemde periode in ieder geval één keer stekken afgenomen van verdachte en heeft diverse malen stekken aan verdachte geleverd. [naam medeverdachte 4] had daartoe regelmatig telefonisch contact met verdachte.

[naam medeverdachte 7] heeft in de periode vanaf 30 november 2010 tot en met 22 maart 2011 structureel stekken afgenomen van verdachte. [naam medeverdachte 7] had hiertoe regelmatig telefonisch contact met verdachte.

[naam medeverdachte 5], de eigenaar van de growshop [naam growshop], heeft in de periode vanaf 16 september 2010 tot en met 22 maart 2011 structureel stekken afgenomen van verdachte. [naam medeverdachte 5]had hiertoe regelmatig telefonisch contact met verdachte.

[naam medeverdachte 6], de enige werknemer in de growshop [naam growshop], heeft in de periode vanaf 16 september 2010 tot en met 22 maart 2011 structureel stekken afgenomen van verdachte. [naam medeverdachte 6] had hiertoe regelmatig telefonisch contact met verdachte.

De hierboven genoemde leden van de organisatie hielden zich, ieder in zijn eigen rol, bezig met de productie van- en handel in hennepstekken, dan wel het verrichtten van hand- en spandiensten rondom de hennepkwekerijen en de stekkenhandel. Het oogmerk van de organisatie was dan ook gericht op de productie van- en handel in hennepstekken en hennep.

In vrijwel alle hierboven bedoelde telefonische contacten is door de leden van de organisatie gesproken in versluierd taalgebruik of werden er codes gehanteerd die voor buitenstaanders niet begrijpelijk waren (onder meer is gesproken over schroeven, draad, kabel, aardekabel, euro’s, geld lenen, truitjes, keuen en ballen) Alle leden van de organisatie hadden, zo blijkt uit de vele tapgesprekken, aan een half woord genoeg.

Met betrekking tot de deelname van verdachte oordeelt de rechtbank als volgt.

Van het aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet deelnemen is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen (dan wel die ondersteunt) die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is het voldoende, wanneer de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene hoeft dan ook niet rechtstreeks wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Om als deelnemer van een organisatie te kunnen worden aangemerkt is het niet vereist dat een persoon moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang en verband bezien met de overige bewijsmiddelen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 aan het hoofd stond van het hiervoor genoemde samenwerkingsverband en fungeerde als spil tussen enerzijds de tot het samenwerkingsverband behorende telers, zoals bijvoorbeeld [naam medeverdachte 3] en de niet tot het samenwerkingsverband behorende telers en anderszijds de afnemers en leveranciers zoals [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 7]. Verdachte was degene die op grote schaal handelde in hennepstekken en daartoe in de drie in de tenlastelegging genoemde panden stekkenkwekerijen had opgezet en ingericht. De telers hadden hem ofwel zelf benaderd of waren via [naam medeverdachte 2] bij verdachte terecht gekomen. Verdachte was ook degene die deze kwekerijen onderhield. Hij zette de kwekerij bij de betreffende teler op en kwam regelmatig langs om voor de stekken te zorgen en om te oogsten. Verdachte had regelmatig telefonisch contact met de telers. Bij onvoorziene problemen werd verdachte gebeld door de betreffende teler en adviseerde verdachte de teler wat te doen (hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de kapotte verwarming bij [naam medeverdachte 3]) dan wel kwam verdachte langs met [naam medeverdachte 8]om de kwekerij/plantage te verplaatsen (in het geval van aanwezige schilders in de flat bij [naam medeverdachte 9]). Nadat de kwekerij bij [naam medeverdachte 3] was opgerold, had verdachte diverse malen telefonisch contact met [naam medeverdachte 3] over hoe een en ander af te handelen. Verdachte onderhield ook telefonisch contacten met de verschillende afnemers/doorverkopers. Als er bij hem een bestelling binnen kwam dan ging verdachte in één van de in de tenlastelegging genoemde panden stekken halen en leverde hij die aan de betreffende afnemer. Tevens hield verdachte zich, samen met [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1], bezig met het zoeken naar andere panden waarin kwekerijen en/of plantages gevestigd konden worden. Bij het opruimen in en van kwekerijen schakelde verdachte [naam medeverdachte 8]in. Deze ging ook desgewenst voor verdachte dozen halen bij het bedrijf van [naam medeverdachte 4].

Met al deze werkzaamheden leverde verdachte, als lid van de organisatie, in de rol van leidinggevende, een aandeel aan, dan wel ondersteunde hij gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geld heeft witgewassen.

Hiervóór heeft de rechtbank reeds overwogen dat verdachte over de tenlastegelegde periode hennep heeft geteeld en daarin heeft gehandeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in drugs veel geld wordt verdiend. Verdachte heeft ook toegegeven dat hij uit zijn hennephandel verdiensten heeft gehad, zij het zeer bescheiden van omvang. Dit laatste acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De medeverdachten [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 10] hebben bij de politie immers verklaard dat zij hun woningen aan de verdachte ter beschikking hebben gesteld voor de kweek van hennepstekjes, waarvoor zij ieder voor zich door verdachte in contanten zijn betaald. Uit gegevens van de belastingdienst is voorts gebleken dat de verdachte en zijn met hem samenwonende partner, medeverdachte [naam medeverdachte 1], in 2009 en 2010 een legaal gezamenlijk bruto jaarinkomen hebben genoten van € 22.953,- respectievelijk € 19.110,-. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is een supplement van de huurovereenkomst aangetroffen, waaruit blijkt dat de huurprijs van de woning € 700,- bedraagt. Tevens heeft verdachte een tweetal wat oudere auto’s, ten name gesteld van zijn partner en medeverdachte [naam medeverdachte 1], ter beschikking gehad. Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden zou verdachte, op basis van informatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud), maandelijks gemiddeld € 1507,- tekortkomen om zijn lasten te kunnen dragen. Dat in het onderzoek niet het beginvermogen van verdachte is betrokken, zoals de verdediging heeft gesteld, doet aan deze conclusie niet af nu verdachte op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er een beginvermogen is geweest.

Het had bij deze stand van zaken op de weg van de verdachte gelegen feiten en omstandigheden naar voren te brengen die een potentiële verklaring zouden bieden voor de herkomst van de gelden die hij gedurende de tenlastegelegde periode klaarblijkelijk tot zijn beschikking heeft gehad. Die verklaring is echter uitgebleven, waarmee de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de desbetreffende gelden door verdachte zijn witgewassen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 te Sittard en te Obbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld in panden aan de [E.straat] te Sittard en aan de [E.straat] te Sittard en aan de [B.weg] te Obbicht en heeft verkocht en afgeleverd een groot aantal hennepstekken en/of hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 te Puth, in de gemeente Schinnen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 7] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het meermalen opzettelijk telen en/of verkopen van hennepstekken en/of hennepplanten, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;

Feit 3

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011, te Puth, in de gemeente Schinnen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

5 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

Feit 2

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet

Feit 3

medeplegen van witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, mocht de rechtbank alle feiten bewezenverklaren, de geëiste straf te hoog is, gelet op vergelijkbare uitspraken. De omvang van de handel in hennepstekken door verdachte is niet groot genoeg geweest om zo’n hoge straf te rechtvaardigen.

Een bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 dient niet tot een substantiële verhoging van de straf te leiden, omdat de lat voor het bewijs van lidmaatschap van een criminele organisatie en witwassen inmiddels zo laag ligt, dat deze feiten bewezen kunnen worden bij vrijwel ieder crimineel handelen, waarbij een feit meermalen gepleegd wordt en er nog een andere persoon bij betrokken is.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht te volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die het voorarrest niet te bovengaat met eventueel daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De verdachte heeft zich gedurende ruim een jaar schuldig gemaakt aan het samen met anderen telen van hennepstekken/planten op meerdere locaties en het verhandelen van hennepstekken. Dit heeft intensieve, vaste vormen aangenomen bij verdachte. Daarbij heeft verdachte duurzaam en gestructureerd samengewerkt met en gebruik gemaakt van een netwerk van personen. In deze criminele organisatie vervulde verdachte een centrale rol.

Cannabis is bij regelmatig gebruik niet alleen schadelijk voor het welzijn en de (geestelijke) gezondheid van de (vaak jeugdige) gebruikers. De hennepteelt en de daaromheen gegroepeerde vormen van strafbaar handelen zijn daarnaast vaak, al dan niet gepleegd in georganiseerd verband, oorzaak van vele vormen van overlast, gevaar/veiligheidsrisico en criminaliteit. Het telen van en handelen in hennep is dan ook onverkort verboden. Daarmee is zonder meer het handelen van verdachte maatschappelijk onaanvaardbaar te noemen.

De hennepteelt is verder maatschappelijk onaanvaardbaar, omdat met de handel in hennep buiten de reguliere en legale economie om grote winsten worden gemaakt. Het illegaal verdiende geld wordt vervolgens witgewassen, hetgeen leidt tot een ontwrichting van het economisch en financieel maatschappelijk verkeer. Ook verdachte heeft zich aan witwassen schuldig gemaakt van de opbrengsten van zijn handel in hennep.

Dit alles betekent dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook rechtvaardigt de ernst van elk feit afzonderlijk in deze zaak het opleggen van straf. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de stelling van de raadsman dat de feiten 2 en 3 geen extra gewicht in de schaal zouden moeten leggen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat in de eerste plaats gelet op de uitgangspunten die in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) ten aanzien van Opiumwetdelicten worden gehanteerd: 12 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het met een zekere bedrijfsmatigheid en/of professionaliteit telen van 500 à 1000 planten, door een first offender, die niet in het kader van een georganiseerd verband handelt. In de oriëntatiepunten van het LOVS is op dit onderdeel niet in het opleggen van een werkstraf voorzien. Verdachte is bovendien geen first offender, nu hij eerder is veroordeeld in 2006 voor het telen van hennep. Het opleggen van een werkstraf in die zaak heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan en de rechtbank beschouwt een werkstraf dan ook als een gepasseerd station.

Bij verdachte is er sprake geweest van het telen en verhandelen van grote aantallen hennepstekken. Feitelijk aangetroffen in het onderzoek zijn bijna 1300 hennepplanten en stekken. In de periode waarin verdachte getapt werd, kan uit de in de gesprekken genoemde aantallen worden afgeleid dat het alleen al in die periode van ongeveer 3 maanden om de handel in meer dan 3000 stekken ging. Gelet op de inhoud van het dossier hield verdachte zich, in ieder geval in de onderzoeksperiode van bijna 3 maanden, dagelijks en kennelijk exclusief bezig met de handel in hennep(stekken). In aanmerking genomen dat verdachte ook gedurende het jaar 2010 stekken heeft geteeld en verhandeld, komt de rechtbank bij verdachte, gelet op het intensieve karakter van zijn handelen en zijn strafblad, tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 18 maanden een gepaste en geboden straf is.

Daarnaast dient de rechtbank nog straf te bepalen voor verdachtes centrale rol in zijn criminele organisatie en voor witwassen. Voor deze feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf van in totaal 12 maanden noodzakelijk. Dit brengt de rechtbank tot de oplegging van in totaal 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zij 10 maanden voorwaardelijk zal opleggen om verdachte na het uitdienen van zijn straf ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan en in de gelegenheid te stellen daartoe gebruik te maken van de hulp van de reclassering.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd of omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 januari 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

De rechtbank leest de tenlastelegging verbeterd (zie cursief) ten aanzien van feit 3, nu daarin een kennelijke schrijffout is gemaakt. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 te Puth, in de gemeente Schinnen en/of te Sittard en/of te Obbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een of meer

pand(en) aan de [E.straat] te Sittard en/of aan de [E.straat] te Sittard en/of aan de [B.weg] te Obbicht) en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (telkens) een (groot) aantal hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 te Puth, in de gemeente Schinnen, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 9] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 7] en/of een (of meer) ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

het meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hennepstekken en/of hennepplanten, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 22 maart 2011, te Puth, in de gemeente Schinnen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer (grote) geldbedrag(en) en/of luxe goed(eren), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer (grote) geldbedrag(en) en/of luxe goed(eren), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was (waren) uit enig misdrijf.