Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:3958

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
170150 / KG ZA 12-130
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een kort geding waarbij in een eerder kort geding nog werd afgewezen, maar door nieuwe informatie alsnog het ten onrechte gelegde beslag op de woning wordt afgewezen, waarmee is tegengehouden dat voor voor een vordering van ca. € 5.000,-- de woning openbaar is verkocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel 170150 / KG ZA 12-130

Datum uitspraak : 26 juni 2012

Zaaknummer : 170150 / KG ZA 12-130

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiser][eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser, verder te noemen “de man”,

advocaat mr. I.F.H. Nelissen (toevoeging aangevraagd);

tegen:

[gedaagde][gedaagde],

wonende althans in ieder geval ingeschreven te [woonplaats],
gedaagde, verder te noemen “de vrouw”,
advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp (toevoeging aangevraagd).

1 Het verloop van de procedure

De man heeft de vrouw gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 4 april 2012, heeft de man gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, onder verwijzing naar op voorhand toegezonden producties.

De vrouw heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar op voorhand aan de voorzieningenrechter toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd, hetgeen de man aan de hand van een pleitnota heeft gedaan.

Vervolgens hebben partijen met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling afspraken gemaakt, waarna de voorzieningenrechter de zaak met instemming van partijen vijf weken heeft aangehouden. Verwezen wordt naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal dat aan de stukken is toegevoegd.

Bij faxbericht van 8 mei 2012 heeft de advocaat van de vrouw om vonnis verzocht.

Bij schrijven van 7 mei 2012 met aangehechte stukken, door de voorzieningenrechter ontvangen op 9 mei 2012, heeft de advocaat van de man om een nadere aanhouding verzocht.

Bij faxbericht van 16 mei 2012 heeft de advocaat van de vrouw op voormeld schrijven gereageerd; hij heeft gepersisteerd bij het vonnisverzoek.

Bij faxbericht van 24 mei 2012 met aangehechte productie, heeft de advocaat van de man gereageerd op het hiervoor genoemde schrijven, alsmede om vonnis verzocht.

Bij faxbericht van 29 mei 2012 heeft de advocaat van de vrouw gereageerd.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [1996] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te Maastricht van 20 januari 2010 (zaaknummer 145147 / S RK 09-1083) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 28 januari 2010 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Simpelveld.

2.2.

In genoemde beschikking is bij de beoordeling onder meer overwogen:

“(…) Na enig debat over en weer en een korte schorsing van de mondelinge behandeling teneinde partijen de gelegenheid te bieden het geschil in der minne te regelen, zijn partijen, kort samengevat, met elkaar overeengekomen dat de man vanaf 1 januari 2010 aan de vrouw tot levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 850,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en dat ongeacht of en zo ja hoeveel inkomen de vrouw zal gaan verdienen.

De man en de vrouw zijn het er verder over eens dat deze verplichting in ieder geval eindigt op 1 januari 2015. Aan deze verplichting zal tevens een einde komen als de vrouw vóór 1 januari 2015 opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Ten slotte hebben partijen tevens verklaard dat zij de wettelijk indexering uitsluiten. (…)”

Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank onder meer beslist:

“(…) Veroordeelt de man om, te beginnen met de dag dat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van € 850,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. (…)”

2.3.

De vrouw staat ingeschreven op het adres van haar ouders aan [adres] te [woonplaats].

2.4.

De man is eigenaar van de woning staande en gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: “de woning”). De man bewoont het gedeelte dat ziet op nummer [huisnummer]; de opa van de man bewoont op basis van het - in 1999 gevestigde - recht van gebruik en bewoning het gedeelte dat ziet op nummer [huisnummer].

2.5.

Met ingang van, althans omstreeks, juni 2011 is de man gestopt met het betalen van partneralimentatie aan de vrouw, als gevolg waarvan een alimentatie-achterstand is ontstaan. In dit verband heeft de vrouw op 26 oktober 2011 executoriaal beslag doen leggen op de woning. De vrouw weigert dit beslag op te heffen.

2.6.

Bij schrijven van 10 november 2011 heeft Solveon Incasso B.V. (hierna: “Solveon”) aan partijen onder meer bericht dat aangezien aan ABN AMRO Bank N.V. het recht van hypotheek werd verstrekt, Solveon de veilingprocedure zal overnemen.

2.7.

Op 11 november 2011 heeft de man bij de rechtbank te Maastricht een verzoekschrift tot beëindiging/ nihilstelling/ wijziging partneralimentatie ingediend (zaaknummer 166387 / FA RK 11-1470).

2.8.

Op 24 november 2011 heeft de man de vrouw in kort geding doen dagvaarden tot - kort gezegd - opheffing van het beslag en het verlenen van vervangende toestemming om de volledige hypotheek op naam van de man te doen overzetten onder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw. Bij vonnis van 19 januari 2012 (zaaknummer 166664 / KG ZA 11-501) heeft de voorzieningenrechter het gevorderde afgewezen.

2.9.

Op 5 juni 2012 is een tussenbeschikking gewezen in de bodemprocedure met zaaknummer 166387 / FA RK 11-1470.

3 Het geschil

3.1.

De man stelt - kort samengevat en voor zover thans van belang - het volgende. Het beslag dient te worden opgeheven, aangezien de vordering waarvoor het beslag is gelegd ondeugdelijk is, en de vrouw misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

3.2.

Op grond van het vorenstaande heeft de man gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I.

primair:

het ten laste van de man gelegde beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats], aan [adres], onmiddellijk opheft;

subsidiair:

de vrouw veroordeelt het ten laste van de man gelegde beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats], aan [adres], met onmiddellijke ingang op te heffen, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de vrouw na betekening van het in deze te wijzen vonnis hieraan niet zou voldoen;

meer subsidiair:

de primair of subsidiair gevorderde voorziening treft, onder de voorwaarde dat de man € 1.000,- aan zekerheid, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag aan zekerheid, stort op de derdengeldrekening van zijn advocaat;

meest subsidiair:

de vrouw veroordeelt het ten laste van de man gelegde beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats], aan [adres], met onmiddellijke ingang te schorsen tot aan de uitspraak van de lopende verzoekschriftprocedure bij de rechtbank te Maastricht met zaaknummer 166387 / FA RK 11-1470;

II.

de man vervangende toestemming verleent om de volledige hypotheek met nummer 53.43.49.994 inclusief de daarbij behorende Meegroeiverzekering met polisnummer 45760114 bij de ABN Amro Bank, volledig op zijn eigen naam over te zetten, waarbij de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid bij de bank wordt ontslagen en bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de verklaring en handtekening van de vrouw, die door de bank is vereist voor het verzoek tot wijziging van de hoofdelijke aansprakelijkheid, indien de vrouw niet binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis zelf haar medewerking hieraan verleent;

III.

de vrouw veroordeelt in de kosten van dit kort geding;

IV.

de vrouw veroordeelt om aan de man te voldoen aan nakosten € 131,-, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 199,-.

3.3.

De vordering wordt door de vrouw weersproken, waartoe onder meer wordt verwezen naar de zijdens haar ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op haar verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw heeft primair ten verwere aangevoerd dat de man niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat het kort gedingvonnis van

19 januari 2012 in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen met zich brengt dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe feitelijke en juridische stellingen. Dit verweer kan niet worden gehonoreerd.

De vrouw lijkt de begrippen ‘kracht van gewijsde’ en ‘gezag van gewijsde’ door elkaar te halen. Nu er geen hoger beroep is ingesteld tegen het kort gedingvonnis van 19 januari 2012 heeft dit vonnis inderdaad kracht van gewijsde gekregen; het is onherroepelijk geworden. Gezag van gewijsde betekent dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen partijen bindende kracht hebben. Aan beslissingen vervat in een vonnis in kort geding komt geen gezag van gewijsde toe.

De enkele omstandigheid dat de eisende partij in kort geding niet in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis in een eerder kort geding waarin hij (mede) dezelfde feiten aan zijn vordering ten grondslag had gelegd, behoeft niet mee te brengen dat de rechter in het tweede kort geding zich moet onthouden van een (herhaald) onderzoek van die feiten. Wel kan dat achterwege laten van hoger beroep onder omstandigheden bijdragen tot het oordeel dat het opnieuw en op inhoudelijke dezelfde gronden in kort geding vorderen van een eerder in kort geding geweigerde voorziening, misbruik van procesrecht oplevert. Dit is gesteld noch gebleken. Het staat de man in ieder geval vrij om aan zijn vordering feiten en omstandig-heden ten grondslag te leggen die bij de in het eerste kort geding gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen, zoals het als productie 19 overgelegde rechercherapport van 22 maart 2012.

De man kan derhalve in zijn vorderingen worden ontvangen.

4.2.

Voor wat betreft de vorderingen onder I volgt een spoedeisend belang uit de aard van de zaak.

4.3.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de vrouw gerechtigd is om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 20 januari 2010 ter inning van de ontstane alimentatie-achterstand. De voorzieningenrechter kan slechts de staking van de tenuitvoerlegging bevelen, indien hij van oordeel is dat de vrouw, mede gelet op de belangen aan de zijde van de man die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan. De voorzieningenrechter kan derhalve slechts de staking van de executie bevelen in geval van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de vrouw (HR 22 april 1983, NJ 1984/145).

4.4.

Het kernargument dat de man aanvoert ter staving van zijn standpunt dat het executoriale beslag op de woning dient te worden opgeheven, is dat de vrouw, ofschoon zij staat ingeschreven op het ouderlijk adres te [woonplaats], reeds sedert begin 2010 samenwoont met haar partner [partner] (hierna: “[partner]”) als waren zij gehuwd.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Naar haar zeggen had zij tot voor kort een affectieve relatie met [partner], en bleef zij ook af en toe bij hem overnachten, maar is van het door de man bedoelde samenleven als waren zij gehuwd, nimmer sprake geweest.

Tijdens het vorige kort geding met zaaknummer 166664 / KG ZA 11-501 heeft de man eenzelfde standpunt gehuldigd, evenwel zonder succes. In het kort geding vonnis van

19 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw met [partner] is gaan samenwonen als waren zij gehuwd.

Thans is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven. Verwezen zij naar hetgeen hierna wordt overwogen.

4.5.

Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat na het wijzen van het kort geding vonnis van 19 januari 2012, de bodemrechter een tussenbeschikking heeft gewezen in de procedure met zaaknummer 166387 / FA RK 11-1470. Deze tussenbeschikking dateert van

5 juni 2012. Hierbij heeft de bodemrechter de man toegelaten te bewijzen dat tussen de vrouw en [partner] op enig moment tussen januari 2010 en 1 december 2011 sprake was van:

- een affectieve relatie van duurzame aard, en

- samenwonen, en

- een gemeenschappelijke huishouding en wederzijds verzorgen.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Voor de vaststelling dat sprake is van samenleven als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW is overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat tussen de partners een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het artikel moet, gezien de ingrijpende gevolgen van de werking ervan, restrictief worden uitgelegd. Het ligt daarbij in deze zaak op de weg van de man om zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw te onderbouwen. De restrictieve toepassing van artikel 1:160 BW brengt met zich dat aan die onderbouwing hoge eisen moeten worden gesteld.

Affectieve relatie van duurzame aard

Hoewel de vrouw ter zitting heeft verklaard dat haar relatie met [partner] op 1 februari 2012 is geëindigd, erkent zij wel dat dit een liefdesrelatie was. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat zij ongeveer een jaar verkering heeft gehad met [partner], terwijl de man stelt dat de vrouw reeds vanaf januari 2010 met [partner] samenleefde als waren zij gehuwd. Daar waar de vrouw in ieder geval een jaar een relatie heeft gehad met dezelfde partner, betekent naar het oordeel van de rechtbank dat gesproken kan worden van een relatie met een duurzaam karakter. Dat die relatie inmiddels zou zijn beëindigd, maakt dat niet anders.

Samenwonen

Daarnaast acht de rechtbank, mede gelet op de stukken en hetgeen daarover ter zitting naar voren is gekomen, voldoende door de man aangetoond dat de vrouw met [partner] samenwoont dan wel heeft samengewoond. Zo heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij [partner] vaak wel vijf keer per week zag, dat zij bij hem bleef slapen en dat haar auto daar elke dag voor de deur staat. Deze laatste twee feiten blijken ook uit de observaties van het door de man overgelegde rapport van RBZ Recherche van 22 maart 2012. Dat de vrouw volgens een door haar overgelegde verklaring van haar ouders sedert het vertrek uit de voormalige echtelijke woning is ingetrokken bij haar ouders, kan daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan afdoen, omdat deze - overigens ongedateerde - verklaring niet opweegt tegen de eigen verklaringen van de vrouw ter zitting en het hiervoor bedoelde rapport van RBZ Recherche. Bovendien blijkt uit het hiervoor genoemde rapport van RBZ Recherche dat de vrouw bij observaties in de periode van 1 december 2011 tot 21 maart 2012 telkens gedurende de nachten en dagsituaties is aangetroffen op het adres van [partner], terwijl zij nooit is gezien op het adres van haar ouders te [woonplaats].

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijds verzorgen

De rechtbank acht tevens de door de man gestelde gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [partner] aangetoond. In dit verband is van belang dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij boodschappen voor [partner] en haarzelf heeft gedaan. Daarnaast heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat zij zich met een eigen sleutel de toegang verschafte tot de woning van [partner], hetgeen eveneens wordt bevestigd door de observaties uit het rapport van RBZ Recherche. Daar komt nog bij dat de vrouw heeft verklaard dat zij drie tot vier keer per week met [partner] at en dat zij huishoudelijke werkzaamheden in de woning van [partner] verrichtte, zoals stofzuigen, schoonmaken en ramen wassen.

Voor zover de vrouw in dit kader nog heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een financiële vervlechting of een gezamenlijke bankrekening, acht de rechtbank deze stelling vergeefs naar voren gebracht omdat voor het kunnen aannemen van een gemeenschappelijke huishouding niet noodzakelijk is dat er een verstrengeling van financiën bestaat.

Samenleving

Nu aan alle criteria voor het aannemen van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:160 BW is voldaan, is sprake (geweest) van een samenleving als waren zij gehuwd tussen de vrouw en [partner] en is daardoor de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw van rechtswege geëindigd. Gelet op de eigen verklaringen van de vrouw en het overgelegde rapport van RBZ Recherche is de rechtbank van oordeel dat deze samenleving in ieder geval vanaf 1 december 2011 bestond.

De man heeft echter uitdrukkelijk ter zitting aangegeven dat hij wil bewijzen dat tussen de vrouw en [partner] reeds vanaf januari 2010 sprake is (geweest) van samenleven als waren zij gehuwd. De vrouw betwist dat dit het geval was en heeft ter zitting gesteld dat zij een jaar verkering heeft gehad met [partner]. Gelet op het uitdrukkelijke bewijsaanbod van de man en het feit dat de man voldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht voor het opleggen van een bewijsopdracht, zal de rechtbank de man daarin tegemoetkomen, resulterend in de bewijsopdracht zoals vermeld in het dictum. Iedere verdere beslissing zal vervolgens worden aangehouden.”

De voorzieningenrechter dient zijn oordeel af te stemmen op dat van de bodemrechter. Uit het voorgaande volgt dat de bodemrechter van oordeel is dat de vrouw in ieder geval vanaf

1 december 2011 met [partner] samenwoonde als waren zij gehuwd. Dit betekent dat de vrouw in ieder geval vanaf voormelde datum geen recht meer heeft op partneralimentatie. Voor zover de vrouw tot tenuitvoerlegging is overgegaan voor alimentatiebedragen vanaf genoemde datum, staat daarmee vast dat de vrouw misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

Maar het voorgaande brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens met zich dat waar in het vorige kort geding nog sprake was van ‘het woord van de ene partij tegen dat van de andere”, en derhalve nader onderzoek vereist was, daar thans verandering in is gekomen; gelet op het verschil in het door de vrouw in onderhavig kort geding herhaalde standpunt dat zij nimmer met [partner] heeft samengewoond, en het daarvan afwijkende oordeel van de bodemrechter, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan het woord van de vrouw thans minder geloof worden gehecht.

Al het voorgaande, bezien in samenhang met de door de man geschetste (nieuwe) feiten en omstandigheden ter onderbouwing van zijn visie, waaronder de verklaringen van de broer van de vrouw, maken dat de visie van de man thans meer aannemelijk moet worden geacht dan die van de vrouw. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de bodemrechter de datum 1 december 2011 hanteert als datum waarop de vrouw in ieder geval met [partner] samenwoonde, vanwege het gegeven dat de observaties die aan het rechercherapport ten grondslag liggen zien op de periode vanaf 1 december 2011; mede gelet hierop valt allerminst uit te sluiten dat de vrouw reeds in een (veel) eerder stadium met [partner] samenwoonde als waren zij gehuwd.

Op basis van al het voorgaande en gelet op het feit dat de man tot circa juni 2011 de partneralimentatie heeft voldaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw in het geheel geen vordering meer heeft op de man ter zake partneralimentatie. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter de hoogte van de wellicht nog resterende vordering van de vrouw, de waarde van het beslagen goed en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de man door verkoop van de woning (en de daarin gevestigde bedrijfsruimte) in zijn belangen wordt getroffen.

In ieder geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de weegschaal op grond van het vorenstaande voorshands in het voordeel van de man dient door te slaan; naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het in redelijkheid niet zo zijn dat de woning van de man wordt verkocht, terwijl met het oordeel van de bodemrechter genoegzaam is komen vast te staan dat de vrouw in ieder geval niet de waarheid heeft verkondigd voor wat betreft de periode vanaf december 2011 en er een gerede kans bestaat dat de vrouw in het geheel geen vordering heeft op de man.

4.6.

Op basis van het voorgaande dient de primaire vordering onder I te worden toegewezen.

4.7.

De vordering onder II dient te worden afgewezen. Uit de na de zitting aan de voorzieningenrechter gerichte faxberichten van 24 mei 2012 en 29 mei 2012 volgt dat partijen het er over eens zijn dat de bank “op dit moment” geen toestemming zal geven voor wijziging in de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Gelet hierop heeft de man thans geen (spoedeisend) belang meer bij toewijzing van het onder II gevorderde.

4.8.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd zoals hierna in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

heft op het ten laste van de man gelegde beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te [woonplaats], aan [adres];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bregonje, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.