Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:385

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-02-2012
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
03-704233-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart de gevorderde tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het vonnis van het Landgericht Bonn waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren. WOTS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/704233-11 (WOTS)

Repertoirenummer: 699/11

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2012 op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht van 9 november 2011, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 8 december 2011, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de in Duitsland gewezen rechterlijke beslissing van het Landgericht Bonn van 20 mei 2009, waarbij

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard,

hierna te noemen: de veroordeelde,

werd veroordeeld – in de zin van artikel 1 van het Verdrag tussen de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991– tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

De procesgang

Ter terechtzitting van 30 januari 2012 is veroordeelde verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie zijn gehoord.

De officier van justitie heeft, na voorlezing, een conclusie aan de rechtbank overgelegd, strekkende tot de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek op de voet van artikel 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de tijd die de veroordeelde reeds in detentie in Duitsland en in Nederland heeft doorgebracht.

Veroordeelde en zijn raadsman hebben hierop gereageerd.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen van veroordeelde voor de duur van 30 dagen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten en doet heden uitspraak.

De identiteit van de veroordeelde

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij is genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Tevens heeft hij verklaard dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit en dat hij de persoon is die bij voornoemde beslissing van het Landgericht Bonn is veroordeeld tot de in die beslissing genoemde straf.

Het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden

Veroordeelde is door het Landgericht Bonn op 20 mei 2009 veroordeeld wegens doodslag.

Bewezen is dat veroordeelde op 29 augustus 2008 in Bonn-Lengsdorf [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Dit betreft een veroordeling op grond van de paragrafen 212 en 213 van het Duitse Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van de toelaatbaarheid

Het Verdrag tussen de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991, Trb. 1992, 39 (hierna: het Verdrag), voorziet in de tenuitvoerlegging van een sanctie door een verdragsluitende staat die in een van de andere verdragsluitende staten is opgelegd en aldaar uitvoerbaar is. Het Verdrag, voortbouwend op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, is nog niet in werking getreden, maar door de daartoe op grond van artikel 21, derde lid van het Verdrag door de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden afgelegde verklaringen zijn de bepalingen van het Verdrag sinds 9 december 1997 van toepassing in de verhoudingen tussen deze beide staten.

De overgelegde stukken voldoen aan de eisen van het Verdrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de veroordeelde de Nederlandse nationaliteit bezit.

Tussen de autoriteiten van Duitsland en Nederland bestaat overeenstemming over de overdracht van de tenuitvoerlegging van voornoemde veroordeling.

Aan de vereisten gesteld bij artikel 3 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen is voldaan:

  • -

    Het tegen de veroordeelde uitgesproken vonnis is, blijkens mededelingen van de Duitse autoriteiten, onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar;

  • -

    De rechterlijke beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, is gewezen ter zake van een feit dat naar Duits recht strafbaar is, terwijl dit feit naar Nederlands recht ook strafbaar is gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie is niet verjaard naar Duits noch naar Nederlands recht, zodat ook is voldaan aan het vereiste van artikel 6, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. De bijzondere omstandigheden genoemd in de artikelen 4, 5 en 6, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen doen zich in het onderhavige geval niet voor.

Veroordeelde wordt in Nederland niet ter zake van hetzelfde feit vervolgd, noch bestaat er een onherroepelijke rechterlijke beslissing in Nederland tegen de veroordeelde ter zake van hetzelfde feit, zodat de overdracht van de tenuitvoerlegging niet in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel (artikel 7 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen).

De rechtbank komt tot de slotsom dat, nu aan alle daarvoor in het Verdrag en in de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen genoemde voorwaarden is voldaan als hiervoor omschreven, de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis toelaatbaar moet worden verklaard en verlof moet worden verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis op na te melden wijze.

De straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank in de onderhavige omzettingsprocedure dezelfde gevangenisstraf zal opleggen die de Duitse rechter heeft opgelegd. Volgens de officier van justitie is er geen reden een andere straf op te leggen. Niet alleen moet rekening gehouden worden met de Duitse normen voor straftoemeting, ook naar Nederlandse maatstaven is de straf van 8 jaar gepast en geboden, gelet op de ernst van het feit en bijkomende gruwelijke omstandigheden van de zaak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen in plaats van de gevangenisstraf van 8 jaren, waartoe het Landgericht zijn cliënt heeft veroordeeld. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de detentieomstandigheden van veroordeelde zo zwaar zijn geweest dat een gevangenisstraf van 5 jaren op zijn plaats zou zijn. Zo heeft verdachte er nadeel van ondervonden dat de zaak veel media-aandacht heeft gekregen. Ook zijn familie heeft hier last van ondervonden en wil inmiddels geen contact meer met hem. Voorts heeft verdachte lang, gedurende 40 maanden, een zwaarder detentieregime ondergaan, omdat hij in afwachting van de overdracht aan Nederland niet in een regulier gevangenisregime is geplaatst. Als verdachte in Nederland zou zijn veroordeeld, zou hij inmiddels al in aanmerking zijn gekomen voor een minder zwaar detentieregime met het oog op de hier geldende regeling voor vervroegde invrijheidsstelling.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bij de bepaling van de op te leggen straf van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het feit en uit het oogpunt van een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van de veroordeelde, zoals deze ter zitting naar voren is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is tot oplegging van een lagere straf dan de 8 jaren die in Duitsland aan veroordeelde zijn opgelegd. De wijze waarop de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval bij het vonnis van het Landgericht zijn meegewogen bij de strafmaat, is vergelijkbaar met de manier waarop een Nederlandse rechtbank hierover zou oordelen. In het licht van alle, deels zeer gruwelijke, omstandigheden van de zaak is deze straf dan ook alleszins gepast en geboden.

Hieraan doet voor de rechtbank niet af dat verdachte nadeel heeft ondervonden van media-aandacht voor zijn zaak en langer dan gebruikelijk een zwaarder detentieregime heeft ondergaan, omdat deze factoren voor zijn eigen rekening dienen te komen.

Zo is het niet ongebruikelijk dat de media grote aandacht aan een zaak besteden wanneer het om een levensdelict gaat. In de onderhavige zaak was deze media-aandacht ook te verwachten, nu verdachte het lichaam van het slachtoffer na haar dood op gruwelijke wijze heeft geschonden, waarvoor alleen hijzelf verantwoordelijk is. Verder is het niet ongebruikelijk dat er tijd gemoeid is met het realiseren van een toezegging/verzoek tot overdracht van een tenuitvoerlegging. Dit tijdsverloop levert in beginsel geen reden op de straf te matigen, ook niet als een dergelijke overdracht in de praktijk betekent dat een veroordeelde mogelijk pas later dan gebruikelijk voor detentiefasering en het daarbij toe te passen lichtere regime met meer vrijheden in aanmerking komt. De detentieomstandigheden in Duitsland acht de rechtbank ook niet zodanig afwijkend en zwaar ten opzichte van de Nederlandse, dat hier enige compensatie gepast zou zijn. Andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan strafvermindering zou moeten worden toegepast, acht de rechtbank niet aanwezig. Zij zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren opleggen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op:

  • -

    artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de artikelen 2, 3 en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

  • -

    artikel 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Stb. 1986, 460;

  • -

    de artikelen 3, 5, 8 en 21 lid 3 van het Verdrag tussen de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991, Trb. 1992, 39.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de gevorderde tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf toelaatbaar;

- verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het vonnis van het Landgericht Bonn (Bondsrepubliek Duitsland) van 20 mei 2009, waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren;

- legt in plaats van deze gevangenisstraf aan veroordeelde op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren;

- beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de straf geheel in mindering zal worden gebracht - op de voet van artikel 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen - de tijd die veroordeelde in Duitsland en in Nederland in detentie heeft doorgebracht.

Aldus gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2012.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/704233-11 (WOTS)

Repertoirenummer: 699/11

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 13 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard,

hierna te noemen: de veroordeelde.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter zitting van 30 januari 2012 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt de beslissing uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch.