Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:3463

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
138628 C
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken. Eerste zaak betreft in de hoofdzaak een vordering van de verzekeraar van een bewaargever op de door de bewaarnemer ingeschakelde beveiligingsfirma na diefstal van de in bewaring gegeven zaken. Onrechtmatige daad beveiligingsfirma of ondergeschikte(n)? In de vrijwaring speelt de vraag of de bewaarnemer als waarborg van de beveiligingsfirma kan gelden. Tweede zaak betreft een vordering van de verzekeraar op de bewaarnemer. Zijn de toepasselijk algemene voorwaarden vernietigbaar vanwege het niet ter hand stellen ervan? Zo nee, komt de bewaarnemer een beroep toe op de daarin opgenomen exoneratieclausule of kan deze grove schuld worden verweten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

138628 / HA ZA 09-34513 juni 2012

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring en in de met de hoofdzaak gevoegde zaak van

20 juni 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 138628 / HA ZA 09-345 (HOOFDZAAK) van

de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

verder te noemen: ‘Fortis,’

advocaat mr. G.J.J.A. van Zeijl te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SECURITAS BEVEILIGING B.V.,

gevestigd te Sittard,

gedaagde,

verder te noemen: ‘Securitas’,

advocaat mr. S. van Goor-Yilgin te Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 146897 / HA ZA 09-1567 (VRIJWARING) van138628 / HA ZA 09-345 en 146897 / HA ZA 09-1567

de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

verder te noemen: ‘Amlin’

advocaat mr. G.J.J.A. van Zeijl te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DHL SUPPLY CHAIN (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

verder te noemen: ‘DHL’,

advocaat mr. J.A.M.G. Vogels te Maastricht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 151718 / HA ZA 10-629

(GEVOEGDE ZAAK) van

de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

verder te noemen: ‘Amlin’,

advocaat mr. G.J.J.A. van Zeijl te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DHL SUPPLY CHAIN (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

verder te noemen: ‘DHL,

advocaat mr. J.A.M.G. Vogels te Maastricht.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 november 2009,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 augustus 2010.

Gedurende de loop van de procedure zijn partijen eiseres gaan aanduiden als ‘Amlin Corporate Insurance N.V., voorheen Fortis Corporate Insurance.’ Hoewel iedere toelichting ontbreekt, leidt de rechtbank hieruit en uit het feit dat Amlin optreedt als eiseres in de vrijwaringszaak af dat Amlin de rechtsopvolger is van Fortis. In het navolgende zal daarom ook eiseres in de hoofdzaak ‘Amlin’ worden genoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden. Wegens herverdeling van zaken wordt dit vonnis niet gewezen door de rechter voor wie de comparitie is gehouden.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 november 2009,

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring,

  • -

    de akte overlegging producties,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

2.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

3 De procedure in de met de hoofdzaak gevoegde zaak

3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 oktober 2010,

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

3.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

4 Het geschil en de (verdere) beoordeling daarvan

in de hoofdzaak

4.1.

Amlin vordert - samengevat - betaling van Securitas van € 1.292.726,12 en € 35.577,21, te vermeerderen met rente en proceskosten en voert daartoe het volgende aan.

4.1.1.

HannSpree Holdings B.V., verder: ‘HannSpree’ heeft DHL opdracht verstrekt tot onder meer de opslag van goederen. In opdracht van DHL heeft Securitas beveiligingsdiensten verleend ten behoeve van de loods waarin DHL de goederen van HannSpree heeft opgeslagen. Ten behoeve van haar beveiligingswerkzaamheden is aan Securitas een beveiligingscode verstrekt om de alarminstallatie van de loods in- en uit te schakelen.

4.1.2.

In de nacht van 15 op 16 december 2007 is ingebroken in de loods. Daarbij zijn goederen uit die loods gestolen. Het ter plaatse aanwezige alarmsysteem is door de dader(s) uitgeschakeld middels het invoeren van de beveiligingscode.

4.1.3.

Uit het feit dat bij de inbraak gebruik is gemaakt van voornoemde beveiligingscode volgt dat Securitas of werknemers van Securitas betrokken was/waren bij de diefstal. Daarom is Securitas op de voet van artikel 6:162 BW of 6:170 BW aansprakelijk voor de door HannSpree geleden schade van in hoofdsom € 1.292.726,12, te vermeerderen met

€ 35.577,21 aan expertisekosten. Omdat Amlin op grond van een verzekeringsovereenkomst de schade aan HannSpree heeft vergoed, is zij in de rechten van HannSpree jegens Securitas getreden.

Ook indien veronderstellenderwijs uit wordt gegaan van de juistheid van de, door Securitas betwiste, stellingen van Amlin over:

- het bestaan en de omvang van de schade van HannSpree,

- de met HannSpree gesloten verzekeringsovereenkomst,

- de door Amlin verrichte uitkeringen,

dient de vordering van Amlin te worden afgewezen. Het ook door Securitas opgeworpen verweer op het punt van de aansprakelijkheid wordt namelijk gehonoreerd.

4.2.1.

Securitas betwist dat zij of (één van) haar medewerker(s) betrokken was of waren bij de inbraak en de diefstal. Het enkele feit dat de beveiligingscode bij haar bekend was kan niet tot deze conclusie leiden, aldus Securitas. In dit kader voert zij verder aan dat bedoelde code onder meer ook bekend was bij een (onbekend) aantal medewerkers van DHL, bij de installateur van het alarmsysteem en een door Securitas ingeschakelde onderaannemer. Bij bestudering van beelden op de ter plaatse aanwezige bewakingscamera’s kort na de inbraak zou een daarmee belaste medewerker van Securitas bovendien hebben gezien dat een van de daders veiligheidsschoenen droeg die bij DHL worden gebruikt.

4.2.2.

Gelet op het onderbouwde verweer van Securitas en de daarvan deel uitmakende - als juist te beschouwen - opvatting dat bekendheid met de beveiligingscode niet zonder meer tot de conclusie leidt dat Securitas aansprakelijk is, lag het op de weg van Amlin haar standpunt nader te onderbouwen. In reactie op het verweer van Securitas heeft Amlin echter in essentie volstaan met het ‘bij gebrek aan wetenschap’ betwisten van de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten. Amlin miskent daarmee dat het op haar weg ligt om voldoende te stellen ter onderbouwing van haar standpunt en dat zij aan die stelplicht niet voldoet door het verweer van Securitas ‘bloot’ te betwisten. Dit klemt temeer nu uit de door Securitas aangehaalde bijlagen bij het door Amlin overgelegde - maar niet toegelichte - expertiserapport blijkt dat degene die namens DHL aangifte van de diefstal bij de politie heeft gedaan, ten overstaan van de politie heeft verklaard dat verschillende mensen van verschillende betrokken partijen op de hoogte waren van de beveiligingscode.

4.2.3.

Een en ander heeft tot gevolg dat de vordering van Amlin alleen al op grond van een onvoldoende onderbouwing op het punt van de gestelde aansprakelijkheid moet worden afgewezen en dat alle overige verweren van Securitas geen bespreking behoeven.

4.3.

Amlin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door Securitas in de hoofdzaak gemaakte kosten worden begroot op:

- griffierecht € 4.938,00

- salaris advocaat € 9.633,00 (3,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 14.571,00

De kosten van de procedure in het incident worden op nihil begroot.

De door Securitas gevraagde veroordeling in de werkelijke proceskosten - die in de opvatting van Securitas kennelijk hoger zijn dan de op basis van liquidatietarief begrote kosten - zal niet plaatsvinden. Anders dan Securitas acht de rechtbank misbruik van procesrecht aan de zijde van Amlin niet aan de orde. Hetgeen Securitas hierbij ter onderbouwing aanvoert komt erop neer dat Amlin volgens Securitas onjuiste feiten en grondslagen heeft aangevoerd. Wat de rechtbank thans vaststelt is dat hetgeen Amlin heeft aangevoerd haar vordering niet kan dragen, mede bezien in het licht van het verweer van Securitas. Dat is niet voldoende om misbruik van procesrecht te kunnen vaststellen.

in de vrijwaringszaak

4.4.

Anders dan Amlin heeft gesteld doet zich in dit geval niet (in potentie) de situatie voor dat DHL als waarborg van Amlin heeft te gelden in die zin dat zij, ingeval de vordering op Securitas wordt afgewezen, voor de nadelige gevolgen daarvan voor Amlin moet instaan. Om die reden dienen de vorderingen van Amlin in deze vrijwaringszaak te worden afgewezen. Of DHL op grond van haar eigen verhouding tot HannSpree / Amlin mogelijk aansprakelijk is, betreft een andere kwestie die onderwerp van geschil is in de met de hoofdzaak gevoegde zaak.

4.5.

Amlin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. De kosten aan de zijde van DHL worden begroot op:

- griffierecht € 4.938,00

- salaris advocaat € 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.360,00

in de met de hoofdzaak gevoegde zaak

Feiten

4.6.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.

4.6.1.

In augustus 2007 is tussen HannSpree en DHL een overeenkomst inzake ‘warehousing & distribution (opslag en handling) tot stand gekomen. In artikel 2.1.1. van de schriftelijke overeenkomst die in dat kader is opgemaakt (productie 16 van DHL) is opgenomen dat de ‘Physical Distribution Conditions 2000’, verder te noemen: ‘PD-voorwaarden’, van toepassing zijn. Artikel 1.2. van de schriftelijke overeenkomst meldt dat, onder andere, de PD-voorwaarden als bijlage aan de schriftelijke overeenkomst zijn gehecht. DHL heeft de PD-voorwaarden als productie 17 overgelegd.

4.6.2.

Artikel 7 van de PD-voorwaarden bepaalt dat de aansprakelijkheid van de ‘Physical Distributor’ - hier: DHL - is beperkt tot € 3,50 per verloren kilogram tot een maximum van € 115.000,00 per gebeurtenis, behoudens ingeval van ‘gross negligence or wrongful act’.

4.6.3.

Op grond van voornoemde overeenkomst zijn op enig moment in eigendom aan HannSpree toebehorende zaken opgeslagen in een door DHL als distributiecentrum aangehouden loods in Venlo. Bij de beveiliging van deze loods heeft DHL gebruik gemaakt van de diensten van Securitas.

4.6.4.

In de nacht van 15 op 16 december 2007 is ingebroken in de loods. Daarbij zijn goederen van HannSpree - navigatiesystemen en LCD-monitoren - uit die loods gestolen.

Vordering

4.7.

Amlin vordert - samengevat - betaling van DHL van € 1.292.726,12 en € 35.577,21, te vermeerderen met rente en proceskosten, en voert daartoe aan dat DHL jegens HannSpree aansprakelijk is voor de schade die is geleden als gevolg van de diefstal. Deze schade bedraagt volgens Amlin € 1.292.726,12, zijnde de waarde van de ontvreemde goederen, alsmede € 35.577,21 aan expertisekosten. Omdat Amlin en de overige betrokken verzekeraars uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten de schade hebben vergoed aan HannSpree, zijn zij in de rechten van HannSpree jegens DHL getreden, aldus Amlin. HannSpree en de andere verzekeraars hebben naar stelling van Amlin aan haar last en volmacht verstrekt om de vordering in eigen naam geldend te maken en te incasseren.

Verweer: ontvankelijkheid

4.8.

DHL voert allereerst aan dat Amlin niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De feitelijke grondslag van dit standpunt is de omstandigheid dat Amlin ter zake van de onderhavige kwestie ook al de vrijwaringsprocedure tegen DHL aanhangig heeft gemaakt. Aan de hand van in haar processtukken nader uitgewerkte gronden betoogt DHL dat de onderhavige procedure een nodeloze en niet gerechtvaardigde doublure behelst, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid moet leiden. In de omstandigheid dat in de vrijwaringsprocedure geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, kan het standpunt van DHL echter niet worden aanvaard.

Verweer: subrogatie

4.9.

Verder heeft DHL betwist dat Amlin is gesubrogeerd in de rechten van HannSpree en ook dat de andere verzekeraars en HannSpree aan Amlin de door haar gestelde last en volmacht hebben verleend. In dat kader wijst DHL erop dat uit de door Amlin voorgehouden ‘schaderekening’ (productie 8 van Amlin) blijkt dat Amlin voor maar 25% op de polis betrokken is en dus ook maar voor dat deel gesubrogeerd zou kunnen zijn.

In de omstandigheid dat DHL niet heeft betwist dat Amlin een van de verzekeraars is van HannSpree en evenmin dat een schade-uitkering uit hoofde van, onder andere, de verzekeringsovereenkomst tussen Amlin en HannSpree is gedaan, staat in rechte vast dat Amlin is gesubrogeerd in (eventuele) rechten van HannSpree. In het navolgende zal blijken dat, ook indien het ervoor wordt gehouden dat Amlin niet (uit hoofde van lastgeving of volmacht) namens de andere verzekeraars kan vorderen en bovendien voor niet meer dan 25% van de totale schade-uitkering is gesubrogeerd, dat geen invloed heeft op het voor toewijzing vatbare deel van de vordering van Amlin.

Verweer: exoneratie

DHL erkent jegens HannSpree aansprakelijk te zijn, maar stelt dat de omvang van deze aansprakelijk op grond van artikel 7 van de PD-voorwaarden (zie 4.6.2. hierboven) is beperkt tot (8.063 kilogram x € 3,50 =) € 28.227,50.

Amlin heeft niet de toepasselijkheid van de PD-voorwaarden betwist, maar een beroep gedaan op de vernietigbaarheid daarvan. In dat kader stelt zij dat niet is komen vast te staan dat deze voorwaarden voorafgaand of bij het sluiten van de overeenkomst zijn verstrekt.

Hoewel zij dat dus niet expliciet stelt, zal Amlin bedoeld hebben aan te voeren dat de PD-voorwaarden niet uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst aan HannSpree ter hand zijn gesteld. In de ook door DHL aangehaalde omstandigheid dat de schriftelijke overeenkomst meldt dat de voorwaarden als bijlage daaraan zijn gehecht, lag het op de weg van Amlin haar standpunt nader te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Dat valt temeer op nu uit de dagvaarding blijkt dat DHL ook preprocessueel een beroep op de PD-voorwaarden heeft gedaan en Amlin toen kennelijk geen aanleiding zag zich te beroepen op de vernietigbaarheid daarvan. De slotsom is dat Amlin haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze wordt gepasseerd.

Amlin stelt verder dat DHL vanwege opzet of grove schuld aan haar zijde geen beroep toekomt op de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 7 van de PD-voorwaarden althans dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de uitwerking van dit standpunt bespreekt Amlin vervolgens enkel de door haar gestelde grove schuld, waarbij zij het kennelijk met DHL eens is dat daarop wordt gedoeld met de term ‘gross negligence’ in artikel 7 van de PD-voorwaarden. In het navolgende zullen de door Amlin aan haar stelling ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden worden besproken.

4.13.

Amlin stelt dat DHL heeft nagelaten om eenvoudige en weinig kostbare maatregelen ter voorkoming van diefstal te nemen, hetgeen als professionele bewaarnemer van kostbare en diefstalgevoelige goederen wel op haar weg lag.

4.13.1.

Amlin wijst erop dat de alarminstallatie van de loods niet voorzien was van een bewaakte of vaste lijnverbinding, bij verbreking waarvan het alarm wordt geactiveerd, en evenmin van bloktijdbewaking, zijnde een systeem dat waarschuwt wanneer buiten de gebruikelijke tijden het alarm wordt uitgeschakeld.

DHL erkent de afwezigheid van deze voorzieningen, met dien verstande dat er wel een lijnverbinding was die reageert als een alarm binnenkomt maar niet een vaste lijnverbinding die ieder uur op werkzaamheid wordt gecontroleerd.

4.13.2.

Daarnaast stelt Amlin dat de zaken van HannSpree niet in een zogenaamde ‘high value cage’ waren opgeslagen, terwijl dat volgens Amlin wel voorafgaand aan diefstal door DHL is toegezegd. Amlin verwijst in dat kader naar een door de verzekeraars van HannSpree voorafgaand aan de diefstal opgemaakt rapport over onder meer de beveiliging van de loods (productie 4 van DHL) waarin aanbevelingen ter zake zijn opgenomen, waaronder de opslag in een high value cage. Op deze aanbeveling reageerde DHL met de opmerking: ‘Has already been captured at this moment’.

DHL betwist de door Amlin gestelde toezegging, die volgens haar ook niet kan worden afgeleid uit haar reactie op het rapport van de verzekeraars. Verder stelt zij dat HannSpree op de hoogte was van de feitelijke situatie binnen de loods, derhalve zonder high value case.

4.13.3.

Amlin stelt verder dat DHL ook overigens heeft nagelaten het beveiligingsniveau te verhogen na het rapport van de verzekeraars, overigens zonder te melden wat DHL had moeten doen.

DHL stelt dat niet is afgesproken dat zij onmiddellijk verdergaande beveiligingsmaatregelen moest treffen, waarbij zij benadrukt dat het rapport alleen aanbevelingen bevat.

4.13.4.

Aan het feit dat bij het openen van de buitendeur door de inbrekers geen alarm is geactiveerd, verbindt Amlin de conclusie dat de buitendeur niet voorzien was van beveiliging.

DHL stelt dat het wel aanwezige (sirene)alarm niet is geactiveerd doordat het binnen 50 seconden met de correcte beveiligingscode is uitgeschakeld.

4.13.5.

Tot slot wijst Amlin erop dat de beveiligingscode vanaf de inwerkingstelling van het beveiligingssysteem in september 2007 tot de inbraak op 14/15 december 2007 door DHL niet is gewijzigd.

DHL stelt dat het weliswaar regel is dat codes regelmatig worden gewijzigd, maar dat het niet ongebruikelijk is dat dit pas na een periode van bijvoorbeeld zes maanden gebeurt.

4.13.6.

De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat een partij bij een overeenkomst tekortschiet in de nakoming daarvan en dat daardoor schade wordt veroorzaakt, niet betekent dat deze partij grove schuld (of in de tegenwoordig gebruikelijke terminologie: bewuste roekeloosheid) kan worden verweten. Dat is slechts aan de orde indien de nalatige partij ernstig laakbaar handelen kan worden verweten. Toegepast op dit geval zou moeten worden vastgesteld dat nalaten aan de zijde van DHL de kans dat de zaken van HannSpree zouden worden gestolen aanzienlijk heeft verhoogd. DHL heeft zich terecht op deze maatstaf beroepen.

Uit het voorgaande blijkt dat Amlin stelt (en DHL betwist) dat de beveiliging van de loods niet op het door HannSpree te verwachten niveau was, met dien verstande dat de beveiliging op de concreet genoemde punten beter had moeten zijn. Wat daar, mede gelet op het verweer van DHL, ook van zij: ook indien de klachten van Amlin gerechtvaardigd zijn, kan daaraan in het licht van de hiervoor genoemde maatstaf niet de conclusie worden verbonden dat de nalatigheid van DHL als grove schuld kan worden betiteld.

4.14.

Amlin voert verder aan dat de door de daders gebruikte beveiligingscode bij verschillende personen binnen DHL bekend was en ook aan personen buiten DHL alsook dat DHL niet heeft geregistreerd welke personen van die code kennis hadden.

Amlin heeft volstaan met het poneren van deze deels door DHL betwiste stellingen en dus niet toegelicht waarom daaruit grove schuld aan de zijde van DHL kan of moet worden gebaseerd. Dit klemt temeer nu van de door partijen genoemde personen die (mogelijk) van de code op de hoogte waren - medewerker(s) van DHL, Securitas, de installateur van het alarmsysteem en het door Securitas ingeschakelde beveiligingsbedrijf - mag worden aangenomen dat zij die wetenschap in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden en derhalve op legitieme basis hadden.

4.15.

Amlin heeft er nog op gewezen dat Securitas (in de met deze procedure gevoegde hoofdzaak) heeft verklaard dat een van haar werknemers op beveiligingsbeelden heeft gezien dat een van de daders veiligheidsschoenen droeg die bij DHL in gebruik zouden zijn. Ook heeft Securitas gesuggereerd dat medewerkers van DHL bij de diefstal betrokken waren omdat de daders direct naar de plek gelopen zijn waar voorheen de alarminstallatie zich bevond, aldus Amlin. Derhalve kan bepaald niet worden uitgesloten dat medewerkers van DHL bij de diefstal betrokken zijn geweest, zo besluit Amlin.

De (gronden van) deze aannames - die door DHL gemotiveerd zijn betwist - zijn dermate speculatief van aard dat deze geen aanleiding geven grove schuld aan de zijde van DHL te veronderstellen of daar verder onderzoek naar te doen.

Bovendien miskent Amlin - zoals DHL terecht aanvoert - dat een eventuele betrokkenheid van een niet leidinggevende werknemer van DHL aan het beroep op de exoneratie niet in de weg staat omdat die omstandigheid als zodanig niet kwalificeert als grove schuld van DHL zelf.

4.16.

De slotsom is dat ervan uit wordt gegaan dat er geen sprake is van grove schuld aan de zijde van DHL.

Voor zover Amlin bedoeld heeft te stellen dat, indien grove schuld aan de zijde van DHL niet kan worden vastgesteld, DHL naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid desalniettemin geen beroep mag toekomen op de exoneratie, moet die stelling worden gepasseerd op grond van het feit dat iedere toelichting ontbreekt.

Dit betekent dat het beroep van DHL op de exoneratieclausule wordt gehonoreerd.

Verweer: omvang schade

4.17.

Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt de betwisting van DHL op het punt van de omvang van de door HannSpree geleden schade gepasseerd. Deze vordering is immers tot het bedrag van de in artikel 7 van de PD-voorwaarden opgenomen limiet, van in dit geval € 28.227,50, erkend (paragraaf 7.1 bij dupliek). Het bedrag waarvoor DHL derhalve aansprakelijk is, is lager dan 25% van de blijkens de schaderekening in totaal aan HannSpree door de verzekeraars uitgekeerde som zodat Amlin - die voor 25% op de polis betrokken was - in ieder geval tot dit bedrag is gesubrogeerd in de rechten van HannSpree. In zoverre ligt de vordering in hoofdsom voor toewijzing gereed, terwijl deze voor het meerdere - inclusief de gevorderde expertisekosten - wordt afgewezen.

Verweer: rente

4.18.

Terecht heeft DHL - onder verwijzing naar HR 20 oktober 2006 - aangevoerd dat zij jegens Amlin eerst gehouden is tot betaling van de wettelijke rente vanaf het moment dat Amlin is gesubrogeerd in de rechten van HannSpree door aan deze uit te keren en niet vanaf het moment dat HannSpree de schade heeft geleden. Nu Amlin het precieze moment van uitkering niet heeft gesteld, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Proceskosten

4.19.

Amlin zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DHL worden begroot op:

- griffierecht € 4.938,00

- salaris advocaat € 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.360,00

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Amlin in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van Securitas tot op heden begroot op € 14.571,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dag van het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Amlin in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat Amlin niet uiterlijk op de vijftiende dag na de dag van het wijzen van dit vonnis aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de dag van het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in vrijwaring

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt Amlin in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van DHL tot op heden begroot op € 11.360,00,

in de met de hoofdzaak gevoegde zaak

5.7.

veroordeelt DHL om aan Amlin te betalen € 28.227,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 21 mei 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt Amlin in de proceskosten, aan de zijde van DHL tot op heden begroot op € 11.360,00,

5.9.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de onder 5.7. en 5.8. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.