Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV8707

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunninghoudster is een Regionaal Opleidingen Centrum voor middelbaar en beroepsonderwijs alsmede voor volwasseneneducatie. Het bouwplan [adres] bestaat uit een enkelvoudig gebouw van vier lagen, inclusief de begane grond, waarin de technische onderwijsafdelingen zijn voorzien. Het bouwplan [adres 1] omvat zes gebouwdelen van twee verdiepingen boven een gemeenschappelijke bouwlaag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 406

Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2011 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiseres,

(gemachtigde: H.J. Winteraeken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.A.M.A. Huppertz en mr. M.C.T. Linders).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Arcus College, gevestigd te Heerlen,

(gemachtigde: mr. J. Stoop).

Bestreden besluit: 18 januari 2011

Kenmerk: B-08-0305 en B-08-0306

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank Stichting Arcus College (vergunninghoudster) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Vergunninghoudster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft op 20 juni 2011 plaatsgehad. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen in de zaken met registratienummers AWB 11/383, AWB 11/385, AWB 11/386, AWB 11/387 en AWB 11/640. Ter zitting is namens eiseres verschenen haar gemachtigde H.J. Winteraeken en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A.M.A. Huppertz en mr. M.C.T. Linders, beiden werkzaam bij de gemeente Heerlen. Vergunninghoudster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Stoop, advocaat te Maastricht.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst en doet zij in ieder van de zaken afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

Op 20 juni 2008 heeft vergunninghoudster twee aanvragen voor een bouwvergunning fase 1 bij verweerder ingediend voor het realiseren van een onderwijsinstelling op het perceel gelegen :

-[adres] 302, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie HLN01;L, nummers 1478, 1479, 1762 (deels) en 1765 (deels), hierna nader aan te duiden als ‘[adres]’ en:

-[adres 1] 148, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie HLN01;L, nummer 00993, hierna aan te duiden als ‘[adres 1]’.

Vergunninghoudster is een Regionaal Opleidingen Centrum voor middelbaar en beroepsonderwijs alsmede voor volwasseneneducatie. Het bouwplan [adres] bestaat uit een enkelvoudig gebouw van vier lagen, inclusief de begane grond, waarin de technische onderwijsafdelingen zijn voorzien. Het bouwplan [adres 1] omvat zes gebouwdelen van twee verdiepingen boven een gemeenschappelijke bouwlaag. De gemeenschappelijke bouwlaag bevat gedeeltelijk parkeerruimte over meerdere niveaus. De vloer van de eerste verdieping van de zes gebouwdelen ligt boven het niveau van de [adres 1]. Tussen de gebouwdelen in bevindt zich in de gemeenschappelijke laag een uitsnijding waarin een zaal met podium is geprojecteerd.

Gelet op het feit dat de bouwplannen niet passen binnen het geldende bestemmingsplan “Geleendal” ([adres]) en “Terworm-Prickenis” ([adres 1]) heeft verweerder de aanvraag tevens opgevat als een verzoek om vrijstelling van voornoemde bestemmingsplannen. Het bestreden besluit is vervolgens genomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidings¬procedure van afdeling 3.4 van de Awb. Overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling heeft verweerder de bouwplannen vanaf 20 augustus 2009 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd en zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen kenbaar te maken. Eiseres heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van de onderwijsinstelling op voornoemde locaties. Eiseres heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft op 7 maart 2011 digitaal en op 9 maart 2011 per gewone post een beroepschrift bij de rechtbank ingediend. Het per gewone post ingediende beroepschrift is blijkens de poststempel op 10 maart 2011 door de rechtbank ontvangen.

De rechtbank ziet zich in eerste instantie geplaatst voor de beantwoording van de vraag of het beroep van eiseres ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, van de Awb kan in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch worden verzonden, mits de bepalingen van afdeling 2.3 van de Awb in acht worden genomen.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, welk artikel deel uitmaakt van afdeling 2.3 voornoemd, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit op de laatste pagina wordt medegedeeld: “Tegen het besluit kunnen belanghebbenden, binnen zes weken na datum verzending, beroep instellen bij de Rechtbank […]. U kunt ook digitaal beroep in stellen bij genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.”

In de Procesregeling Bestuursrecht 2010, vastgesteld door het gerechtsbestuur van de Rechtbank Maastricht op 1 juni 2010, is bepaald dat de rechtbank een elektronisch ingediend beroepschrift uitsluitend in behandeling neemt, indien het is ingediend via één van de webapplicaties van de rechtbank. Op de in de brief van verweerder genoemde website staat onder het hoofdstuk “Digitale formulieren” dat de formulieren voor het indienen van een digitaal beroepschrift enkel zijn bedoeld voor burgers. Nadrukkelijk wordt aangegeven dat formulieren voor de advocatuur, bedrijven en andere organisaties nog in ontwikkeling zijn. Tevens is in het inleidende hoofdstuk onder het kopje ‘Wat kunt u niet met dit formulier’, opgenomen dat het formulier niet is bedoeld voor het indienen van een beroepschrift door een gemachtigde namens een bedrijf of organisatie.

Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 483, nr.3, p.12-13) blijkt dat een bestuursorgaan, voor zover het dat wenselijk acht, de elektronische weg kan openen voor een of meer categorieën van berichten, opdat het zijn organisatie en werkprocessen afdoende gereed kan maken voor het afhandelen van deze elektronisch ingediende berichten. Hierbij is differentiatie mogelijk.

Het voorgaande impliceert dat een bericht slechts langs elektronische weg bij een bestuursorgaan kan worden ingediend, indien voldoende duidelijk is dat deze weg voor de desbetreffende berichtencategorie is opengesteld. De rechtbank is van oordeel dat uit de mededelingen van verweerder in het bestreden besluit alsmede die op de betreffende website van de rechtbank, het voor eiseres voldoende duidelijk had moeten zijn dat de weg van het indienen van een digitaal beroepschrift voor (de gemachtigde van) eiseres

(als organisatie) niet openstond. Het standpunt van eiseres dat het gaat om intern beleid dat haar niet kan worden tegengeworpen, kan hier niet aan afdoen omdat de elektronische weg in het geheel niet is opengesteld voor de gemachtigde van een organisatie. Ten aanzien van het digitaal ingediende beroepschrift dient het beroep van eiseres dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het per post ingediende beroep ontvankelijk is.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Uit de gedingstukken volgt dat het bestreden besluit op 25 januari 2011 aan eiseres is verzonden. Hiermee is de termijn voor het indienen van een beroepschrift beginnen te lopen op 26 januari 2011 en geëindigd op 8 maart 2011. Blijkens de poststempel is het beroepschrift op 10 maart 2011 door de rechtbank ontvangen en is hierdoor niet voor het einde van de termijn ontvangen. Er zijn naar oordeel van de rechtbank geen termen aanwezig om het overschrijden van deze termijn verschoonbaar te achten.

Het per post ingediende beroep van eiseres is niet-ontvankelijk.

Het beroep van eiseres is niet ontvankelijk.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. E.V.L. Heuts en

mr. W.A.M. de Loo, leden, in tegenwoordigheid van B. Fastré, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2011.

w.g. B. Fastré w.g. M.A. Teeuwissen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 september 2011

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.