Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV8705

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
AWB-11_387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunninghoudster is een Regionaal Opleidingen Centrum voor middelbaar en beroepsonderwijs alsmede voor volwasseneneducatie. Het bouwplan [adres 1] bestaat uit een enkelvoudig gebouw van vier lagen, inclusief de begane grond, waarin de technische onderwijsafdelingen zijn voorzien. Het bouwplan [adres 2] omvat zes gebouwdelen van twee verdiepingen boven een gemeenschappelijke bouwlaag. De gemeenschappelijke bouwlaag bevat gedeeltelijk parkeerruimte over meerdere niveaus

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 387

Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 september 2011 in de zaak tussen

H.J. Winteraeken, te Heerlen, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.A.M.A. Huppertz en mr. M.C.T. Linders).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Arcus College, gevestigd te Heerlen,

(gemachtigde: mr. J. Stoop).

Bestreden besluit: 18 januari 2011

Kenmerk: B-08-0305 en B-08-0306

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank Stichting Arcus College (hierna: vergunninghoudster) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Vergunninghoudster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft op 20 juni 2011 plaatsgehad. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen in de zaken met registratienummers AWB 11/383, AWB 11/385, AWB 11/386, AWB 11/406 en AWB 11/640. Ter zitting is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M.A. Huppertz en

mr. M.C.T. Linders, beiden werkzaam bij de gemeente Heerlen. Vergunninghoudster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Stoop, advocaat te Maastricht.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst en doet zij in ieder van de zaken afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

Op 20 juni 2008 heeft vergunninghoudster twee aanvragen voor een bouwvergunning fase 1 bij verweerder ingediend voor het realiseren van een onderwijsinstelling op het perceel gelegen :

- [adres] 302, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie HLN01;L, nummers 1478, 1479, 1762 (deels) en 1765 (deels), hierna nader aan te duiden als ‘[adres]’ en:

- [adres 1] 148, kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie HLN01;L, nummer 00993, hierna aan te duiden als ‘[adres 1]’.

Vergunninghoudster is een Regionaal Opleidingen Centrum voor middelbaar en beroepsonderwijs alsmede voor volwasseneneducatie. Het bouwplan [adres] bestaat uit een enkelvoudig gebouw van vier lagen, inclusief de begane grond, waarin de technische onderwijsafdelingen zijn voorzien. Het bouwplan [adres 1] omvat zes gebouwdelen van twee verdiepingen boven een gemeenschappelijke bouwlaag. De gemeenschappelijke bouwlaag bevat gedeeltelijk parkeerruimte over meerdere niveaus. De vloer van de eerste verdieping van de zes gebouwdelen ligt boven het niveau van de [adres 1]. Tussen de gebouwdelen in bevindt zich in de gemeenschappelijke laag een uitsnijding waarin een zaal met podium is geprojecteerd.

Gelet op het feit dat de bouwplannen niet passen binnen het geldende bestemmingsplan “Geleendal” ([adres]) en “Terworm-Prickenis” ([adres 1]) heeft verweerder de aanvraag tevens opgevat als een verzoek om vrijstelling van voornoemde bestemmingsplannen. Het bestreden besluit is vervolgens genomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidings¬procedure van afdeling 3.4 van de Awb. Overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling heeft verweerder de bouwplannen vanaf 20 augustus 2009 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd en zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen kenbaar te maken. Eiser heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft verweerder aan vergunninghoudster vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van de onderwijsinstellingen op voornoemde locaties. Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft in overeenstemming met artikel 7:1, eerste lid, onder d, van de Awb beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de (ambtshalve) te beantwoorden vraag of eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Ten aanzien van besluiten in de ruimtelijke sfeer volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt bepalend is of betrokkene in de nabijheid van het betreffende perceel woonachtig is of zicht heeft op dat perceel (het afstands- en zichtcriterium).

De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel het afstandscriterium als het zichtcriterium relatief zijn. Er is geen bepaalde afstand die de absolute grens vormt voor de kwalificatie van belanghebbende en iemand met zicht is evenmin altijd belanghebbende. Het is een combinatie van zicht en afstand die maakt of iemand belanghebbende is, waarbij de mate van ruimtelijke uitstraling van het bouwwerk waar de vergunning op ziet en de aard van de omgeving relevant zijn. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling van onder meer 4 februari 2000 (LJN AA4969), 19 april 2001 (LJN AN6738) en 13 juli 2005 (AB 2005, 279).

Ter zitting is door partijen - aan de hand van een door vergunninghoudster overgelegde kaart, alsmede de zich bij de gedingstukken bevindende luchtfoto - de locatie van de woning van eiser aangeduid. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangeduid en overweegt hiertoe het navolgende.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de woning van eiser op een afstand van ongeveer 2,9 kilometer van het bouwplan [adres 1] en 2,7 kilometer van [adres] is gelegen. Gezien deze afstand alsmede de glooiing in het tussenliggende landschap, de stedelijke bebouwing, de spoorlijn Heerlen-Maastricht alsmede het aanwezige groen, heeft eiser vanuit zijn woning geen enkel zicht op de locaties. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij geen eigen, persoonlijk belang heeft. Gelet op het vooroverwogene en het feit dat het de rechtbank niet is gebleken dat de ruimtelijke uitstraling van de onderwijsinstellingen dermate groot is dat eiser hierdoor in zijn belangen wordt geschaad, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat eiser geen belanghebbende is zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning van de in het geding zijnde bouwplannen.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

Voor een proceskostenveroordeling is geen plaats.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. E.V.L. Heuts en

mr. W.A.M. de Loo, leden, in tegenwoordigheid van B. Fastré, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2011.

w.g. B. Fastré w.g. M.A. Teeuwissen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 september 2011

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.