Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV7695

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
415199 CV EXPL 11-799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst afvalverwerking in het kader van bedrijfsuitoefening (bloemenwinkel). Stilzwijgende verlenging ingevolge toepasselijke algemene voorwaarden. Betalingsverzuim op de voet van artikel 6:119a BW. Bij onvoldoende concretisering door SITA van de verzuimdata per afzonderlijke factuur neemt kantonrechter 31 oktober 2010 als verzuimdatum voor het geheel aan. Onduidelijk is of SITA zich naast de in deze procedure behandelde vordering rechten voor de toekomst voorbehouden heeft en in hoeverre onderneemster zich daartegen dan teweer kan en zal stellen. Gevorderde hoofdsom wel toewijsbaar geacht, doch wettelijke handelsrente slechts vanaf 31 oktober 2010 (dus ten dele) en vergoeding BK afgewezen. Mede daarom tevens compensatie van proceskosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/18 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 415199 CV EXPL 11-799

Vonnis van 31 augustus 2011

in de zaak

de besloten vennootschap SITA RECYCLING SERVICES ZUID B.V.,

statutair gevestigd te Arnhem en mede kantoorhoudend te Helmond,

verder ook te noemen: SITA,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst, advocaat met kantooradres Luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), doch aanvankelijk een onbekende persoon werkzaam bij een rechtspersoon te Amsterdam

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in persoon procederend (zij het met assistentie van haar echtgenoot)

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

SITA heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 1 februari 2011 [gedaagde] in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, waarin nog verwezen is naar drie meebetekende producties.

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum uitvoerig schriftelijk geantwoord met hulp van de penvoerder ‘[naam schrijver 1]’, die zichzelf bij ondertekening als ‘schrijver’ en de gedaagde partij in de tekst van het antwoord zelf als ‘mijn vrouw’ aanmerkt.

Vervolgens hebben partijen achtereenvolgens voor repliek respectievelijk dupliek geconcludeerd. De (nieuwe) gemachtigde van SITA heeft nog vier producties aan de repliek gehecht, waaronder opnieuw een kopie van de tekst van Algemene Voorwaarden (een beter leesbare versie).

[gedaagde] heeft het als dupliek aan te merken schriftelijke stuk dit keer laten opstellen door ‘[naam schrijver 2]’ als ‘schrijver’, doch heeft ook dit stuk zelf ondertekend.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

SITA vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 631,65, nog te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een daarvan deel uitmakende hoofdsom van € 535,62 vanaf 22 januari 2011 tot de voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten. Van het gevorderde bedrag maken naast de genoemde hoofdsom bedragen van € 15,69 aan tot 22 januari 2011 vervallen (handels)rente en € 80,34 aan ‘incassokosten’ deel uit.

SITA baseert de vorderingen op een van 2007 daterende overeenkomst tot afvalverwerking, voor twee jaar (24 maanden) aangegaan, doch op grond van de ‘leveringsvoorwaarden’ na het verstrijken van de looptijd stilzwijgend voor dezelfde duur verlengd. [gedaagde] heeft ‘diverse facturen’ tot een totaalbedrag van € 535,62 niet binnen de voorgeschreven termijn van 30 dagen voldaan en is ook daarna - ondanks herinneringen en sommaties - met die betaling in gebreke gebleven, zodat zij in verzuim is komen te verkeren.

SITA weerspreekt, ook in voortgezet debat, de tegenwerping van [gedaagde] dat de overeenkomst in april 2010 (door opzegging) beëindigd is. De wel ontvangen schriftelijke opzegging van 31 maart 2010 ‘per heden’ voldeed niet aan de toepasselijke voorwaarden en heeft daarom in haar visie eerst op of per 6 september 2011 tot een beëindiging geleid. Bij repliek zijn ook andere argumenten (voor zover relevant) die [gedaagde] bij antwoord tegen de vordering ingebracht heeft, bestreden. SITA heeft op enig moment vanaf september 2010 toen betaling nog steeds uitbleef, weliswaar haar dienstverlening opgeschort, doch dit ontsloeg [gedaagde] niet van haar verplichtingen jegens SITA. Op de facturen is conform de voorwaarden in 2010 een indexering toegepast (tariefverhoging van € 65,00 naar € 70,72), hetgeen volgens SITA niet als buitenproportioneel te kwalificeren is.

Het verweer strekt er, in het kader van een uitvoerige schets van een aantal tot ver voor 2007 teruggaande historische ontwikkelingen, - sterk samengevat - toe te betogen dat [gedaagde] de opstelling van SITA onjuist en onredelijk acht. Dit is mede het geval omdat zij zich bij het ter verlenging (tevens wijziging) van de eerdere contractuele relatie ondertekenen van een contract in september 2007 misleid voelt ‘door de vlotte babbel van de vertegenwoordiger’ (degene die namens SITA, voorheen Cotrans, over een en ander onderhandelde). De werkwijze of handelwijze van ‘de Sita-medewerker’ (waarbij onduidelijk is of hiermee de contactpersoon van 2007 of een andere die in 2010 kwam praten, bedoeld is, of zelfs beide personen) noemt [gedaagde] zelfs ‘niet integer en zeer onethisch’. Zij stelt dat zij bij de verlenging duidelijk te kennen gegeven heeft zich slechts voor 24 maanden (en niet langer) te willen binden en dat zelfs bij een contact in 2010 niets gezegd is ‘over de opzeggingseisen van Sita’s kant’. Volgens [gedaagde] klagen ook anderen (zelfs werknemers van SITA) over het aldus gevoerde beleid en verliest SITA door wat zij aanduidt als ‘marskramerpraktijken’ steeds meer klanten. Ook de verhoging van het tarief zit [gedaagde] dwars, omdat SITA dat slechts via de rekening kenbaar maakt ([gedaagde] heeft het in dit verband zelfs over ‘contractbreuk’). Tot slot beklaagt [gedaagde] zich over de inschakeling van een incassobureau (TKB) en de handelwijze van ‘een zeer onbeleefde heer Eldewien’, die zij als ‘snauwerig’,’zeer intimiderend’ en ‘bedreigend’ ervaren heeft.

[gedaagde] beweert ‘tijdig’ kenbaar gemaakt te hebben te willen stoppen, dat er sprake is van ‘interne miscommunicatie’ bij SITA en dat het risico daarvan niet bij haar gelegd kan worden, zodat de vordering afgewezen zou moeten worden.

b. de beoordeling

Veel van hetgeen [gedaagde] te berde brengt, is begrijpelijk en haar irritatie is invoelbaar. Bedingen in algemene voorwaarden die een stilzwijgende verlenging van een voor de betrekkelijk lange duur van twee jaar aangegane overeenkomst opleveren, zijn in de rechtspraktijk minder vanzelfsprekend geworden en liggen bij consumentenovereenkomsten zelfs al veel langer onder vuur. Helaas voor [gedaagde] gaat het hier niet om een consumentenrelatie doch om een handelsovereenkomst waarop niet (zonder meer) de bijzondere beschermende regels van Europese consumentenrichtlijnen en de daaruit voortgevloeide Nederlandse wettelijke implementatieregelingen van toepassing zijn. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat zij in haar bedrijfsuitoefening met SITA als professionele dienstverlener transacties aangaat die volledig met een consumententransactie vergelijkbaar zijn, althans dat het onderhavige contract met SITA daarmee op één lijn te stellen is en dat haar eigen positie in grote mate met die van een particuliere afval- of vuilnisproducerende burger vergelijkbaar is.

Verder heeft [gedaagde] niet bestreden dat zij het contract van 6 september 2007 aangegaan is zoals het voorligt. Dat wil zeggen met inbegrip van de daarop van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden die daarom bij haar bekend verondersteld mogen worden, wat er ook zij van eventueel daarvan afwijkende (niet op schrift gestelde) mededelingen van een ‘vertegenwoordiger’ van SITA. [gedaagde] mag over dat optreden dan uiterst ontevreden zijn, maar zij heeft nagelaten in rechte de overeenkomst als zodanig aan te vechten met een actie tot vernietiging en/of ontbinding (bijvoorbeeld wegens een wilsgebrek). Het is juist dat op het formulier van het als voortzetting / wijziging van een of meer eerdere overeenkomst(en) aan te merken serviceabonnement van september 2007 - kennelijk op haar verzoek - de voorgedrukte (nog langere) termijn met pen verkort is tot 24 maanden. Zeker van een ondernemer mag echter verwacht worden dat deze terdege kennisneemt van de voorwaarden die op het eindigen van een al veel langer lopende rechtsverhouding / contractuele relatie betrekking (kunnen) hebben. Daarbij is het in ieder geval onvoldoende om af te gaan op hetgeen men meent dat er bij ondertekening of in de onderhandelingen door iemand van de kant van SITA gezegd is, tenzij dit ook op papier tot uitdrukking gebracht is. Anders dan [gedaagde] kennelijk zelf meent, kan zij dus gehouden worden aan het beding in de Algemene Voorwaarden dat SITA een stilzwijgende voortzetting met steeds twee jaren in de schoot werpt voor het geval de klant/afnemer van haar diensten niet met inachtneming van een termijn van drie maanden tegen een (in dit geval) zesde september van het jaar 2009 of het jaar 2011 (de reguliere einddatum) opgezegd heeft (artikel 16 lid 1 respectievelijk artikel 16 lid 2 A.V.). De grens van hetgeen waartoe SITA gerechtigd dan wel [gedaagde] gehouden is, wordt hoogstens ingeperkt door het bepaalde bij artikel 6:248 lid 2 BW.

Dat het SITA vrijstaat en vrijstond [gedaagde] in het geheel niet aan die verlengingsregel te houden, mag dan zo zijn, maar de kantonrechter kan haar tot een dergelijke soepele opstelling louter op basis van de tegenwerpingen van [gedaagde] niet dwingen. [gedaagde] had niet op 31 maart 2010 moeten opzeggen om eerder van het contract bevrijd te worden, laat staan met directe ingang, maar bijvoorbeeld al eind mei of begin juni 2009 (voor een einde per 6 september 2009, de afloopdatum van het contract van 2007 zelf). Dat zij de noodzaak van die op schrift gestelde formaliteit miskend heeft, moet in ieder geval voor de periode tot 6 september 2010 voor haar risico blijven, wat zij verder ook opmerkt over het ervaren gebrek aan ethiek, integriteit en (aan de zijde van het incassobureau) onfatsoen.

Uiteraard had [gedaagde] er onder deze omstandigheden beter aan gedaan zich, alvorens op de gekozen wijze op te zeggen en (terstond) over te stappen op een andere afvalverwerker, eerst terdege te informeren over de juridische aspecten van de zaak, als zij dit zelf al niet kon overzien. Het risico van haar nalatigheid op dit punt - binding aan twee contracten en op enig moment zelfs geen prestatie van SITA meer - kan SITA echter in ieder geval voor de periode tot 6 september 2010 niet tegengeworpen worden. SITA heeft haar prestatie in september 2010 opgeschort omdat [gedaagde] niet betaalde en er moet en kan dan ook van uitgegaan worden dat zij rond die tijd in verzuim verkeerde of geraakte (een precieze verzuimdatum heeft SITA nergens in de stukken genoemd). Waar het hier onbetwist gaat om een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, trad betalingsverzuim in vanaf 30 dagen na aanvang van de dag volgend op de datum waarop [gedaagde] de afzonderlijke facturen ontving. Een andere rechtsgrond voor het intreden van verzuim is immers door SITA niet gesteld, laat staan naar de feitenconstellatie (en per factuur) beschreven. De respectieve data van ontvangst van de afzonderlijke facturen (waarvan in de processtukken zelfs de verzenddagen niet genoemd zijn) staan echter niet vast. De kantonrechter zal wegens deze schending van de stelplicht door eisende partij uitgaan van een reëel te achten ontvangstdatum van de laatste door SITA (in fotokopie) in het geding gebrachte factuur, die de dagtekening/aanmaakdatum 15 september 2010 vermeldt. Omdat die datum niet zonder meer gelijkstaat aan de datum van verzending, laat staan die van ontvangst, kan in redelijkheid uitgegaan worden van 31 oktober 2010 als datum waarop langs de weg van artikel 6:119a lid 2 BW betalingsverzuim aanwezig geacht kan worden voor alle bedragen in hoofdsom waarop SITA thans in rechte aanspraak maakt.

De kritiek die [gedaagde] - min of meer terzijde en dan nog vooral voor wat betreft de methodiek - formuleerde op de tussentijdse tariefverhoging snijdt geen hout, omdat de Algemene Voorwaarden (ook) daarin voorzien. Niet gezegd kan worden dat SITA niet tot (deze) prijsaanpassing mocht overgaan.

Onduidelijk is gebleven op welke periode de zes onbetaald gebleven facturen van € 89,27 elk precies betrekking hebben. Het zou kunnen zijn dat ook over dagen na 6 september 2010 of zelfs na opschorting van de diensten van SITA nog abonnementskosten doorberekend zijn. Dit zal [gedaagde] dan voor lief moeten nemen, zeker nu SITA haar vordering klaarblijkelijk niet tot de laatste maanden van 2010 en de eerste acht of negen maanden van 2011 uitstrekt. Mocht zij dit later alsnog doen, dan kan [gedaagde] mogelijk met succes verdedigen dat onverkorte handhaving van de verlengingsregel door SITA voor de periode na september 2010 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in het licht van het feit dat SITA al op 31 maart of 1 april 2010 wist dat en waarom [gedaagde] niet met haar verder wilde en betrekkelijk kort daarna geen afval meer van haar aangeboden kreeg.

Het voorgaande impliceert natuurlijk wel dat SITA over het verder naar omvang en samenstelling niet betwiste (en dus toe te wijzen) totaalbedrag van € 535,62 slechts wettelijke handelsrente toegewezen zal worden vanaf 31 oktober 2010. Het impliceert tevens dat de mede gevorderde post ‘incassokosten’ afgewezen wordt. Daarvoor is niet beslissend of [gedaagde] al dan niet terecht het optreden van een door SITA voor incasso ingeschakeld bureau laakt. Wel moet geconstateerd worden dat SITA nodeloos, mogelijk voorbarig maar in ieder geval niet aan de hand van feitelijke informatie traceerbaar, een vorm van inspanning buiten rechte heeft doen verrichten waarvan de redelijke noodzaak noch de redelijke omvang vastgesteld kan worden. Zij noemt bij exploot wat data van brieven, alle gelegen in de korte tijdspanne van eind oktober 2010 tot 1 december 2010, maar legt die niet over. Zij beroept zich op ‘leveringsvoorwaarden’, maar specificeert niet welk beding haar recht op vergoeding verschaft, zodat slechts aan de wettelijke regel van 6:96 lid 2 BW getoetst kan worden. Zij maakt tot slot niet aannemelijk dat zij ter incasso meer gedaan heeft - of geacht kan worden te hebben moeten doen in het licht van het feit dat [gedaagde] weigerde te betalen en haar de redenen van die weigering bekend waren - dan verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak, noch dat daarmee corresponderende kosten een andere bron hadden dan zulke procesvoorbereiding.

De kantonrechter is van oordeel dat zowel de aard van het geschil als de uitkomst rechtvaardigt dat de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

[gedaagde] wordt veroordeeld om aan SITA tegen bewijs van kwijting een bedrag van

€ 535,62 te betalen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 oktober 2010 tot de datum van volledige voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.