Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV7690

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
411183 CV EXPL 11-271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst op basis van de Zorgverzekeringswet (basis, mogelijk ook aanvullend), waarbij onduidelijk is of verzekeraar slechts achterstallige premie vordert of tevens vergoeding van kosten, restitutie van uitbetaalde gelden en/of betaling eigen bijdragen / bedragen aan eigen risico. Opbouw vordering, ook in de tijd, volstrekt onduidelijk gebleven, ondanks bij antwoord juist op dat punt geleverd verweer. Negeren artikelen 21, 85 en 111 Rv. door eisende partij. Betalingsachterstand debiteur niet aangetoond, laat staan betalingsverzuim. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer 411183 CV EXPL 11-271

Vonnis van 31 augustus 2011

in de zaak

de naamloze vennootschap TRIAS ZORGVERZEKERAAR N.V., mede handelend onder de naam IZA CURA,

gevestigd te Alkmaar,

verder ook te noemen: Trias,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.C. Visser, verbonden aan het deurwaarderskantoor Flanderijn & van der Heide te Gouda

tegen

[gedaagde]

wonend te [adres],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

in persoon procederend

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Trias heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 29 december 2010 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding met bijgevoegd overzicht.

[gedaagde] heeft, na gevraagd en verkregen uitstel, schriftelijk geantwoord door middel van indiening van een reeks uitkeringsspecificaties waarop premieafdrachten voorkomen.

Vervolgens heeft Trias bij repliek alsnog een grote reeks - onder vijf nummers bijeengebrachte - producties (fotokopieën) ingebracht en haar vordering (vooral op het onderdeel ‘buitengerechtelijke kosten’) van meer toelichting voorzien.

Door [gedaagde] is op de eerstvolgende rolzitting mondeling van dupliek gediend, waarbij hij volhard heeft in het verweer dat de vordering hem nog steeds niet duidelijk was.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

Trias vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 658,83, nog te vermeerderen met de wettelijke rente ‘over de (nog openstaande) hoofdsom’ vanaf 29 december 2010 (de datum van dagvaarding) tot de voldoening en onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

Trias baseert haar hoofdvordering (volgens het lichaam van het exploot van dagvaarding) op een in het kader van een basisverzekering conform de Zorgverzekeringswet en/of van aanvullende verzekeringen aan de zijde van [gedaagde] ontstane ‘betalingsachterstand’ van in totaal € 1.917,10 over perioden die liggen tussen 1 april 2009 en 1 november 2010. Zij laat in het midden of het hier uitsluitend verschuldigde premiebetalingen betreft of dat in dit saldo ook bedragen verwerkt zijn die zien op vergoeding / restitutie van niet verzekerde kosten, eigen risico en/of eigen bijdragen. Een met het exploot aan [gedaagde] betekende, doch in dat exploot verder niet uitgelegde of toegelichte ‘specificatie’ komt overigens niet uit op het saldo van € 1.917,10 doch slechts op een openstaand bedrag van € 279,89. Trias stelt dat [gedaagde] ook na schriftelijke aanmaning het verschuldigde niet (volledig) voldaan heeft, in verzuim geraakt is en haar (Trias) noodzaakte de vordering ‘ter verdere incasso uit handen te geven’ aan “Flanderijn & van der Heide”, aan wie zij (Trias) de daarmee gemoeide (kosten van) werkzaamheden dient te vergoeden. Trias begroot de volgens haar door [gedaagde] verschuldigde wettelijke rente op € 13,09 tot 11 september 2009 ( ‘de dag van de incasso-opdracht’) en op € 55,94 vanaf die datum tot de dag van dagvaarding. De door Remmeers te vergoeden buitengerechtelijke kosten stelt zij forfaitair op € 357,00 inclusief btw (volgens Trias of haar gemachtigde: ‘B.T.W.’ ). Het exploot bevat een rekensom of cijferopstelling die uiteindelijk op een totaalbedrag van € 658,83 uitkomt doordat na sommering van de diverse posten van de uitkomst van € 2.343,13 een bedrag van € 1.684,30 afgetrokken is, met als enige uitleg dat dit ‘in mindering kan strekken’. Volgens Trias heeft [gedaagde] buiten rechte geen enkel ‘inhoudelijk’ verweer gevoerd.

Ook in voortgezet debat legt Trias niet uit (laat staan in detail) hoe de vordering mettertijd is gegroeid en/of afgenomen, zij het dat zij aan haar mededelingen bij exploot wel toevoegt dat [gedaagde] (aan Flanderijn) ‘ter zake onderhavige vordering nog een aantal betalingen verricht heeft ten bedrage van totaal € 1.684,30’ en dat zij die betalingen verwerkt heeft op de wijze als geregeld in artikel 6:44 BW. Tegenover de door [gedaagde] bij antwoord ingebrachte stukken poneert Trias dat daarin slechts zeven premiebetalingen van de kant van de gemeente Maastricht voorkomen, ‘terwijl eiseres aan Flanderijn ter verdere incasso de vordering ter zake de door gedaagde onbetaald gelaten premie voor in beginsel 15 maanden ad € 1.465,65 alsmede de door gedaagde onbetaald gelaten declaraties ad € 360,30 uit handen heeft gegeven’. Dit zou ook blijken uit de specificatie die aan het exploot gehecht was. Ter verantwoording van haar processuele opstelling volstaat Trias dan bij repliek met verwijzing naar een nieuwe ‘specificatie’ met als datering 10 maart 2011 (‘productie 1’), waaraan zij als uitleg voor het verschil met de bij exploot ingebrachte ‘specificatie’ slechts toevoegt dat ‘het kleine verschil’ van € 47,03 een ontvangen betaling van 30 oktober 2010 betreft. In het vervolg van de repliek wordt nog melding gemaakt van een op verzoek van [gedaagde] in de loop van het incassotraject getroffen betalingsregeling. [gedaagde] is deze regeling echter volgens Trias niet of niet ten volle nagekomen, zodat deze vervallen is (zij het dat nadien nog wel betalingen ontvangen en verrekend zijn).

Het verweer strekt ertoe te betogen dat [gedaagde] niet snapt hoe Trias tot de becijferde vordering komt, welke posten daarin op welk moment en voor welke bedragen verwerkt zijn en of en in hoeverre met alle tussentijdse betalingen (dat wil zeggen zowel normale premiebetalingen als aflossingen op de oude schuld) rekening gehouden is. Zijn verweer moet aldus uitgelegd worden dat hij het bestaan van een verzekeringsrelatie met Trias erkent, doch vooralsnog betwist dat Trias deswege nog bedragen te goed heeft, althans de bedragen zoals deze thans gevorderd worden.

b. de beoordeling

Trias maakt het door de wijze van presentatie van haar vordering zowel haar wederpartij als de om een oordeel gevraagde rechter uitermate moeilijk. En dat in een zaak waarover zij aan het slot van het lichaam van het exploot van dagvaarding de routineopmerking laat opnemen dat een comparitie van partijen wat haar betreft niet in aanmerking komt ‘gezien de eenvoudige aard van de vordering en het te verwachten rendement’. Zij dient dan echter op zijn minst te zorgen dat die ‘eenvoudige’ vordering ook op inzichtelijke en controleerbare manier in het proces - en dan bij voorkeur onmiddellijk en volledig bij exploot - (conform de artikelen 21, 85 en 111 Rv) voorgedragen wordt en dat de juiste accenten gelegd worden.

Nu blijkt aan het eind van de rit de gedaagde partij nog steeds niet overtuigd te zijn van het bestaan van een schuld en blijft ook de kantonrechter met een aantal onopgeloste feitelijke vragen worstelen die uitsluitend voortvloeien uit een gebrekkige naleving van de op Trias rustende gemotiveerde stelplicht.

Het mag dan zo zijn dat [gedaagde] de op de Zorgverzekeringswet geënte rechtsrelatie met Trias erkent, maar daarmee staat nog steeds betrekkelijk weinig in rechte vast. Zelfs over de precieze aard en inhoud van die rechtsrelatie laat Trias heel veel in het midden (vanaf wanneer deze bestond en op welke persoon of personen deze betrekking had; of er alleen sprake was van een basisverzekering dan wel tevens van een aanvullende verzekering, mogelijk zelfs in meervoud; de omvang / hoogte van de periodiek verschuldigde premie/premies; de relevante algemene voorwaarden waarop Trias zich meent te kunnen of moeten beroepen; de verstrekkingen waarvoor een eigen risico of eigen bijdrage gold, om maar enige voorbeelden te noemen). Ook de concrete datum en de precieze feitelijke grond plus rechtsgrond waarop (per factuur afzonderlijk) betalingsverzuim van [gedaagde] aangenomen mag worden, laat Trias ongenoemd, laat staan dat zij een en ander uitlegt. Reeds daarom bestaat er allerminst zekerheid over de vraag of en het tijdstip waarop Trias over een (mogelijk) opeisbaar bedrag in hoofdsom recht kan doen gelden op vergoeding van rente en eventueel zelfs van kosten ‘gemaakt ter incasso’. Juist omdat [gedaagde] in twijfel trekt of er op dit moment en ten tijde van dagvaarding sprake was van een restschuld en omdat de vordering van Trias kennelijk een reeks van jaren bestrijkt, mogen hoge eisen gesteld worden aan de naleving van de stelplicht van de eisende partij ten aanzien van haar hoofdvordering. De chaotische presentatie van de cijfers en van diverse typen vordering of toerekening maakt dat van een eenvoudige verzekerde niet verwacht mag worden dat deze (wel) alles terstond doorziet. Anders dan Trias of haar gemachtigde zowel bij exploot als in de repliek suggereert, gaat het in dit geval niet (of in ieder geval niet uitsluitend of in de eerste plaats) om een gedaagde partij die betoogt dat er ‘meer betalingen verricht zijn’, maar om de vraag of de eisende partij in voldoende mate gesteld heeft dat en waarom zij recht kan doen gelden op al hetgeen gevorderd is. De eventuele toepassing van artikel 150 Rv, een artikel dat overigens pas aan bod komt als eerst vastgesteld is dat de feitelijke grondslag van de vordering in voldoende mate uiteengezet en geadstrueerd is, krijgt in dat geval ook een andere richting dan Trias bepleit (eerst zal vastgesteld moeten worden of alle eventueel door Trias te bewijzen posten in voldoende mate uit de verf gekomen zijn, alvorens [gedaagde] te kunnen belasten met het bewijs van betaling op die afzonderlijk vastgestelde onderdelen).

Alleen al het feit dat Trias bij exploot nalaat om de discrepantie te verklaren van de in haar berekening opgenomen ‘hoofdsom’ van € 1.917,10 en de zonder toelichting gebleven maar wel als verwijzing gehanteerde bijgevoegde ‘specificatie’ waarin zij uitkomt op een saldo van € 279,89 tot en met oktober 2010, geeft te denken. Als haar gemachtigde bij repliek niet verder komt dan de onuitgewerkte stelling dat [gedaagde] ‘in beginsel’ vijftien maanden ‘de premie’ niet betaalde (wat een bedrag van € 1.465,65 zou vertegenwoordigen) en daarnaast voor € 360,60 ‘declaraties’ onbetaald gelaten zou hebben, is nog steeds in de verste verte geen verklaring gegeven voor de hoofdvordering naar omvang en samenstelling. Trias mocht hiervoor ook niet volstaan met een verwijzing naar een productie van 10 maart 2011 die allerminst voor zichzelf kon spreken: door Trias relevant geachte en/of met haar (vage) stellingen corresponderende gedeelten van die productie had zij dan op zijn minst nader moeten toelichten of eruit lichten. Een tweede onopgehelderd aspect vormt de uitsluitend in een sommetje in het exploot voorkomende ‘aftrekpost’ van € 1.684,30. Ook te dien aanzien legt Trias niet uit welke de betekenis is van het ongedateerde overzicht dat aan het exploot gehecht was en dat zij bij repliek aanvulde met een geruime tijd vóór dagvaarding (30 oktober 2010) kennelijk (ook nog) ontvangen bedrag van € 47,03. Resultaat was wel dat de zonder toelichting gebleven ‘productie 1’ bij repliek uitkomt op een ‘hoofdsom premie bij Flanderijn incasso (excl. incassokosten)’ van € 232,80. Zonder zich ook maar in enig opzicht te verklaren of te excuseren voor deze grillige cijferopstelling (en zonder ook op enig moment haar vordering te verminderen) gaat Trias dan over tot de orde van de dag en dat is voor haar: het uitvoerig verder bepleiten van de gerechtvaardigdheid van het in rekening brengen van ‘(buiten)gerechtelijke kosten’. Toch moet duidelijk zijn dat die kosten pas aan bod komen als er sprake is van een gerechtvaardigde hoofdvordering én van op een concreet moment aanwijsbaar betalingsverzuim van de debiteur. Het gaat dan dus niet aan om zowel de ‘specificatie vordering’ als ‘bespreking verweer gedaagde’ zo kort en slordig af te doen als Trias zich in de repliek permitteert. Door de kans om zich te revancheren voor een onvoldragen exploot ook in voortgezet debat zo gebrekkig aan te grijpen, leidt de opstelling van Trias tot totale afwijzing van haar vordering. Trias dient tevens verwezen te worden in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] op nihil gesteld zullen worden.

BESLISSING

De vordering wordt afgewezen.

Trias wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.