Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV1133

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-09-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
03/830024-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: De rechtbank veroordeelt verdachte tot onder meer een gevangenisstraf van drie maanden voor overtreding van artikel 6 en artikel 7 Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/830024-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2011. De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding, mede gelet op de ter terechtzitting door de officier van justitie gegeven toelichting op de akte van uitreiking, op correcte wijze aan verdachte is betekend. Tegen de verdachte is vervolgens verstek verleend. De officier van justitie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of waarbij haar zodanig letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden is ontstaan, dan wel dat verdachte als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt of het verkeer heeft gehinderd;

Feit 2: als bestuurder van een auto betrokken bij een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [naam slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte, rijdend in zijn auto, terwijl hij een voor hem op rood staand stoplicht heeft genegeerd, de bestuurster van een auto die groen licht kreeg, met een behoorlijke snelheid heeft aangereden. Verdachte heeft niet geremd. Daar komt bij dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding alcohol had genuttigd, zij het niet in die mate dat dit als strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd. Voor de officier van justitie vormt het alcoholgebruik van verdachte enkel een omstandigheid die de officier van justitie ertoe brengt te concluderen dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Voor het bewijs verwijst de officier van justitie naar de bevindingen van de VOA, de verschillende getuigenverklaringen, alsmede de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van mening dat verdachte de plaats van het ongeluk heeft verlaten, terwijl hij wist dat aan een ander letsel en schade was toegebracht zodat ook dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.2 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 3 oktober 2010, omstreeks 00.32 uur, heeft in de gemeente Brunssum op de [P.weg], ter hoogte van de T-kruising met de [K.laan], een aanrijding tussen twee personenauto’s plaatsgevonden. Het verkeer op de kruising werd ten tijde van het ongeval geregeld door (driekleurige) verkeerslichten.

Verdachte heeft op voornoemde dag en tijd als bestuurder van een personenauto van het merk [merk auto] gereden over de [P.weg], komende uit de richting van de [E.weg] en rijdende in de richting van de T-kruising van de [P.weg] met de [K.laan]. Verdachte heeft geen gevolg gegeven aan het voor hem bestemde rode verkeerslicht en heeft zijn voertuig niet voor de stopstreep tot stilstand gebracht, maar is de kruising opgereden.

De bestuurster van een personenauto van het merk [merk auto], [naam slachtoffer], heeft gereden over de [P.weg], komende vanuit de richting van Sittard. Zij heeft haar voertuig voor het in haar richting rood uitstralende verkeerslicht, dat voor de T-kruising met de [K.laan] stond, tot stilstand gebracht. Nadat het verkeerslicht voor haar rijrichting groen licht uitstraalde, is zij de kruising opgereden, om haar weg linksaf te vervolgen in de richting van de [K.laan].

Op het kruisingsvlak is verdachte frontaal met de linker voorzijde van zijn voertuig tegen de rechter voorzijde van het tegemoetkomende voertuig aangereden. De bestuurster van de [merk auto] is na het ongeval naar het ziekenhuis te Sittard vervoerd. Als gevolg van het verkeersongeval heeft [naam slachtoffer] bloeduitstortingen opgelopen in beide borsten, een buikwandkneuzing en een verwonding aan haar linker knie. Er is sprake van intrekkingen rechterborst na autogordelletsel en littekenweefsel, als gevolg waarvan een beiderzijdse borstcorrectie wordt geadviseerd. Op 28 maart 2011 heeft [naam slachtoffer] bij de politie verklaard dat haar rechterborst is verminkt - nu deze in tweeën is gespleten door het gebruik van de autogordel - en dat zij nog altijd niet in staat is haar knie volledig te kunnen gebruiken. Zij heeft verklaard dat zij last heeft van bloedstolsels in beide borsten waarvoor zij fysiotherapie krijgt, alsmede dat haar rechterborst blijvend beschadigd is en enkel via plastische chirurgie kan worden hersteld. Haar werkzaamheden (eigen praktijk, yoga- en massagelessen) heeft zij niet meer kunnen uitvoeren sinds de aanrijding. De forensisch geneeskundige heeft verklaard dat indien een letsel leidt tot een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid (langer dan 4 tot 6 weken) zowel juridisch als medisch sprake is van ernstig letsel.

Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft aangifte gedaan jegens verdachte ter zake het verlaten van de plaats van het ongeval zonder zijn identiteit kenbaar te hebben gemaakt. De getuige [naam getuige] heeft gezien dat er een aanrijding tussen de auto van het merk [merk auto] en de auto van het merk [merk auto] plaatsvond. De bestuurder van de [merk auto] is uit de auto gestapt en zonder zijn identiteit kenbaar te maken in de richting van de berm en vervolgens via de vluchtstrook weggelopen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, rijdende over de [P.weg] op de kruising met een snelheid van 80 à 90 kilometer per uur tegen een auto die vanaf de andere kant kwam en ‘wilde indraaien’, is aangereden. Na de aanrijding is verdachte in paniek weggelopen naar Amstenrade, alwaar hij in een café nog een drietal biertjes heeft gedronken. Verder heeft verdachte nog verklaard vóór de aanrijding - tussen 18.00 uur en 21.00 uur - vier glazen bier en een Bacardi-cola te hebben gedronken.

Uit het ademonderzoek waaraan verdachte zijn medewerking heeft verleend is gebleken, dat verdachte na het ongeval verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank. Echter, rekening houdend met de verklaring van verdachte, dat hij na het ongeval nog alcoholische drank heeft genuttigd, heeft het Nederlands Forensisch instituut uitgerekend dat het alcoholpromillage gemeten na het ongeval, naar schatting gecorrigeerd moet worden tot 220 microgram per liter uitgeademde lucht op het moment van het ongeval.

Uit onderzoek door de politie is het volgende gebleken. De verkeerslichten functioneerden die nacht goed en vertoonden geen storingen. De verkeerslichten waren beveiligd, zodat het voor verdachte bestemde (driekleurig) verkeerslicht nooit gelijktijdig met het voor de bestuurster van de [merk auto] bestemde verkeerslicht, groen of geel licht kon uitstralen.

Alvorens het voor verdachte bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde, stond het eerst vier seconden op geel. Tussen rood licht voor verdachte en groen licht voor de bestuurster van de [merk auto] was er een ontruimingstijd van 1 seconde. Er werden geen sporen aangetroffen aan de hand waarvan de rijsnelheid van verdachte kon worden vastgesteld. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij met een snelheid van 80 km per uur heeft gereden en rekening houdende met de tijd dat het verkeerslicht geel licht uitstraalde, straalde het voor verdachte bestemde verkeerslicht waarvoor hij had moeten stoppen al 3,59 seconden rood licht uit, op het moment dat hij de stopstreep passeerde. De beide bij het ongeval betrokken voertuigen vertoonden, voor zover kon worden nagegaan, geen gebreken en waren rijtechnisch gezien in orde. Ten tijde van het ongeval was het zicht goed.

Overwegingen

Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte door rood licht heeft gereden, zijn vaart niet heeft geminderd toen hij de T-kruising naderde, alsmede dat hij onder invloed verkeerde van alcohol, hetgeen redengevend is voor het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer heeft gedragen.

Uit de verkeersongevalanalyse is gebleken dat het voor verdachte geldende verkeerslicht op voornoemde T-kruising eerst 4 seconden geel licht en vervolgens ruim 3 seconden rood licht uitstraalde. De rechtbank kan niet anders dan concluderen op basis van de foto’s van de situatie ter plekke behorende bij de verkeersongevalanalyse, dat verdachte niet alleen onbelemmerd zicht heeft gehad op voornoemd verkeerslicht, maar dat hij - gezien de tijd dat het verkeerslicht op geel en vervolgens op rood stond - eveneens tijdig zijn voertuig voor de stopstreep tot stilstand had kunnen brengen op het moment dat het voor hem bestemde verkeerslicht geel en vervolgens rood licht uitstraalde. Dat heeft verdachte echter nagelaten.

De rechtbank concludeert aan de hand van de NFI-rapportage dat er geen indicatie is dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte op het moment van het ongeval boven de wettelijk toelaatbare grens van 220 microgram per liter uitgeademde lucht lag. De rechtbank gaat echter op basis van ervaringsregels wel vanuit dat het gebruik van alcohol van invloed is geweest op de oplettendheid van verdachte, in die zin dat verdachte minder alert is geweest.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat het slachtoffer [naam slachtoffer] ten gevolge van het ongeval aan haar borsten heeft opgelopen, mede op grond van de hiervoor gemelde verklaring van de forensisch geneeskundige, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, nu [naam slachtoffer], ruim vijf maanden na het ongeval, nog altijd hinder ondervindt van bloedstolsels in haar borsten, plastische chirurgie van haar borsten wordt geadviseerd, en zij de werkzaamheden uit hoofde van haar beroep niet kan uitoefenen.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat hij voornoemd persoon letsel en schade had toegebracht. Verdachte is immers met hoge snelheid in aanrijding gekomen met een zijn weg op draaiende auto. Het was onmiddellijk zichtbaar dat beide auto’s forse schade hadden. De bestuurster van de andere auto heeft haar voertuig na het ongeval niet verlaten. Verdachte is uit zijn auto gestapt en weggelopen, zonder zijn identiteit bekend te maken en zonder zich om de bestuurster van de andere auto te bekommeren. Onder deze omstandigheden heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bestuurster van de andere auto letsel had.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank ook het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

op 3 oktober 2010 in de gemeente Brunssum als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [P.weg] komende uit de richting van de [E.weg] en gekomen bij de kruising van die [P.weg] en de [K.laan], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, - na gebruik van alcoholhoudende drank -, zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising op te rijden op het moment dat een personenauto, rijdende over de [P.weg] en komende uit de richting van Sittard, doende was linksaf te slaan teneinde de [K.laan] op te rijden, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, door welk verkeersongeval [naam slachtoffer], zijnde de bestuurster van die personenauto, zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

2.

op 3 oktober 2010 in de gemeente Brunssum als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval, door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [P.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [naam slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

Feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft hij ten aanzien van feit 1 primair gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden en ten aanzien van feit 2 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

5.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft op 3 oktober 2010 door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten, terwijl hij wist dat het slachtoffer letsel en schade had opgelopen. Verdachte heeft twee ernstige strafbare feiten gepleegd. De rechtbank rekent hem dit dan ook zwaar aan. Verdachte heeft geen blijk gegeven van inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen. Zo is verdachte niet ter terechtzitting verschenen en is niet gebleken dat verdachte sinds het ongeval contact heeft gezocht met het slachtoffer.

Weliswaar staat vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde, doch nu dit niet als strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd, zal de rechtbank daar bij de bepaling van de straf geen rekening mee houden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte.

Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS), die voor 6 WVW-zaken - een grove verkeersfout, een slachtoffer dat zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en geen alcoholgebruik - als straf een gevangenisstraf van twee maanden en een rijontzegging van één jaar passend achten. Voor 7 WVW-zaken zijn er geen oriëntatiepunten voorhanden.

De rechtbank acht voor de beide bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden op zijn plaats.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid en gezien de ernst van de feiten en het zwaar lichamelijk letsel van [naam slachtoffer], zal de rechtbank ten slotte aan verdachte de bevoegdheid ontzeggen motorrijtuigen te besturen, ten aanzien van feit 1 primair voor de duur van 1 jaar en ten aanzien van feit 2 voor de duur van 2 maanden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 primair tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar;

- veroordeelt verdachte voorts ter zake van feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 september 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2010, in de gemeente Brunssum, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [P.weg] komende uit de richting van de [E.weg] en gekomen bij de kruising van die [P.weg] en de [K.laan], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na gebruik van alcoholhoudende drank -

zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising op te rijden op het moment dat een personenauto, rijdende over de [P.weg] en komende uit de richting van Sittard, doende was linksaf te slaan teneinde de [K.laan] op te rijden, tengevolge waarvan een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, door welk verkeersongeval [naam slachtoffer], zijnde de bestuurster van die personenauto, zwaar lichamelijk letsel, of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefenig van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 in de gemeente Brunssum als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [P.weg], komende uit de richting van de [E.weg] en gekomen bij de kruising tussen die weg en de [K.laan],

- na gebruik van alcoholhoudende drank - zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, voornoemde kruising is opgereden op het moment dat een personenauto, rijdende over de [P.weg] en komende uit de richting van Sittard, doende was linksaf te slaan teneinde de [K.laan] op te rijden, tengevolge waarvan een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 in de gemeente Brunssum als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [P.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.