Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BV1123

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
03/700269-11 en 03/855191-10 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis: Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen met kracht met geschoeide voet schoppen tegen een hoofd, tot de dood kan leiden. Verdachte wordt veroordeeld voor onder meer poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700269-11 en 03/855191-10 (VTVV)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te Sittard- Geleen,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 oktober 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 17 mei 2011 heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] te doden, dan wel [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2: een fiets van [naam slachtoffer 2] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, dan wel is doorgereden na een ongeval, terwijl hij wist of moest vermoeden dat aan [naam slachtoffer 2] letsel of schade was toegebracht;

Feit 3: een auto van [naam slachtoffer 1] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, dan wel is doorgereden na een ongeval, terwijl hij wist of moest vermoeden dat aan [naam slachtoffer 1] letsel of schade was toegebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte op 17 mei 2011 [naam slachtoffer 1] zo hard heeft geslagen en geschopt, dat sprake is van een poging doodslag (feit 1 primair). Zij heeft zich voor het bewijs onder meer gebaseerd op de verklaringen van het slachtoffer [naam slachtoffer 1], de camerabeelden die van het voorval zijn gemaakt en die ter terechtzitting zijn afgespeeld, alsmede de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, namelijk dat hij het slachtoffer tegen zijn hoofd heeft getrapt.

De officier van justitie acht daarnaast bewezen dat verdachte op voornoemde datum de fiets van [naam slachtoffer 2] heeft vernield (feit 2 primair) en de auto van [naam slachtoffer 1] heeft beschadigd (feit 3 primair).

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

Primair

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, nu verdachte niet het opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad om [naam slachtoffer 1] te doden. De wijze van slaan (met een blote vuist) en trappen (verdachte droeg gymschoenen) door verdachte levert volgens de raadsvrouw geen poging doodslag op. Op de beelden is te zien dat verdachte trapt naar [naam slachtoffer 1], die op de grond is gevallen en verdachte vasthoudt aan zijn been. De raadsvrouw heeft echter in twijfel getrokken of het hoofd van [naam slachtoffer 1] door het trappen is geraakt.

Subsidiair

Volgens de raadsvrouw is niet komen vast te staan waardoor [naam slachtoffer 1] letsel aan zijn hoofd heeft bekomen. Mogelijk zijn de verwondingen ontstaan doordat [naam slachtoffer 1] is gevallen, op het moment dat hij verdachte aan zijn broek vasthield toen deze op zijn scooter weg wilde rijden. Nu niet is komen vast te staan waardoor [naam slachtoffer 1] letsel heeft bekomen, dient verdachte van de ten laste gelegde zware mishandeling te worden vrijgesproken.

Meer subsidiair

Naar de mening van de raadsvrouw kan verdachte wel worden veroordeeld voor de ten laste gelegde poging zware mishandeling, aangezien hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen op het moment dat verdachte met zijn scooter wegreed en het slachtoffer hem vast had. [naam slachtoffer 1] had namelijk daardoor kunnen vallen.

Feit 2

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van de onder 2 primair ten laste gelegde vernieling moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op de vernieling. Wel kan verdachte veroordeeld worden voor feit 2 subsidiair, nu hij - nadat hij [naam slachtoffer 2] op haar fiets heeft aangereden - de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Feit 3

Tot slot heeft de raadsvrouw vrijspraak van de onder 3 primair ten laste gelegde vernieling bepleit. Het opzet van verdachte was niet gericht op de vernieling van de auto van [naam slachtoffer 1]. [naam slachtoffer 1] heeft verdachte belemmerd op zijn scooter te rijden, waardoor verdachte zijn evenwicht verloor en tegen de auto van [naam slachtoffer 1] is gereden. Een veroordeling voor feit 3 subsidiair ligt wel in de rede, nu verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 primair en 3 primair

Op 17 mei 2011 is door [naam slachtoffer 1] aangifte gedaan van mishandeling op voornoemde datum te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

[naam slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij, toen hij uit de tandartspraktijk kwam gelopen, zag hoe voor zijn neus een meisje op een fiets door een bromfiets werd aangereden, waarna het meisje hard op de grond viel. De bromfietser maakte geen aanstalten om te kijken hoe het meisje er aan toe was. [naam slachtoffer 1] hoorde dat de bromfietser gas gaf en weg wilde rijden. [naam slachtoffer 1] ging voor de bromfietser staan en hield het stuur vast, om zo de bromfietser te beletten weg te rijden. Vervolgens wilde de bromfietser links om [naam slachtoffer 1] heen rijden en schoot de bromfietser door naar de andere zijde van de weg tegen de linkervoorzijde van de auto van [naam slachtoffer 1], die geparkeerd stond op de parkeerplaats voor het pand van de praktijk. De auto van [naam slachtoffer 1] is aan de linker voorzijde beschadigd. [naam slachtoffer 1] rende vervolgens naar de bromfietser toe, pakte de bromfiets wederom vast en zei tegen de bromfietser dat hij niet meer wegkwam, alvorens de politie was geweest. [naam slachtoffer 1] voelde vervolgens enkele harde klappen tegen zijn hoofd, waarna hij op de grond viel. Op de grond voelde hij dat de bromfietser tegen zijn hoofd trapte. Aangever heeft verklaard over 6 á 7 trappen tegen het hoofd.

De getuige [naam getuige], werkzaam in de tandartspraktijk, heeft verklaard dat zij zag dat een jongen ruzie had met een oudere man. Zij zag dat op het moment dat de man op de grond viel, de jongen diverse malen met kracht tegen het hoofd van de man schopte; de man werd bij de eerste schop ‘vol’ in het gelaat, net boven zijn ogen, geraakt en bij de tweede trap ‘vol’ tegen de linkerzijde van het hoofd, ter hoogte van de slaap.

Van het voorval zijn camerabeelden gemaakt, opgenomen door de bewakingscamera van de tandartspraktijk. Deze camerabeelden zijn ter terechtzitting bekeken. Op deze beelden is te zien dat verdachte op zijn scooter wegrijdt, terwijl hij van achteren door een man wordt vastgehouden. Verdachte botst daarbij vervolgens met zijn scooter tegen de linkervoorzijde van een geparkeerde auto. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte tweemaal met zijn rechterbeen uithaalt en met kracht schopt tegen het hoofd van die man, op het moment dat deze op de grond ligt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de jongen op de scooter is die op de camerabeelden is te zien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij aangever [naam slachtoffer 1] hard tegen zijn hoofd heeft geschopt. Hij wilde dat [naam slachtoffer 1] hem los zou laten, zodat hij kon vertrekken.

Overwegingen feit 1 primair

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 mei 2011 een man, te weten [naam slachtoffer 1], meermalen, te weten tweemaal, met kracht met een geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt. Dat verdachte het slachtoffer twee maal tegen het hoofd heeft geschopt, baseert de rechtbank mede op de camerabeelden, waarop dat duidelijk is waar te nemen. Vervolgens is de vraag aan de orde of deze bewezen handelingen een poging doodslag opleveren. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Getuige [naam getuige] beschrijft dat het slachtoffer bij de eerste schop ‘vol’ in het gelaat wordt geraakt en bij de tweede trap ‘vol’ tegen de linkerzijde van zijn hoofd wordt geraakt, ter hoogte van de slaap. Zoals reeds hiervoor overwogen, heeft de rechtbank zelf aan de hand van de camerabeelden waargenomen dat verdachte tweemaal met kracht tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1] heeft geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen met kracht met geschoeide voet schoppen tegen een hoofd, tot de dood kan leiden. Het hoofd is immers een kwetsbaar lichaamsdeel en een (onverwachte) uitoefening van kracht kan zeer wel (hersen)letsel veroorzaken ten gevolge waarvan iemand kan komen te overlijden. Verdachte heeft door meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1] (ondermeer tegen zijn slaap) te schoppen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer 1] zou kunnen komen te overlijden.

Het feit dat verdachte gymschoenen droeg, maakt, dit, nu het schoppen met kracht gebeurde, niet anders, zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit handelen van verdachte een poging doodslag oplevert.

De rechtbank acht het ten laste gelegde slaan/stompen niet bewezen, nu niet uit de bewijsmiddelen volgt dat daarvan nog sprake is geweest op het moment dat [naam slachtoffer 1] op de grond lag. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt wel dat verdachte het slachtoffer (eerder) heeft geslagen, maar dit slaan levert naar het oordeel van de rechtbank geen bijdrage in de bewezenverklaarde poging doodslag op.

Overweging feit 3 primair

Zoals uit de bewijsmiddelen, met name de camerabeelden, blijkt, is verdachte op zijn scooter weggereden, terwijl hij van achteren door een man, te weten, [naam slachtoffer 1], wordt vastgehouden. Verdachte botst daarbij vervolgens met zijn scooter tegen de linkervoorzijde van een geparkeerde auto. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door onder deze omstandigheden zijn weg te vervolgen, de aanmerkelijke kans op de koop toe neemt, dat hij zijn evenwicht verliest en zijn voertuig niet meer onder controle heeft en daarbij tegen een al dan niet geparkeerde auto aanrijdt/botst. De rechtbank acht dan ook het opzet op beschadiging van de personenauto, in de zin van voorwaardelijk opzet, bewezen.

Vrijspraak feit 2 primair

De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt immers dat verdachte betrokken is geweest bij een aanrijding met een fietster, te weten [naam slachtoffer 2], die, voor verdachte onverwacht, de weg overstak. Nergens valt uit af te leiden dat verdachte in zijn hoedanigheid van verkeersdeelnemer het opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - had op de vernieling van de fiets van [naam slachtoffer 2].

Bewijsmiddelen feit 2 subsidiair

Op 17 mei 2011 is door [naam slachtoffer 2] aangifte gedaan van het ‘verlaten plaats na verkeersongeval’ diezelfde dag te Sittard, gemeente Sittard-Geleen. [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij, toen zij op haar fiets de [T.weg] was opgereden en de weg bijna was overgestoken, iets tegen haar been voelde en dat zij vervolgens op de weg lag. Er lag ook een scooter op de grond. Een persoon probeerde deze scooter op te rapen. Zij vermoedde dat dit de bestuurder was van de scooter. Zij heeft aangegeven dat haar fiets helemaal kapot was. Het achterwiel van de fiets was dubbel gevouwen door de impact van de scooter. De bestuurder is uiteindelijk weggereden zonder zijn identiteit noch de kentekengegevens van de bromfiets kenbaar te maken.

Op voornoemde camerabeelden is te zien dat verdachte met een aanzienlijke snelheid tegen een fietster aanrijdt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij is weggereden zonder zijn gegevens achter te laten, omdat hij bang was dat de scooter (die eigendom was van een vriend) door de politie in beslag genomen zou worden, aangezien de scooter was voorzien van een te zware motor.

Overwegingen feit 2 subsidiair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, terwijl hij behoorlijke snelheid had, in aanrijding is gekomen met een zijn weg op draaiende fietster, te weten [naam slachtoffer 2], die daardoor met haar fiets ten val is gekomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in een dergelijke situatie de aanmerkelijke kans bestaat dat de fiets is beschadigd. Het lag op de weg van verdachte om onder deze omstandigheden te stoppen en te kijken wie en/of wat hij precies had geraakt. Het was in casu voor verdachte ook onmiddellijk zichtbaar dat de fiets na de aanrijding schade had opgelopen. Verdachte is echter weggereden zonder zich van de schade aan de fiets te vergewissen en in dat verband zijn identiteit bekend te maken. Door zo te handelen, concludeert de rechtbank dat verdachte wist, in voorwaardelijke zin, dat aan de door [naam slachtoffer 2] bestuurde fiets - schade was toegebracht. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

op 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer 1], terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

op 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [T.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander, te weten [naam slachtoffer 2], schade aan de door die [naam slachtoffer 2] bestuurde fiets was toegebracht;

3. primair

op 17 mei 2011 te gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [naam slachtoffer 1], heeft beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

poging tot doodslag

Feit 2 subsidiair:

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994

Feit 3 primair:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van de verdachte

Door psychiater J.L.M. Dinjens werd, na inzage van de gerechtelijke stukken, een psychiatrisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een Pro Justitia-rapport d.d. 19 augustus 2011.

De psychiater komt - zakelijk weergegeven - tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk ADHD van het gecombineerde type, zwakbegaafdheid, kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en cannabisafhankelijkheid (ten tijde van het opstellen van het rapport in gedwongen remissie), welke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte was een aantal weken voor de ten laste gelegde feiten gestopt met zijn ADHD-medicatie, waardoor de toch al gebrekkige impulscontrole en emotie- en agressieregulatie verder onder druk werden gezet. Dat heeft er volgens de psychiater mede toe geleid dat verdachte in verminderde mate in staat was de gevolgen van zijn daden te kunnen overzien of te sturen. Verdachte had kunnen weten dat het stoppen van de medicatie van invloed zou kunnen zijn op zijn gedragingen, maar hij was slechts gedeeltelijk in staat de consequenties hiervan te overzien, gezien zijn (intellectuele) beperkingen.

De psychiater adviseert de rechtbank om verdachte ten aanzien van feit 1, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en ten aanzien van de feiten 2 en 3, indien bewezen, als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de psychiater over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, uit te voeren door de jeugdreclassering , meer specifiek door de Wiliam Schrikker Groep, de eerste 6 maanden van de proeftijd in het kader van ITB-Harde Kern.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw van verdachte heeft betoogd dat de strafeis veel te hoog is, gelet op de door haar bepleite vrijspraak voor de poging doodslag en de conclusies van de psychiater. Zij stelt voor om een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte de zes maanden (of gelijk aan de duur van het voorarrest) niet overtreft, en eventueel nog een voorwaardelijk deel op te leggen. Voorts is de bijzondere voorwaarde van ITB-Harde Kern op zijn plaats.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, een vernieling en het verlaten van de plaats ongeval. Eén daarvan, de poging doodslag, legt in ernst voor de rechtbank het meeste gewicht in de schaal. Verdachte heeft blijk gegeven van een schrijnend gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van zijn medemens, terwijl [naam slachtoffer 1] juist opkwam voor een derde, toen verdachte de plaats ongeval wilde verlaten zonder zijn identiteit achter te laten. Het gebeuren heeft voor [naam slachtoffer 1] zowel lichamelijk nadelige gevolgen gehad, alsmede de nodige psychische gevolgen, zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaring. De omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van dit soort misdrijven nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, zoals dat ook bij [naam slachtoffer 1] het geval is gebleken, weegt de rechtbank mee bij de bepaling van de strafmaat. Deze gebeurtenis had voor het slachtoffer [naam slachtoffer 1] ook heel anders kunnen aflopen. Verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven daarvan doordrongen te zijn.

De rechtbank heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Op grond daarvan dient in beginsel in geval van poging doodslag als uitgangspunt te worden genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank voorts de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen. De rechtbank beschouwt, zoals hiervoor al overwogen, verdachte ter zake de poging doodslag (feit 1 primair) als verminderd toerekeningsvatbaar en ter zake het verlaten van de plaats ongeval (feit 2 subsidiair) en de vernieling (feit 3 primair) licht verminderd toerekeningsvatbaar. Deze omstandigheid zal de rechtbank meewegen bij de stafoplegging.

Gezien de (licht) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn jeugdige leeftijd, alsmede het feit dat verdachte oprecht spijt heeft, ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf van 4 jaren, een lagere gevangenisstraf van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk op te leggen, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. Het voorwaardelijk deel dient als een stevige stok achter de deur voor verdachte, teneinde hem op het goede pad te houden.

De rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsrapporten van Mondriaan en de William Schrikker Jeugdreclassering.

De rechtbank acht het, mede gelet op de inhoud van deze rapporten, noodzakelijk dat aan verdachte de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht wordt opgelegd. In voornoemde reclasseringsrapporten en ter terechtzitting is ervoor gepleit het reclasseringstoezicht door de William Schrikker Jeugdreclassering te laten uitvoeren. De rechtbank kan echter thans niet overzien of dat over twee jaar nog steeds de gewenste optie is. Daarom zal de rechtbank de volwassen reclassering belasten met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht (hulp en steun). De rechtbank laat het aan de reclassering over om de feitelijke uitvoering aan de jeugdreclassering over te laten, als zij dat tegen die tijd nog opportuun acht.

6 De benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer 1], en[naam slachtoffer 2], zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1]

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] vordert met betrekking tot feit 1 een schadevergoeding van € 5.857,59, waarvan € 3.857,90 ter zake van materiële schade en € 2.000,00 ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd tot toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadvrouw heeft met betrekking tot de gevorderde immateriële schade aangevoerd dat een bedrag van maximaal € 500,00 kan worden toegewezen en voorts dat ten aanzien van de materiële schade enkel de post ‘eigen risico’ ad € 150,00 voor vergoeding in aanmerking kan komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering met betrekking tot de post ‘misgelopen resultaatsbeloning door niet behalen van targets’ ad

€ 700,00. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of deze targets gehaald zouden worden, indien de benadeelde partij wel had kunnen werken. Het voert te ver om dit in deze procedure uit te zoeken, nu dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 5.117,64 (bestaande uit materiële schade ad

€ 3.117,64 en immateriële schade ad € 2.000,00) en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen, nu dat bedrag, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende is onderbouwd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van dit totaalbedrag de schade de post ‘Gaastra jas’ naar maatstaven van billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 200,00, in verband met de aanschafdatum van de jas. De rechtbank zal de vordering met betrekking tot voornoemde post voor het overige afwijzen.

Het bedrag van € 5.317,95 zal worden verhoogd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2011.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2]

De benadeelde partij [naam slachtoffer 2] vordert met betrekking tot feit 2 een schadevergoeding van

€ 548,00, waarvan € 189,00 ter zake van materiële schade en € 350,00 ter zake van immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] rechtstreeks schade is toegebracht door het hiervoor onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden, vloeit namelijk niet voort uit het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit (verlaten plaats ongeval), maar uit het feit dat zij getuige is geweest van het geweldsdelict jegens [naam slachtoffer 1].

7 De vordering tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een jeugddetentie voor de duur van één maand, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de kinderrechter d.d. 15 juli 2010, gewezen onder parketnummer 03/855191-10. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f , 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit, of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 5.117,64 (vijfduizend honderdzeventien euro vierenzestig), vermeerderd met de wettelijke rente van 17 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] met betrekking tot de post ‘misgelopen resultaatsbeloning door niet behalen van targets’ ad € 700,00 niet ontvankelijk is en dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] met betrekking tot de post ‘Gaastra jas’, voor zover deze vordering het bedrag van € 200,00 te boven gaat;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte (ter zake van het bewezen verklaarde onder feit 1 primair) de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] voornoemd bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2011, bij niet betaling te vervangen door 61 dagen gevangenisstraf, met dien verstande dat de vervangende gevangenisstraf de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de (in de zaak onder parketnummer 03/855191-10) aan veroordeelde bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 15 juli 2010 voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een jeugddetentie voor de duur van één maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 oktober 2011.

Buiten staat

De voorzitter mr. R.A.J. van Leeuwen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer 1], (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in het hoofd/gezicht heeft gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in het hoofd/gezicht te stompen/slaan en/of te schoppen/trappen;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 1], (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/in het hoofd/gezicht heeft gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 te gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [T.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer 2]) letsel en/of schade (aan de door die [naam slachtoffer 2] bestuurde fiets) was toegebracht;

3.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 te gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2011 in de gemeente Sittard-Geleen als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [T.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer 1]) letsel en/of schade (aan de door die [naam slachtoffer 1] bestuurde personenauto) was toegebracht.