Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU9208

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
03/700488-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 5 september 2010 in de gemeente Stein eigenmachtig toegang tot een garage verschaft en heeft in die garage een brand gesticht, met als gevolg dat die garage geheel is uitgebrand en de desbetreffende woning enorme schade heeft opgelopen. Ten tijde van de brand lagen de eigenaren van de woning te slapen. Verdachte is na het zien van de brand gevlucht op de fiets van een van de eigenaren van de woning. Hij heeft er op geen enkel moment stil bij gestaan welke gevolgen de brand zou kunnen hebben voor anderen. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. Bovendien liepen door de uitslaande brand de aan de woning belendende percelen eveneens gevaar alsmede de op die percelen verblijvende personen. Van geluk mag worden gesproken dat de brand door kordaat optreden van de brandweer en de eigenaar van het naastgelegen perceel niet is overgeslagen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf wordt de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht gekoppeld. Voorts wordt verdachte veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700488-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [woon gegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. C.J.M. Dreessen, advocaat te Sittard-Geleen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15 februari 2011 en 23 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opzettelijk dan wel aan zijn schuld te wijten brand heeft gesticht waardoor personen en goederen in gevaar werden gebracht;

Feit 2: een fiets heeft gestolen door middel van braak.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar de aangifte, de getuigenverklaring van de bevelvoerder van de brandweer, het proces-verbaal sporenonderzoek Forensische Opsporing en naar diverse ‘leugenachtige’ verklaringen van verdachte.

Ook het tweede feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, echter met uitzondering van de braak.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor feit 1 primair, nu het dossier geen bewijs bevat waaruit kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk noch in de variant van het voorwaardelijk opzet brand heeft gesticht. Daarnaast dient verdachte van feit 1 subsidiair te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte niet of onvoldoende wezenlijk heeft voorzien welke fatale gevolgen zijn gedrag heeft gehad.

De raadsvrouwe stelt zich verder op het standpunt dat voor feit 2 vrijspraak dient te volgen nu de tenlastegelegde braak niet bewezen kan worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten

Op 5 september 2010 is in de garage behorende bij de woning [delictplaats te Stein,]een brand ontstaan met als gevolg dat de garage is uitgebrand en schade is ontstaan aan de woning./ Aangever en zijn vrouw waren ten tijde van de brand (in de garage) in hun woning aan het slapen. De buren [slachtoffers](wonende in het pand naast de woning van aangever) waren ten tijde van de brand eveneens in hun woning aanwezig.

Verklaringen

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 5 september 2010 in beschonken toestand het café [café naam]te Stein heeft verlaten en op zoek is gegaan naar een fiets, met de bedoeling deze weg te nemen. Aangekomen bij de woning aan de [plaatsgegevens]te Stein, heeft hij de tuin van de woning betreden. Daar zag hij geen fiets staan en hij is vervolgens doorgelopen naar de garage. Verdachte heeft de garage betreden, had geen zicht en is in het donker eerst tegen iets aangevallen en vervolgens op de grond terechtgekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij iets hoorde vallen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij - al liggend op de grond - zijn rolaansteker uit zijn jaszak haalde en deze ontstak om te zien waar hij was. Direct volgde een steekvlam. Verdachte is de garage uitgevlucht en is met de fiets, waar hij tegenaan liep, weggereden.

Eigen waarneming

De rechtbank stelt aan de hand van de foto’s 1, 5 en 6 (p. 95-97) behorende bij de fotomap en deel uitmakend van het proces-verbaal relaterende het sporenonderzoek op pagina 60 e.v., vast dat de woning aan de [plaatsgegevens] kort is gelegen naast andere woningen.

De vraag die de rechtbank vooreerst dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk brand heeft gesticht. Die vraag zal de rechtbank ontkennend beantwoorden. Verdachte heeft veel verschillende verklaringen afgelegd. De rechtbank heeft gezien dat verdachte in eerste instantie onder zijn verantwoordelijkheid probeerde uit te komen, maar gaandeweg heeft verdachte openheid van zaken proberen te geven over de toedracht van het gebeurde. Verdachte had echter op de bewuste avond flink wat alcohol genuttigd waardoor hij zich kennelijk niet alles meer precies kan herinneren. Er kan dan ook niet gezegd worden dat verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard. De rechtbank acht het eerder aannemelijk dat verdachte steeds weer heeft geprobeerd de gebeurtenis en zijn aandeel daarin te reconstrueren aan de hand van door hem verkregen informatie en aan hem gestelde vragen. Nu de rechtbank niets weet over de precieze toedracht van de brandstichting en evenmin de beweegredenen daartoe uit het voorhanden bewijsmateriaal kan achterhalen, is het bewijs voor de opzet (ook in voorwaardelijke zin) niet vast te stellen. Het rapport van het sporenonderzoek biedt overigens daartoe ook geen aanknopingspunten.

Verdachte zal derhalve van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank acht - met inachtneming van de opgesomde bewijsmiddelen - wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat het niet ongebruikelijk is om in garages brandversnellende middelen dan wel brandbare stoffen te bewaren. Verdachte begaf zich in een garage waar hij niets te zoeken had, is gevallen en heeft gehoord dat door zijn val iets anders op de grond is gevallen. Door vervolgens een aansteker te pakken en deze te ontsteken in het donker, liep hij het risico het vuur in aanraking te brengen met brandversnellende middelen dan wel brandbare stoffen, hetgeen zich heeft verwezenlijkt.

Verdachte kan derhalve een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt van de ontstane brand, met alle gevolgen van dien, zoals verder onder 3.4 wordt weergegeven.

Voor zover de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat er sprake zou zijn geweest van een tweede brandhaard mist dit standpunt feitelijke grondslag. Nergens in het dossier wordt met een woord gerept van een tweede brandhaard. De verweren die de raadsvrouw naar aanleiding van haar standpunt heeft gevoerd, behoeven enkel daarom al geen bespreking.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat geen sprake is geweest van braak, verbreking en/of inklimming. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken. De rechtbank acht evenals de officier van justitie evenwel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de eenvoudige diefstal van de fiets heeft gepleegd, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 september 2010, en

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair:

op 05 september 2010 in de gemeente Stein, aanmerkelijk onvoorzichtig in een garage behorende bij een woning (gelegen aan de [plaatsgegevens]) een aansteker heeft ontstoken en die aansteker in aanraking heeft gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die garage en de inboedel van die garage geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die garage en de woning aan de [plaatsgegevens]en de belendende percelen, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aan de [plaatsgegevens]aanwezige personen en de op de belendende percelen aanwezige personen), ontstond;

2.

op 05 september 2010 in de gemeente Stein met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een tuin behorende tot een woning (gelegen aan de [plaatsgegevens]), heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan een ander dan aan verdachte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair:

aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en

aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat

Feit 2:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaar¬delijk met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en gezien de persoonlijkheid van de verdachte, zoals naar voren is gekomen in het psychologisch rapport van drs. C. Moerland. De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat - mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring - volstaan kan worden met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel met een taakstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De rechtbank heeft in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

Toepassing jeugdstrafrecht?

Met betrekking tot de persoon van verdachte is een psychologische rapportage opgemaakt door drs C. Moerland, GZ-psycholoog, d.d. 13 december 2010. In het rapport staat, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

Betrokkene’s alcoholgebruik voorafgaande aan het delict kan er de oorzaak van zijn dat hij roekelozer en onverschilliger heeft gehandeld dan gebruikelijk, en daardoor de gevaarlijke situatie in de garage heeft doen ontstaan. Omdat fors alcoholgebruik de enige (externe) verklarende externe factor is voor het gedrag dat betrokkene heeft laten zien, en er geen psychische stoornis is gevonden, is er geen aanleiding om hem anders dan als toerekeningsvatbaar te beschouwen. Hij heeft berouw. Recidivegevaar is niet groot. Het verdient aanbeveling dat binnenkort (in het kader van een cursus) psycho-educatie plaatsvindt op het gebied van alcoholmisbruik en de risico’s die dat meebrengt. Dit zou kunnen gebeuren in het kader van bijzondere voorwaarden bij de strafoplegging in combinatie met reclasseringstoezicht.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat toepassing van het strafrecht voor minderjarigen op deze meerderjarige verdachte niet aan de orde is. Immers noch in de persoonlijkheid van verdachte noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan blijkt de noodzaak daartoe. Het psychologisch rapport biedt daarvoor evenmin aanknopingspunten.

Verdachte heeft zich op 5 september 2010 in de gemeente Stein eigenmachtig toegang tot een garage verschaft en heeft in die garage een brand gesticht, met als gevolg dat die garage geheel is uitgebrand en de desbetreffende woning enorme schade heeft opgelopen. Ten tijde van de brand lagen de eigenaren van de woning te slapen. Verdachte is na het zien van de brand gevlucht op de fiets van een van de eigenaren van de woning. Hij heeft er op geen enkel moment stil bij gestaan welke gevolgen de brand zou kunnen hebben voor anderen. Verdachte heeft verzuimd de eigenaren te waarschuwen en heeft enkel voor zijn eigen hachje gezorgd. De omstandigheid dat verdachte zichzelf heeft verwond alsmede het gegeven dat hij behoorlijk alcohol had genuttigd ontslaat hem niet van verantwoordelijkheid die hij had moeten nemen om de huiseigenaren te waarschuwen. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. Bovendien liepen door de uitslaande brand de aan de woning belendende percelen eveneens gevaar alsmede de op die percelen verblijvende personen. Van geluk mag worden gesproken dat de brand door kordaat optreden van de brandweer en de eigenaar van het naastgelegen perceel niet is overgeslagen. Daarnaast heeft verdachte de gestolen fiets niet meegenomen naar zijn ouderlijk huis, maar deze op doortrapte wijze verder in de straat neergezet om zo te proberen onder zijn verantwoordelijkheid uit te komen.

De rechtbank vindt het overigens opvallend dat verdachte daarvoor wel de tegenwoordigheid van geest had.

De rechtbank houdt daarnaast bij de straftoemeting rekening met het gegeven dat het handelen van verdachte een enorme impact heeft en heeft gehad op de slachtoffers als individu en als gezin in het bijzonder. De slachtoffers hebben zeven maanden lang niet in hun eigen huis kunnen verblijven, een plek waar men zich veilig mag en moet kunnen voelen. Verdachte mag zich dat zwaar aanrekenen.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen strafblad heeft en dat nergens uit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte heeft ter zitting oprecht spijt betuigd. Verder heeft verdachte een baan en ontwikkelt hij zich in positieve zin. Verdachte neemt sinds kort deel aan psycho-educatie, in het bijzonder gericht op alcoholmisbruik, als geadviseerd door drs. C. Moerland, GZ psycholoog.

Het vorenstaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is. De door de officier van justitie gevorderde straf is naar het oordeel van de rechtbank te zwaar, enkel al vanwege het feit dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het primair tenlastegelegde niet bewezen acht. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk passend is met aftrek van het voorarrest. De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte zijn alcoholmisbruik onder ogen ziet en daaruit lering trekt. Derhalve zal de rechtbank verplicht reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde stellen bij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaar. De rechtbank ziet geen reden om die proeftijd te stellen op drie jaar, zoals door de officier van justitie gevorderd.

Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf voor de duur van 240 uren op zijn plaats.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1]vordert ten aanzien van feit 1 een schadevergoeding van € 2.000,- terzake van immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert ten aanzien van feit 1 een schadevergoeding van € 2.480,- waarvan € 2.000,- terzake van immateriële schade en € 480,- terzake van materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de geleden schade rechtstreeks verband houdt met het door verdachte gepleegde strafbare feit en zal de vorderingen integraal toewijzen. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de raadsvrouwe voor zover zij heeft aangevoerd dat de causaliteit ontbreekt vanwege het feit dat de schade mogelijk zou zijn veroorzaakt door een tweede brandhaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt van de raadsvrouwe ter zake elke feitelijke grondslag mist. Bovendien merkt de rechtbank op dat de vorderingen van de benadeelde partijen inhoudelijk niet zijn betwist.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 158, 310 en

311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 129 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], [plaatsgegevens], van een bedrag van EUR 2000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2010;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1]tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalings-verplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1]vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], [plaatsgegevens], van een bedrag van EUR 2480,- (EUR 2000,- aan immateriële schade en EUR 480,- aan materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente van 5 september 2010 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 34

dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalings-verplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2010;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 september 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 september 2010 in de gemeente Stein opzettelijk brand heeft gesticht in een garage behorende tot/bij een woning (gelegen aan de [plaatsgegevens]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aansteker aangemaakt/ontstoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die garage en/of de inboedel van die garage geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die garage en/of de woning aan de [plaatsgegevens]en/of een of meer belendende perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de woning [plaatsgegevens]bevindende perso(o)n(en) en/of de zich op/in de belendende percelen bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 05 september 2010 in de gemeente Stein, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een garage behorende tot/bij een woning (gelegen aan de [plaatsgegevens]) een aansteker heeft aangemaakt/ontstoken en/of die aansteker in aanraking heeft gebracht met een of meer brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die garage en/of de inboedel van die garage geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die garage en/of de woning aan de [plaatsgegevens]en/of de belendende perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aan de [plaatsgegevens]aanwezige perso(o)n(en) en/of de op/in de belendende perce(e)l(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond;

2.

hij op of omstreeks 05 september 2010 in de gemeente Stein met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een tuin behorende tot een woning (gelegen aan de [plaatsgegevens]), heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.