Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU9184

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
03-704209-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3066, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs van verduistering van gedoneerde gelden door pastoor. Gevangenisstraf en ambtshalve oplegging van de verplichting de verduisterde gelden te betalen aan de Staat ten behoeve van de persoon voor wie de gelden bedoeld waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/704209-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2011

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren [geboortedatum en geboorteplaats],

wonende [adresgegevens].

Raadsman is mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 10 oktober 2011 en 12 december 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 25 juni 2004 tot en met 27 januari 2006 verschillende mensen heeft opgelicht, dan wel meermalen een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 73.000,-) heeft verduisterd;

Feit 2: meermalen een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 73.000,-) heeft witgewassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door middel van een listige kunstgreep de donateurs heeft opgelicht. Hij heeft zich voorgedaan als inzamelaar van geld, dat bestemd was voor de slachtoffers van het ongeval in [woonplaats]. Verdachte weet volgens de officier van justitie echter al op 3 augustus 2004 dat hij het gedoneerde geld voor andere doelen zal gebruiken. Als de rechtbank van oordeel is dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, acht de officier van justitie het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft geconcludeerd dat verdachte zich het geld, dat hij als rekeninghouder van het hulpfonds onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. De gevers schonken het geld met een bepaald doel, waaraan verdachte het niet heeft besteed.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, met dien verstande dat naar zijn mening niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van het aannemen van een valse naam of hoedanigheid, noch van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Volgens de raadsman hebben geen bedrieglijke handelingen plaatsgevonden. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt, nu nergens uit blijkt dat verdachte van meet af aan de intentie had de gelden aan een ander doel dan waarvoor de gevers het bedoeld hadden uit te geven of zichzelf te verrijken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat de gelden rechtmatig verkregen zijn. Om te spreken van witwassen dient er volgens de raadsman sprake te zijn van crimineel geld.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 25 juni 2004 vond er op [adresgegevens] een noodlottig verkeersongeval plaats, waarbij een vrachtwagen een winkelpand binnen reed. Hierbij vonden de vrachtwagenchauffeur, [naam vrachtwagenchauffeur], en twee medewerkers van de winkel de dood. Naar aanleiding van dit ongeval richtte verdachte een hulpfonds op ter ondersteuning van de nabestaanden van de slachtoffers, in het bijzonder de weduwe van de chauffeur van de vrachtwagen. Hiertoe opende hij op 22 juli 2004 een rekening bij de ING bank. Deze girorekening, met nummer [z], was op zijn naam gesteld en alleen verdachte beschikte over een giropas hiervan. Verdachte riep mensen via de media op geld op deze rekening over te maken ten behoeve van de weduwe en de andere nabestaanden van de slachtoffers van het ongeval.

Uit onderzoek van de bankafschriften van genoemde girorekening komt naar voren dat tussen 22 juli 2004 en 27 januari 2006 in totaal € 75.203,97 werd bijgeschreven op de rekening van het hulpfonds. Bij vrijwel alle bijschrijvingen werd in de omschrijving aangegeven dat het gedoneerde bedrag bestemd was voor de familie [van de vrachtwagenchauffeur]. Volgens de officier van justitie heeft verdachte echter het geld op een andere wijze aangewend.

De eerste vraag die de rechtbank dus moet beantwoorden is wat er met het geldbedrag is gebeurd.

Daartoe is onder andere een onderzoek naar de bankrekening van het hulpfonds en de andere bekende bankrekeningen van [verdachte] uitgevoerd. Dat heeft tot navolgend beeld geleid.

In totaal werd een bedrag van € 45.376,- contant opgenomen. De eerste contante opname vond plaats op 2 augustus 2004 en bedroeg € 1.000,-, gevolgd door een contante opname op 3 augustus 2004 van € 10.000,-. De laatste contante opname vond plaats op 15 februari 2006. De besteding van dit bedrag ad € 45.376,- is grotendeels ongewis.

Verder bleek dat in de periode van 6 augustus 2004 tot en met 3 februari 2006 via diverse overboekingen en via betaalautomaten een geldbedrag van € 26.555,- werd besteed aan andere doelen dan waarvoor het geld was gedoneerd. Dit geld werd onder andere gebruikt om facturen van derden te voldoen en om te betalen bij de Sligro, de Praxis en Ikea. Ook bleek dat op 24 augustus en 24 september 2004 bedragen van respectievelijk € 600,- en € 250,- werden overgeboekt naar een andere girorekening ten name van verdachte. In totaal werd € 75.194,81 van de girorekening afgeschreven.

Uit onderzoek naar de andere bankrekeningen die op naam van verdachte staan komt naar voren dat op 4 augustus 2004

€ 7.500,- en € 1.000,- op rekeningnummer [x], een rekening ten name van verdachte, werden bijgeschreven (noot rechtbank: op 3 augustus 2004 was € 10.000,- opgenomen van de rekening van het hulpfonds). Op 24 augustus 2004 werd een bedrag van € 5000,- van deze rekening overgeboekt naar rekening [y], ook een rekening ten name van verdachte. Tevens werd op 22 februari 2005 een bedrag van € 5.000,- contant opgenomen. Diezelfde dag werd middels een kasstorting een bedrag van € 1.000,- bijgeschreven op rekening [y].

Verdachte heeft verklaard dat hij het op de girorekening gestorte geld deels gebruikt heeft om zijn persoonlijke rekening aan te vullen en reparaties aan zijn auto te betalen. Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat hij geld gebruikt heeft voor de verhuizing van een vriend en ook geld aan zijn zussen heeft gegeven. Zij ontvingen van hem ieder € 1.000,-. Tevens heeft hij het geld gebruikt om bij de Sligro te betalen en om te tanken.

Tussenconclusie.

Het vorenstaande leidt tot de volgende tussenconclusie. Van het in totaal geschonken bedrag ad € 75.203,97 werd

€ 75.194,81 weer uitgegeven door verdachte. Dit moet verdachte zijn geweest, omdat hij de enige was die over de rekening kon beschikken.

Hiervan werd € 26.555,- giraal besteed aan doelen waarvoor dit geld niet bedoeld was. Geen van de uitgaven is herleidbaar tot de weduwe of een van de andere nabestaanden van het ongeval in [woonplaats]. Nagenoeg het hele restant ad € 45.376,- is contant uitgegeven. Verdachte heeft toegegeven dat een deel daarvan eveneens is besteed aan andere doelen dan waarvoor het geld bedoeld was. Omdat verdachte echter ook met klem volhardt in zijn stelling dat een substantieel deel van die contante uitgaven ten goede zijn gekomen aan de weduwe en de andere nabestaanden, heeft de rechtbank die stelling vervolgens verder onderzocht.

Hebben de nabestaanden van het ongeval geld ontvangen uit het hulpfonds, en zo ja, hoeveel?

Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 november 2004 op advies van het Bisdom de Stichting Sint Elisabeth [woonplaats] in het leven heeft geroepen. Het eerste doel van de stichting was de nabestaanden van de slachtoffers van [woonplaats] financieel te ondersteunen. Het tweede doel was om mensen te helpen die buiten hun schuld in nood waren geraakt. Ten behoeve van deze stichting werden twee rekeningen bij de Rabobank geopend. Het geld dat verdachte had binnengekregen voor de nabestaanden van de slachtoffers van het ongeval, zou overgemaakt worden naar de rekeningen van de stichting. Dat heeft verdachte naar eigen zeggen echter nooit gedaan. Als reden hiervoor geeft verdachte op dat de gestorte gelden toen al grotendeels op waren.

Uit onderzoek aan de twee rekeningen ten name van Stichting St. Elisabeth komt naar voren dat enkel op 19 mei 2005 een bedrag van € 970,- is bijgeschreven, afkomstig van een geïnde cheque. Verder vonden er hoofdzakelijk afschrijvingen plaats in verband met periodieke bank- en rentekosten. De lopende rekening werd op 29 september 2010 opgeheven.

De conclusie, dat geen geld vanuit het hulpfonds naar de stichting is gevloeid en van daaruit naar de nabestaanden, is dus evident.

Volgens verdachte is hij in 2004 meerdere malen bij de weduwe van [de vrachtwagenchauffeur] geweest en heeft hij haar in totaal ongeveer € 20.000,- in contanten gegeven. De eerste keer dat hij bij haar op bezoek ging, heeft hij haar een aantal enveloppen gegeven die bij de pastorie waren bezorgd en waarvan hij aannam dat zij geld bevatten. Verder overhandigde hij haar na de begrafenis van [naam vrachtwagenchauffeur] € 5.000,-. Ook gaf hij haar € 10.000,- of € 7.500,- toen zij ging verhuizen. Daarnaast gaf hij haar nog een keer € 2.500,-.

Ook heeft verdachte verklaard dat hij aan de heer [naam persoon], wiens vrouw bij het ongeval omkwam, € 4.000,- had overhandigd en tevens de kosten van de koffietafel en de begrafenis had betaald. Daarnaast heeft hij ook de andere slachtoffers ieder € 1.000,- gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij in totaal ongeveer € 30.000,- aan de nabestaanden heeft uitgekeerd. Daarbij heeft hij nooit om een kwitantie gevraagd.

De overige € 40.000,- heeft hij naar eigen zeggen besteed aan andere mensen die naar zijn mening hulp nodig hadden.

De weduwe van [naam vrachtwagenchauffeur], [naam weduwe] genaamd, heeft op 8 november 2011 bij de rechter-commissaris verklaard nimmer contant geld van verdachte te hebben ontvangen. Wel heeft verdachte zorg gedragen voor de betaling van de crematie en het opbaren van haar man. Nu verdachte hier geen rekening meer van heeft kunnen overleggen, stelt de rechtbank de kosten hiervan schattenderwijs vast op € 2.000,-.

De heer [naam persoon] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij, na het overlijden van zijn vrouw, één keer een bedrag van € 400,- of € 500,- van verdachte heeft ontvangen om de kosten van de koffietafel te dekken. Verder heeft hij nooit geld van verdachte gekregen. Wel heeft hij later nog een cheque van verdachte gekregen, maar dat geld heeft hij nooit kunnen innen.

De bewoners van het pand waarin ook de getroffen supermarkt was gevestigd, zijn eveneens als getuigen gehoord. Mevrouw [naam] heeft verklaard dat zij van verdachte een cheque ter waarde van € 1.000,- heeft ontvangen. Ook de heer [naam] heeft verklaard dat hij namens de Stichting Sint Elisabeth een cheque van € 1.000,- heeft ontvangen. Hoewel deze personen strikt genomen geen nabestaanden zijn van de slachtoffers van [woonplaats] hebben zij bij het ongeval wel rechtstreeks schade geleden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze giften beantwoorden aan het doel waarvoor het geld is geschonken.

De rechtbank heeft verdachte nadrukkelijk gevraagd naar een eventuele reden voor zowel de weduwe als [naam] om te verzwijgen dat zij substantiële geldbedragen van verdachte zouden hebben ontvangen. Een plausibele verklaring heeft verdachte hiervoor echter niet gegeven.

Dat beiden, los van elkaar, hierover zouden liegen komt de rechtbank als uiterst onwaarschijnlijk voor.

Bovendien heeft verdachte meerdere personen genoemd die bij de overhandiging van de gelden aan de weduwe aanwezig zouden zijn geweest en daarvan kennis zouden hebben genomen. Deze personen ([namen van de personen]) zijn allen in het kader van deze procedure gehoord en hebben allen ontkend er getuige van te zijn geweest dat door verdachte geld is overhandigd aan de weduwe. Evenmin hebben zij ooit van verdachte gehoord dat hij geld aan haar zou hebben overhandigd.

De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de weduwe en [naam], inhoudende dat zij met uitzondering van de genoemde bedragen geen geld hebben ontvangen van verdachte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte – met uitzondering van twee keer € 1000,-, een keer

€ 500,- en de kosten van crematie en overbrenging van de urn ad € 2.000,- – de gelden van het hulpfonds niet heeft aangewend ten behoeve van de weduwe en/of andere nabestaanden van het ongeval in [woonplaats], maar voor een ander doel dan waarvoor zij bestemd waren. Het gaat dan om een bedrag van ongeveer € 70.500,-.

Oplichting of verduistering?

Tenslotte ziet de rechtbank zich nog gesteld voor de vraag of de primair ten laste gelegde oplichting dan wel de subsidiair ten laste gelegde verduistering kan worden bewezen.

Verdachte heeft ruimschoots bekendheid gegeven aan zijn voornemen om de nabestaanden te ondersteunen. Daartoe heeft hij ook een rekening geopend waarop gelden konden worden gestort. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter niet dat hier sprake zou zijn geweest van een verdichtsel met het vooropgezette doel om zich de gestorte geldbedragen toe te eigenen.

Wel volgt uit het onderzoek naar de bankafschriften van genoemde girorekening dat verdachte vanaf 2 augustus 2004 contante opnames is gaan doen voor een ander doel dan waarvoor de donaties bestemd waren. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat verdachte na 2 augustus 2004 nog handelingen heeft verricht om mensen te bewegen tot de afgifte van geld. Nadat verdachte immers de girorekening had geopend, werden de gelden vanzelf door de verschillende donateurs gestort.

Uit het voorgaande volgt dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde. Wel acht de rechtbank de onder 1 subsidiair tenlastegelegde verduistering wettig en overtuigend bewezen. Verdachte was immers rekeninghouder van de geopende girorekening waarop de gelden door de donateurs werden gestort. Verdachte heeft als heer en meester over het gestorte geld beschikt en heeft het uitgegeven aan andere doelen dan waarvoor het bestemd was.

Witwassen.

Ook acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen. Zoals hiervoor al uiteen is gezet heeft verdachte als heer en meester over de gestorte gelden beschikt. Hij heeft het door hem verduisterde geld overgedragen en omgezet. Hij heeft het geld immers overgemaakt en overgeboekt en voor verschillende doeleinden gebruikt. Bovendien diende verdachte als rekeninghouder verantwoording af te leggen voor de manier waarop het geld is uitgegeven. Dat heeft hij op onjuiste wijze gedaan waarmee hij wilde verhullen dat het geld aan andere doelen was besteed dan waarvoor het was bestemd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

in de periode van 2 augustus 2004 tot en met 15 februari 2006, in de gemeente [plaats], meermalen opzettelijk een geldbedrag (tot in totaal ongeveer 70.500 euro) toebehorende aan een hulpfonds ten behoeve van de nabestaanden van de slachtoffers van een ongeval op 25 juni 2004 te [woonplaats], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als rekeninghouder van de ten behoeve van het voornoemde hulpfonds geopende girorekening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

in de periode van 2 augustus 2004 tot en met 15 februari 2006, in de gemeente [plaats], meermalen een geldbedrag (tot in totaal ongeveer 70.500 euro) heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair:

verduistering, meermalen gepleegd;

feit 2:

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de door hem bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair (de oplichting) en feit 2 (het witwassen).

Verder heeft de raadsman verwezen naar het reclasseringsrapport, waarin een werkstraf wordt geadviseerd. Ook vraagt de raadsman aandacht voor de mate waarin verdachte al is gestraft door alle aandacht die deze zaak heeft gekregen en het feit dat hij het geld niet heeft aangewend voor zichzelf maar om andere hulpbehoevenden te helpen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank maakt verdachte een aantal verwijten.

Zij rekent het verdachte zwaar aan dat hij in zijn hoedanigheid van pastoor gelden heeft verduisterd. Het ambt van pastoor is een vertrouwensfunctie en verdachte heeft daarmee dat ambt schade toegebracht. Als pastoor heeft verdachte ook misbruik gemaakt van het vertrouwen van mensen, van hun vrijgevigheid ten behoeve van hulpbehoevenden en heeft hij ervoor gezorgd dat het geld niet bij hen voor wie het bestemd was en die er behoefte aan hadden, terecht is gekomen.

Hij heeft de gelden die bestemd waren voor de weduwe en die hij voor haar inzamelde aan haar onthouden. Het was verdachte bekend dat de weduwe in financieel zeer slechte omstandigheden verkeerde, wat zijn handelen nog eens extra onbegrijpelijk maakt. Bovendien heeft verdachte naar buiten toe de schijn doen ontstaan van de gever die met gulle hand de financiële nood van de weduwe verlichtte, terwijl daarvan dus niets klopte.

Verdachte heeft er niet voor teruggedeinsd om zijn malversaties te verhullen, bijvoorbeeld door geen openheid over de besteding van de gelden te geven binnen de stichting die later werd opgericht en evenmin aan het Bisdom toen dat uiteindelijk om opheldering vroeg. Pas toen hij geen kant meer op kon heeft hij aan het Bisdom meer inzicht gegeven, maar nog steeds zonder volledig openheid van zaken te geven.

Anders dan verdachte wil doen geloven blijkt uit de analyse van de bankbescheiden dat het geld in belangrijke mate is aangewend ten bate van verdachte zelf of is uitgegeven aan doelen die zeker niet als hulpbehoevend kunnen worden betiteld.

Voor het gedrag van verdachte bestaat geen enkel excuus. Het geld is in nagenoeg alle gevallen gedoneerd met een verwijzing naar de weduwe van de vrachtwagenchauffeur, hetgeen verdachte ook wist. Hij had dan ook niet de vrijheid om het geld naar eigen inzicht aan te wenden voor andere doelen en al helemaal niet voor zichzelf.

De bewering dat het geld zou zijn aangewend voor andere hulpbehoevenden is dus ook geen excuus, nog los van het feit dat de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat daarvan maar in beperkte mate sprake is.

Schokkend is het voor de rechtbank om ook te moeten constateren dat aan dit voorval een ander voorval vooraf is gegaan. In het dossier is immers ook uitvoerig informatie voorhanden betreffende een hoogbejaarde dame die haar financiën aan verdachte had toevertrouwd. Het gaat dan om een PGB en spaargeld tot een bedrag van zeker € 26.000,-. Verdachte heeft zich ook dit geld toegeëigend en het gebruikt voor de aanschaf van diverse zaken, waaronder een auto, voor zichzelf. Ook dit heeft hij pas toegegeven nadat een verzorgster van deze bejaarde dame het Bisdom had geïnformeerd en het Bisdom hem hierover indringende vragen heeft gesteld.

Tenslotte heeft de rechtbank ook de houding van verdachte op zitting zwaar laten meewegen. Voor de goede orde, de rechtbank bedoelt dan niet dat verdachte tot en met het laatste woord heeft volgehouden dat hij wel substantiële gelden naar de weduwe heeft doorgesluisd. Dat is zijn proceshouding en het staat hem vrij daarin zijn eigen keuze te maken.

De rechtbank doelt wel op het feit dat verdachte heeft toegegeven een deel van het geld voor zichzelf te hebben gebruikt. Daarbij toont hij op geen enkele wijze berouw maar lijkt hij juist uit te stralen dat die bedragen hem toekwamen omdat hij doorgaans financieel krap zat.

De rechtbank doelt ook op het feit dat verdachte heeft erkend dat hij een deel van het ontvangen bedrag heeft gegeven aan andere goede doelen dan waarvoor het geld bedoeld was, maar dat hij daarvan het verkeerde niet inziet. Verdachte lijkt een zekere trots uit te stralen dat hij, naar eigen inzicht, heeft beslist wat er met het geld moest gebeuren.

Nogmaals, los van het feit dat de rechtbank ervan overtuigd is dat maar in beperkte mate gelden naar andere hulpbehoevenden zijn doorgesluisd, had verdachte die vrijheid nu juist niet, gelet op de expliciete omschrijving die bij nagenoeg elke donatie aan het hulpfonds was opgenomen. En extra wrang is het als daarbij bedacht wordt dat de persoon waarvoor het geld wel bedoeld was nagenoeg niets daarvan heeft gekregen.

Hoe dan ook, de enige mogelijke conclusie is dat verdachte ook van dit onderdeel van zijn handelen het verkeerde niet inziet.

Gelet op alle hiervoor geschetste omstandigheden en de omvang van het bedrag dat verduisterd is, heeft het strafadvies van de reclassering, een taakstraf, geen realiteitswaarde. Een dergelijke straf zou volstrekt onvoldoende zijn om het verwerpelijke van het handelen van verdachte te benadrukken. Zelfs de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, is daarvoor in de ogen van de rechtbank niet voldoende.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 15 maanden gepast en noodzakelijk is. Enerzijds in het kader van vergelding voor het leed dat hij zijn slachtoffers heeft toegebracht en anderzijds in de hoop dat deze straf hem alsnog zal doordringen van het foute van zijn handelen.

6 De benadeelde partij

De Stichting Sint Elisabeth [woonplaats] heeft zich in het strafproces gesteld als benadeelde partij. Als doelstelling van de stichting is opgenomen, zakelijk weergegeven, de ondersteuning van hulpbehoevenden, in het bijzonder de nabestaanden van het ongeval in [woonplaats]. De stichting ziet zich dan ook als de gerechtigde tot de gelden die verdachte heeft verduisterd en wil deze in het strafproces terugvorderen.

De rechtbank deelt deze opvatting echter niet. De donaties zijn op een rekening van verdachte binnengekomen ten behoeve van de weduwe en/of de andere nabestaanden van het ongeval in [woonplaats]. Hen komen de gelden toe. Later is op advies van het Bisdom Roermond een stichting opgericht, de Stichting Sint Elisabeth [woonplaats], die de gelden zou gaan beheren. Deze stichting heeft echter een doelstelling die veel ruimer is dan die van het hulpfonds. Zo worden in feite alle hulpbehoevenden in de doelstelling betrokken. Een en ander verzet zich ertegen om de stichting te vereenzelvigen met het oorspronkelijk opgerichte hulpfonds. Het vorenstaande betekent dat niet is gebleken dat de Stichting Sint Elisabeth [woonplaats] door het bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden, zodat zij ook niet als benadeelde kan worden beschouwd. De vordering van de stichting zal dan ook worden afgewezen.

7 Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet alle aanleiding om bij de bestraffing van verdachte te betrekken dat hij het belangrijkste slachtoffer van zijn handelen, de weduwe van de vrachtwagenchauffeur, schadeloos dient te stellen. Haar is door toedoen van verdachte een bedrag van € 70.500,-- onthouden en de rechtbank acht het op zijn plaats dat het betreffende bedrag alsnog door verdachte aan de weduwe wordt betaald.

De weduwe heeft zich in het strafproces niet gesteld als benadeelde partij. Nu zij echter ten tijde van haar verhoor bij de rechter commissaris heeft aangegeven dat zij het geldbedrag alsnog wil ontvangen, neemt de rechtbank aan dat zulks het gevolg is van onwetendheid over deze mogelijkheid, maar niet omdat zij het geld niet meer zou willen hebben.

De rechtbank kan zelfstandig de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, ook als daarom niet gevraagd is. Nu verdachte ter zake van de hiervoor onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel besloten.

De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte alsnog € 70.500,- dient te betalen aan de weduwe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze uitspraak. Voor het geval verdachte dit bedrag niet betaalt stelt de rechtbank het aantal dagen hechtenis dat verdachte moet ondergaan op 353 dagen, met dien verstande dat het ondergaan hiervan de betalingsverplichting niet opheft.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 321 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij Stichting Sint Elisabeth [woonplaats] af;

- veroordeelt de benadeelde partij Stichting Sint Elisabeth [woonplaats] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam slachtoffer], € 70.500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 353 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2011.

Buiten staat

Mr. C.G.A. Wouters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. primair

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2004 tot en met 27 januari 2006 in de gemeente [woonplaats], althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam personen] en/of (één of meer) andere perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(-en), in totaal een geldbedrag van ongeveer 73.000 euro, althans een (aanzienlijk) bedrag aan geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meegedeeld dat hij een rekening ten behoeve van de nabestaanden van de slachtoffers van een ongeval op 25 juni 2004 te [woonplaats] had geopend en/of zich bij deze perso(o)n(en) voorgedaan als inzamelaar van geld bestemd voor de nabestaanden van de slachtoffers van een ongeval op 25 juni 2004 te [woonplaats], waardoor die perso(o)n(en) (telkens) werd(-en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2004 tot en met 29 september 2010, in de gemeente [woonplaats], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk een geldbedrag (van in totaal ongeveer 73.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting St. Elisabeth [woonplaats] en/of een hulpfonds ten behoeve van de nabestaanden van de slachtoffers van een ongeval op 25 juni 2004 te [woonplaats], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als voorzitter van de Stichting St. Elisabeth [woonplaats] en/of als rekeninghouder van de ten behoeve van het voornoemde hulpfonds geopende girorekening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2004 tot en met 28 februari 2006, in de gemeente [woonplaats], althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(-en) (van in totaal ongeveer 73.000 euro), (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(-en) (van in totaal ongeveer 73.000 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.