Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU7453

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
03-703702-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vondst van een wapenarsenaal en drugs leidt tot straffen voor bewoners; (gedeeltelijk) vrijspraak voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703702-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. C.W.J. Faber, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 17 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen haar echtgenoot en medeverdachte, [naam medeverdachte].

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: alleen of samen met een ander/anderen een grote hoeveelheid vuurwapens en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 2: alleen of samen met een ander/anderen een grote hoeveelheid wapens en munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 3: alleen of samen met een ander/anderen ruim 2 kilo cocaïne, 52 gram MDMA en 12 pillen met amfetamine voorhanden heeft gehad;

Feit 4: alleen of samen met een ander/anderen ruim 13 kilo hennep en 282 gram hasjiesj voorhanden heeft gehad;

Feit 5: alleen of samen met een ander/anderen cafeïne, lidocaïne en een pers voorhanden heeft gehad die bestemd waren voor het vervaardigen en/of verkopen en/of exporteren van drugs;

Feit 6: alleen of samen met een ander/anderen vals geld voorhanden heeft gehad;

Feit 7: zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 7. Van de overige feiten moet verdachte wat hem betreft worden vrijgesproken.

Hij heeft hiertoe aangevoerd dat bij verdachte een zeer grote hoeveelheid wapens en munitie is aangetroffen. Deze wapens en munitie zijn aangetroffen in de woning en in de opstallen van verdachte. Een deel van de wapens en munitie lag gewoon in het zicht in haar woning, maar er was ook een grote hoeveelheid verborgen. Verder heeft de politie grote hoeveelheden hard- en softdrugs aangetroffen, alsmede chemische stoffen en een pers waarmee Opiumwetdelicten konden worden voorbereid en is er vals geld gevonden in de woning. Onderzoek naar de financiën van verdachte en haar man, [naam medeverdachte], heeft geleid tot de beschuldiging van witwassen.

Met betrekking tot de feiten 1 tot en met 5 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte alleen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voorhanden hebben van de (vuur)wapens en munitie die voor haar zichtbaar in de woning lagen. Dit zou dan gaan om 16 vuurwapens, waarvan 6 inclusief munitie, zoals vermeld in de feiten 1 en 2. Van de aanwezigheid van de overige wapens en munitie in die feiten kan niet worden gezegd dat zij daarvan wetenschap heeft gehad en dat zij deze aldus met opzet voorhanden heeft gehad.

Evenmin kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de hard- en softdrugs en van de drugspers, zoals vermeld in de feiten 3 tot en met 5, zodat ook ten aanzien van deze goederen niet gezegd kan worden dat zij deze met opzet aanwezig had. Deze zaken zijn namelijk ofwel aangetroffen in opstallen bij de woning, waar verdachte niet kwam (althans niet bewijsbaar), ofwel waren ze door haar man verborgen in de woning.

De officier van justitie stelt verder niet hard te kunnen maken dat verdachte wist dat er vals geld in de woning lag; bovendien is voor een veroordeling voor het bezit van vals geld vereist dat een verdachte het oogmerk heeft gehad dit valse geld te gebruiken, zoals tenlastegelegd in feit 6. Dat kan niet worden aangetoond.

Bij het onderzoek naar de financiën van verdachte is volgens de officier van justitie duidelijk geworden dat verdachte en haar man -kort gezegd- gedurende jaren veel meer contant geld hebben uitgegeven, dan zij legaal contant beschikbaar hadden. Dit brengt mee dat er sprake is geweest van gewoonte-witwassen van geld, wapens en sieraden, zoals tenlastegelegd in feit 7.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijsproken van alle feiten, met uitzondering van het bezit van de op 9 december 2010 (de dag van de eerste doorzoeking) met het blote oog waarneembare wapens in de vitrinekast in de woonkamer van verdachte. Ten aanzien van die wapens refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Voor het overige geldt -kort samengevat- dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van verboden zaken in haar woning en opstallen. Dat betekent ook dat er geen sprake kan zijn van witwassen van die zaken.

Evenmin kan bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van geld en van daarmee aangeschafte zaken, zoals wapens en sieraden. Verdachte, die zelf legale inkomsten had uit haar kledingzaak, wist namelijk niet beter dan dat haar man inkomsten genereerde uit legaal werk via zijn bakkerij en lunchroom in België en werk als bodyguard in Oost-Europa. Bovendien is er volgens de raadsman ook geen bewijs dat [naam medeverdachte] geen of te weinig legale contante inkomsten had uit die werkzaamheden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Inleiding

Op 9 december 2010 heeft de politie een inval gedaan in de woning van verdachte in [woonplaats]. De politie heeft daartoe besloten, nadat zij anonieme informatie had ontvangen in de vorm van een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de Regiopolitie Limburg-Zuid, waarin de man van verdachte, [naam medeverdachte], in verband werd gebracht met het bezit van verboden vuurwapens. In de woning van verdachte trof de politie in (onder meer) de woonkamer in het zicht liggende wapens aan. Ook trof men in een van de opstallen bij de woning een op cocaïne gelijkende stof aan en een pers waarmee verdovende middelen konden worden geperst. Verdachte en haar man werden op 9 december 2010 aangehouden.

Bij de inval op 9 december 2010 werd een grote hoeveelheid wapens, munitie en drugs aangetroffen en inbeslaggenomen. Een deel van de in beslag genomen goederen werd diezelfde dag nog mee genomen. Aangezien het dusdanig veel was dat de politie dit niet in een keer mee kon nemen, werden de overige inbeslaggenomen goederen op 14 december 2010 opgehaald. Daarna werden nog twee doorzoekingen gehouden, op 16 december 2010 en op 6 januari 2011. Al met al werden een grote hoeveelheid wapens en munitie, drugs en chemische stoffen, vals geld en andere voorwerpen inbeslaggenomen.

De rechtbank zal hieronder eerst bespreken van welke feiten zij verdachte geheel zal vrijspreken en wel in paragraaf 3.3.2. Dit betreft de feiten 3 tot en met 7. In paragraaf 3.3.3. zal de rechtbank vervolgens uiteenzetten dat en hoe zij tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring komt van de feiten 1 en 2.

3.3.2. De vrijspraken

3.3.2.1. Feiten 3 tot en met 6: Wetenschap van verdachte ten aanzien van de aangetroffen zaken?

Om tot een veroordeling te komen van de feiten 3 tot en met 6 is in elk geval vereist dat verdachte op enige manier wetenschap had van de aanwezigheid in haar woning van de in die feiten genoemde goederen. Als die wetenschap er niet is geweest, kan niet bewezen worden dat er sprake was van opzet op het bezit van die goederen. Evenmin kan dan bewezen worden dat verdachte ernstige reden had te vermoeden dat goederen gebruikt konden worden voor het plegen van Opiumwetdelicten, zoals bij feit 5 van belang kan zijn.

Verdachte heeft ontkend dat zij wist van de aanwezigheid van drugs en chemicaliën in de woning en opstallen. Evenmin wist zij dat er een drugspers in de schuur stond. Verdachte kwam naar eigen zeggen nooit in de opstallen. Ook wist zij niet dat er in een pak hondenvoer in de gang pakketjes cocaïne verborgen lagen, noch dat er vals geld lag tussen diverse spullen in een slaapkamer op de eerste verdieping van de woning. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij als gevolg van haar werkzaamheden als zelfstandig ondernemer lange dagen van huis was.

De rechtbank deelt de mening van de officier van justitie en de raadsman dat er geen bewijs aan het dossier te ontlenen valt om tot de conclusie te komen dat verdachte hier wel wetenschap van had. Dit betekent dat niet bewezen kan worden dat zij de zaken die in de tenlastelegging staan onder de feiten 3 tot en met 6 opzettelijk in haar bezit heeft gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze feiten.

3.3.2.2. Feit 7: Witwassen?

De officier van justitie heeft zijn standpunt dat feit 7 (het witwassen) bewezen kan worden, gebaseerd op een financieel rapport van de politie, neergelegd in een proces-verbaal met bijlagen. In dit rapport is een zogenoemde kasopstelling gemaakt. Daarin wordt gesteld dat er sprake is geweest van aantoonbaar illegale contante inkomsten van verdachte en haar man. Volgens het rapport zijn er namelijk onvoldoende legale contante inkomsten achterhaald om alle contante uitgaven van verdachte en haar man te verklaren.

Verdachte en haar raadsman hebben bestreden dat er sprake is geweest van illegale contante inkomsten aan haar kant, omdat zij een kledingzaak had, waaruit zij legale contante inkomsten had. Bovendien ontplooide haar man in de tenlastegelegde periode diverse bedrijfsactiviteiten in België en in Oost-Europa, waaruit hij inkomsten genereerde. Als er al sprake zou zijn van illegale contante inkomsten van haar man, dan kan dit haar niet worden verweten, aangezien zij niet wist en ook niet hoefde te weten dat deze inkomsten illegaal waren, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vastgesteld kan worden aan de hand van het dossier dat verdachte contante inkomsten uit een kledingzaak heeft verworven die als legaal moeten worden aangemerkt. Het verwijt dat in het financiële rapport wordt geschetst, bestaat echter voornamelijk hieruit dat er onvoldoende legale contante inkomsten gegenereerd zijn door verdachte en haar man, medeverdachte [naam medeverdachte], gezamenlijk. Dit betekent dat nader bezien moet worden of er sprake is geweest van illegale contante inkomsten bij [naam medeverdachte]. [naam medeverdachte] heeft bij de politie en ter zitting bestreden dat hij over illegaal contant geld heeft beschikt, omdat hij naar eigen zeggen in de tenlastegelegde periode diverse bedrijfsactiviteiten in België en in Oost-Europa heeft ontplooid, waaruit hij contante inkomsten genereerde. De verklaring die [naam medeverdachte] in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd ter zitting is door de rechtbank toegevoegd aan de zaak van verdachte.

Volledige openheid van zaken heeft [naam medeverdachte] bij zijn verhoor en ter zitting echter niet willen geven ten aanzien van deze bedrijven. In een strafzaak is een verdachte hiertoe ook niet gehouden. Het is immers de officier van justitie die het bewijs moet leveren en een verdachte mag zwijgen. Dit zou ook niet anders zijn, als [naam medeverdachte] als getuige zou zijn gehoord in de zaak van verdachte, omdat hij dan gebruik kan maken van zijn verschoningsrecht.

Anderzijds mag van een verdachte worden verwacht dat hij uitleg geeft aan zijn stelling dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, als er feiten en omstandigheden naar voren komen die harde aanwijzingen opleveren dat hij het tenlastegelegde juist wel heeft begaan. Doet hij dit niet, dan kan dat tegen hem werken. Wanneer een verdachte in het licht van het door de officier van justitie gepresenteerde bewijs dan een uitleg, een alternatief, naar voren brengt dat niet zonneklaar door het bewijs wordt weerlegd, dan kan de rechtbank aan dit alternatief voorbij gaan, als zij gemotiveerd aangeeft waarom zij het onaannemelijk acht. [naam medeverdachte] heeft in de onderhavige zaak zo’n alternatief naar voren gebracht door te stellen dat hij legale contante inkomsten genoot uit bedrijven, waaruit alle contante uitgaven verklaard zouden kunnen worden. De rechtbank heeft zich daarom in de onderhavige zaak de vraag gesteld of zij de stelling van [naam medeverdachte] omtrent zijn contante inkomsten aannemelijk vindt, gelet ook op de stelling van de officier van justitie dat dit niet het geval is. De rechtbank overweegt als volgt.

Het dossier bevat bewijs dat [naam medeverdachte] daadwerkelijk een aantal bedrijven in het buitenland heeft gehad. Zo is er schriftelijk bewijs dat [naam medeverdachte] huur betaalde voor zijn bakkerij en lunchroom in België en dat hij in België handelsrekeningen had. Ook is er bewijs dat [naam medeverdachte] meermalen tickets voor vliegreizen naar de Oekraïne heeft gekocht, alwaar hij naar eigen zeggen werkzaam was als beveiligingsadviseur en waartoe hij zich had ingeschreven bij de (Nederlandse) Kamer van Koophandel. Een uittreksel van de Kamer van Koophandel bevindt zich eveneens in het dossier. Dit bewijs brengt in elk geval met zich mee dat de stelling van [naam medeverdachte] dat hij beschikte over legaal contant geld uit deze activiteiten, niet als volstrekt onaannemelijk ter zijde mag worden gesteld.

Voorts zijn er veel papieren bescheiden inbeslaggenomen bij verdachte en [naam medeverdachte], waaronder volgens [naam medeverdachte] de bedrijfsadministratie van zijn Belgische zaken en certificaten met betrekking tot zijn werkzaamheden op het gebied van beveiliging. De rechtbank constateert in dat kader dat uit de (beslag)stukken van het dossier niet kan worden afgeleid dat deze stelling volstrekt niet klopt, nu een gedetailleerde beschrijving van de inbeslaggenomen zaken niet is gemaakt en zij uit de kennisgevingen van inbeslagneming alleen kan opmaken dat er grote hoeveelheden niet nader omschreven “bescheiden” in beslag zijn genomen. Verder constateert de rechtbank dat er van de zijde van de officier van justitie, ondanks een daartoe strekkend verzoek aan de Belgische autoriteiten, geen gegevens zijn aangeleverd, zoals belastinggegevens over inkomsten en omzet van [naam medeverdachte], die verduidelijking hadden kunnen opleveren. Dit gebrek aan informatie mag wat de rechtbank betreft niet in het nadeel van verdachte en haar man worden uitgelegd bij het beantwoorden van de vraag of het alternatieve scenario aannemelijk is. Het “moeten” geven van uitleg mag ook niet zover gaan dat van verdachte en haar man verwacht mag worden deze gegevens zelf aan te leveren, omdat daarmee de bewijslast zou worden omgekeerd.

De conclusie luidt dan ook voor de rechtbank dat er onvoldoende reden is om het alternatief van [naam medeverdachte] als onaannemelijk te verwerpen en het moet ervoor worden gehouden dat verdachte en [naam medeverdachte] meer legale contante inkomsten hebben genoten dan waarvan in het rapport van de politie wordt uitgegaan. Over de hoogte van deze inkomsten valt voor de rechtbank op basis van het onderhavige dossier niets vast te stellen. Daarmee kan dus ook niet vastgesteld worden dat verdachte en [naam medeverdachte] over onvoldoende legale inkomsten hebben beschikt om hun contante uitgaven te verklaren en zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van geld. De rechtbank zal verdachte dan ook op dit onderdeel vrijspreken.

Op de tenlastelegging zijn nog andere voorwerpen en chemische stoffen vermeld, die zouden zijn witgewassen. Het betref dan wapens, sieraden, drugs, vals geld, cafeïne en chemicaliën. Van deze voorwerpen kan, gelet op wat hiervoor overwogen is met betrekking tot het geld, niet bewezen worden dat deze gefinancierd en dus verworven waren met illegale inkomsten.

De vervolgvraag is daarbij echter, gelet op de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de tekst van de tenlastelegging, of er aanknopingspunten zijn dat deze voorwerpen/stoffen op een andere wijze uit misdrijf afkomstig waren en door verdachte zijn witgewassen doordat zij deze goederen voorhanden had en wist van de criminele herkomst. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Verdachte heeft, zoals hiervoor in paragraaf 3.3.3.1. vastgesteld, geen aantoonbare wetenschap gehad van de aanwezigheid van drugs, vals geld of van cafeïne/chemicaliën in haar woning en opstallen. Dit sluit alle wetenschap omtrent de eventueel illegale herkomst van die goederen dan ook uit. Voor de verboden wapens geldt dat het enkele voorhanden hebben ervan, zoals de rechtbank bewezen zal verklaren bij de feiten 1 en 2, nog niet met zich meebrengt dat er sprake is van witwassen in de tenlastegelegde vorm. Er zou dan bewezen moeten worden dat de wapens uit misdrijf afkomstig zijn en dat bewijs ontbreekt.

Alles overziend moet verdachte integraal worden vrijgesproken van feit 7 en de rechtbank zal dit dan ook doen.

3.3.3. De bewezen te verklaren feiten

Overwegingen en conclusies ten aanzien van het bewijs van de feiten 1 en 2: de wapens en munitie

Bij de doorzoekingen is een zeer grote hoeveelheid wapens en munitie inbeslaggenomen. De vraag die de rechtbank beantwoorden moet, is in hoeverre verdachte hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat dit alleen het geval is ten aanzien van de wapens en munitie die op 9 december 2010 in het zicht in de woning van verdachte lagen en deelt daarmee het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Zoals ook in paragraaf 3.3.2.1. is overwogen, moet verdachte op enige manier wetenschap hebben gehad van de aanwezigheid van de wapens en munitie, om tot een veroordeling te kunnen komen van de feiten 1 en 2. Als die wetenschap of enig bewustzijn omtrent die aanwezigheid er niet is geweest, kan niet bewezen worden dat er sprake is van het voorhanden hebben van verboden wapens/munitie.

Verdachte heeft ontkend dat zij geweten heeft dat er verboden wapens en munitie in haar woning en opstallen aanwezig waren. Zij heeft weliswaar in de woonkamer van de woning wapens zien liggen, maar is ervan uitgegaan dat haar man deze legaal mocht hebben. Van de wapens in de opstallen of die verborgen waren, wist zij sowieso niets. Bovendien leefden zij en haar man langs elkaar heen. Het aanleggen van de verzameling wapens was “zijn ding” en verdachte heeft zich daar niet mee bemoeid. Daarnaast heeft haar man, medeverdachte [naam medeverdachte], verklaard dat zij niet aan de zichtbare wapens mocht komen en dat hij de andere wapens voor haar verborg.

De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is om tot de conclusie te komen dat verdachte wetenschap had van de wapens en munitie die aangetroffen zijn in de opstallen of die verborgen waren. Dit betekent dat haar niet verweten kan worden deze wapens en munitie voorhanden te hebben gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken ten aanzien van die desbetreffende wapens/munitie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wél wetenschap gehad van de aanwezigheid van die wapens (en munitie) in haar woning die niet verborgen waren. Deze lagen namelijk gewoon zichtbaar in een van de woonkamers, te weten de woonkamer die in het dossier wordt aangeduid met ruimte nummer 2. Verdachte heeft die wetenschap ook niet ontkend. Verdachte heeft deze wapens en munitie daarom -tezamen met haar man- voorhanden gehad, nu zij er niet alleen van wist, maar deze wapens en munitie in haar onmiddellijke nabijheid lagen en het niet uitgesloten was dat zij – hoewel zij er niet aan mocht komen – enige vorm van machtsuitoefening over deze wapens/munitie had. De wapens waren weliswaar van haar man, maar dat neemt niet weg dat zij de wapens/munitie uit haar woning had kunnen (laten) verwijderen. Dat verdachte ervan uitging dat het legale wapens waren doet hier niet aan af. Om tot een bewezenverklaring te komen is namelijk niet vereist dat verdachte weet heeft gehad (oftewel opzet heeft gehad) van het verboden karakter daarvan.

Dit strafbare voorhanden hebben strekt zich wat de rechtbank betreft ook uit over de wapens die zijn aangetroffen in de boekenkast (in ruimte 2) en in een keukenlade. Ten aanzien van deze wapens en munitie heeft de raadsman nog een specifiek vrijspraakverweer gevoerd, maar de rechtbank gaat daar niet in mee. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat ook deze wapens gemakkelijk zichtbaar waren. In de boekenkast lag dit wapen direct zichtbaar, zoals te zien is op de foto’s van het dossier. In een van de keukenlades lag een geladen revolver, voorzien van een geluidsdemper. Opvallend daarbij is dat dit wapen geheel op zichzelf in deze lade lag, zichtbaar tussen de thee- en poetsdoeken, wat ook uit de foto’s van het dossier valt op te maken.

Verdachte heeft verklaard ook van deze wapens niets af te weten. Voorafgaand aan de inval op 9 december 2010 heeft zij deze niet op die specifieke plaatsen gezien. Zij heeft verondersteld dat de wapens door de opsporingsambtenaren op die plekken moeten zijn gelegd. De raadsman heeft gesteld dat voor dit laatste geen bewijs voorhanden is, maar hij acht wel aannemelijk dat de man van verdachte de wapens op deze specifieke plekken heeft neergelegd op het moment dat de politie binnenviel op 9 december 2010. [naam medeverdachte] heeft dit namelijk tijdens het onderzoek ter zitting naar voren gebracht en door de rechtbank is bepaald dat deze verklaring ter zitting onderdeel uitmaakt van het dossier van verdachte.

De rechtbank acht deze verklaring van [naam medeverdachte] echter niet geloofwaardig. Als hij al in de gelegenheid was wapens “her en der weg te duwen,” toen de politie zijn woning binnenviel, zoals hij verklaard heeft, dan is het onwaarschijnlijk dat hij deze wapens nu juist op de gemakkelijk zichtbare plaatsen heeft gelegd waar ze vervolgens zijn aangetroffen. [naam medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij op het moment dat de politie binnenviel op de bank in de woonkamer lag te slapen. Onder deze bank zijn ook diverse wapens aangetroffen. Waarom, zo vraagt de rechtbank zich dan af, heeft [naam medeverdachte] de desbetreffende wapens niet daarbij gelegd, maar heeft hij ervoor gekozen om ze in de boekenkast en de keukenlade te steken? Daarbij heeft de politie ook gerelateerd dat op het moment dat zij de woning binnenkwamen, [naam medeverdachte] op hen kwam afgerend. Dat doet vermoeden dat [naam medeverdachte] niet eerst nog naar de boekenkast en de keuken is kunnen lopen om daar wapens neer te leggen. Al met al, zoals gezegd, acht de rechtbank deze verklaringen van [naam medeverdachte] niet geloofwaardig en zij houdt het ervoor dat verdachte ook van deze wapens moet hebben geweten. De rechtbank komt dan ook tot de hierna in paragraaf 3.4 vermelde bewezenverklaring.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander vuurwapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad, te weten:

een geweer van de categorie III sub 1, te weten het geweer met het volgende SINnummer:

AACR8009NL

en pistolen van de categorie III sub 1, te weten de pistolen met de volgende SINnummers:

AACR8000NL en

AACR8014NL en

AACR8047NL en

AACR8053NL en

AACR8055NL en

AACR8057NL en

AACR8061NL

en revolvers van de categorie III sub 1, te weten de revolvers met de volgende SINnummers:

AACR8030NL en

AACR8058NL en

AACR8064NL en

AACR8065NL en

AACR8080NL en

en munitie van categorie III, te weten munitie met de volgende SINnummers:

AACR8014NL en

AACR8053NL en

AACR8061NL en

AACR8065NL

Feit 2

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie II voorhanden heeft gehad:

te weten van categorie II sub 1, wapens met de volgende SINnummers:

AACR8016NL (automatisch wapen) en

AACR8033NL (automatisch wapen)

en te weten van categorie II sub 2, een wapen met het volgende SINnummer:

AACR8031NL (automatisch vuurwapen)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden op te leggen, waarvan 23 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast moet verdachte van de officier van justitie een maximale werkstraf uitvoeren. Daarbij moet het voorarrest van verdachte van 42 dagen worden afgetrokken, verdeeld over deze twee straffen.

Volgens de officier van justitie heeft verdachte 16 vuurwapens voorhanden gehad, waarvan 6 geladen met munitie. Verdachte heeft het haar man mogelijk gemaakt om van de woning een wapenopslag te maken. Daarnaast heeft zij jarenlang de beschikking gehad over geld en goederen waarvan zij wist dat die van misdrijf afkomstig waren.

Normaal gesproken is de standaardeis voor het voorhanden hebben van één vuurwapen 3 maanden gevangenisstraf. Bij het bezit van meer wapens wordt er doorgaans een lagere straf per wapen berekend, maar uitgangspunt blijft voor de officier van justitie dat in deze zaak een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gepast is. De officier van justitie ziet er echter vanaf deze straf ook daadwerkelijk te vorderen. Hij is ervan overtuigd dat de wapens niet van verdachte waren, maar van haar man, wat een milder oordeel rechtvaardigt. Ook weegt de officier van justitie mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en de zorg draagt voor haar minderjarige dochter. Daarmee acht hij het niet gepast verdachte, na de eerdere opheffing van haar voorlopige hechtenis, opnieuw naar de gevangenis te sturen en kiest hij voor een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de 42 dagen die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman verzet zich niet tegen het opleggen van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf.

Volgens de raadsman zijn de volgende omstandigheden reden tot strafvermindering:

- verdachte heeft geen strafblad;

- verdachte heeft niet te gelden als de kwade genius achter de feiten. De wapens en munitie waren feitelijk niet van haar. Haar man is degene die de volle verantwoording zou moeten dragen;

- verdachte is ten gevolge van de onderhavige zaak haar kledingzaak en inkomsten kwijt geraakt en dreigt door ingrijpen van de gemeente Kerkrade ook haar woning te moeten verlaten. Daarnaast draagt zij de zorg voor haar minderjarige dochter;

- onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is bewust foutieve informatie in de media gekomen over de wapenvondst. Zo is er een foto aan de media verstrekt, waardoor het verkeerde beeld is ontstaan dat zij van alle wapens wist. Deze verkeerde berichtgeving is nooit door het openbaar ministerie gerectificeerd. Verdachte, die zich niet kon verweren, omdat zij gedetineerd was en aan beperkingen onderhevig was, is hierdoor benadeeld.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft verboden (vuur)wapens en munitie voorhanden gehad, die – naar thans blijkt – deel uitmaakten van de meer omvangrijke verzameling wapens en munitie die haar man vergaard had. De wapens en munitie waar verdachte kennis van droeg, bevonden zich open en bloot in de woning van verdachte, waar ook haar minderjarige dochter verbleef. Zo is komen vast te staan dat er een geladen revolver (met demper) voor het grijpen in een keukenlade lag. Ook andere wapens lagen zichtbaar in de woning en waren deels geladen.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het bezit van wapens zonder de daartoe vereiste vergunningen wordt hoogst onwenselijk geoordeeld. Omdat de wapens voor het grijpen lagen, kon een ieder die bij verdachte in de woning kwam, (onopgemerkt) een wapen nemen en daarmee zijn of haar gang gaan. Kwaadwillenden hadden met hetgeen verdachte zichtbaar in haar woning had onnoemelijke schade en leed kunnen aanrichten.

Daarbij kan de rechtbank ook niet begrijpen dat verdachte als reactie op dit verwijt in essentie niet meer naar voren heeft gebracht dan dat zij en haar man langs elkaar heen leefden en het verzamelen en bezitten van al die wapens “zijn ding” waren.

De rechtbank wil met het opleggen van de straf aan verdachte duidelijk maken dat de feiten ernstig zijn en zij in de toekomst niet opnieuw mag vervallen in passiviteit indien deze passiviteit tot het medeplegen van strafbare feiten leidt.

De rechtbank heeft, net als de officier van justitie, getracht te berekenen welke straf gepast is voor de feiten. De rechtbank gaat, net als de officier van justitie, ervan uit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden voor het bezit van een vuurwapen geen ongebruikelijke straf is, gelet op rechterlijke uitspraken over dergelijke zaken. Dit zou echter bij een onbeperkte cumulatie van straffen per wapen tot een straf leiden van 48 maanden. Het bepalen van de strafmaat is echter niet alleen de uitkomst van een kille rekensom. Er zijn meer factoren die moeten worden meegewogen en niet op een specifiek getal kunnen worden “begroot”. Voor de rechtbank bestaan deze factoren uit het navolgende.

In de eerste plaats houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat, zoals hiervoor al is geschetst, verdachte geen zeggenschap over de wapens en munitie had en dat zij een blanco strafblad heeft.

In de tweede plaats laat de rechtbank zwaar wegen de persoonlijke omstandigheden waarin verdachte is komen te verkeren. Zo komt de zorg voor de minderjarige dochter van verdachte en haar man nu volledig voor haar rekening. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de problemen voor verdachte zich inmiddels flink hebben opgestapeld: zij heeft haar bedrijf moeten sluiten en zij dreigt haar woning te moeten verlaten omdat deze, bij wijze van bestuursrechtelijke sanctie, waarschijnlijk gesloten zal worden voor de duur van een jaar.

De rechtbank ziet geen reden minder straf op te leggen om reden dat er een foto in de media is terechtgekomen, die niet in overeenstemming met de feitelijk aangetroffen situatie was en een verkeerde indruk kon wekken ten aanzien van verdachte. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat deze foto ook in zijn visie niet had mogen worden verspreid. Met de constatering dat het vrijgeven van de foto niet gepast was en dat daarmee een verkeerd beeld is geschetst in de media, kan echter wat de rechtbank betreft worden volstaan. Hoewel verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek, is niet gebleken dat de officier van justitie hier een zodanig, hem toe te rekenen verwijt valt te maken, dat dit verwijt tot strafvermindering zou moeten leiden.

Alles afwegend zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die de duur van het voorarrest van verdachte te boven gaat. Wél kiest zij voor een lange gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van 2 jaar. Alles afwegend zal de rechtbank 18 maanden gevangenisstraf opleggen, waarvan 17 maanden voorwaardelijk. De op te leggen straf is lager dan de eis, omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het witwassen.

Omdat met het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf niet volledig recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten, kiest de rechtbank daarnaast nog voor het opleggen van de maximale werkstraf.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3, 4, 5, 6, 7 primair en 7 subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 17 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, voor zover het voorarrest het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf te boven gaat, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, de aftrek naar de maatstaf van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 december 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging tenlastegelegd dat

1.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid vuurwapens en/of munitie van categorie III te weten

geweren van de categorie III sub 1, waaronder geweren met de volgende SINnummers:

AACR8009NL en/of

AACR8336NL en/of

AACR8337NL en/of

AACR8338NL en/of

AACR8339NL en/of

AACR8344NL en/of

AACR8347NL en/of

AACR8351NL en/of

AACR8373NL en/of

AACR8379NL en/of

AACR8390NL en/of

AACR8398NL en/of

AACR8400NL en/of

AACR8403NL en/of

AACR8407NL en/of

AACR8420NL en/of

AACR8422NL en/of

AACR8427NL en/of

AACR8525NL en/of

AACR8531NL

en/of

pistolen van de categorie III sub 1, waaronder pistolen met de volgende SINnummers:

AACR8000NL en/of

AACR8014NL en/of

AACR8047NL en/of

AACR8053NL en/of

AACR8055NL en/of

AACR8057NL en/of

AACR8061NL en/of

AACR8296NL en/of

AACR8415NL en/of

AACR8495NL en/of

AACR8496NL en/of

AACR8497NL en/of

AACR8541NL en/of

AACR8542NL en/of

AACR8550NL en/of

AACR8551NL en/of

AACR8553NL en/of

AACR8563NL en/of

AACR8564NL en/of

AACR8567NL en/of

AACR8568NL en/of

AACR8574NL

en/of

revolvers van de categorie III sub 1, waaronder revolvers met de volgende SINnummers:

AACR8030NL en/of

AACR8058NL en/of

AACR8064NL en/of

AACR8065NL en/of

AACR8080NL en/of

AACR8437NL en/of

AACR8327NL en/of

AACR8328NL en/of

AACR8329NL en/of

AACR8332NL en/of

AACR8333NL en/of

AACR8504NL en/of

AACR8540NL en/of

AACR8543NL en/of

AACR8544NL en/of

AACR8549NL en/of

AACR8559NL en/of

AACR8560NL en/of

AACR8561NL en/of

AACR8562NL

en/of munitie van categorie III, waaronder munitie met de volgende SINnummers:

AACR8014NL en/of

AACR8053NL en/of

AACR8061NL en/of

AACR8065NL en/of

AACR8405NL en/of

AACR8572NL

voorhanden heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid wapens en/of munitie van categorie II,

te weten van categorie II sub 1 onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8413NL (pistool) en/of

AACR8016NL (automatisch wapen) en/of

AACR8033NL (automatisch wapen) en/of

AACR8381NL (automatisch wapen) en/of

AACR8537NL (machinepistool met geluiddemper) en/of

AACR8036NL (antitankwapen) en/of

AACR8440NL (antitankwapen)

en/of

te weten van categorie II sub 2 onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8031NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8341NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8342NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8375NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en/of

te weten van categorie II sub 3 onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8135NL (geweer) en/of

AACR8359NL (geweer) en/of

AACR8412NL (geweer) en/of

AACR8430NL (geweer) en/of

AACR8413NL (pistool) en/of

AACR8031NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8425NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en/of

te weten van categorie II sub 4 onder andere een wapen met het volgende SINnummer:

AACR8502NL (revolver)

en/of

te weten van categorie II sub 7 onder andere (een) wapens met het volgende SINnummer:

AACR8406NL (handgranaten)

en/of

munitie van categorie II, waaronder munitie met het volgende SINnummer:

AACR8405NL

voorhanden heeft gehad;

3.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2040 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 52 gram en/of 12 pillen/tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA en/of tenamfetamine en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of tenamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 282 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en/of ongeveer 13.767 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een grote hoeveelheid cafeïne en/of 215 gram lidocaïne en/of een drukpers, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

6.

zij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van 100 euro (149 stuks) en/of bankbiljetten van 500 euro (41 stuks) (totaal 35400 euro), dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen zij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

7.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 09 december 2010, te Kerkrade, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte voorwerpen, te weten een grote hoeveelheid wapens en/of drugs (onder andere cocaïne en/of hennep) en/of geld en/of sieraden en/of vals geld en/of cafeïne en/of chemicaliën (waaronder tapt), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer van die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij wist dat

bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 09 december 2010, te Kerkrade, althans in Nederland, een grote hoeveelheid wapens en/of drugs (onder andere cocaïne en/of hennep) en/of geld en/of sieraden en/of vals geld en/of cafeïne en/of chemicaliën (waaronder tapt), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.