Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU7452

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
03-703700-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vondst van een wapenarsenaal en drugs leidt tot straffen voor bewoners; (gedeeltelijk) vrijspraak voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703700-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 17 en 18 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen zijn echtgenote en medeverdachte, [naam medeverdachte].

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: alleen of samen met een ander/anderen een grote hoeveelheid vuurwapens en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 2: alleen of samen met een ander/anderen een grote hoeveelheid wapens en munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 3: alleen of samen met een ander/anderen ruim 2 kilo cocaïne, 52 gram MDMA en 12 pillen met amfetamine voorhanden heeft gehad;

Feit 4: alleen of samen met een ander/anderen ruim 13 kilo hennep en 282 gram hasjiesj voorhanden heeft gehad;

Feit 5: alleen of samen met een ander/anderen cafeïne, lidocaïne en een pers voorhanden heeft gehad die bestemd waren voor het vervaardigen en/of verkopen en/of exporteren van drugs;

Feit 6: alleen of samen met een ander/anderen vals geld voorhanden heeft gehad;

Feit 7: zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen, met uitzondering van feit 6.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat bij verdachte een zeer grote hoeveelheid wapens en munitie zijn aangetroffen. De wapens en munitie zijn aangetroffen in de woning en in opstallen van verdachte. Een deel van de wapens en munitie lag gewoon in het zicht, maar er was ook een grote hoeveelheid verborgen (feiten 1 en 2). Verder heeft de politie grote hoeveelheden hard- en softdrugs aangetroffen, alsmede chemische stoffen en een pers waarmee Opiumwetdelicten konden worden voorbereid (feiten 3,4 en 5).

Daarnaast is er vals geld gevonden in de woning (feit 6). Om tot een veroordeling te komen voor het bezit van vals geld is echter vereist dat de bezitter het oogmerk heeft dit valse geld ook daadwerkelijk te gebruiken. Nu dit in de zaak van verdachte volgens de officier van justitie niet aangetoond kan worden, moet verdachte op dit punt - en daarmee van feit 6 - worden vrijgesproken.

Voor het bezit van de goederen zoals tenlastegelegd in de feiten 1 tot en met 5, kan verdachte wel worden veroordeeld, mede gelet op zijn bekennende verklaring. Voor zover er wapens en munitie zichtbaar in de woning van verdachte hebben gelegen, is er sprake van het gezamenlijk voorhanden hebben, omdat ook de vrouw van verdachte, [naam medeverdachte], wetenschap had van en kon beschikken over die wapens en munitie.

Bij het onderzoek heeft de politie tevens gekeken naar de financiën van verdachte. Daarbij is volgens de officier van justitie duidelijk geworden dat verdachte en zijn vrouw -kort gezegd- gedurende jaren veel meer contant geld hebben uitgegeven, dan zij legaal contant beschikbaar hadden. Dit brengt mee dat er sprake is geweest van gewoonte-witwassen van diverse goederen en van geld, zoals tenlastegelegd bij feit 7.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. Primair heeft hij betoogd dat er onvoldoende grond was op 9 december 2010 om de woning van verdachte in [woonplaats] binnen te vallen en te doorzoeken op basis van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. Uit de informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van november 2010 en de informatie die de politie naar aanleiding daarvan had vergaard, kon de politie geen redelijk vermoeden ontlenen dat verdachte verboden wapens in zijn woning aanwezig had. Het was derhalve niet geoorloofd de woning binnen te treden zonder toestemming van verdachte. Daarmee is ook het binnentreden ter inbeslagname op 14 december 2010 besmet.

Ook voor de doorzoekingen die volgden, op respectievelijk 16 december 2010 en 6 januari 2011, was er niet genoeg verdenking. Dit betekent dat het bewijs dat bij alle doorzoekingen is verkregen, onrechtmatig is verkregen en niet mag worden gebruikt. Dit dient te leiden tot een volledige vrijspraak, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman op een aantal onderdelen het bewijs betwist.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Inleiding

Op 9 december 2010 heeft de politie een inval gedaan in de woning van verdachte en zijn vrouw in [woonplaats]. De politie heeft daartoe besloten, nadat zij anonieme informatie had ontvangen in de vorm van een proces-verbaal van de CIE van de Regiopolitie Limburg-Zuid, waarin verdachte in verband werd gebracht met het bezit van verboden vuurwapens. In de woning trof de politie (onder meer) in de woonkamer in het zicht liggende wapens aan. Ook trof men in een van de opstallen bij de woning een op cocaïne gelijkende stof aan en een pers waarmee verdovende middelen konden worden geperst. Verdachte en zijn vrouw, [naam medeverdachte], werden op 9 december 2010 aangehouden.

Bij deze inval op 9 december 2010 werd een grote hoeveelheid wapens, munitie en drugs aangetroffen en inbeslaggenomen. Een deel van de inbeslaggenomen goederen werd diezelfde dag nog meegenomen. Aangezien het dusdanig veel was dat de politie dit niet in een keer mee kon nemen, werden de overige inbeslaggenomen goederen op 14 december 2010 opgehaald. Daarna werden nog twee doorzoekingen gehouden, op 16 december 2010 en op 6 januari 2011. Al met al werden een grote hoeveelheid wapens en munitie, drugs en chemische stoffen, vals geld en andere voorwerpen inbeslaggenomen.

De rechtbank zal eerst ingaan op het primaire verweer van de raadsman en uiteenzetten waarom zij dit verweer verwerpt (paragraaf 3.3.2). Daarna zal de rechtbank het bewijs van de feiten 1 tot en met 6 bespreken (paragraaf 3.3.3.). Tot slot komt het witwassen in een afzonderlijke paragraaf aan de orde (paragraaf 3.3.4.).

3.3.2. De rechtmatigheid van de doorzoekingen

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de politie voldoende reden had om op 9 december 2010 bij verdachte, zonder diens toestemming, binnen te treden. Het juridisch kader waarbinnen dit beoordeeld moet worden, wordt in de onderhavige zaak gevormd door artikel 49 van de Wet wapens en munitie en door de jurisprudentie ter zake en komt -kort samengevat- op het volgende neer.

Artikel 49 van de Wet wapens en munitie geeft de politie de bevoegdheid een woning te betreden en te doorzoeken, als zij redelijkerwijs kan vermoeden dat aldaar wapens of munitie aanwezig zijn. Daarbij mag de politie zich baseren op informatie die beschikbaar wordt gesteld door de CIE. Of de CIE-informatie toereikend is om een redelijk vermoeden aan te kunnen nemen, hangt af van de aard van die informatie, hoe concreet en gedetailleerdheid deze is en of deze als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ook kan daarbij worden meegewogen in hoeverre de politie getracht heeft de informatie te verifiëren of aan te vullen, maar absoluut noodzakelijk is dat niet.

In de onderhavige zaak heeft de politie naar het oordeel van de rechtbank in elk geval concrete informatie van de CIE ontvangen. In het proces-verbaal van de CIE van 1 december 2010 wordt verdachte namelijk met name genoemd: [naam verdachte]. Daarnaast wordt vermeld dat deze [naam verdachte] een aantal vuurwapens bezit en deze zou bewaren in zijn woning op het adres [adresgegevens verdachte]. Het zou gaan om pistolen en geweren en er zou sprake zijn van handel. [naam verdachte] zou gebruik maken van een [merk auto] met kenteken [XX-XX-XX]. Deze informatie was afkomstig van een (anonieme) informant van de CIE.

De naam en adresgegevens die de informant heeft genoemd, bleken overeen te komen met de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA). De door de informant genoemde auto bleek op naam te staan van een persoon die volgens het GBA op hetzelfde adres woonde. De informatie, door de informant verstrekt in de maand november 2010, werd door de teamchef van de CIE verder als betrouwbaar aangemerkt.

In tegenstelling tot de raadsman, acht de rechtbank voornoemde, als betrouwbaar beoordeelde, informatie voldoende specifiek, actueel en substantieel om redelijkerwijs een vermoeden af te leiden van verboden wapenbezit. Bovendien heeft de politie aanvullend onderzoek gedaan in relatie tot de informatie van de CIE, aan de hand waarvan het vermoeden nader kon worden onderbouwd. Dit blijkt uit het later opgestelde, aanvullend proces-verbaal van 31 maart 2011 van verbalisant [C.].

Zo bleek uit gegevens van de Kamer van Koophandel dat verdachte een schietvereniging zou hebben, terwijl uit controle via de afdeling bijzondere wetten van de politie bleek dat er geen vergunning of verlof tot het voorhanden hebben van wapens was afgegeven aan verdachte. Ook was ambtshalve bekend dat verdachte contact onderhield met een persoon die aangehouden was voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Dit alles betekent voor de rechtbank dat er ruim voldoende basis was om een redelijk vermoeden aan te nemen, als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en muntie en dat de politie op 9 december 2010 rechtmatig is binnengetreden in de woning van verdachte. Ook aan andere wettelijke vereisten ten aanzien van het binnentreden is in de onderhavige zaak voldaan. Het bewijs dat vervolgens op 9 december 2010 is verzameld, zal de rechtbank dan ook gebruiken. Datzelfde geldt voor het bewijs dat op 14 december 2010 is aangetroffen, aangezien het binnentreden op die dag slechts tot doel had de op 9 december 2010 inbeslaggenomen goederen op te halen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de anonieme informatie die ná 14 december 2010 door de politie werd ontvangen, eveneens onvoldoende basis bood om opnieuw tot doorzoekingen over te gaan, omdat deze informatie onvoldoende nieuwe verdenkingen opleverde. De informatie die op 16 december 2010 werd beschreven in een CIE proces-verbaal, werd door de teamchef van de CIE immers niet als betrouwbaar aangemerkt. De anonieme brief die op 23 december 2010 bij de politie werd bezorgd, kon evenmin voldoende, nieuwe verdenking opleveren. Daarom moet ook het resultaat van deze twee doorzoekingen worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het verweer van de raadsman maakt de rechtbank op dat hij van mening is dat er voor de doorzoekingen op 16 december 2010 en op 6 januari 2011 nieuwe, zelfstandige, juridisch acceptabele verdenkingen nodig waren om tot de toepassing van het dwangmiddel doorzoeking over te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet het strenge vereiste heeft te gelden dat de raadsman voorstaat. De rechtbank beschouwt het optreden van justitie en politie als een voortbouwen op de verdenking die op 9 december 2010 al bestond en die op basis van alles wat op die datum werd aangetroffen, bewaarheid was. Vanaf dat moment was er daarom geen sprake meer van een verdenking, maar van ernstige bezwaren tegen verdachte. Nu de nadere CIE-informatie wederom specifiek was en de reeds aangetroffen hoeveelheid wapens zo groot, lag het in de rede te vermoeden dat verdachte inderdaad (nog) meer had. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de samenleving een groot belang heeft bij het opsporen van verboden wapens.

De aanvullende anonieme informatie, die in essentie weergaf dat er nog meer wapens aanwezig waren in de woning, maar dan verborgen, was dan ook in samenhang met die ernstige bezwaren en de onderzoeksresultaten tot dan toe, toereikend om opnieuw en diepgaander te zoeken. Derhalve is er ook op dit punt geen reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

3.3.3. Overwegingen en conclusies ten aanzien van het bewijs van de feiten 1 tot en met 6

Bij de doorzoekingen zijn veel zaken aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze zaken zijn, voor zover van belang voor de beoordeling van de feiten 1 tot en met 6 op de tenlastelegging, te verdelen in:

? wapens en munitie (feiten 1 en 2);

? hard- en softdrugs (feiten 3 en 4);

? cafeïne, lidocaïne en een drukpers (feit 5);

? vals geld (feit 6).

Verdachte heeft bekend dat hij al deze zaken in zijn bezit had. Daarmee kunnen de feiten 1 tot en met 5 in beginsel bewezen worden verklaard, tenzij het (subsidiair) gevoerde verweer of het dossier tot een (partiële) vrijspraak aanleiding geeft. Dit zal worden besproken in de paragrafen 3.3.3.1. en 3.3.3.2.

Voor feit 6, het voorhanden hebben van vals geld, ligt dit anders. Daarvan moet verdachte geheel worden vrijgesproken. De rechtbank deelt namelijk het standpunt van de officier van justitie dat er geen bewijs aan het dossier ontleend kan worden dat verdachte het oogmerk had dit geld -voor echt- uit te geven. Het enkele voorhanden hebben van het valse geld is ontoereikend om dat oogmerk aan te nemen.

3.3.3.1. Wapens en munitie (feiten 1 en 2)

Bij de doorzoekingen zijn, zoals gezegd, grote hoeveelheden wapens en munitie inbeslaggenomen. De officier van justitie heeft uitgelegd dat vanwege deze grote hoeveelheden niet alle wapens en munitie, maar slechts een deel hiervan door wapendeskundigen is onderzocht en beoordeeld. Het betreft hier de wapens en munitie die op de tenlastelegging zijn uitgeschreven in de vorm van het aan het wapen of de munitie toegekende SINnummer. Volgens de deskundigenrapporten gaat het hier steeds om verboden wapens/munitie.

De rechtbank is van oordeel dat met het enkel noemen van de SINnummers voldoende specifiek is aangegeven welke concrete wapens en munitie het betreft. Over enkele, specifieke wapens, waarover twijfel was gerezen of het verboden wapens betrof, zijn verdachte en een vuurwapendeskundige ter terechtzitting gehoord. Dat horen heeft de aanvankelijke twijfels, met uitzondering van een geweer (met SINnummer AACR8359NL), weggenomen, zodat in samenhang met het overige bewijs kan worden vastgesteld dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde vuurwapens en munitie van categorie III en wapens en munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Daarbij is er in enkele gevallen sprake van een eendaadse samenloop, omdat een aantal SINnummers betrekking heeft op geladen wapens.

De rechtbank dient vervolgens te oordelen of alleen het voorhanden hebben van deze concrete wapens en/of munitie bewezen kan worden, of ook het tenlastegelegde “voorhanden hebben van een grote hoeveelheid vuurwapens en/of munitie” en “waaronder” de hierboven bedoelde wapens/munitie.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat over een deel van de verboden wapens geen deskundigenrapport is opgemaakt. Volgens de officier van justitie is de reden daarvoor gelegen in een gebrek aan capaciteit bij politie om binnen een redelijke termijn alles te onderzoeken. Volgens de officier van justitie staat dit – vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval – een bewezenverklaring echter niet in de weg, aangezien er naast de wel opgemaakte deskundigenrapporten een proces-verbaal is opgemaakt, waarin een overzicht van alle inbeslaggenomen wapens en munitie is opgenomen en waarin deze wapens en munitie, aan de hand van een oppervlakkige beoordeling, zijn ingedeeld in de categorieën van de Wet wapens en munitie.

Gelet op de grote hoeveelheid wel beschikbare, specifieke rapporten die aantonen dat de daarin beschreven wapens verboden zijn en de deskundigheid van de verbalisant [S.] die, naast de specifieke rapporten, ook het aanvullende proces-verbaal heeft opgemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in de feiten 1 en 2 ook de onderdelen “een grote hoeveelheid vuurwapens en/of munitie” en “waaronder” bewezen kunnen worden verklaard.

Medeplegen

Dit brengt de rechtbank bij het onderdeel medeplegen. Verdachte heeft verklaard dat zijn vrouw niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de wapens en munitie die in de opstallen zijn gevonden, noch van wat er zich verborgen in de woning bevond. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier of uit het onderzoek ter terechtzitting, waaruit blijkt dat dat anders is geweest. Dit betekent dat niet bewezen kan worden dat ten aanzien van die wapens en munitie sprake is geweest van medeplegen.

Dit ligt anders wat betreft de wapens en munitie die zichtbaar in de woning van verdachte zijn aangetroffen. De vrouw van verdachte, [naam medeverdachte], heeft deze wapens gezien en had derhalve wetenschap van de aanwezigheid ervan, zo blijkt uit haar verklaring. Verder bevonden deze wapens met munitie zich in de onmiddellijke nabijheid van alle bewoners van de woning en is niet gebleken dat iedere vorm van machtsuitoefening hierover ontbrak bij [naam medeverdachte], dit ondanks het gegeven dat verdachte heeft verklaard dat zij niet aan de zichtbare wapens mocht komen. Het feit dat zowel verdachte als [naam medeverdachte] hebben verklaard dat [naam medeverdachte] niets van doen wilde hebben met de wapens maakt dit niet anders.

3.3.3.2 Drugs, drugsgerelateerde stoffen en de pers (feiten 3, 4 en 5)

Bij de doorzoekingen werden grote hoeveelheden drugs inbeslaggenomen. Voor zover deze drugs zijn onderzocht door het NFI en/of getest met behulp van een kleurreactietest, kan aan de hand daarvan worden vastgesteld dat het gaat om:

1. 2008 gram cocaïne;

2. 45,6 gram mdma;

3. 5 tabletten met amfetamine;

4. 282 gram hasjiesj;

5. 13.767,4 gram hennep.

Verdachte heeft bekend dat hij deze verdovende middelen in bezit heeft gehad. De rechtbank zal de feiten 3 en 4 dan ook bewezen verklaren met inachtneming van de hiervoor vermelde hoeveelheden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de drugs samen met een ander of anderen voorhanden heeft gehad.

In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten bevat aan de hand waarvan bewezen kan worden dat de vrouw van verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs.

In de tweede plaats zegt alleen de verdachte zelf dat de drugs toebehoorden aan een kameraad, aan wie verdachte de schuur of een kamer ter beschikking had gesteld om daarin de drugs te bewerken/verwerken. Deze verklaring vindt echter op geen enkele wijze steun in het dossier. Nu het hier een elementair en strafverzwarend deel van de tenlastelegging betreft, is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen door een onbekende derde niet enkel op de verklaring van verdachte bewezen kan worden. Voor zover verdachte met zijn verwijzing naar de onbekende derde heeft willen zeggen dat hij niet de bezitter van de drugs was, merkt de rechtbank nog op dat voor het bewijs van het opzettelijk aanwezig hebben van drugs niet bepalend is wie nu precies de (juridische) eigenaar van deze drugs is.

Bij de doorzoekingen werden voorts een pers aangetroffen en stoffen, waarvan de politie op basis van een indicatieve test vermoedde dat het om cafeïne en om lidocaïne ging. Deze chemische stoffen zijn echter niet nader door het NFI onderzocht. Dit brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat het om cafeïne en lidocaïne ging. Daarom kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte deze specifieke stoffen voorhanden had.

Wél zal de rechtbank bewezen verklaren dat verdachte een drukpers voorhanden had. Het betrof hier een pers die bestemd was voor het verwerken van cocaïne. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bovengenoemde onbekende derde deze pers daartoe gebruikte, maar de rechtbank zal hieraan voorbij gaan, nu verdachte meermalen, ook ten overstaan van de rechter-commissaris, verklaard dat hij zelf de pers gebruikte om verdovende middelen te persen. Dat verdachte de pers wellicht ook gebruikte voor het maken van visvoer, zoals verdachte en zijn raadsman aangevoerd hebben, doet niet ter zake.

3.3.4. Feit 7: Witwassen?

De officier van justitie heeft zijn standpunt dat feit 7 (het witwassen) bewezen kan worden, gebaseerd op een financieel rapport van de politie, neergelegd in een proces-verbaal met bijlagen. In dit rapport is een zogenoemde kasopstelling gemaakt. Daarin wordt gesteld dat er sprake is geweest van aantoonbaar illegale contante inkomsten van verdachte en zijn vrouw. Volgens het rapport zijn er namelijk onvoldoende legale contante inkomsten achterhaald om alle contante uitgaven van het verdachte en zijn vrouw te verklaren.

Verdachte heeft bestreden dat er sprake is geweest van illegale contante inkomsten, omdat hij in de tenlastegelegde periode diverse bedrijfsactiviteiten in België (te weten een bakkerij en een lunchroom) en in Oost-Europa (een beveiligingsbedrijf) heeft ontplooid waaruit hij contante inkomsten genereerde. Deze inkomsten zijn bij de kasopstelling ten onrechte niet meegenomen. Verdachte heeft over zijn inkomsten in Oost-Europa ter terechtzitting geen verdere informatie willen verstrekken, omdat hij hiervoor naar zijn mening enkel aan de Oekraïense autoriteiten verantwoording is verschuldigd. Voor wat betreft de inkomsten van zijn Belgische bedrijven heeft hij aangevoerd dat de administratie van deze bedrijven zich bij de stukken moet bevinden die door de politie in beslag zijn genomen.

De rechtbank overweegt allereerst dat een verdachte niet gehouden is aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het is om die reden dat de verdachte zich kan beroepen op zijn zwijgrecht en dat het de officier van justitie is die het bewijs voor een strafbaar feit moet leveren. Anderzijds mag van een verdachte wel worden verwacht dat hij uitleg geeft aan zijn stelling dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde, als er feiten en omstandigheden naar voren komen, die harde aanwijzingen opleveren dat hij het tenlastegelegde juist wel heeft begaan. Doet hij dit niet, dan kan dat tegen hem werken.

Verdachte heeft als uitleg voor zijn uitgaven gegeven, dat hij wel legale contante inkomsten genoot, die niet in de kasopstelling zijn meegenomen, maar waarmee alle contante uitgaven verklaard kunnen worden. De rechtbank ziet zich daarom in de onderhavige zaak voor de vraag gesteld of zij de stelling van verdachte omtrent zijn contante inkomsten aannemelijk vindt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het dossier bevat bewijs dat verdachte daadwerkelijk een aantal bedrijven in het buitenland heeft gehad. Zo is er schriftelijk bewijs dat hij huur betaalde voor zijn bakkerij en lunchroom in België en dat hij in België handelsrekeningen had. Ook is er bewijs dat verdachte meermalen tickets voor vliegreizen naar de Oekraïne heeft gekocht, alwaar hij naar eigen zeggen werkzaam was als beveiligingsadviseur en waartoe hij zich had ingeschreven bij de (Nederlandse) Kamer van Koophandel. Een uittreksel van de Kamer van Koophandel bevindt zich eveneens in het dossier.

Deze stukken brengen in elk geval met zich mee dat het niet volstrekt onaannemelijk is dat verdachte beschikte over inkomsten uit deze bedrijven.

Volgens verdachte bevond de bedrijfsadministratie van zijn Belgische bedrijven en certificaten met betrekking tot zijn werkzaamheden op gebied van beveiliging zich bij de papieren die door de politie in beslag zijn genomen. Blijkens het dossier zijn er inderdaad papieren inbeslaggenomen bij verdachte en zijn vrouw. De rechtbank constateert dat uit de (beslag)stukken van het dossier niet kan worden afgeleid wat is meegenomen, nu een gedetailleerde beschrijving van de inbeslaggenomen zaken niet is gemaakt en zij uit de kennisgevingen van inbeslagneming alleen kan opmaken dat er grote hoeveelheden niet nader omschreven “bescheiden” in beslag zijn genomen.

Verder constateert de rechtbank dat er van de zijde van de officier van justitie, ondanks een daartoe strekkend verzoek aan de Belgische autoriteiten, geen gegevens zijn aangeleverd, zoals belastinggegevens over inkomsten en omzet van verdachte. Dit gebrek aan informatie mag wat de rechtbank betreft niet in het nadeel van verdachte worden uitgelegd bij het beantwoorden van de vraag of het alternatieve scenario aannemelijk is. Het “moeten” geven van uitleg mag ook niet zover gaan dat van verdachte verwacht mag worden deze gegevens zelf aan te leveren, omdat daarmee de bewijslast zou worden omgekeerd.

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat de stelling van verdachte dat hij in het buitenland legale inkomsten heeft verworven niet als volstrekt onaannemelijk ter zijde kan worden geschoven en dat – in de gegeven omstandigheden – de kasopstelling onvoldoende bewijskracht toekomt voor illegale inkomsten. Aldus kan niet worden bewezen dat verdachte de in feit 7 genoemde goederen met illegale inkomsten heeft verworven.

Anders dan de raadsman meent, leidt dit echter niet tot een volledige vrijspraak van feit 7. Behalve het verwerven, is aan verdachte onder feit 7 immers ook ten laste gelegd het voorhanden hebben van bepaalde goederen, terwijl hij wist van deze van criminele herkomst waren.

Verdachte heeft, zoals hiervoor in paragraaf 3.3.3.2. vastgesteld, drugs voorhanden gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs, zowel hard- als softdrugs, op enig moment geproduceerd moeten zijn en dat het produceren hiervan een misdrijf oplevert. Nu verdachte verdovende middelen aanwezig had, terwijl hij dus wist dat deze afkomstig waren van een misdrijf (te weten het produceren van drugs) heeft hij zich ten aanzien van die drugs schuldig gemaakt aan het witwassen hiervan.

Met betrekking tot het vervaardigen van vals geld geldt dat dit op zich genomen wel strafbaar is, maar slechts als overtreding (artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht). Derhalve kan niet gesteld worden dat het valse geld dat verdachte voorhanden had, van misdrijf afkomstig is en door hem is witgewassen.

Ten aanzien van de andere in de tenlastelegging genoemde goederen, te weten de wapens, het geld, de sieraden, de cafeïne en de lidocaïne, is er ook geen sprake van witwassen, aangezien de enkele productie van deze goederen niet strafbaar is gesteld en deze goederen ook op legale wijze kunnen worden verkregen, terwijl daarbij komt dat van de cafeïne en lidocaïne niet is vastgesteld dat het daadwerkelijk om deze stoffen gaat.

Blijft over dat verdachte drugs heeft witgewassen op 9 december 2010. Dit enkele gegeven levert naar het oordeel van de rechtbank geen gewoonte-witwassen op. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primaire verwijt bij feit 7 en het subsidiaire bewezen verklaren.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander vuurwapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad, te weten:

een geweer van de categorie III sub 1, te weten het geweer met het volgende SINnummer:

AACR8009NL

en pistolen van de categorie III sub 1, te weten de pistolen met de volgende SINnummers:

AACR8000NL en

AACR8014NL en

AACR8047NL en

AACR8053NL en

AACR8055NL en

AACR8057NL en

AACR8061NL

en revolvers van de categorie III sub 1, te weten de revolvers met de volgende SINnummers:

AACR8030NL en

AACR8058NL en

AACR8064NL en

AACR8065NL en

AACR8080NL en

en munitie van categorie III, te weten munitie met de volgende SINnummers:

AACR8014NL en

AACR8053NLen

AACR8061NL en

AACR8065NL

en dat hij op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade vuurwapens en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad, te weten:

geweren van de categorie III sub 1, waaronder geweren met de volgende SINnummers:

AACR8336NL en

AACR8337NL en

AACR8338NL en

AACR8339NL en

AACR8344NL en

AACR8347NL en

AACR8351NL en

AACR8373NL en

AACR8379NL en

AACR8390NL en

AACR8398NL en

AACR8400NL en

AACR8403NL en

AACR8407NL en

AACR8420NL en

AACR8422NL en

AACR8427NL en

AACR8525NL en

AACR8531NL

en pistolen van de categorie III sub 1, waaronder pistolen met de volgende SINnummers:

AACR8296NL en

AACR8415NL en

AACR8495NL en

AACR8496NL en

AACR8497NL en

AACR8541NL en

AACR8542NL en

AACR8550NL en

AACR8551NL en

AACR8553NL en

AACR8563NL en

AACR8564NL en

AACR8567NL en

AACR8568NL en

AACR8574NL

en revolvers van de categorie III sub 1, waaronder revolvers met de volgende SINnummers:

AACR8437NL en

AACR8327NL en

AACR8328NL en

AACR8329NL en

AACR8332NL en

AACR8333NL en

AACR8504NL en

AACR8540NL en

AACR8543NL en

AACR8544NL en

AACR8549NL en

AACR8559NL en

AACR8560NL en

AACR8561NL en

AACR8562NL

en munitie van categorie III, waaronder munitie met de volgende SINnummers:

AACR8405NL en

AACR8572NL;

Feit 2

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie II voorhanden heeft gehad,

te weten van categorie II sub 1, wapens met de volgende SINnummers:

AACR8016NL (automatisch wapen) en

AACR8033NL (automatisch wapen)

en te weten van categorie II sub 2, een wapen met het volgende SINnummer:

AACR8031NL (automatisch vuurwapen)

en

dat hij op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade wapens en munitie van categorie II voorhanden heeft gehad, te weten van categorie II sub 1, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8413NL (pistool) en

AACR8381NL (automatisch wapen) en

AACR8537NL (machinepistool met geluiddemper) en

AACR8036NL (antitankwapen) en

AACR8440NL (antitankwapen)

en te weten van categorie II sub 2, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8341NL (automatisch vuurwapen) en

AACR8342NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en

AACR8375NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en te weten van categorie II sub 3, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8135NL (geweer) en

AACR8412NL (geweer) en

AACR8430NL (geweer) en

AACR8413NL (pistool) en

AACR8031NL (automatisch vuurwapen) en

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en

AACR8425NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en te weten van categorie II sub 4, onder andere een wapen met het volgende SINnummer:

AACR8502NL (revolver)

en te weten van categorie II sub 7, onder andere wapens met het volgende SINnummer:

AACR8406NL (handgranaten)

en

munitie van categorie II, waaronder munitie met het volgende SINnummer:

AACR8405NL;

Feit 3

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2008 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 45,6 gram van een materiaal bevattende MDMA en 5 tablettenen van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en MDMA en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 4

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 282 gram hasjiesj en ongeveer 13.767 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 5

op 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, een drukpers voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd was tot het plegen van die feiten;

Feit 7 subsidiair

op 9 december 2010 te Kerkrade een grote hoeveelheid drugs (onder andere cocaïne en hennep) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 4

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 5

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit

Feit 7 subsidiair

witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 7 jaar op te leggen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte alleen al 273 vuurwapens in bezit gehad. Normaal gesproken is de standaard eis 3 maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van één vuurwapen. Bij het bezit van meer wapens wordt er doorgaans een lagere straf per wapen berekend, maar uitgangspunt blijft voor de officier van justitie dat per verboden vuurwapen het opleggen van minimaal 1 maand gevangenisstraf passend is. Zelfs met de toepassing van dit uitgangspunt zou in deze zaak het wettelijk maximum op basis van de Wet wapens en munitie en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, te weten 64 maanden, ruimschoots worden overschreden. Daarnaast zou er dan nog straf moeten worden opgelegd voor het bezit van munitie (meer dan 21.500 stuks), 2 handgranaten en voor de overige delicten, die de officier van justitie “begroot” op 2 jaar gevangenisstraf. Alles combinerend en afrondend, komt de officier van justitie tot voornoemde eis van 7 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een lagere straf, wanneer de rechtbank zijn vrijspraakverweer niet volgt.

Er is volgens de raadsman aanleiding om niet meer dan 4 jaar gevangenisstraf op te leggen. Verdachte was volkomen gefascineerd door wapens en was uitsluitend bezig een unieke collectie daarvan op te bouwen. Verdachte is weliswaar volledig doorgeschoten in zijn passie en heeft gevaarlijke wapens in zijn verzameling gehad, maar er is geen enkele aanwijzing dat verdachte in wapens handelde of zelfs maar bereid was een van zijn stukken af te staan aan wie dan ook. Verdachte zelf is ook van mening dat er geen gevaar uitging van zijn wapenbezit. In dat licht bezien is er reden af te wijken van de eis en de straf te matigen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft een zeer grote hoeveelheid verboden vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Deze hoeveelheid was dusdanig dat het niet mogelijk is gebleken binnen redelijke tijd alle wapens door experts in detail te laten onderzoeken. Het gebruik van het woord arsenaal is dan ook niet misplaatst.

Dit arsenaal omvatte niet alleen “normale” wapens als een revolver of een pistool, maar ook bijzondere en buitengewoon gevaarlijke wapens als machinepistolen, handgranaten en wapens die zodanig waren geconstrueerd dat deze verborgen of minder zichtbaar konden worden gedragen.

Ook had verdachte munitie in bezit die het predikaat “normaal” niet kan dragen. Zogenoemde 'hollow point'-kogels en 'deerslugs' zijn kogels die meer nog dan een normale volmantelpatroon schade aan iemand kunnen aanrichten.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het bezit van wapens zonder de daartoe vereiste vergunningen wordt hoogst onwenselijk geoordeeld. Daarbij lagen een aantal geladen wapens voor het grijpen. Een ieder die bij verdachte in de woning kwam, had dan ook (onopgemerkt) een wapen kunnen nemen en daarmee zijn of haar gang kunnen gaan. Kwaadwillenden hadden met hetgeen verdachte in zijn woning had liggen, onnoemelijke schade en leed kunnen aanrichten.

In schril contrast staat hiermee de opstelling van verdachte. Hij heeft er blijk van gegeven dat hij meent dat er geen gevaar van zijn verzamelwoede uitging. De rechtbank kan hier beslist niet in meegaan, laat staan dat het een reden zou zijn om minder straf op te leggen. Van spijt over het bezit van zoveel wapens en drugs heeft de rechtbank ook niet meer gehoord, dan dat verdachte het betreurt dat zijn vrouw en dochter hierdoor in ernstige problemen zijn gekomen.

De rechtbank heeft, net als de officier van justitie, getracht te berekenen welke straf gepast is voor deze feiten. Net als de officier van justitie gaat de rechtbank ervan uit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden voor het bezit van een vuurwapen geen ongebruikelijke straf is, gelet op rechterlijke uitspraken hierover. Dit zou echter bij een onbeperkte cumulatie van straffen per wapen tot een straf leiden die het wettelijk maximum van (gelet op artikel 55 van de Wet wapens en munitie jo artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht) 64 maanden, ver te boven zou gaan. Het opstellen van een glijdende schaal, analoog aan wat gebruikelijk is bij bijvoorbeeld Opiumwetdelicten, gaat het bestek van deze enkele strafzaak te buiten. Bovendien zou ook een aanzienlijke verlaging van de strafmaat per wapen in deze zaak niet leiden tot een straf die (ver) onder voornoemde maximum gevangenisstraf ligt, zoals ook de officier van justitie heeft aangevoerd.

Het bepalen van de strafmaat is echter niet alleen de uitkomst van een kille rekensom. Er zijn meer factoren die moeten worden meegewogen en niet op een specifiek getal kunnen worden “begroot”. Voor de rechtbank bestaan deze factoren hieruit dat verdachte niet eerder is veroordeeld op grond van de Wet wapens en munitie en uit het dossier geen enkele aanwijzing naar voren komt dat verdachte de wapens en munitie anders dan voor een eigen verzameling voorhanden had. Het opleggen van de maximumstraf is daarom voor de rechtbank in deze zaak niet aan de orde. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 5 jaar, conform de eis, een passende straf voor het bezit van de (vuur)wapens en munitie.

Voorts moet de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening houden met het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hard- en softdrugs en overtreding van artikel 10a van de Opiumwet. Voor het aanwezig hebben van 2 kilo cocaïne komt de rechtbank met toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten die zij doorgaans hanteert, uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar. Voor de softdrugs (waarbij verdachte geen first offender is) en de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet komen daar wat de rechtbank betreft nog eens 6 maanden bij. Voor het witwassen zal de rechtbank geen extra straf opleggen, omdat de drugs die verdachte heeft witgewassen al bij de feiten 3 en 4 zijn meegenomen in de strafmaat.

De rechtbank zal in totaal derhalve 6 jaar en 6 maanden gevangenisstraf opleggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op:

- de artikelen 47, 55, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet;

- de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 6 en onder 7 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren en 6 maanden:

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 december 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid vuurwapens en/of munitie van categorie III te weten

geweren van de categorie III sub 1, waaronder geweren met de volgende SINnummers:

AACR8009NL en/of

AACR8336NL en/of

AACR8337NL en/of

AACR8338NL en/of

AACR8339NL en/of

AACR8344NL en/of

AACR8347NL en/of

AACR8351NL en/of

AACR8373NL en/of

AACR8379NL en/of

AACR8390NL en/of

AACR8398NL en/of

AACR8400NL en/of

AACR8403NL en/of

AACR8407NL en/of

AACR8420NL en/of

AACR8422NL en/of

AACR8427NL en/of

AACR8525NL en/of

AACR8531NL

en/of

pistolen van de categorie III sub 1, waaronder pistolen met de volgende SINnummers:

AACR8000NL en/of

AACR8014NL en/of

AACR8047NL en/of

AACR8053NL en/of

AACR8055NL en/of

AACR8057NL en/of

AACR8061NL en/of

AACR8296NL en/of

AACR8415NL en/of

AACR8495NL en/of

AACR8496NL en/of

AACR8497NL en/of

AACR8541NL en/of

AACR8542NL en/of

AACR8550NL en/of

AACR8551NL en/of

AACR8553NL en/of

AACR8563NL en/of

AACR8564NL en/of

AACR8567NL en/of

AACR8568NL en/of

AACR8574NL

en/of

revolvers van de categorie III sub 1, waaronder revolvers met de volgende SINnummers:

AACR8030NL en/of

AACR8058NL en/of

AACR8064NL en/of

AACR8065NL en/of

AACR8080NL en/of

AACR8437NL en/of

AACR8327NL en/of

AACR8328NL en/of

AACR8329NL en/of

AACR8332NL en/of

AACR8333NL en/of

AACR8504NL en/of

AACR8540NL en/of

AACR8543NL en/of

AACR8544NL en/of

AACR8549NL en/of

AACR8559NL en/of

AACR8560NL en/of

AACR8561NL en/of

AACR8562NL

en/of munitie van categorie III, waaronder munitie met de volgende SINnummers:

AACR8014NL en/of

AACR8053NL en/of

AACR8061NL en/of

AACR8065NL en/of

AACR8405NL en/of

AACR8572NL

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid wapens en/of munitie van categorie II, te weten van categorie II sub 1, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8413NL (pistool) en/of

AACR8016NL (automatisch wapen) en/of

AACR8033NL (automatisch wapen) en/of

AACR8381NL (automatisch wapen) en/of

AACR8537NL (machinepistool met geluiddemper) en/of

AACR8036NL (antitankwapen) en/of

AACR8440NL (antitankwapen)

en/of

te weten van categorie II sub 2, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8031NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8341NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8342NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8375NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en/of

te weten van categorie II sub 3, onder andere wapens met de volgende SINnummers:

AACR8135NL (geweer) en/of

AACR8359NL (geweer) en/of

AACR8412NL (geweer) en/of

AACR8430NL (geweer) en/of

AACR8413NL (pistool) en/of

AACR8031NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8416NL (automatisch vuurwapen) en/of

AACR8417NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper) en/of

AACR8425NL (automatisch vuurwapen voorzien van geluiddemper)

en/of

te weten van categorie II sub 4, onder andere een wapen met het volgende SINnummer:

AACR8502NL (revolver)

en/of

te weten van categorie II sub 7, onder andere (een) wapens met het volgende SINnummer:

AACR8406NL (handgranaten)

en/of

munitie van categorie II, waaronder munitie met het volgende SINnummer:

AACR8405NL

voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2040 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 52 gram en/of 12 pillen/tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl-MDA en/of tenamfetamine en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of tenamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 282 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en/of ongeveer 13.767 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een grote hoeveelheid cafeïne en/of 215 gram lidocaïne en/of een drukpers, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

6.

hij op of omstreeks 9 december 2010 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van 100 euro (149 stuks) en/of bankbiljetten van 500 euro (41 stuks) (totaal 35400 euro), dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 9 december 2010, te Kerkrade, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte voorwerpen, te weten een grote hoeveelheid wapens en/of drugs (onder ander cocaïne en/of hennep) en/of geld en/of sieraden en/of vals geld en/of cafeïne en/of chemicaliën (waaronder tapt), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer van die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat

bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit

enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 9 december 2010, te Kerkrade, althans in Nederland, een grote hoeveelheid wapens en/of drugs (onder andere cocaïne en/of hennep) en/of geld en/of sieraden en/of vals geld en/of cafeïne en/of chemicaliën (waaronder tapt), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.