Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU7197

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
163257 / HA RK 11-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil, medische behandeling, medische fout, schadeberekening (overlijdensschade).

In 1998 wordt bij de behandeling van de echtgenoot van verzoekster door het AZM een kunstfout gemaakt. Als gevolg van complicaties opgetreden na die kunstfout is de echtgenoot van verzoekster volgens verzoekster arbeidsongeschikt geworden. In 2006 wordt de echtgenoot van verzoekster opnieuw in het AZM behandeld - voor een kwaal die geen verband houdt met de eerste kunstfout of de nadien opgetreden complicaties - waarbij wederom een kunstfout wordt gemaakt door het AZM! Als gevolg van die tweede kunstfout overlijdt de echtgenoot van verzoek­ster daags na diens opname en operatie. Het AZM heeft de aansprakelijkheid voor de eerste kunstfout erkend in 2007 en in 2008 heeft zij de aansprakelijkheid voor de tweede kunstfout erkend. In 2009, dus na het overlijden van de echtgenoot van verzoekster, sluit verzoekster een vaststellingsovereen­komst met het AZM met betrekking tot inkomensschade als gevolg van de eerste kunstfout.

Het deelgeschil betreft de vraag op basis van welk inkomen de overlijdensschade (schade als gevolg van het derven van levensonderhoud) als gevolg van de tweede kunstfout moet worden berekend. Moet dat gebeuren op basis van het WAO-dagloon, dat volgens verzoekster tot uitgangspunt is genomen bij de berekening van de inkomensschade als gevolg van de eerste kunstfout, zoals verzoekster bepleit, of moet dat gebeuren op basis van de WAO-uitkering, waarop de overleden echtgenoot was aangewezen op grond van zijn arbeidsongeschiktheid na de eerste kunstfout, zoals het AZM bepleit?

De rechtbank beslist dat noch het ene, noch het andere uitgangpunt juist en geeft aan wat het uitgangspunt wel dient te zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/24 met annotatie van I. van der Zalm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 163257 / HA RK 11-88

Beschikking van 26 oktober 2011

in de zaak van

[[verzoekster]],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. F.C. Schirmeister te Amsterdam;

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

zetelend te Maastricht,

verweerder,

advocaat mr. K. Mous te Nijmegen.

1. Het verloop van de procedure

Op 14 juli 2011 is door de rechtbank een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv met bijlagen ontvangen van verzoekster, verder te noemen: [verzoekster]. De rechtbank heeft daarop een datum voor een mondelinge behandeling van het verzoekschrift bepaald. Vervolgens heeft verweerder, verder te noemen: het AZM, op 11 oktober 2011 een verweerschrift met bijlagen ingediend. Op 12 oktober 2011 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden.

Vervolgens heeft de rechtbank de uitspraak van de beschikking bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1. Op 23 juli 1998 is de echtgenoot van [verzoekster], [belanghebbende], slachtoffer geworden van een medische fout in het door AZM geëxploiteerde ziekenhuis. Die fout heeft daarin bestaan dat bij [belanghebbende] ten onrechte een nier is verwijderd. [verzoekster] stelt dat [belanghebbende] als gevolg van complicaties, opgetreden na het verwijderen van die nier, arbeidsongeschikt is geworden en als gevolg daarvan voor zijn inkomen is aangewezen op een WAO-uitkering. Het AZM heeft bij brief van 20 augustus 2007 aansprakelijkheid voor de medische fout (verder ook aan te duiden als de “eerste kunstfout”) erkend.

2.2. In de tussentijd, in 2006, is [belanghebbende] opgenomen in het AZM met ernstige buikklachten. Daags na de opname in het ziekenhuis, op 19 februari 2006, is [belanghebbende] overleden. Ook dit overlijden is te wijten aan een kunstfout gemaakt in het AZM, daarin bestaande dat bij [belanghebbende] te laat is ingegrepen naar aanleiding van een zogenaamde blindedarm ileus. De aansprakelijkheid voor deze medische fout (verder ook aan te duiden als de “tweede kunstfout”) is door het AZM erkend, en wel in april 2008.

2.3. Als erfgename van [belanghebbende] heeft [verzoekster] op 25 mei 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten met het AZM met betrekking tot de eerste kunstfout. Die overeenkomst hield – voor zover te dezen van belang – het volgende in:

“In aanmerking nemende

Dat op 20 oktober 1998 een medische behandeling plaatsvond in het Academisch Ziekenhuis Maastricht;

Dat de heer [belanghebbende] hierdoor materiële en immateriële schade heeft geleden waarvoor partij 1 (het AZM, de rechtbank) aansprakelijk is gesteld;

(…)

Komen hierbij overeen

1. Partij 1 betaalt aan partij 2 ([verzoekster], de rechtbank) een bedrag van € 54.500,- strekkende tot vergoeding van materiële en immateriële schade, alsmede alle buitengerechtelijke kosten.(…)

2. Partij 2 verklaart dat zij door ondertekening van deze akte afstand doet van alle aanspraken welke zij terzake van de hierboven bedoelde medische behandeling jegens partij 1 of enig andere voor deze medische behandeling aansprakelijke mocht hebben dan wel verkrijgen, hoezeer deze aanspraken ook mochten voortvloeien uit feiten, oorzaken en omstandigheden welke ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst niet bekend waren of bekend konden zijn;

Partij 2 verklaart derhalve te dezer zake aan partij 1 en bedoelde anderen volledige definitieve kwijting te verlenen.

3. In de onder punt 1 genoemde vergoeding is inbegrepen een vergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen tot een bedrag van € 30.000,-.(…)”

2.4. [verzoekster] stelt zich op het, door het AZM betwiste, standpunt dat bij de berekening van de overlijdensschade (dat is de schade als gevolg van de tweede kunstfout in 2006) hetzelfde inkomen tot uitgangspunt moet worden genomen als bij de berekening van de letselschade (dat is de schade als gevolg van de eerste kunstfout in 1998). Bij berekening van die laatste schade is volgens [verzoekster] het zogenaamde WAO-dagloon tot uitgangspunt genomen.

2.5. [verzoekster] verzoekt de rechtbank met onderhavig verzoekschrift in het kader van een deelgeschil daaromtrent een beslissing te geven.

2.6. Op grond van het vorenstaande verzoekt [verzoekster] dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat bij de berekening van de overlijdensschade van [verzoekster] niet dient te worden uitgegaan van de hoogte van de WAO-uitkering van [belanghebbende], maar van het WAO-dagloon van [belanghebbende], dan wel bij berekening van de overlijdensschade van [verzoekster] van hetzelfde inkomen (van [belanghebbende]) dient te worden uitgegaan als bij de berekening van diens letselschade tot uitgangspunt is genomen;

2. het AZM veroordeelt tot betaling van de door mr. Schirmeister ten behoeve van [verzoekster] gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 4.171,50 exclusief btw;

3. het AZM veroordeelt tot betaling van de door mr. Van Dort ten behoeve van [verzoekster] gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 7.303,18.

2.7. Het AZM heeft het verzochte gemotiveerd betwist. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank, voor zover relevant, hierna ingaan.

3. De beoordeling

3.1. Dit geschil kenmerkt zich door het navrante gegeven dat [belanghebbende] tot tweemaal toe slachtoffer is geworden van een kunstfout bij een behandeling in het AZM, waarbij de tweede kunstfout [belanghebbende] fataal is geworden. Het AZM heeft de aansprakelijkheid voor beide fouten erkend. Vast staat dat de klachten die aanleiding zijn geweest voor de tweede operatie geen gevolg zijn van de complicaties die zijn opgetreden als gevolg van de eerste kunstfout.

3.2. Wat er ook zij van deze feiten, dat neemt niet weg dat deze kunstfouten en de gevolgen daarvan ieder op zich moeten worden beoordeeld. Het feit dat er geen causaal verband bestaat tussen de complicaties als gevolg van de eerste kunstfout en de tweede kunstfout betekent, zoals het AZM terecht stelt, dat de onderhavige casus vergeleken kan worden met die waarin [belanghebbende] in een ander ziekenhuis dan het AZM slachtoffer zou zijn geworden van de eerste kunstfout.

3.3. Of er sprake is van een causaal verband in voormelde zin is echter niet relevant in verband met het volgende.

3.4. Als gevolg van de complicaties die zijn opgetreden na de eerste kunstfout is voor [belanghebbende] een nieuwe (inkomens)situatie ontstaan. Die situatie is in die zin gewijzigd, dat [belanghebbende], naar [verzoekster] stelt, als gevolg van de complicaties na de eerste kunstfout arbeidsongeschikt is geworden en derhalve geen inkomen uit arbeid meer kon verwerven, zodat hij was aangewezen op een WAO-uitkering. Uit de inhoud van de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen met terugwerkende kracht een definitieve regeling hebben willen treffen ten aanzien van de inkomensschade als gevolg van de eerste kunstfout met betrekking tot de periode tussen de eerste kunstfout en de tweede kunstfout (de periode van 20 oktober 1998 tot 20 februari 2006). Voor zover het AZM zich op het standpunt heeft gesteld dat de vaststellingsovereenkomst ook zou zien op ná 2006 geleden schade, omdat er sprake zou zijn van een finale regeling, verwerpt de rechtbank die. In de vaststellingsovereenkomst is immers sprake van het feit dat [verzoekster] door ondertekening daarvan afstand doet van alle aanspraken welke zij ter zake van “de hierboven bedoelde medische behandeling” mocht hebben. Met “de hierboven bedoelde medische behandeling” is bedoeld de in de eerste alinea onder het kopje “In aanmerking nemende” van de overeenkomst bedoelde behandeling, te weten die van 20 oktober 1998. Ondanks het feit dat de vaststellingsovereenkomst pas is gesloten na het overlijden van [belanghebbende], kan derhalve niet worden aangenomen dat die overeenkomst ook betrekking heeft op de schade – de overlijdensschade – als gevolg van de medische behandeling op 20 februari 2006.

3.5. De vaststellingsovereenkomst komt er op neer dat het inkomen van [belanghebbende] uit diens WAO-uitkering met terugwerkende kracht voor het totaal van die periode wordt aangevuld met een bedrag van € 30.000,--. In die vaststellingsovereenkomst, waaruit hierboven onder 2.3. is geciteerd, is immers opgenomen dat in de bij die overeenkomst aan [verzoekster] toegekende vergoeding van € 54.500,-- een bedrag van € 30.000,-- is begrepen als vergoeding van verlies van arbeidsvermogen.

3.6. In het algemeen moet bij de begroting van overlijdensschade tot uitgangspunt worden genomen het inkomen dat de overledene had ten tijde van zijn overlijden. Uit de stukken blijkt dat [belanghebbende] ten tijde van zijn overlijden geen inkomsten uit arbeid had, maar was aangewezen op een inkomen uit een WAO-uitkering. Uit de inhoud van de vaststellingsovereenkomst volgt dat het de bedoeling van partijen was met terugwerkende kracht een definitieve regeling te treffen ten aanzien van de inkomensschade van [belanghebbende] over de periode van 20 oktober 1998 tot 20 februari 2006, zijnde de periode gelegen tussen de eerste en de tweede kunstfout. Het maandinkomen van [belanghebbende] ten tijde van diens overlijden op 19 februari 2006 bestond in ieder geval uit een WAO-uitkering. Op grond van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst moet die WAO-uitkering met terugwerkende kracht worden geacht te zijn verhoogd met een bedrag dat wordt verkregen door het bedrag van € 30.000,--, welk bedrag in de vaststellingsovereenkomst was begrepen als vergoeding van verlies van arbeidsvermogen, te delen door het aantal maanden in de periode van 20 oktober 1998 tot 20 februari 2006

3.7. Dat betekent dat niet als juist kan worden kan worden aanvaard de stelling van [verzoekster], dat bij de berekening van de overlijdensschade het WAO-dagloon tot uitgangspunt moet worden genomen. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt niet dat de WAO-uitkering die [belanghebbende] vóór zijn overlijden ontving zodanig moet worden gesuppleerd dat [belanghebbende] daarmee met terugwerkende kracht hetzelfde inkomen zou ontvangen als het WAO-dagloon. Anderzijds volgt uit het hierboven overwogene dat evenmin als juist kan worden aanvaard de stelling van het AZM, dat voor de begroting van de overlijdensschade de hoogte van de WAO-uitkering als uitgangspunt heeft te gelden.

3.8. Anders dan [verzoekster] stelt, is niet relevant dat het lang heeft geduurd voordat de financiële consequenties van de eerste kunstfout zijn afgehandeld en dat dat pas is gebeurd na de tweede kunstfout, toen [belanghebbende] al was overleden. [verzoekster] is immers niet benadeeld, omdat zij in het kader van de vaststellingsovereenkomst met terugwerkende kracht een vergoeding voor de inkomensschade van [belanghebbende] over de periode van 20 oktober 1998 tot 20 februari 2006 is overeengekomen. Bovendien dient voor de begroting van de overlijdensschade het inkomen van [belanghebbende] ten tijde van diens overlijden, rekening houdend met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, tot uitgangspunt te worden genomen.

3.9. Ten slotte is niet relevant de stelling van [verzoekster] dat het AZM tweemaal zou profiteren van een door haar gemaakte kunstfout. Hoe betreurenswaardig die fouten ook zijn, zulks is niet relevant voor de berekening van de schade van [verzoekster]. Zoals onder 3.8. is overwogen, heeft [verzoekster] geen schade geleden door het feit dat de inkomensschade pas is afgehandeld ná het overlijden van [belanghebbende]. Door de eerste kunstfout en de, met terugwerkende kracht naar aanleiding daarvan, gesloten vaststellingsovereenkomst is, zoals reeds volgt uit 3.6. en 3.7., een nieuwe inkomenssituatie ontstaan die als grondslag dient voor de berekening van de overlijdensschade. Dat beginsel heeft te gelden onafhankelijk van de vraag of de eerste kunstfout in het AZM is gemaakt, dan wel in een ander ziekenhuis.

3.10. Nu slechts wordt verzocht om te bepalen dat bij de berekening van de overlijdensschade (lees: schade door het derven van levensonderhoud) van [verzoekster] niet dient te worden uitgegaan van de hoogte van de WAO-uitkering van [belanghebbende], maar van het WAO-dagloon van [belanghebbende], dan wel bij berekening van de overlijdensschade (lees: schade door het derven van levensonderhoud) van [verzoekster] van hetzelfde inkomen (van [belanghebbende]) dient te worden uitgegaan als bij de berekening van diens letselschade tot uitgangspunt is genomen, moet het sub 1 verzochte worden afgewezen.

3.11. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door [verzoekster] gevorderde proceskostenveroordeling het volgende. Voorop moet worden gesteld dat de aansprakelijkheid voor de ten processe bedoelde kunstfouten door het AZM is erkend. Volgens de memorie van toelichting bij artikel 1019aa Rv betekent dat, dat, ook al wordt het verzoek afgewezen, de kosten van de deelgeschilprocedure voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij het instellen van de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht was en mits het redelijk was om de met de procedure gemoeide kosten te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het instellen van de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht was, noch dat het onredelijk was de kosten te maken. Derhalve heeft [verzoekster] in beginsel recht op een vergoeding van proceskosten.

3.12. Ten aanzien van de door [verzoekster] gevorderde kosten overweegt de rechtbank dat de door mr. Schirmeister (advocaat van [verzoekster]) gedeclareerde kosten wat de hoogte betreft haar redelijk voorkomen, terwijl deze ook in redelijkheid zijn gemaakt. Nu deze kosten zien op andere kosten dan ter voorbereiding van een zaak, liggen deze voor toewijzing gereed. Ten aanzien van de kosten door mr. Van Dort (letselschadeadviseur van [verzoekster]) gedeclareerde kosten overweegt de rechtbank dat er een overlap zit tussen de activiteiten van mr. Van Dort en mr. Schirmeister. Gesteld noch gebleken is wat de noodzaak was voor [verzoekster] om zich gedurende korte tijd (de periode tussen 18 januari 2011 en 12 juli 2011) te laten bijstaan door mr. Van Dort én mr. Schirmeister. Nu de door mr. Schirmeister gedeclareerde kosten de rechtbank redelijk voorkomen, dienen de door mr. Van Dort gedurende voormelde periode gemaakte kosten te worden afgewezen. De door mr. Van Dort gedeclareerde kosten hebben overigens gedeeltelijk ook betrekking op een geschil met de vorige advocaat van [verzoekster], dat niets uitstaande heeft met het onderhavige geschil. Derhalve dienen ook deze kosten te worden afgewezen. Voor het overige zijn de door mr. Van Dort gemaakte kosten onvoldoende bepaalbaar, zodat deze eveneens moeten worden afgewezen.

3.13. Omdat het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen, maar niet geoordeeld kan worden dat het aanhangig maken van de deelgeschilprocedure door [verzoekster] als onrechtmatig bestempeld kan worden, dient op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv een begroting van de kosten aan de zijde van AZM achterwege te blijven.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek sub 1 af;

begroot de kosten van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 4.171,50 exclusief btw en veroordeelt het AZM tot betaling van dit bedrag;

wijst het verzoek sub 3 af;

verstaat dat de kosten aan de zijde van het AZM niet hoeven te worden begroot;

verklaart deze beschikking wat betreft voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen, mr. T.A.J.M. Provaas en mr. E.J.M. Driessen en in het openbaar uitgesproken.?