Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU6474

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
03-700394-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging dat er sprake zou zijn van een onrechtmatige staandehouding en een onrechtmatige doorzoeking van de auto. De rechtbank acht bewezen dat verdachte heroïne en cocaïne heeft uitgevoerd. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS zou een gevangenisstraf van zeven maanden passend zijn. De rechtbank is van oordeel dat de overmatige overlast van drugstoeristen in de regio Zuid Limburg een hogere straf rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700394-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 november 2011

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats – en datum],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 21 oktober 2011 en 16 november 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Het onderzoek ter terechtzitting had plaats met bijstand van een tolk in de Franse taal.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk heroïne en cocaïne in een auto heeft vervoerd met Frankrijk als bestemming (uitvoer), dan wel dat hij deze verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde uitvoer van heroïne en cocaïne wettig en overtuigend bewezen, nu in verdachtes auto twee pakketjes met grote hoeveelheden heroïne en cocaïne werden gevonden, welke verdovende middelen hij naar eigen zeggen wilde meenemen naar Frankrijk.

De officier van justitie acht de staandehouding van verdachte rechtmatig, omdat er gelet op de ervaringsregels ter plaatse en de melding over het in de auto verstoppen van pakketjes, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het tijdsverloop van een uur tussen het voor de eerste maal ter plaatse gaan van de verbalisanten en het uiteindelijke wegrijden van de auto, waarover geen waarnemingen bekend zijn, doet hieraan niets af.

De doorzoeking van de auto acht de officier van justitie eveneens rechtmatig, nu verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven. De woorden van de verbalisanten hadden niet anders opgevat kunnen worden dan als het vragen van toestemming voor doorzoeking. Bovendien heeft verdachte hiertegen tijdens noch na de doorzoeking bezwaar gemaakt.

Gelet hierop acht de officier van justitie het aantreffen van de verdovende middelen en de verklaring van de verdachte bruikbaar voor het bewijs.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit primair voor een vrijspraak van verdachte. Hiertoe voert zij aan dat:

- de staandehouding van verdachte onrechtmatig was;

- verdachte geen toestemming heeft gegeven voor doorzoeking van zijn auto, nu er geen sprake was van een zogenoemd ‘informed consent’;

- er geen wettelijke bevoegdheid bestond om de auto te doorzoeken, en

- het vervolgens vergaarde bewijs niet mag worden gebruikt, omdat het verboden vruchten zijn van de onrechtmatige staandehouding en/of de onrechtmatige doorzoeking.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De (on)rechtmatigheid van de staandehouding

Op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering is iedere opsporingsambtenaar bevoegd een verdachte staande te houden, teneinde diens identiteit vast te stellen.

In dit geval kregen de verbalisanten op 4 augustus 2011 omstreeks 10:35 uur de opdracht om te rijden naar [adresgegevens]. Een buurtbewoner had gezien dat een man aan de linkerachterzijde van een blauwe [merkauto] met een Frans kenteken twee pakketjes achter de kunststofbekleding had verstopt. De man, van wie de meldster een beschrijving gaf, was vervolgens weggelopen.

Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat [adres] is gelegen in de buurt [naam buurt] en dat in deze wijk, die direct aan België grenst, een van de grootste coffeeshops van Maastricht is gevestigd. Voorts was het de verbalisanten ambtshalve bekend dat er regelmatig Belgische en Franse drugstoeristen naar Maastricht reizen om drugs te kopen en dat de wijk regelmatig wordt geconfronteerd met een zeer groot aanbod van in het buitenland woonachtige drugskopers.

Ter plaatse troffen de verbalisanten de blauwe [merk auto] aan. Er was niemand in de directe omgeving van de auto aanwezig en er werd geen persoon gezien die voldeed aan het in de melding opgegeven signalement. Na ongeveer een kwartier werd de meldster door de politie gebeld met het verzoek om opnieuw met hen contact op te nemen op het moment dat de [merk auto] zou wegrijden. Hierop vertrok de politie.

Op 4 augustus 2011 omstreeks 12:00 uur kregen de verbalisanten de opdracht wederom naar [adres] te rijden, omdat de meldster had gebeld met de mededeling dat de persoon bij de [merk auto] was teruggekomen en was weggereden.

Hierop begaven de verbalisanten zich ter plaatse en zagen de [gegevens auto] rijden over de [adres]. De bestuurder voldeed aan het eerder opgegeven signalement. De bestuurder werd staande gehouden en werd gevraagd naar een geldig legitimatiebewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de bestuurder van de [gegevens auto] worden aangemerkt als degene te wiens aanzien uit:

- bovengenoemde ambtshalve bij de verbalisanten bekende informatie ten aanzien van de wijk [naam wijk] en het Belgische en Franse drugstoerisme in die wijk en

- de melding van een buurtbewoner dat deze had gezien dat door een man, die voldeed aan het signalement van de bestuurder, twee pakketjes werden verstopt achter de kunststofbekleding van de [gegevens auto] met Frans kenteken,

een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide, te weten het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen. Kortom, de bestuurder van de [gegevens auto] kon als verdachte worden aangemerkt.

De raadsman heeft aangevoerd dat het tijdsverloop van ongeveer een uur tussen het vertrek van de verbalisanten na de eerste melding en de uiteindelijke staandehouding de verdenking doet vervallen, omdat niet duidelijk is wat er in die tijdspanne is gebeurd, terwijl er juist heel veel kan zijn gebeurd.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Gelet op de korte tijdspanne van ongeveer een uur tussen de eerste melding en het staandehouden van verdachte, het feit dat de bestuurder voldeed aan het signalement van de persoon die de pakketjes zou hebben verstopt en het feit dat niet is gebleken dat er in die korte tijdspanne iets is gebeurd dat afbreuk zou kunnen doen aan de dan bestaande verdenking jegens de auto en de man, is de rechtbank van oordeel dat de verdenking ten tijde van de staandehouding onverkort aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een van de verbalisanten de meldster heeft gevraagd om de politie weer te bellen op het moment dat de [gegevens auto] weg zou rijden. Aan dit verzoek heeft zij voldaan. De rechtbank acht het dan onaannemelijk dat de meldster andere relevante ontwikkelingen met betrekking tot de auto niet zou hebben gemeld, als deze zich zouden hebben voorgedaan en zij ervan zou hebben geweten.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat er sprake was van een onrechtmatige staandehouding.

De (on)rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto

De raadsman heeft aangevoerd dat de verbalisanten – in het geval er voldoende verdenking zou bestaan – op grond van artikel 9 van de Opiumwet de bevoegdheid hadden het voertuig te betreden. Zij zouden volgens hem echter niet de bevoegdheid hebben gehad om de auto te doorzoeken. Daarvoor zou een zwaardere verdenking nodig zijn.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet blijkt dat de opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang hebben tot – kort gezegd – vervoermiddelen, waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmee verdovende middelen van lijst I of II van de Opiumwet worden vervoerd. Nu dit redelijk vermoeden bestond, zoals hierboven is overwogen, hadden de verbalisanten toegang tot de door verdachte bestuurde [gegevens auto].

Daarnaast bepaalt artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering dat een opsporingsambtenaar, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd is ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken (en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen).

Zoals hierboven reeds overwogen, was er sprake van een verdenking van het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen. Deze verdenking is – ongeacht of het om middelen van lijst I of lijst II van de Opiumwet gaat – een verdenking ex artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisanten waren dan ook bevoegd om de [gegevens auto] die verdachte bestuurde te doorzoeken. Gelet op dit oordeel kan de vraag of verdachte toestemming heeft gegeven om de auto te doorzoeken onbeantwoord blijven.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat er sprake was van een onrechtmatige doorzoeking.

De verboden vruchten

Gelet op het oordeel van de rechtbank dat zowel de staandehouding van verdachte als ook de doorzoeking van de door hem bestuurde auto rechtmatig was, valt de basis weg onder het verweer van de raadsman dat er sprake is van zogenoemde verboden vruchten. De aangetroffen verdovende middelen en de verklaring van verdachte kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Het bewijs

Op 4 augustus 2011 werd verdachte [naam verdachte] in Maastricht als bestuurder van een [gegevens auto] staandegehouden.

Bij een doorzoeking in de auto trof verbalisant [naam verbalisant] achter de kunststofbekleding, in een holle ruimte van het spatscherm van de door verdachte bestuurde auto, een blok aan dat was omwikkeld met doorzichtige vershoudfolie.

Later die dag trof verbalisant [naam verbalisant] in diezelfde holle ruimte nog een met doorzichtig vershoudfolie omwikkeld blok aan. Beide blokken werden inbeslaggenomen voor nader onderzoek.

Nader onderzoek wees uit dat de blokken bestonden uit een materiaal bevattende 643,31 gram heroïne en uit een materiaal bevattende 82 gram cocaïne.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting d.d. 21 oktober 2011 dat hij heroïne en cocaïne verstopt had in de door hem bestuurde [gegevens auto] en dat hij de verdovende middelen wilde meenemen naar Frankrijk.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen waaruit blijkt dat op 4 augustus 2011 te Maastricht 643,31 gram heroïne en 82 gram cocaïne werden aangetroffen in een door verdachte bestuurde auto en dat verdachte deze verdovende middelen wilde meenemen naar Frankrijk, acht de rechtbank het primair tenlastegelegde feit bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

op 4 augustus 2011 in de gemeente Maastricht opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 643,31 gram heroïne en 82 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk genoemde materialen in een auto vervoerd met bestemming Frankrijk.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Hiertoe voert ze aan dat harddrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en verdachte door zijn handelen zijn eigen verslaving en die van anderen in stand houdt. Daarbij plegen de meeste verslaafden misdrijven om hun verslaving te kunnen bekostigen.

Bij de eis houdt de officier van justitie rekening met de richtlijnen van het openbaar ministerie enerzijds en de oriëntatiepunten van het LOVS anderzijds.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Subsidiair – indien de rechtbank toekomt aan een strafoplegging – verzoekt de verdediging een gevangenisstraf van zeven maanden als uitgangspunt te nemen. Deze gevangenisstraf vloeit voort uit de oriëntatiepunten van het LOVS, uitgaande van de standaardcategorie bij de uitvoer van 500 tot 1.000 gram harddrugs. Voorts verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat verdachte:

- in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen;

- inmiddels werk heeft gevonden, en

- is gestopt met het gebruik van verdovende middelen.

Om die redenen verzoekt de verdediging een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte was met 643,31 gram heroïne en 82 gram cocaïne onderweg naar Frankrijk. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden. De uitvoerders van die verdovende middelen kunnen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat harddrugs stoffen zijn die verslavend werken, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en waarvan het gebruik vanwege de randverschijnselen schade voor de samenleving in Nederland en in het buitenland oplevert. Daar komt nog bij dat de regio Zuid Limburg, vanwege haar geografische ligging, in het bijzonder wordt geplaagd door overlast van personen die hier harddrugs komen kopen. Verdachte heeft hieraan bijgedragen.

Het oriëntatiepunt van het LOVS voor de uitvoer van 500 tot 1.000 gram harddrugs is, in de standaardcategorie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot acht maanden. Gelet op de door verdachte vervoerde hoeveelheid van ongeveer 725 gram, zou hierbij een gevangenisstraf van zeven maanden passen.

Er zijn echter omstandigheden die de rechtbank reden geven om een hogere straf op te leggen. In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat de overmatige overlast van drugstoeristen in de regio Zuid Limburg een hogere straf rechtvaardigt. In de tweede plaats houdt de rechtbank rekening met de verklaring van verdachte dat hij vijf tot zes keer eerder in Maastricht harddrugs heeft gekocht en meegenomen heeft naar Frankrijk. Gelet op deze verklaring van verdachte acht de rechtbank het allerminst relevant dat verdachte, zoals gesteld door de verdediging, niet eerder met politie en justitie in Nederland in aanraking is geweest.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden op zijn plaats. Van deze gevangenisstraf zal zij vijf maanden voorwaardelijk opleggen, opdat verdachte ervan wordt weerhouden nogmaals een strafbaar feit in Nederland te plegen.

Gelet op het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf is de opheffing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang, zoals door de verdediging bepleit, niet aan de orde.

6 Het beslag

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto, waarin de verdovende middelen waren verborgen, en van de inbeslaggenomen telefoon. Voorts vordert ze de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen verdovende middelen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de inbeslaggenomen gsm, merk Nokia, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, aan hem toebehoort en het bewezenverklaarde met behulp daarvan is begaan of voorbereid.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal ook de inbeslaggenomen auto, merk/type [gegevens auto], verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het, blijkens de verklaring van verdachte afgelegd tegenover de politie, toebehoort aan een vriend van verdachte, genaamd [naam vriend], en met behulp ervan het bewezenverklaarde is begaan en die [naam vriend] daarmede of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede bekend was.

De nog op de beslaglijst voorkomende verdovende middelen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan, zal de rechtbank onttrekken aan het verkeer. Deze zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien ze van zulke aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen:

o personenauto, merk/type [gegevens auto] met kenteken [gegevens kenteken], voorwerpnummer 1961589;

o gsm, merk Nokia, voorwerpnummer 1962066;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de inbeslaggenomen:

o verdovende middelen, voorwerpnummer 1961832.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. W.H.B. Dreissen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 november 2011.

Buiten staat

Mr. W.H.B. Dreissen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 04 augustus 2011 in de gemeente Maastricht opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 643,31 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk genoemd(e) materia(a)l(en) in een auto vervoerd met bestemming Frankrijk, in elk geval met bestemming het buitenland;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 04 augustus 2011 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 643,31 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.