Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU6281

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
03-700253-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplichtigheid drugshandel door woning ter beschikking te stellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700253-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 oktober 2011

in de strafzaak tegen de minderjarige,

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Raadsman is mr. H.E. Menger, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 oktober 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De -ter zitting gewijzigde- tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen in harddrugs heeft gehandeld, dan wel daaraan medeplichtig is geweest;

Feit 2: samen met anderen harddrugs in haar bezit heeft gehad;

Feit 3: samen met anderen een snorfiets gestolen, dan wel geheeld heeft.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan handel in drugs. Verdachte heeft haar woning ter beschikking gesteld aan [D.], die een kamer op de eerste verdieping gebruikte om aan Franse klanten harddrugs te verkopen. Verdachte is daarom ook strafbaar voor het aanwezig hebben van de hoeveelheden harddrugs die op 11 mei 2011 in haar woning zijn aangetroffen.

Feit 3 kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte de snorfiets zelf gestolen had of wist, dan wel moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft haar woning aan [D.] ter beschikking gesteld, maar heeft geen actieve rol gespeeld bij het handelen in drugs. Zij heeft dan ook niet met opzet drugs voorhanden gehad. Ook van medeplichtigheid is geen sprake, omdat verdachte niet wist dat [D.] in drugs zou gaan handelen.

Van feit 3 moet verdachte ook worden vrijgesproken, omdat nergens uit blijkt dat zij wist of moest vermoeden dat de snorfiets gestolen was, laat staan dat zij zelf de diefstal zou hebben gepleegd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Inleiding

Op 10 mei 2011 heeft de politie de woning van verdachte aan de [naam straat] in Maastricht bezocht in verband met een mogelijk gestolen scooter, die zich in/bij haar woning zou bevinden. Vervolgens wekte verdachte argwaan bij de verbalisanten, omdat zij zich nerveus gedroeg en met haar gsm bezig was. Ook ontweek verdachte vragen van een van de verbalisanten over de personen die door de verbalisanten gezien waren op de eerste verdieping van de woning. Toen de verbalisanten vervolgens naar boven gingen, was verdachte opnieuw druk bezig met (typen in) haar telefoon.

De verbalisanten troffen op de eerste verdieping vervolgens drugs aan, vijf Franssprekende personen en [D.], die drugs in zijn kleding had.

De drugs zijn in beslag genomen en getest. Het bleek te gaan om ongeveer 1377,5 gram heroïne en ongeveer 51 gram cocaïne. Vier van de desbetreffende Fransen hebben -kort samengevat- verklaard dat zij harddrugs kwamen kopen van [D.]. Eén van hen, Richard, heeft aangegeven twee keer eerder van [D.] op de [naam straat] drugs te hebben gekocht.

In de telefoon van verdachte en in de telefoon van [D.] werden de volgende berichten van verdachte aan [D.] aangetroffen:

- “Polirie onder”, en

- “Komenniunabovehebbe klachtgehad ruimop”.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij sinds 2 à 3 weken haar woning aan [D.] ter beschikking had gesteld, dat [D.] meermalen in de hem ter beschikking gestelde kamer is geweest en dat zij wist dat [D.] met drugshandel bezig was in haar woning. Ter zitting heeft zij echter volgehouden dat zij niets concreets wist van enige (handel in) drugs. Ze wist wel dat er iets niet klopte, maar wat precies, dat wist verdachte niet: zij heeft niets meer gedaan dan (een kamer in) de woning ter beschikking stellen aan [D.] om mensen te ontmoeten.

Overwegingen

Uit het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte een drugsdealer in haar woning heeft toegelaten en dat er meermalen verkoopactiviteiten hebben plaatsgehad. Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte wist van die activiteiten en dat het om harddrugs ging. De rechtbank houdt verdachte namelijk aan haar verklaring bij de politie, omdat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat die niet zou kloppen. Daarnaast spreken voor de rechtbank de (gezien de slordige spelling in der haast gemaakte) sms-jes ook voor zich: verdachte waarschuwt [D.] dat hij moet opruimen, omdat de politie er is. Dit laat zich niet rijmen met de vage wetenschap die verdachte ter zitting zegt te hebben gehad.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte moet worden beschouwd als medepleger van [D.] of als medeplichtige. De rechtbank komt met de officier van justitie tot de conclusie dat dit laatste het geval is. Er is namelijk geen bewijs dat verdachte meer heeft gedaan dan het ter beschikking stellen van een ruimte voor de drugshandel. Dit levert geen (opzet op een) nauwe en bewuste samenwerking op, gericht op het verkopen van drugs. Wél heeft verdachte opzettelijk gelegenheid daarvoor gegeven aan [D.]. Zij heeft immers een deel van haar woning ter beschikking gesteld aan [D.] om aldaar andere mensen te ontvangen, terwijl zij wist dat het om drugs ging. Daarmee acht de rechtbank feit 1 in de subsidiaire variant bewezen. Van het primaire verwijt zal zij verdachte vrijspreken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aangetroffen drugs niet opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal verdachte dan ook van feit 2 vrijspreken. Zij had immers geen opzet op het samen verkopen van drugs en niet is gebleken dat zij ook maar enige zeggenschap of bemoeienis had met betrekking tot de aangetroffen drugs, zodat niet gezegd kan worden dat er sprake was van opzet op het aanwezig hebben.

Tot slot zal de rechtbank verdachte integraal vrijspreken van feit 3, nu er geen bewijs voorhanden is dat verdachte de snorfiets zelf heeft gestolen, noch dat zij wist of moest vermoeden dat de snorfiets (deels) van diefstal afkomstig was.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

[D.] op tijdstippen in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 mei 2011 in de gemeente Maastricht, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

tot het plegen van welke misdrijven verdachte in de periode van 11 april 2011 tot en met 10 mei 2011 in de gemeente Maastricht telkens opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door telkens haar woning en kamer ter beschikking te stellen voor de opslag en/of overdracht van verdovende middelen.

De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1 subsidiair

medeplichtigheid aan: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden op te leggen met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte op de goede weg is haar leven te beteren. Het opleggen van jeugddetentie acht de raadsman daarom niet gepast. De raadsman heeft geen bezwaar tegen het opleggen van reclasseringstoezicht.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit door een deel van haar woning ter beschikking te stellen aan [D.], van wie zij wist dat hij in harddrugs handelde. Dit levert een misdrijf op waarmee zij haar toekomst op het spel zet. Verdachte heeft anderzijds haar leven met behulp van de gezinsvoogd goed op orde gebracht en geen noemenswaardig strafblad, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het bij hierbij zal blijven. Desalniettemin vindt de rechtbank het noodzakelijk verdachte met een werkstraf duidelijk te maken dat haar ondoordachte handelen strafwaardig is en voortaan achterwege moet blijven.

Om de soort en de hoogte van de straf te bepalen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de requireerrichtlijnen van het openbaar ministerie, die uitgaan van een werkstraf wanneer er geen sprake is van dealen of drugsrunnen door de verdachte. Dit betekent dat de rechtbank verdachte een werkstraf van in totaal 80 uren oplegt, waarvan zij de helft ook daadwerkelijk zal moeten uitvoeren. Omdat verdachte volgens het rapport van de jeugdreclassering dit strafbare feit heeft gepleegd omdat zij zich door [D.] en haar ex-vriend heeft laten overrulen acht de rechtbank het van belang dat zij haar weerbaarheid vergroot. Daarom zal als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf naast reclasseringstoezicht het volgen van een weerbaarheidstraining worden gekoppeld.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 48, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2 en 3 (primair en subsidiair) tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, dan wel omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering, ook als dat deelname aan een weerbaarheidstraining of aan andere door de Jeugdreclassering noodzakelijk geachte trainingen inhoudt;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 oktober 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 10 mei 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[D.] en/of een of meer mededader(s) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 10 mei 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij/tot het plegen van welk misdrij(f)(ven) verdachte en/of [K.] in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 10 mei 2011 in de gemeente Maastricht (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door (telkens) hun/haar woning en/of kamer ter beschikking te stellen voor de opslag en/of overdracht van verdovende middelen;

2.

zij op of omstreeks 11 mei 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval inhet arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1382,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 51 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

zij op of omstreeks 22 april 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een snorfiets (merk Yamaha), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [J.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 22 april 2011 tot en met 11 mei 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen, een snorfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die snorfiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.