Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5858

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
03/700096-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens het doen van een valse aangifte. Door de valse aangifte is onnodig kostbare politiecapaciteit ingezet. Vanwege de psychische problemen van de vrouw volstaat de rechtbank met het opleggen van een werkstraf van 240 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700096-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren [geboorteplaats – en datum]

wonende te [adresgegevens].

Raadsman is mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

valse aangifte heeft gedaan van verkrachting en mishandeling.

3 De voorvragen

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is vanwege ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daartoe heeft hij ten eerste aangevoerd dat aan verdachte tijdens de politieverhoren nooit conform artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de cautie is gegeven.

Tevens heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte door de politie niet is gewezen op de mogelijkheid om een advocaat te consulteren om haar procespositie te bepalen. Dit terwijl verdachte, op grond van het Salduz-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, door de verbalisanten hierop gewezen had moeten worden.

Ten slotte heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte, aangezien zij de Nederlandse taal niet altijd goed begrijpt, in haar belang is geschaad doordat er tijdens de politieverhoren geen tolk aanwezig is geweest.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er in casu geen inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde hebben plaatsgevonden. Zo heeft verdachte zowel tijdens de verhoren bij de politie als ter terechtzitting er blijk van gegeven dat zij de Nederlandse taal voldoende beheerst om zonder hulp van een tolk in de Nederlandse taal te worden gehoord. Tevens was er voor de verhorende verbalisanten op grond van de “Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor” geen aanleiding om verdachte te wijzen op haar recht om een advocaat te consulteren.

Daarnaast is aan verdachte abusievelijk niet de cautie gegeven, omdat zij werd verhoord in de hoedanigheid van aangeefster. Deze omstandigheid is uitdrukkelijk vermeld in het dossier en later, bij het verhoor van 23 augustus 2011, hersteld door verdachte alsnog de cautie te geven.

De rechtbank heeft na gehouden beraad vastgesteld dat, zo er al sprake is geweest van vormverzuimen, deze niet van dien aard zijn dat deze kunnen worden beschouwd als doelbewuste en grove veronachtzamingen van de belangen van verdachte. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te bepalen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is en zij verwerpt het verweer van de raadsman.

Bij pleidooi heeft de raadsman gepersisteerd bij zijn standpunt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de door de raadsman in dat verband wederom naar voren gebrachte vormverzuimen oordeelt de rechtbank als volgt.

Salduz

De rechtbank is van oordeel dat er voor de verhorende verbalisanten geen aanleiding bestond om verdachte te wijzen op haar recht om een advocaat te consulteren. Immers, verdachte was niet aangehouden op de momenten dat zij door de politie werd verhoord. Op grond van de thans geldende jurisprudentie dient alleen een aangehouden verdachte op voornoemd recht te worden gewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van deze lijn af te wijken.

Tolk

Ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst om zonder hulp van een tolk in de Nederlandse taal te worden gehoord. Verdachte begrijpt wat haar wordt gevraagd en kan in het Nederlands antwoorden. Verdachte heeft ter terechtzitting enkel gebruik gemaakt van de tolk om af en toe iets te verduidelijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat de politieverhoren hebben plaatsgevonden zonder bijstand van een tolk.

Cautie

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het proces-verbaal van bevindingen van [naam] d.d. 28 juli 2010 blijkt dat aan verdachte niet de cautie is gegeven tijdens het gesprek waarin zij voor het eerst heeft verklaard dat zij een valse aangifte heeft gedaan. Dat betekent dat hier sprake is van een vormverzuim. Echter, gelet op de omstandigheid dat het gesprek d.d. 28 juli 2010 heeft plaatsgevonden op initiatief van verdachte en dat nadien, op 23 augustus 2011, alsnog aan verdachte de cautie is gegeven waarna zij het doen van een valse aangifte andermaal heeft toegegeven, acht de rechtbank het voldoende om te volstaan met de enkele constatering dat hier sprake is geweest van een vormverzuim.

Nu de rechtbank, gelet op het bovenstaande, niet is gebleken dat er in casu sprake is geweest van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, is zij van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe verwezen naar het dossier.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de verklaringen, die verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat aan haar de cautie was gegeven, uit te sluiten van het bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank de bekennende verklaring die verdachte op 28 juli 2010 bij de politie heeft afgelegd zonder dat aan haar de cautie was gegeven niet zal bezigen voor het bewijs, behoeft het verweer van de raadsman strekkende tot uitsluiting van het bewijs van deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking.

Inleiding

Verdachte heeft in de periode van 7 juli 2010 tot en met 19 juli 2010 op meerdere momenten tegenover de politie verklaard dat zij het slachtoffer was geworden van een mishandeling en een verkrachting die zou zijn gepleegd in haar woning te Maastricht.

Gaande het opsporingsonderzoek ontstond er bij de politie ten aanzien van hetgeen in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden een aantal hypotheses, ondermeer de hypothese dat er geen misdrijf heeft plaatsgevonden. Dit gelet op het ontbreken van enig noemenswaardig lichamelijk letsel bij verdachte en het gegeven dat [naam], de man die door verdachte op 7 juli 2010 is beschuldigd van verkrachting en mishandeling, beschikte over een alibi.

Het bewijs

Op 7 juli 2010 zijn twee verbalisanten ter plaatse gegaan op het adres [adresgegevens] nadat een vrouw vanaf dat adres naar de politie had gebeld en in het telefoongesprek enkel had gezegd “help”. In de woning op genoemd adres troffen de verbalisanten verdachte aan. Zij lag deels naakt in de woonkamer. Haar broek en onderbroek bevonden zich ter hoogte van haar knieën. Daarnaast had zij een sjaal, waarvan de uiteinden waren vastgeknoopt aan een tv-meubel, zeer strak om haar hals gewikkeld. De sjaal was zo strak om haar hals gewikkeld dat dit haar ademhaling bemoeilijkte. Verdachte heeft aan de verbalisanten medegedeeld dat er twee mannen in haar woning waren geweest en dat een van deze mannen haar vast had gepakt. Ook heeft verdachte in het bijzijn van de verbalisanten geroepen “Niemand mag zo seks met mij hebben. Niemand mag dit met mij doen.” of woorden van soortgelijke strekking.

Op 7 juli 2010 heeft verbalisant [naam verbalisant] in het Academisch ziekenhuis te Maastricht met verdachte gesproken. Tijdens dit onderhoud heeft verdachte een man genaamd [naam] ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor de toestand waarin zij op die dag door de politie in haar woning was aangetroffen. Op 7 juli 2010 heeft een forensisch arts onderzoek gedaan naar het letsel van verdachte. Door de arts werd vastgesteld dat er sprake was van enkele rode huidverkleuringen en vlekjes. Verder werd er geen letsel waargenomen.

Uit tactisch onderzoek verricht op 7 juli 2010 is de politie gebleken dat [naam], de man die door verdachte ervan werd beschuldigd dat hij haar had verkracht en mishandeld, beschikte over een alibi.

Op 19 juli 2010 heeft verdachte ten overstaan van de verbalisanten [namen], beiden hoofdagent werkzaam bij de politie regio Limburg-Zuid, districtsrecherche te Maastricht, aangifte gedaan van mishandeling en verkrachting.

Op 23 augustus 2011 heeft verdachte, nadat haar de cautie was gegeven, bij de politie verklaard dat zij een valse aangifte heeft gedaan.

Overweging

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij nooit aangifte heeft gedaan van verkrachting en dat zij nooit tegen de politie heeft gezegd dat zij door iemand in haar woning is geslagen. Ook heeft zij ter terechtzitting verklaard dat het niet juist is dat de politie haar met een ontkleed onderlichaam heeft aangetroffen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal die zich in het dossier bevinden waarin staat vermeld hoe verdachte werd aangetroffen en dat verdachte heeft verklaard dat zij is verkracht en mishandeld.

Conclusie

Gelet op de bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, bezien in samenhang met de processen-verbaal van bevindingen, de aangifte van verdachte d.d. 19 juli 2010, het proces-verbaal relaas waaruit is gebleken dat de persoon die door verdachte werd beschuldigd beschikte over een alibi en het proces-verbaal met betrekking tot het onderzoek door een forensisch arts waaruit is gebleken dat enig noemenswaardig letsel bij verdachte ontbrak, en in aanmerking genomen vorenstaande overweging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 7 juli 2010 tot en met 19 juli 2010 in de gemeente Maastricht aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, door ten overstaan van [namen verbalisanten], beiden werkzaam als hoofdagent Regiopolitie Limburg-Zuid, districtsrecherche Maastricht, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen van verkrachting (art. 242 van het Wetboek van Strafrecht) en van mishandeling (art. 300 van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft in haar woning een verkrachting en een mishandeling in scene gezet en zich vervolgens schuldig gemaakt aan het doen van een valse aangifte ter zake van deze feiten. Daarbij heeft zij ook nog iemand met naam en toenaam vals beschuldigd. Als gevolg van haar gedrag heeft de politie een grootschalig onderzoek verricht, onder meer naar de door verdachte genoemde persoon. Deze persoon had gelukkig een alibi. Door toedoen van verdachte is aldus, zonder noodzaak veel kostbare politiecapaciteit ingezet. Ook heeft verdachte door haar gedrag in haar woonomgeving veel beroering en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.

Uit het reclasseringsadvies en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden waarom verdachte tot bovengenoemd handelen en het doen van valse aangifte is gekomen. Een en ander lijkt echter voort te komen vanuit haar psychische problematiek. Voor haar psychische problemen staat zij onder behandeling bij een psychiater van het RIAGG.

De rechtbank houdt hier rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat zij over een blanco strafblad beschikt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf niet op zijn plaats. Wel acht zij, vanwege de ernst van het gepleegde feit, de oplegging van de maximale werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden. Ter voorkoming van recidive zal zij hiervan 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 188 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 7 juli 2010 tot en met 19 juli 2010 in de

gemeente Maastricht aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd,

wetende dat dat feit niet was gepleegd, door ten overstaan van [namen verbalisanten], beiden werkzaam als hoofdagent Regiopolitie Limburg-Zuid, districtsrecherche Maastricht, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen van verkrachting (art. 242 van het Wetboek van Strafrecht) en/of van mishandeling (art. 300 van het Wetboek van Strafrecht);