Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5663

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
03-703060-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY0496, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen inbraak. Geen medeplegen daarop volgend geweld tegen politieagent. Nemo tenetur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703060-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonend te [adres verdachte].

Raadsman is mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte (hierna ook te noemen: [naam verdachte]) hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen goederen heeft gestolen uit een woning, waarbij met een vuurwapen is geschoten op hoofdagent [naam hoofdagent], dan wel samen met anderen heeft geprobeerd goederen te stelen uit een woning, waarbij met een vuurwapen is geschoten op hoofdagent [naam hoofdagent].

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met uitsluiting van het gedeelte dat betrekking heeft op het gebruik van geweld. Zij baseert zich daarbij op een aantal pinggesprekken die zijn vastgelegd en door de politie beschreven, op de verklaringen van [naam verdachte] en van zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zoals deze zijn afgelegd tijdens de politieverhoren, alsmede op de aangifte van [naam slachtoffer], bewoner van de woning waar op 4 mei 2011 is ingebroken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de bekennende verklaring die verdachte op 12 mei 2011 ten overstaan van de politie heeft afgelegd dient te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft er hierbij op gewezen dat de verbalisant die [naam verdachte] op 12 mei 2011 heeft verhoord, hem -nadat de cautie was gegeven- heeft meegedeeld: “Dus vind ik dat jij de verplichting als burger hebt (…) om de politie daarin te helpen.” Nu de verbalisant het woord “verplichting” heeft gebruikt, kan bij [naam verdachte] de indruk zijn ontstaan dat hij aan deze verplichting moest voldoen en dat hij dus mee diende te werken aan zijn eigen veroordeling. Daarom kan niet worden aangenomen dat de daarop volgende, hem zelf belastende verklaringen onder “informed consent” zijn gedaan. Dit verhoudt zich niet met het nemo tenetur-beginsel, zoals dit besloten ligt in artikel 6 van het EVRM. Aldus is er sprake van een vormverzuim van niet geringe aard, waardoor [naam verdachte] in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

De raadsman heeft voorts betoogd dat [naam verdachte] geen aandeel heeft gehad in de schietpartij die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011 in de [naam straat], noch hierop enige invloed heeft gehad, nu tevoren uitdrukkelijk was afgesproken dat er geen wapens zouden worden meegenomen en geen geweld zou worden gebruikt. Ten aanzien van diefstal uit de woning zelf als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het nemo tenetur-beginsel niet is geschonden. Dit beginsel, dat is verankerd in het fair trial-beginsel van artikel 6, eerste lid, EVRM, beschermt degene die is geconfronteerd met een “criminal charge” tegen het gedwongen verstrekken van “testimonial evidence”; hij heeft het recht om te zwijgen en hoeft geen verklaringen af te leggen. Hoewel de mededeling van de verhorend verbalisant op 12 mei 2011 naar het oordeel van de rechtbank geen schoonheidsprijs verdient, is voorafgaand aan deze mededeling aan [naam verdachte] de cautie verleend. Ook voorafgaand aan de andere verhoren, is steeds de cautie verleend. [naam verdachte] was er dus van op de hoogte dat hij niet verplicht was te antwoorden. Het ligt dan ook niet voor de hand aan te nemen dat hij op en na 12 mei 2011 verklaringen heeft afgelegd, omdat hij zich daartoe verplicht voelde en die hij zonder de mededeling van de verhorend verbalisant niet zou hebben gedaan. Daarbij geldt dat, gegeven de ernst van de verdenking, op verdachte ook een zekere druk mocht worden gelegd. Dat daarbij de grenzen van het oirbare zijn overschreden, is niet aannemelijk geworden.

Met dit oordeel valt reeds het doek voor het verweer van de raadsman. De verklaring kan gebruikt worden voor het bewijs in de onderhavige zaak. Een zaak, die draait om een voorval dat op 4 mei 2011 plaats heeft gehad te Heerlen.

Op die dag is door een aantal personen ingebroken in een woning aan de [naam straat] te Heerlen. Toen de door buurtbewoners gealarmeerde politie ter plaatse kwam, zijn de daders op de vlucht geslagen. Tijdens deze vlucht zou er door (één van) de inbrekers op een politieagent, hoofdagent [naam hoofdagent], geschoten zijn.

In het onderzoek naar dit voorval zijn, op diverse momenten, als verdachte aangehouden: [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam verdachte 3], [naam medeverdachte 4].

Voorts zijn tijdens het onderzoek de gsm’s van de verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] onderzocht op onder andere daarmee gevoerde “pinggesprekken”. Daarbij is gebleken dat de ping-ID van de gsm van [naam verdachte] [nummer] is en de ping-ID van van de gsm van [naam medeverdachte 4] [nummer]. Tevens is gebleken dat de ping-ID van de gsm van verdachte [naam medeverdachte 3] [nummer] is.

[naam medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoor op 24 mei 2011 verklaard dat hij zijn ping-ID al ongeveer twee of drie maanden niet meer gebruikte, omdat hij zijn telefoon is kwijtgeraakt. Echter, uit de opgevraagde en verkregen historische gegevens van het toestel met pingcode of ping-ID [nummer] is gebleken dat hiermee onder andere op 18 februari 2011 en op 26 april 2011 pinggesprekken zijn gevoerd. Pinggespreken, waarvan [naam medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij degene was die deze gesprekken heeft gevoerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [naam medeverdachte 3], dat hij het betreffende toestel sedert ongeveer drie maanden niet meer gebruikt heeft, onaannemelijk.

Nu niet gebleken is dat anderen dan [naam verdachte], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] gebruik hebben gemaakt van de respectieve ping-IDs [nummer], [nummer] en [nummer], zullen de in het onderzoek aangetroffen, hieronder weer te geven pingberichten en pinggesprekken die gevoerd zijn tussen de gebruikers met voornoemde ping-IDs, aan hen worden toegeschreven.

Uit het proces-verbaal van bevindingen daaromtrent, blijkt dan dat op 11 maart 2011 [naam medeverdachte 4] aan [naam verdachte] om 20.35 uur via een pingbericht vraagt: “Ken ik ze pakken” waarop [naam verdachte] antwoordt: “Haha”. [naam medeverdachte 4] pingt dan: “Schijt aan” waarop [naam verdachte] antwoordt: “Dan regel k wat beter pik”. 17 minuten later vraagt [naam verdachte] aan een persoon die gebruik maakt van ping-ID [nummer]: “Pik vriend van me van rotterdam wil iemand rippen”, waarop deze antwoordt: “Heb j ruzie met iemand ofso”.

Een minuut later bericht [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 4]: “Ben nog vragen voor je”.

Weer een minuut later, om 20.55 uur, vraagt [nummer] aan [naam verdachte]: “Enne ??”.

[naam medeverdachte 4] stuurt om 20.55 uur aan [naam verdachte]: “Vraag nu gelijk regel” en “Laat me straks nog weten”. Direct daarop meldt [naam verdachte] aan [nummer]: “hij heeft geld nodig”. [nummer] bericht op datzelfde tijdstip aan [naam verdachte]: “Of k ene weeet voor t rippen?”.

Op dat tijdstip, 20.55 uur, bericht [naam verdachte] ook aan [nummer]: “wilt iemand rippen” en “jah man”. [nummer] antwoordt: “Zou k niet weten man”, waarop [naam verdachte] meldt: “Ok ok” en “Jammer vraag wel verder”.

Direct daarop meldt [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 4] “Ben vragen die weten nu gelijk nog niets”. [naam medeverdachte 4] antwoordt: “Okok ik moet weten wat erte hale valt” en “Aii laat me weten”. [naam verdachte] antwoordt: “Doe k”.

Een dag later, op 12 maart 2011, vraagt [naam verdachte] in een pinggesprek om 19.59 uur aan een persoon die gebruik maakt van ping-ID [nummer]: “Pik weet je iemand die vriend van me kan rippen? Die veel geld og drugs heeft”. En om 20.00 uur: “Ik moet iemand zoeken die hij kan rippen” en: “Moet egt een hebben die is helemaal gek hij heeft geld nodig. Is van Rotterdam. Hij wil liefst nu meteen komen”.

Op 13 maart 2011 om 18.59 uur gaat een msn-bericht uit van [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 2]inhoudende: “Weet j iemand die vriend van m kan rippen?” [naam medeverdachte 2] antwoordt: “Ja zkkr pik voor wat”, waarop [naam verdachte] antwoordt: “Weet j iemand met geld of drugs veel?”, waarop [naam medeverdachte 2]antwoordt: “neepik jij dan :P” en “ik pak et we l”.

[naam verdachte] antwoordt: “haha anders vroeg k niet” en “je kunt miss met vriend van me meedoen” en “Ben nog zoeken heb wel wat al”. [naam medeverdachte 2] bericht hierop: “is goed pik laat maar horen dan”.

Op 2 mei 2011 pingt [naam verdachte] om 17.26 uur aan [naam medeverdachte 4]: “Probeer morgu te komen is beter man”, waarop [naam medeverdachte 4] antwoordt: “Wat dann”. [naam verdachte] antwoordt: “Heb donderdag afspraken” en “Heb morgen vrij gehouden”. [naam medeverdachte 4] pingt dan: “Woensdag” waarop [naam verdachte] bericht: “Ok is goed”. [naam medeverdachte 4] bericht dan om 17.38 uur: “Maar gelijk. Dan je weet tog” waarop [naam verdachte] meldt: “Jah man heb wel iets” en “Neem bivak mee” en “En pipa als j heb hoef nie perse”.

Die tweede mei pingt [naam verdachte] om 19.24 uur naar een persoon met ping-ID [nummer]: “Btw die molukkers komen woensdag” en “Nemen pipa enso mee”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “pipa” straattaal is voor pistool.

Op 3 mei 2011 pingt [naam verdachte] om 12.30 uur aan [nummer]: “Probeer me die gaspatroon te fixu. Neem me die baby mee. Wou egte doen maar fck ut. Als die gaat schieten gooi ik die baby na zn kop :p”. Hetgeen [nummer] beantwoordt met: “Haha”. Waarop [naam verdachte] pingt: “Hahhaa. Word wel vet. Heb egt zin erin. :p Dalijk paar rooitjes.”

Op 3 mei 2011 om 12.38 uur pingt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 3]: “Ik heb net tip gekregen. Weer andrer.10 k wierie. Ga z+ halen. Kun j die kwijt komen? witsoort” [naam medeverdachte 3] antwoordt: “Ja, we kome morge. Kan altyd kwyt”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “wierie” straattaal is voor wiet/marihuana.

Diezelfde dag pingt [naam verdachte] om 17.09 uur naar [naam medeverdachte 3]: “Hoe laat komen jullie morgen?”, waarop hij als antwoord krijgt: “Ik vertrek in de ochtend. Dus rond 12 a 1 uur bij jou”. Om 17.43 uur pingt zender [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 3]: “Laat nirk die dingen meenemen voor slot openen”.

Op 4 mei 2011 tussen 8.59 uur en 9.21 uur vindt er een pinggesprek plaats tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4]. [naam verdachte] pingt hierbij naar [naam medeverdachte 4]: “Enne pik. Kom je dalijk”, waarop wordt geantwoord: “We zijn al onderweg” en op de vraag hoe laat ze hier zullen zijn: “We zijn over een uurtje”. [naam verdachte] pingt daarna: “Ben ff wat doen nu. Stake out ergens”.

Aan een persoon met ping-ID [nummer] meldt [naam verdachte] die dag vanaf 9.18 uur: “Ik ben op stake out. Wachten tot iemand weg gaat. Dan na binnen. Ligt 10 k wierie. Rippen he”.

Daarna, om 9.50 uur, pingt [naam verdachte] naar [nummer]: “Zijn nu 2 vrienden aangekomen van roffa en tilburg”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “roffa” straattaal is voor Rotterdam.

Dat deze vrienden ook zijn aangekomen, blijkt uit het pinggesprek van 10.07 uur, waarbij [naam medeverdachte 3] naar [naam verdachte] pingt: “Doe open dan”.

Dat [naam medeverdachte 3] zich daadwerkelijk verplaatst heeft, blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Nies, waarin deze opmerkt dat de mobiele telefoon met het telefoonnummer [nummer], welk nummer op naam staat van [naam medeverdachte 3], en waaraan ping-ID [nummer] is gekoppeld, op 4 mei 2011 om 08.00 uur contact gemaakt met de zendmast, gesitueerd op de Schaapsherdersweg te Ridderkerk en om 12.55 uur met de zendmast die is gesitueerd op de Barrier te Klimmen (Limburg).

Verbalisanten [naam verbalisant] en [naam hoofdagent] horen op 4 mei 2011 omstreeks 11.29 uur van de regionale meldkamer dat aan de [naam straat] te Heerlen wordt ingebroken door twee blanke mannen en twee mannen met een getinte huidskleur. Een van de blanke mannen draagt een groene jas en de andere blanke man heeft een zwart rugzakje.

[naam verbalisant] en [naam hoofdagent] gaan ter plaatse en zien dan een blanke man met een groene jas en een man met getinte huidskleur staan, die in hun richting kijken. Uit de richting van genoemde woning lopen nog twee andere mannen in de richting van de twee mannen. [naam hoofdagent] stapt uit het dienstvoertuig en achtervolgt drie van deze mannen als deze wegrennen en de [naam straat] inrennen. Een van deze drie mannen is blank. De vierde man rent in de richting van de [naam straat].

Als [naam hoofdagent] de drie mannen tot op een afstand van tien meter genaderd is, draait een van de mannen zich om en kijkt [naam hoofdagent] recht in de ogen. Vervolgens hoort [naam hoofdagent] kort achter elkaar drie harde knallen. Hij is ervan overtuigd dat op hem wordt geschoten. Nadat het derde schot is gevallen, duikt hij achter een geparkeerde, bordeauxrode auto. Ten tijde van het schieten ziet [naam hoofdagent] geen andere personen in de [naam straat].

Op 4 mei 2011 heeft [naam hoofdagent] aangifte gedaan van poging tot doodslag/bedreiging, gepleegd jegens hem op 4 mei 2011 te Heerlen.

Nadat [naam verbalisant] de nabij de [naam straat] gelegen [naam straat] is ingerend, hoort hij drie keer het geluid van schoten. Hij rent door naar de [naam straat], waar de blanke man met de groene jas vanuit de [naam straat] in zijn richting rent. Nadat deze man de [naam straat] is over gerend ziet hij hem het struikgewas inrennen. Daarna neemt zijn collega [naam verbalisant] met zijn diensthond de achtervolging over. [naam verbalisant] heeft de vluchtende man, die verdachte [naam medeverdachte 2] blijkt te zijn, aangehouden. In [naam medeverdachte 2]’ kleding wordt onder andere een afgebroken cilinderslot aangetroffen.

Op de [naam straat] wordt een kleine huls gevonden, die van kaliber 6,35 mm (spoor PD2-01) blijkt te zijn. Een tweede huls van dit kaliber (spoor PD2-02) wordt in de buurt van de [naam straat] en de [naam straat] aangetroffen. Uit het onderzoek naar deze hulzen is gebleken dat het om kogelpatronen gaat. De aangetroffen hulzen zijn onderzocht door een NFI-deskundige wapens en munitie. Uit dat onderzoek is gebleken dat zij zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen. Bij visueel onderzoek aan de hulzen is gebleken dat het gaat om hulzen behorend bij scherpe munitie.

Uit het feit dat er twee hulzen van scherpe kogelpatronen zijn aangetroffen op en in de nabijheid van de [naam straat], blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat met scherpe munitie is geschoten en dat de knallen die onder meer door [naam hoofdagent] zijn gehoord, afkomstig waren van die schoten. Andere oorzaken voor deze knallen zijn niet aannemelijk geworden.

[naam medeverdachte 2] verklaart na zijn aanhouding bij de politie dat hij met ([naam verdachte]) heeft besproken dat hij een woning wist waar waarschijnlijk geld en drugs zou liggen. [naam verdachte] zou vervoer regelen. Op woensdagmorgen rond 07.30 – 08.00 uur is [naam verdachte] hem komen ophalen. De buurman van [naam verdachte] stond in zijn auto te wachten. Vervolgens zijn zij samen naar de woning gereden en zagen zij de man uit de woning vertrekken. [naam medeverdachte 2] is naar de voordeur gelopen en heeft aangebeld, waarop een vrouw de deur opende. Hij heeft gevraagd of daar een jongen woonde met wie hij naar school zou gaan, hetgeen niet het geval was. [naam medeverdachte 2] is toen teruggelopen naar de auto. Zij hebben toen ongeveer 15 à 20 minuten gewacht, waarna de vrouw de woning verliet en langs de auto liep. Hij zag dat ze in de auto keek en hoorde dat [naam verdachte] zei dat ze meteen haar telefoon pakte. Daarop zijn [naam medeverdachte 2], [naam verdachte] en de buurman met de auto naar de woning van de buurman in Voerendaal gereden. In de auto vertelde [naam verdachte] dat er nog twee Molukkers uit Rotterdam zouden komen die hier nog iets wilden doen. [naam verdachte] had met zijn witte Blackberry via sms of ping contact met deze Rotterdammers. Toen zij zo’n tien minuten in de woning van de buurman waren, kreeg [naam verdachte] bericht dat de Rotterdammers voor de deur stonden. Hij heeft ze binnengelaten en zei tegen hen dat hij een woning wist waar mogelijk wiet, geld of iets anders zou liggen. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] zijn toen meteen met de beide Rotterdammers in een zwarte Audi A2 naar Meezenbroek gereden. Nadat [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] met een bahco de voordeur hadden geforceerd, zijn zij met zijn vieren naar binnen gegaan.

Op een gegeven moment is hij met [naam verdachte] en de Rotterdammer met de tattoo de kelder in gelopen, waar zij een zak wiet vonden. Ze zijn daarop naar boven gelopen en [naam medeverdachte 2] is met de Rotterdammer met het stekeltjeshaar bij de deur gaan staan. Vervolgens zag hij een Opel Astra aankomen waarvan hij dacht dat het de bewoners of de politie zou kunnen zijn en heeft tegen [naam verdachte] geroepen: “Kom, kom, weg hier”, waarna hij is weggerend. [naam medeverdachte 2] zag dat de Rotterdammer met de tattoo achter hem aan rende. Opeens hoorde hij ongeveer drie schoten die kwamen vanuit de richting van de Rotterdammer met de tattoo. Ongeveer twee à drie seconden later hoorde hij roepen: “Politie, politie”. Op dat moment was hij al de bosjes in gerend, waar hij werd aangehouden. Toen hij in de politieauto zat, zag hij de Rotterdammer met het stekeltjeshaar voorbij rijden in zijn Audi. Van de Rotterdammer met de tattoo weet [naam medeverdachte 2] te melden dat deze op beide oogleden letters had getatoeëerd.

[naam verdachte] verklaart bij de politie dat [naam medeverdachte 2] de tip met betrekking tot de wiet heeft gegeven. Ook heeft [naam medeverdachte 2] getipt dat ergens cash te halen was, dat illegaal was verkregen. Zij zouden “een inbraakje doen, naar binnen gaan, dingen pakken”.

Ten aanzien van de eerste keer dat zij bij de woning waren heeft [naam verdachte] een gelijkluidende verklaring afgelegd als [naam medeverdachte 2]. Ook ten aanzien van de komst van de Rotterdammers en de tweede keer dat zij naar vorengenoemd adres zijn gegaan, heeft hij eenzelfde verklaring als [naam medeverdachte 2] afgelegd. Met betrekking tot de wiet die in het pand is aangetroffen, heeft hij verklaard dat iemand die gevonden had en in zijn handen heeft geduwd, omdat hij een vuilniszak bij zich had. Op het moment dat hij een politieauto zag, is hij weggelopen. De wiet had hij toen bij zich. Deze heeft hij later in de struiken gegooid. Een auto kwam hem achterna, hij is de hoek omgegaan en is in het paadje naast de flatjes gaan zitten om te pingen dat hij vervoer nodig had. Verder heeft [naam verdachte] verklaard dat hij binnen een uur na het schietincident van de persoon met de tatoeage boven de ogen heeft gehoord dat deze twee keer had geschoten op iemand die uit een Opel Astra stapte en die op hem, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] kwam afgerend. Hij noemt deze persoon Nirk. Nirk zei dat hij op één man had geschoten en dat deze man toen wegdook.

Op de vraag of de tekst die de getatoeëerde Rotterdammer op zijn oog heeft staan iets met game te maken heeft, heeft [naam verdachte] “ja” geknikt en medegedeeld dat dit op zijn rechterooglid staat, terwijl op zijn linkerooglid “over” is getatoeëerd. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant 003128 is gerelateerd dat deze op 29 april 2011 een persoon heeft gecontroleerd, die zich legitimeerde met een Europese identiteitskaart. Hij bleek te zijn genaamd: [naam medeverdachte 4]. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat [naam medeverdachte 4] ook wel Nicky [naam medeverdachte 4] wordt genoemd en dat hij van Molukse afkomst is. Tijdens de controle zag de verbalisant dat [naam medeverdachte 4] een tatoeage had op beide oogleden. Op zijn rechter ooglid staat het woord GAME, op zijn linkerooglid staat het woord OVER. Ook verbalisant [naam verbalisant], die [naam medeverdachte 4] heeft verhoord, heeft gezien dat [naam medeverdachte 4] deze tekst op zijn oogleden had getatoeëerd. Bovendien heeft hij gezien dat [naam medeverdachte 4] in zijn bovengebit een gouden tand had.

Verbalisant [naam verbalisant] heeft in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat op de voorgevel van het perceel, gelegen aan de [adres], zijnde het adres van [naam medeverdachte 3], Nirk is geschreven.

[naam medeverdachte 1] verklaart bij de politie dat [naam verdachte] zijn buurman is. Hij is ‘s woensdags samen met [naam verdachte] [naam medeverdachte 2] gaan halen. [naam medeverdachte 1] heeft hen vervolgens met een door hem geleende Fiat naar de [naam straat] in Heerlen gebracht. Nadat [naam medeverdachte 2] bij een woning had aangebeld en een vrouw de deur had geopend, kwam hij terug naar de auto. Toen de vrouw even later langs de auto liep, zijn zij weggereden en naar de woning van [naam medeverdachte 1] gegaan. Daar hoorde hij twee jongens naar boven komen. Dat waren vrienden van [naam verdachte]. Een van hen had gouden tanden en tatoeages op de oogleden. [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en de twee vrienden van [naam verdachte] zijn daarna vertrokken. ’s Middags kreeg [naam medeverdachte 1] een telefoontje van een vriend van [naam verdachte] met het bericht, dat hij [naam verdachte] moest gaan halen. Hij heeft [naam verdachte] tweemaal een sms gestuurd met het verzoek hem te bellen. Ongeveer twintig minuten daarna stond de Molukker zonder tatoeage schreeuwend en kloppend voor zijn voordeur. Hij zei dat zij [naam verdachte] en die vriend van hem moesten gaan zoeken, dat er was geschoten en dat [naam medeverdachte 2] was opgepakt. [naam medeverdachte 1] is toen samen met de Molukker in de Fiat naar Meezenbroek gereden. Toen zij terugkwamen in Voerendaal zaten [naam verdachte] en, in de woorden van [naam medeverdachte 1], de gangster Molukker op het balkon. [naam medeverdachte 1] moest zijn deur open maken omdat de Molukkers hun telefoons moesten hebben en weg wilden. [naam verdachte] heeft hem later verteld dat ze een halve kilo wiet hadden meegenomen.

Het pingen waarover [naam verdachte] in zijn verklaring rept, komt terug in de bevindingen van het daarop gerichte, reeds eerder aangehaalde onderzoek.

Op die vierde mei pingt [naam verdachte] tussen 11.38 uur en 11.40 uur aan een persoon met ping-ID [nummer]: “Konm me halen. Mezernbroek” en “Die zijnm gepaktr. Bel iemand voor me. Aub” en “Zeg k sta in mezenbroek. In paadje schuilen gek”. Hij meldt dan ook dat hij een “vet verhaal” heeft “gabgsta style” hetgeen de rechtbank begrijpt als een verschrijving voor “gangsta (oftewel: gangster) style”.

Om 13.25 uur pingt [naam verdachte] naar een persoon met ping-ID [nummer]: “Kom ff na mezenbroek met me 20 min. Ff snel iets ophalen. Anders moe ik gaan zitten”. Naar [nummer] pingt hij om 14.23 uur: “Maar moe trug daar. Heb ook wa liggen”.

Getuige [W.], woonachtig aan de [adres], legt een verklaring af waarin deze meldt dat zijn vriendin voor de omgevallen schutting van hun tuin een zwarte bivakmuts en een paar blauwe handschoenen heeft gevonden. In de brandgang achter hun woning vond hij een rol vuilniszakken en onder die rol lag een zwart handvuurwapen. Getuige [R.] ziet op 4 mei 2011 dat een jongen een doodlopend paadje inrent en zeer snel er na dit paadje weer uitrent. Gelet op het hiervoor vermelde pinggesprek dat op 4 mei 2011 tussen 11.38 uur en 11.40 uur is gevoerd, luidend “Zeg k sta in mezenbroek. In paadje schuilen gek”, acht de rechtbank het zo te zijn dat de jongen die het paadje is ingerend, [naam verdachte] is geweest.

Verbalisanten [namen verbalisanten] stellen de door getuige [W.] gemelde goederen, veilig en nemen deze in beslag. De goederen zijn daarna naar het NFI gezonden voor DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat het DNA-hoofdprofiel van de rechter handschoen matcht met het DNA-profiel van [naam verdachte]. Aan de linker handschoen is een DNA-mengprofiel aangetroffen, dat onder meer matcht met [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] en onderzoek aan de bivakmuts heeft aangetoond dat het daarop aangetroffen DNA matcht met het DNA-profiel van [naam medeverdachte 1]. Het in de brandgang aangetroffen wapen is onderzocht en dit blijkt een gasdrukpistool te zijn, dat sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat op gas- of veerdruk werkende wapens ook airsoftwapens of, in de Engelse taal, BB-guns worden genoemd.

Op woensdag 4 mei 2011 wordt door [naam slachtoffer] aangifte gedaan van diefstal door middel van braak in zijn woning, gelegen aan de [naam straat] te Heerlen. Hij verklaart dat hij die ochtend omstreeks 8.00 uur de woning heeft verlaten en dat zijn vriendin, die op hetzelfde adres woonachtig is, altijd de woning verlaat tussen 9.15 uur en 9.30 uur.

Omstreeks 12.00 uur is [naam slachtoffer] bij zijn huis aangekomen. Hij zag dat de voordeur dicht was en dat het cilinderslot uit de deur was.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel [naam verdachte], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4], als [naam medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de diefstal uit de woning van [naam slachtoffer].

Medeplegen [naam verdachte]

Uitgangspunt voor het beantwoorden van de vraag of gesproken kan worden van medeplegen is de vraag of er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Wat betreft het vereiste van het leveren van een wezenlijke bijdrage merkt de rechtbank op dat dat niet hoeft te betekenen dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder moet zijn. Ook een andere rol kan immers leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd. Het eerste vereiste, nauwe en bewuste samenwerking, zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk voor het bestaan van medeplegen is een dergelijke voorafgemaakte afspraak echter niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan.

Zelfs niet ingrijpen of zich niet distantiëren kan leiden tot de conclusie dat van medeplegen sprake is, maar daarvoor geldt dan wel het belangrijke vereiste dat de van medeplegen verdachte persoon zich bewust moet zijn geweest van het plegen van het delict en dat ook moet hebben aanvaard.

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor vermelde pinggesprekken en uit de verklaringen van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zoals afgelegd bij de politie vast dat er sprake was van een vooropgezet plan van [naam verdachte], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] om een inbraak te plegen in de woning van [naam slachtoffer], omdat zij dachten dat daar een forse hoeveelheid hennep aanwezig was die zij wilden buitmaken. [naam medeverdachte 1] functioneerde in dit plan als de chauffeur.

Gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte] bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten ten aanzien van het plegen van de woninginbraak.

Niet onomstotelijk is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat er naast de afspraak omtrent de woninginbraak ook een afspraak werd gemaakt over het gebruik van (een) vuurwapen(s). Weliswaar heeft [naam verdachte] in pinggesprekken het, o.a. met [naam medeverdachte 4], over het meenemen van een pistool en heeft hij, gelet op het pinggesprek op 3 mei 2011 rond 12.30 uur met [nummer] en het aantreffen van een gasdrukwapen op de plaats waar hij heeft staan schuilen, kennelijk ook zelf een wapen meegenomen, maar voor de rechtbank staat daarmee nog niet vast dat hij het (voorwaardelijke) opzet heeft gehad op het daadwerkelijke door een medeverdachte met een echt wapen schieten op een politieagent.

De rechtbank laat hierbij meewegen dat [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte], onafhankelijk van elkaar, hebben verklaard dat er voorafgaand aan het vertrek naar de woning aan de [naam straat] met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] de afspraak werd gemaakt om geen wapens mee te nemen.

Nu geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking aangaande het gebruikte geweld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard hetgeen aan [naam verdachte] omtrent het uitgeoefende geweld is tenlastegelegd. Hij moet dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

op 4 mei 2011 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [naam straat] heeft weggenomen hennep, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de dader uitsluiten.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte 6 maanden gevangenisstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest. Zij acht de wijze van ondervraging van verdachte, zoals op 12 mei 2011 door de politie is gebeurd, niet strijdig met het zogenaamde nemo tenetur-beginsel en derhalve geen reden geven tot enige strafmatiging..

5.2 Het standpunt van de verdediging

Gelijk onder onderdeel 3.2 van dit vonnis is beschreven, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het nemo tenetur-beginsel in onderhavige zaak is geschonden en dat dit, naast bewijsuitsluiting, ook dient te leiden tot het opleggen van een lagere straf.

Mede met inachtneming van de vrijspraak van het geweldsaspect dient volgens de raadsman aan verdachte een gevangenisstraf te worden opgelegd die gelijk is aan het reeds door hem ondergane voorarrest.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelijk onder onderdeel 3.3 van dit vonnis is beschreven, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak het nemo tenetur-beginsel niet is geschonden. Voor enige strafmatiging derhalve, is geen aanleiding.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het over hem opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 26 juli 2011 en op het strafblad van verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank er acht op geslagen dat verdachte, zoals naar voren komt in de vele pinggesprekken, een van de initiatiefnemers is geweest tot dit voorval.

Hij heeft immers aan diverse mensen, onder wie [naam medeverdachte 2], gevraagd of men iemand wist die kon worden geript en over de tips die hij kreeg heeft hij contact onderhouden met [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4].

Toen men een woning op het oog had, heeft hij aan [naam medeverdachte 1] gevraagd of hij hen naar de betreffende woning kon vervoeren en ook bij de inbraak zelf heeft [naam verdachte] een actieve rol gespeeld.

De rechtbank neemt daarnaast bij de strafoplegging in ogenschouw dat niet alleen een mededader na de inbraak gebruik heeft gemaakt van een wapen, maar dat verdachte zich zelf ook had voorzien van een wapen. Het was weliswaar geen vuurwapen, maar het wapen dat verdachte meenam vertoonde daarmee wel een sprekende gelijkenis. De rechtbank neemt daarbij ook in ogenschouw dat verdachte, ondanks zijn deemoedige opstelling, het kennelijk ook “vet” vond wat er op 4 mei 2011 is gebeurd. “Gangsterstyle”, noemt hij het in een pingbericht na afloop.

De rechtbank krijgt daardoor niet de indruk dat verdachte ook daadwerkelijk berouw heeft of inzicht heeft in het strafwaardige karakter van zijn handelen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de ernst van het feit en de rol die verdachte bij het plegen daarvan heeft gespeeld, in deze eis onvoldoende tot uitdrukking komt. Zij zal dan ook aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

6 De benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behandeld, waarbij [naam hoofdagent] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. De benadeelde partij [naam hoofdagent] vordert een bedrag van € 773,-, bestaande uit immateriële schade.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte van het onder primair ten laste gelegde geweldsaspect zal worden vrijgesproken, kan de benadeelde partij [naam hoofdagent] niet in zijn vordering worden ontvangen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam en adres hoofdagent], niet ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam hoofdagent] in de kosten, door verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 november 2011.

Buiten staat

Mr. J.M. Schuwirth is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 04 mei 2011 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [naam straat] heeft weggenomen een hoeveelheid hennep, in elk geval een of meer goederen en/of een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [naam hoofdagent], hoofdagent van politie Limburg Zuid, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader meermalen althans eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten op die [naam hoofdagent] voornoemd;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 04 mei 2011 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid hennep, in elk geval een of meer goederen en/of een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zich met een of meer van zijn mededaders naar voornoemde woning heeft begeven en/of het slot van die woning heeft geforceerd en/of vervolgens die woning is binnengegaan en aldaar naar geld en/of goederen van zijn gading heeft gezocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke

poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [naam hoofdagent], hoofdagent van politie Limburg-Zuid, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen althans eenmaal met een vuurwapen op die [naam hoofdagent] voornoemd heeft geschoten.