Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5610

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
03-703069-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen of medeplichtigheid. Vrijwillige terugtred.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703069-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonend te [adres verdachte].

Raadsman is mr. M.M.F. Starmans, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte (hierna ook te noemen: [naam verdachte]) hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen goederen heeft gestolen uit een woning, dan wel dat samen met anderen geprobeerd heeft, dan wel medeplichtig aan de diefstal is geweest en dat bij dit alles met een vuurwapen is geschoten op hoofdagent [naam hoofdagent].

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met uitsluiting van het gedeelte dat betrekking heeft op het gebruik van geweld. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] en de verklaringen van [naam verdachte] zoals deze zijn afgelegd tijdens de politieverhoren, alsmede op de aangifte van [naam slachtoffer], de bewoner van de woning waar op 4 mei 2011 is ingebroken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat hij niet als pleger van het tenlastegelegde kan worden aangemerkt en hij ook geen medepleger van het feit is. Er was immers geen sprake van bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten, noch in het voortraject dat leidde tot de tenlastegelegde diefstal, noch bij de uitvoering daarvan. Ook van de meer subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid dient [naam verdachte] te worden vrijgesproken, omdat hij niet behulpzaam is geweest tijdens het plegen van het misdrijf door de medeverdachten en hij daarnaast geen opzet heeft gehad op het plegen van het misdrijf of hieraan een bijdrage heeft willen leveren.

Weliswaar heeft [naam verdachte] in de ochtend van 4 mei 2011 [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] in een auto naar de wijk Meezenbroek in Heerlen vervoerd, waar [naam medeverdachte 2] bij een woning heeft aangebeld en met de bewoonster heeft gesproken, maar nadat [naam medeverdachte 2] weer in de auto was gestapt, is [naam verdachte] teruggereden naar Voerendaal omdat hij weg wilde. Nu hij zelf is weggereden is er sprake van vrijwillige terugtred en ook daarom dient hij te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De onderhavige zaak draait om een voorval dat op 4 mei 2011 plaats heeft gehad te Heerlen. Op die dag is door een aantal personen ingebroken in een woning aan de [adres ] te Heerlen. Toen de door buurtbewoners gealarmeerde politie ter plaatse kwam, zijn de daders op de vlucht geslagen. Tijdens deze vlucht zou er door (één van) de inbrekers op een politieagent, hoofdagent [naam hoofdagent], geschoten zijn.

In het onderzoek naar dit voorval zijn, op diverse momenten, als verdachte aangehouden: [naam verdachte], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 4].

Voorts zijn tijdens het onderzoek de gsm’s van de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] onderzocht op onder andere daarmee gevoerde “pinggesprekken”. Daarbij is gebleken dat de ping-ID van de gsm van [naam medeverdachte 1] [nummer] is en de ping-ID van van de gsm van [naam medeverdachte 4] [nummer]. Tevens is gebleken dat de ping-ID van de gsm van verdachte [naam medeverdachte 3] [nummer] is.

[naam medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoor op 24 mei 2011 verklaard dat hij zijn ping-ID al ongeveer twee of drie maanden niet meer gebruikte, omdat hij zijn telefoon is kwijtgeraakt. Echter, uit de opgevraagde en verkregen historische gegevens van het toestel met pingcode [nummer] is gebleken dat hiermee onder andere op 18 februari 2011 en op 26 april 2011 pinggesprekken zijn gevoerd. Pinggespreken, waarvan [naam medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij degene was die deze gesprekken heeft gevoerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [naam medeverdachte 3], dat hij het betreffende toestel sedert ongeveer drie maanden niet meer gebruikt heeft, onaannemelijk.

Nu niet gebleken is dat anderen dan [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] gebruik hebben gemaakt van de respectieve ping-IDs [nummer], [nummer] en [nummer], zullen de in het onderzoek aangetroffen, hieronder weer te geven pingberichten en pinggesprekken die gevoerd zijn tussen de gebruikers met voornoemde ping-IDs, aan hen worden toegeschreven.

Uit het proces-verbaal van bevindingen daaromtrent, blijkt dan dat op 11 maart 2011 [naam medeverdachte 4] aan [naam medeverdachte 1] om 20.35 uur via een pingbericht vraagt: “Ken ik ze pakken” waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Haha”. [naam medeverdachte 4] pingt dan: “Schijt aan” waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Dan regel k wat beter pik”. 17 minuten later vraagt [naam medeverdachte 1] aan een persoon die gebruik maakt van ping-ID [nummer]: “Pik vriend van me van rotterdam wil iemand rippen”, waarop deze antwoordt: “Heb j ruzie met iemand ofso”.

Een minuut later bericht [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 4]: “Ben nog vragen voor je”.

Weer een minuut later, om 20.55 uur, vraagt [nummer] aan [naam medeverdachte 1]: “Enne ??”.

[naam medeverdachte 4] stuurt om 20.55 uur aan [naam medeverdachte 1]: “Vraag nu gelijk regel” en “Laat me straks nog weten”. Direct daarop meldt [naam medeverdachte 1] aan [nummer]: “hij heeft geld nodig”. [nummer] bericht op datzelfde tijdstip aan [naam medeverdachte 1]: “Of k ene weeet voor t rippen?”.

Op dat tijdstip, 20.55 uur, bericht [naam medeverdachte 1] ook aan [nummer]: “wilt iemand rippen” en “jah man”. [nummer] antwoordt: “Zou k niet weten man”, waarop [naam medeverdachte 1] meldt: “Ok ok” en “Jammer vraag wel verder”.

Direct daarop meldt [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 4] “Ben vragen die weten nu gelijk nog niets”. [naam medeverdachte 4] antwoordt: “Okok ik moet weten wat erte hale valt” en “Aii laat me weten”. [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Doe k”.

Een dag later, op 12 maart 2011, vraagt [naam medeverdachte 1] in een pinggesprek om 19.59 uur aan een persoon die gebruik maakt van ping-ID [nummer]: “Pik weet je iemand die vriend van me kan rippen? Die veel geld og drugs heeft”. En om 20.00 uur: “Ik moet iemand zoeken die hij kan rippen” en: “Moet egt een hebben die is helemaal gek hij heeft geld nodig. Is van Rotterdam. Hij wil liefst nu meteen komen”.

Op 13 maart 2011 om 18.59 uur gaat een msn-bericht uit van [naam medeverdachte 1] naar_[naam medeverdachte 2], inhoudende: “Weet j iemand die vriend van m kan rippen?” [naam medeverdachte 2] antwoordt: “Ja zkkr pik voor wat”, waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Weet j iemand met geld of drugs veel?”, waarop [naam medeverdachte 2] antwoordt: “neepik jij dan :P” en “ik pak et we l”.

[naam medeverdachte 1] antwoordt: “haha anders vroeg k niet” en “je kunt miss met vriend van me meedoen” en “Ben nog zoeken heb wel wat al”. _[naam medeverdachte 2] bericht hierop: “is goed pik laat maar horen dan”.

Op 2 mei 2011 pingt [naam medeverdachte 1] om 17.26 uur aan [naam medeverdachte 4]: “Probeer morgu te komen is beter man”, waarop [naam medeverdachte 4] antwoordt: “Wat dann”. [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Heb donderdag afspraken” en “Heb morgen vrij gehouden”. [naam medeverdachte 4] pingt dan: “Woensdag” waarop [naam medeverdachte 1] bericht: “Ok is goed”. [naam medeverdachte 4] bericht dan om 17.38 uur: “Maar gelijk. Dan je weet tog” waarop [naam medeverdachte 1] meldt: “Jah man heb wel iets” en “Neem bivak mee” en “En pipa als j heb hoef nie perse”.

Die tweede mei pingt [naam medeverdachte 1] om 19.24 uur naar een persoon met ping-ID [nummer]: “Btw die molukkers komen woensdag” en “Nemen pipa enso mee”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “pipa” straattaal is voor pistool.

Op 3 mei 2011 om 12.38 uur pingt [naam medeverdachte 1] naar [naam medeverdachte 3]: “Ik heb net tip gekregen. Weer andrer.10 k wierie. Ga z+ halen. Kun j die kwijt komen? witsoort” [naam medeverdachte 3] antwoordt: “Ja, we kome morge. Kan altyd kwyt”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “wierie” straattaal is voor wiet/marihuana.

Diezelfde dag pingt [naam medeverdachte 1] om 17.09 uur naar [naam medeverdachte 3]: “Hoe laat komen jullie morgen?”, waarop hij als antwoord krijgt: “Ik vertrek in de ochtend. Dus rond 12 a 1 uur bij jou”. Om 17.43 uur pingt zender [naam medeverdachte 1] naar [naam medeverdachte 3]: “Laat nirk die dingen meenemen voor slot openen”.

Op 4 mei 2011 tussen 8.59 uur en 9.21 uur vindt er een pinggesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 1] pingt hierbij naar [naam medeverdachte 4]: “Enne pik. Kom je dalijk”, waarop wordt geantwoord: “We zijn al onderweg” en op de vraag hoe laat ze hier zullen zijn: “We zijn over een uurtje”. [naam medeverdachte 1] pingt daarna: “Ben ff wat doen nu. Stake out ergens”.

Aan een persoon met ping-ID [nummer] meldt [naam medeverdachte 1] die dag vanaf 9.18 uur: “Ik ben op stake out. Wachten tot iemand weg gaat. Dan na binnen. Ligt 10 k wierie. Rippen he”.

Daarna, om 9.50 uur, pingt [naam medeverdachte 1] naar [nummer]: “Zijn nu 2 vrienden aangekomen van roffa en tilburg”.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat “roffa” straattaal is voor Rotterdam.

Dat deze vrienden ook zijn aangekomen, blijkt uit het pinggesprek van 10.07 uur, waarbij [naam medeverdachte 3] naar [naam medeverdachte 1] pingt: “Doe open dan”.

Dat [naam medeverdachte 3] zich daadwerkelijk verplaatst heeft, blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam verbalisant], waarin deze opmerkt dat de mobiele telefoon met het telefoonnummer [nummer telefoon], welk nummer op naam staat van [naam medeverdachte 3], en waaraan ping-ID [nummer] is gekoppeld, op 4 mei 2011 om 08.00 uur contact gemaakt met de zendmast, gesitueerd op de Schaapsherdersweg te Ridderkerk en om 12.55 uur met de zendmast die is gesitueerd op de Barrier te Klimmen (Limburg).

Verbalisanten [naam verbalisant] en [naam hoofdagent] horen op 4 mei 2011 omstreeks 11.29 uur van de regionale meldkamer dat aan de [adres woning] wordt ingebroken door twee blanke mannen en twee mannen met een getinte huidskleur. Een van de blanke mannen draagt een groene jas en de andere blanke man heeft een zwart rugzakje.

[naam verbalisant] en [naam hoofdagent] gaan ter plaatse en zien dan een blanke man met een groene jas en een man met getinte huidskleur staan, die in hun richting kijken. Uit de richting van genoemde woning lopen nog twee andere mannen in de richting van de twee mannen. [naam hoofdagent] stapt uit het dienstvoertuig en achtervolgt drie van deze mannen als deze wegrennen en de [naam straat] inrennen. Een van deze drie mannen is blank. De vierde man rent in de richting van de [naam straat].

Als [naam hoofdagent] de drie mannen tot op een afstand van tien meter genaderd is, draait een van de mannen zich om en kijkt [naam hoofdagent] recht in de ogen. Vervolgens hoort [naam hoofdagent] kort achter elkaar drie harde knallen. Hij is ervan overtuigd dat op hem wordt geschoten. Nadat het derde schot is gevallen, duikt hij achter een geparkeerde, bordeauxrode auto. Ten tijde van het schieten ziet [naam hoofdagent] geen andere personen in de[naam straat].

Op 4 mei 2011 heeft [naam hoofdagent] aangifte gedaan van poging tot doodslag/bedreiging, gepleegd jegens hem op 4 mei 2011 te Heerlen.

Nadat [naam verbalisant] de nabij de [naam straat] gelegen [naam straat] is ingerend, hoort hij drie keer het geluid van schoten.

Hij rent door naar de [naam straat], waar de blanke man met de groene jas vanuit de [naam straat] in zijn richting rent. Nadat deze man de [naam straat] is over gerend ziet hij hem het struikgewas inrennen. Daarna neemt zijn collega [naam verbalisant] met zijn diensthond de achtervolging over. [naam verbalisant] heeft de vluchtende man, die verdachte [naam medeverdachte 2] blijkt te zijn, aangehouden. In [naam medeverdachte 2]’ kleding wordt onder andere een afgebroken cilinderslot aangetroffen.

Op de [naam straat] wordt een kleine huls gevonden, die van kaliber 6,35 mm (spoor PD2-01) blijkt te zijn. Een tweede huls van dit kaliber (spoor PD2-02) wordt in de buurt van de [naam straat] en de [naam straat] aangetroffen. Uit het onderzoek naar deze hulzen is gebleken dat het om kogelpatronen gaat. De aangetroffen hulzen zijn onderzocht door een NFI-deskundige wapens en munitie. Uit dat onderzoek is gebleken dat zij zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen. Bij visueel onderzoek aan de hulzen is gebleken dat het gaat om hulzen behorend bij scherpe munitie.

Uit het feit dat er twee hulzen van scherpe kogelpatronen zijn aangetroffen op en in de nabijheid van de [naam straat], blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat met scherpe munitie is geschoten en dat de knallen die onder meer door [naam hoofdagent] zijn gehoord, afkomstig waren van die schoten. Andere oorzaken voor deze knallen zijn niet aannemelijk geworden.

[naam medeverdachte 2] verklaart na zijn aanhouding bij de politie dat hij met ([naam medeverdachte 1]) heeft besproken dat hij een woning wist waar waarschijnlijk geld en drugs zou liggen. [naam medeverdachte 1] zou vervoer regelen. Op woensdagmorgen rond 07.30 – 08.00 uur is [naam medeverdachte 1] hem komen ophalen. De buurman van [naam medeverdachte 1] stond in zijn auto te wachten. Vervolgens zijn zij samen naar de woning gereden en zagen zij de man uit de woning vertrekken. [naam medeverdachte 2] is naar de voordeur gelopen en heeft aangebeld, waarop een vrouw de deur opende. Hij heeft gevraagd of daar een jongen woonde met wie hij naar school zou gaan, hetgeen niet het geval was. [naam medeverdachte 2] is toen teruggelopen naar de auto. Zij hebben toen ongeveer 15 à 20 minuten gewacht, waarna de vrouw de woning verliet en langs de auto liep. Hij zag dat ze in de auto keek en hoorde dat [naam medeverdachte 1] zei dat ze meteen haar telefoon pakte. Daarop zijn [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1] en de buurman met de auto naar de woning van de buurman in Voerendaal gereden. In de auto vertelde [naam medeverdachte 1] dat er nog twee Molukkers uit Rotterdam zouden komen die hier nog iets wilden doen. [naam medeverdachte 1] had met zijn witte Blackberry via sms of ping contact met deze Rotterdammers. Toen zij zo’n tien minuten in de woning van de buurman waren kreeg [naam medeverdachte 1] bericht dat de Rotterdammers voor de deur stonden. Hij heeft ze binnengelaten en zei tegen hen dat hij een woning wist waar mogelijk weed, geld of iets anders zou liggen. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn toen meteen met de beide Rotterdammers in een zwarte Audi A2 naar Meezenbroek gereden. Nadat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] met een bahco de voordeur hadden geforceerd, zijn zij met zijn vieren naar binnen gegaan.

Op een gegeven moment is hij met [naam medeverdachte 1] en de Rotterdammer met de tattoo de kelder in gelopen, waar zij een zak weed vonden. Ze zijn daarop naar boven gelopen en [naam medeverdachte 2] is met de Rotterdammer met het stekeltjeshaar bij de deur gaan staan. Vervolgens zag hij een Opel Astra aankomen waarvan hij dacht dat het de bewoners of de politie zou kunnen zijn en heeft tegen [naam medeverdachte 1] geroepen: “Kom, kom, weg hier”, waarna hij is weggerend. [naam medeverdachte 2] zag dat de Rotterdammer met de tattoo achter hem aan rende. Opeens hoorde hij ongeveer drie schoten die kwamen vanuit de richting van de Rotterdammer met de tattoo. Ongeveer twee à drie seconden later hoorde hij roepen: “Politie, politie”. Op dat moment was hij al de bosjes in gerend, waar hij werd aangehouden. Toen hij in de politieauto zat, zag hij de Rotterdammer met het stekeltjeshaar voorbij rijden in zijn Audi. Van de Rotterdammer met de tattoo weet [naam medeverdachte 2] te melden dat deze op beide oogleden letters had getatoeëerd.

[naam medeverdachte 1] verklaart bij de politie dat [naam medeverdachte 2] de tip met betrekking tot de weed heeft gegeven. Ook heeft [naam medeverdachte 2] getipt dat ergens cash te halen was, dat illegaal was verkregen. Zij zouden “een inbraakje doen, naar binnen gaan, dingen pakken”.

Ten aanzien van de eerste keer dat zij bij de woning waren heeft [naam medeverdachte 1] een gelijkluidende verklaring afgelegd als [naam medeverdachte 2]. Ook ten aanzien van de komst van de Rotterdammers en de tweede keer dat zij naar vorengenoemd adres zijn gegaan, heeft hij eenzelfde verklaring als [naam medeverdachte 2] afgelegd. Met betrekking tot de weed die in het pand is aangetroffen, heeft hij verklaard dat iemand die gevonden had en in zijn handen heeft geduwd, omdat hij een vuilniszak bij zich had. Op het moment dat hij een politieauto zag, is hij weggelopen. De weed had hij toen bij zich. Deze heeft hij later in de struiken gegooid. Een auto kwam hem achterna, hij is de hoek omgegaan en is in het paadje naast de flatjes gaan zitten om te pingen dat hij vervoer nodig had. Verder heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat hij binnen een uur na het schietincident van de persoon met de tatoeage boven de ogen heeft gehoord dat deze twee keer had geschoten op iemand die uit een Opel Astra stapte en die op hem, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] kwam afgerend. Hij noemt deze persoon Nirk. Nirk zei dat hij op één man had geschoten en dat deze man toen wegdook.

Op de vraag of de tekst die de getatoeëerde Rotterdammer op zijn oog heeft staan iets met game te maken heeft, heeft [naam medeverdachte 1] “ja” geknikt en medegedeeld dat dit op zijn rechterooglid staat, terwijl op zijn linkerooglid “over” is getatoeëerd. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant 003128 is gerelateerd dat deze op 29 april 2011 een persoon heeft gecontroleerd, die zich legitimeerde met een Europese identiteitskaart. Hij bleek te zijn genaamd: [naam medeverdachte 4]. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat [naam medeverdachte 4] ook wel [naam medeverdachte 4] wordt genoemd en dat hij van Molukse afkomst is. Tijdens de controle zag de verbalisant dat [naam medeverdachte 4] een tatoeage had op beide oogleden. Op zijn rechter ooglid staat het woord GAME, op zijn linkerooglid staat het woord OVER. Ook verbalisant [naam verbalisant], die [naam medeverdachte 4] heeft verhoord, heeft gezien dat [naam medeverdachte 4] deze tekst op zijn oogleden had getatoeëerd. Bovendien heeft hij gezien dat [naam medeverdachte 4] in zijn bovengebit een gouden tand had.

Verbalisant [naam verbalisant] heeft in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat op de voorgevel van het perceel, gelegen aan de [adres], zijnde het adres van [naam medeverdachte 3], Nirk is geschreven.

[naam verdachte] verklaart bij de politie dat [naam medeverdachte 1] zijn buurman is. Hij is ‘s woensdags samen met [naam medeverdachte 1] [naam medeverdachte 2] gaan halen. [naam verdachte] heeft hen vervolgens met een door hem geleende Fiat naar de [adres] gebracht. Toen ze de straat inkwamen, wist hij wat er ging gebeuren. Er was een wietplantage in het huis. Nadat [naam medeverdachte 2] bij een woning had aangebeld en een vrouw de deur had geopend, kwam hij terug naar de auto. Toen de vrouw even later langs de auto liep, zijn zij weggereden en naar de woning van [naam verdachte] gegaan. Daar hoorde hij twee jongens naar boven komen. Dat waren vrienden van [naam medeverdachte 1]. Een van hen had gouden tanden en tatoeages op de oogleden. [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en de twee vrienden van [naam medeverdachte 1] zijn daarna vertrokken. ’s Middags kreeg [naam verdachte] een telefoontje van een vriend van [naam medeverdachte 1] met het bericht, dat hij [naam medeverdachte 1] moest gaan halen. Hij heeft [naam medeverdachte 1] tweemaal een sms gestuurd met het verzoek hem te bellen. Ongeveer twintig minuten daarna stond de Molukker zonder tatoeage schreeuwend en kloppend voor zijn voordeur. Hij zei dat zij [naam medeverdachte 1] en die vriend van hem moesten gaan zoeken, dat er was geschoten en dat [naam medeverdachte 2] was opgepakt. [naam verdachte] is toen samen met de Molukker in de Fiat naar Meezenbroek gereden. Toen zij terugkwamen in Voerendaal zaten [naam medeverdachte 1] en, in de woorden van [naam verdachte], de gangster Molukker op het balkon. [naam verdachte] moest zijn deur open maken omdat de Molukkers hun telefoons moesten hebben en weg wilden. [naam medeverdachte 1] heeft hem later verteld dat ze een halve kilo weed hadden meegenomen.

Het pingen waarover [naam medeverdachte 1] in zijn verklaring rept, komt terug in de bevindingen van het daarop gerichte, reeds eerder aangehaalde onderzoek.

Op die vierde mei pingt [naam medeverdachte 1] tussen 11.38 uur en 11.40 uur aan een persoon met ping-ID [nummer]: “Konm me halen. Mezernbroek” en “Die zijnm gepaktr. Bel iemand voor me. Aub” en “Zeg k sta in mezenbroek. In paadje schuilen gek”.

Om 13.25 uur pingt [naam medeverdachte 1] naar een persoon met ping-ID [nummer]: “Kom ff na mezenbroek met me 20 min. Ff snel iets ophalen. Anders moe ik gaan zitten”. Naar [nummer] pingt hij om 14.23 uur: “Maar moe trug daar. Heb ook wa liggen”.

Getuige [W.], woonachtig aan de [adres], legt een verklaring af waarin deze meldt dat zijn vriendin voor de omgevallen schutting van hun tuin een zwarte bivakmuts en een paar blauwe handschoenen heeft gevonden. In de brandgang achter hun woning vond hij een rol vuilniszakken en onder die rol lag een zwart handvuurwapen. Getuige [R] ziet op 4 mei 2011 dat een jongen een doodlopend paadje inrent en zeer snel er na dit paadje weer uitrent. Gelet op het hiervoor vermelde pinggesprek dat op 4 mei 2011 tussen 11.38 uur en 11.40 uur is gevoerd, luidend “Zeg k sta in mezenbroek. In paadje schuilen gek”, acht de rechtbank het aannemelijk dat de jongen die het paadje is ingerend, [naam medeverdachte 1] is geweest.

Verbalisanten [namen verbalisanten] stellen de door getuige [W.] gemelde goederen, veilig en nemen deze in beslag. De goederen zijn daarna naar het NFI gezonden voor DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat het DNA-hoofdprofiel van de rechter handschoen matcht met het DNA-profiel van [naam medeverdachte 1]. Aan de linker handschoen is een DNA-mengprofiel aangetroffen, dat onder meer matcht met [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] en onderzoek aan de bivakmuts heeft aangetoond dat het daarop aangetroffen DNA matcht met het DNA-profiel van [naam verdachte]. Het in de brandgang aangetroffen wapen is onderzocht en dit blijkt een gasdrukpistool te zijn, dat sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen.

Op woensdag 4 mei 2011 wordt door [naam slachtoffer] aangifte gedaan van diefstal door middel van braak in zijn woning, gelegen aan de [adres woning]. Hij verklaart dat hij die ochtend omstreeks 8.00 uur de woning heeft verlaten en dat zijn vriendin, die op hetzelfde adres woonachtig is, altijd de woning verlaat tussen 9.15 uur en 9.30 uur.

Omstreeks 12.00 uur is [naam slachtoffer] bij zijn huis aangekomen. Hij zag dat de voordeur dicht was en dat het cilinderslot uit de deur was.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4], als [naam verdachte] betrokken zijn geweest bij de diefstal uit de woning van [naam slachtoffer].

Ten aanzien van de vraag op welke “waarde” [naam verdachte]s aandeel moet worden geschat overweegt de rechtbank het navolgende.

Medeplegen [naam verdachte]

Uitgangspunt voor het beantwoorden van de vraag of gesproken kan worden van medeplegen is of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Wat betreft het vereiste van het leveren van een wezenlijke bijdrage merkt de rechtbank op dat dat niet hoeft te betekenen dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder moet zijn. Ook een andere rol kan immers leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd. Het eerste vereiste, nauwe en bewuste samenwerking, zal doorgaans het resultaat zijn van vooraf gemaakte afspraken. Noodzakelijk voor het bestaan van medeplegen is een dergelijke voorafgemaakte afspraak echter niet. Ook tijdens de feitelijke gedraging kan er nauwe samenwerking ontstaan.

Zelfs niet ingrijpen of zich niet distantiëren kan leiden tot de conclusie dat van medeplegen sprake is, maar daarvoor geldt dan wel het belangrijke vereiste dat de van medeplegen verdachte persoon zich bewust moet zijn geweest van het plegen van het delict en dat ook moet hebben aanvaard.

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor vermelde pinggesprekken en de inhoud van de verklaringen van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] zoals afgelegd bij de politie vast dat er sprake was van een vooropgezet plan van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] om een inbraak te plegen in de woning van [naam slachtoffer], omdat zij dachten dat daar een forse hoeveelheid hennep aanwezig was die zij wilden buitmaken. [naam verdachte] functioneerde in dit plan als de chauffeur.

[naam verdachte] heeft ‘s ochtends [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] naar de plek waar later op de dag de woninginbraak zou plaatsvinden vervoerd. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zijn daardoor in de gelegenheid gesteld om deze plek alvast te verkennen. [naam verdachte] wist daarbij ook wat er ging gebeuren. Nadat later die dag de inbraak had plaatsgevonden heeft [naam verdachte] als chauffeur geholpen bij het zoeken naar [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4]. Ook heeft hij tweemaal naar [naam medeverdachte 1] gesmst nadat de inbraak had plaatsgevonden om hem te traceren. Gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte] bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten ten aanzien van het plegen van de woninginbraak.

De omstandigheid dat [naam verdachte] niet aanwezig was bij de feitelijke inbraak zelf, kan niet tot een ander oordeel leiden. De eerder die dag samen met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] uitgevoerde verkenning van de situatie, waaruit bleek dat de bewoner(s) het huis had(den) verlaten, en de inspanningen om na de inbraak de mededaders op te halen, zijn wezenlijk voor het welslagen van het bewezenverklaarde.

Anders dan de raadsman is de rechtbank derhalve van oordeel dat [naam verdachte] als medepleger moet worden aangemerkt van een voltooid delict. Van een poging tot inbraak is geen sprake geweest. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank het eerder die ochtend door [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] naar de woning gaan om deze te observeren, niet als een zelfstandige poging tot inbraak. Zij ziet die handelingen als gericht op een succesvolle voltooiing van de inbraak die later die dag zou gaan plaatsvinden.

Niet is komen vast te staan dat er naast de afspraak omtrent de woninginbraak ook door verdachte een afspraak werd gemaakt over het gebruik van (een) vuurwapen(s), laat staan dat door hem werd beoogd dat er daadwerkelijk geschoten zou gaan worden. Ook is niet gebleken dat verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht die zou bijdragen aan het uitgeoefende geweld. [naam verdachte] is niet met de rest van het gezelschap aanwezig geweest bij de feitelijke inbraak en het gegeven dat hij nadat de diefstal had plaatsgevonden [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] is gaan zoeken nadat dit aan hem was gevraagd, is volstrekt ontoereikend om te spreken van medeplegen van geweld jegens hoofdagent [naam hoofdagent].

Nu derhalve geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking aangaande het gebruikte geweld, kan naar het oordeel van de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Hij moet dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

op 4 mei 2011 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen hennep, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

diefstal door twee of meer verenigde personen.

De raadsman heeft daar waar het de strafbaarheid van verdachte betreft aangevoerd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred, nu [naam verdachte] is teruggereden naar Voerendaal, nadat [naam medeverdachte 2] bij de woning had aangebeld, met de bewoonster had gesproken, zij de woning had verlaten en al telefonerend langs de auto waarin [naam verdachte], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zaten, wegliep. Het misdrijf is derhalve niet voltooid ten gevolge van omstandigheden die afhankelijk waren van de wil van [naam verdachte] en er is geen sprake van strafbaar gedrag. Verdachte dient daarom volgens de raadsman te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht brengt alleen straffeloosheid mee, indien een poging of voorbereiding van een strafbaar feit niet is voltooid ten gevolge van van de wil van de dader afhankelijke omstandigheden.

Zoals onder onderdeel 3.3 onder het kopje “Medeplegen [naam verdachte]” uiteengezet, oordeelt de rechtbank dat hier sprake is geweest van een voltooid delict. Van een poging en de mogelijkheid om daarvan vrijwillig terug te treden was geen sprake meer. Hetgeen met zich brengt dat het beroep van de raadsman op het bepaalde in voornoemd artikel faalt.

Nu er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de dader uitsluiten, is [naam verdachte] voor het bewezenverklaarde strafbare feit strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte 1 maand gevangenisstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan [naam verdachte] een korte voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een werkstraf op te leggen, zonder daaraan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te koppelen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het over hem opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 16 augustus 2011 en op het geringe strafblad van verdachte.

Verdachte heeft op 4 mei 2011 medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] in een auto naar de [adres] vervoerd, waar zij de mogelijkheid van een woninginbraak op nummer [nummer] gingen verkennen. Na deze verkenning, is hij met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] teruggereden naar Voerendaal. Rond het middaguur zijn [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] met de andere medeverdachten [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] naar de [adres] teruggekeerd en hebben zij daar ingebroken. Na de inbraak is [naam verdachte] samen met [naam medeverdachte 3] naar Heerlen gereden op zoek naar [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4]. Ook heeft hij [naam medeverdachte 1] daarna onderdak in zijn woning verleend.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de rol die [naam verdachte] heeft gespeeld in het geheel, welke rol geringer van aard was dan de rol van zijn medeverdachten. Daarnaast houdt de rechtbank er ook ten voordele van verdachte rekening mee dat hij een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarmee te kennen heeft gegeven dat hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft willen ontlopen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van de door de officier van justitie geëiste straf, maar dat een gevangenisstraf voor de duur van 29 dagen met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis passend en geboden is. Zij zal deze straffen dan ook aan verdachte opleggen.

6 De benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behandeld, waarbij [naam hoofdagent] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. De benadeelde partij [naam hoofdagent] vordert een bedrag van € 773,-, bestaande uit immateriële schade.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte van het onder primair tenlastegelegde geweldsaspect zal worden vrijgesproken, kan de benadeelde partij [naam hoofdagent] niet in zijn vordering worden ontvangen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 29 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 30 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam en adres hoofdagent], niet ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam hoofdagent] in de kosten, door verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 november 2011.

Buiten staat

Mr. J.M. Schuwirth is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 04 mei 2011 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid hennep, in elk geval een of meer goederen en/of een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [naam hoofdagent], hoofdagent van politie Limburg Zuid, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader meermalen althans eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten op die [naam hoofdagent] voornoemd;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 04 mei 2011 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid hennep, in elk geval een of meer goederen en/of een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zich met een of meer van zijn mededaders naar voornoemde woning heeft begeven en/of het slot van die woning heeft geforceerd en/of vervolgens die woning is binnengegaan en aldaar naar geld en/of goederen van zijn gading heeft gezocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke

poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd [naam hoofdagent], hoofdagent van politie Limburg-Zuid, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen althans eenmaal met een vuurwapen op die [naam hoofdagent] voornoemd heeft geschoten;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven mededader(s) op of omstreeks 04 mei 2011 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid hennep , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam medeverdachte 2] en/of die [naam medeverdachte 1] en/of een of meer van die tot op heden onbekend gebleven mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam hoofdagent], hoofdagent van politie

Limburg-Zuid, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [naam medeverdachte 2] en/of die [naam medeverdachte 1] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven mededader(s), tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 04 mei 2011 tot en met 6 mei 2011 in de gemeente Heerlen en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en aldaar voorafgaand aan voornoemde diefstal met geweld [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] in een personenauto te vervoeren naar de [adres] en/of nadat voornoemde diefstal met geweld was gepleegd met een personenauto te gaan zoeken naar [naam medeverdachte 1] en/of een of meer van de tot op heden onbekend

gebleven mededader(s) en/of nadat voornoemde diefstal met geweld was gepleegd aan die [naam medeverdachte 1] onderdak te bieden.