Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU5588

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
159943 / FA RK 11-349
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring ontkenning vaderschap [B]; verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C]. Halfbroer [D] , zoon van [C] geen belanghebbende, voor zover het verzoek betreft de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B]. Aannemelijk is dat verzoeker pas na het overlijden van [C] ermee bekend is geworden dat [B] vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Pas na het overlijden van [C] bestond er aanleiding het vaderschap van [B] te ontkennen. Geen overschrijding van de termijn van artikel 1:200 lid 6 BW. Nu zowel [B] als [C] zijn overleden en ander bewijs ontbreekt , gelast de rechtbank nader bewijs, dat in dit geval alleen door middel van DNA-onderzoek kan worden geleverd. In dat verband is van wezenlijk belang dat ter zitting aan de orde is geweest dat mogelijk geschikt DNA-materiaal van [C] nog voorhanden is in de vorm van sigarenstompjes. De rechtbank maakt van haar bevoegdheid gebruik en gelast op voet van artikel 194 Rv een deskundigenbericht. Daarbij verdient aantekening dat indien het DNA-materiaal van [C] niet geschikt blijkt voor onderzoek, het DNA-onderzoek uitsluitend zal kunnen uitwijzen of er al dan niet bloedverwantschap bestaat tussen verzoeker en [D].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 16 november 2011

Zaaknummer: 159943 / FA RK 11-349

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonende te [adres],

advocaat mr. J.A.W.M. Vogels.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

verder ook te noemen: de moeder.

en, uitsluitend voor zover het betreft het verzoek tot gerechtelijke vaststelling,

2. [D],

verder te noemen: [D],

advocaat mr. A.M. Holmes.

1. Verloop van de procedure

1.1. De man heeft op 23 maart 2011 een verzoekschrift tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van [B] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de verwekker, [C], ingediend.

1.2. [D] heeft op 15 augustus 2011 een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld ter zitting van 16 augustus 2011.

2. De feiten

2.1. De man is op 18 oktober 1966 te Maastricht geboren uit de moeder, belanghebbende sub 1.

2.2. De moeder was ten tijde van de geboorte van de man gehuwd met [B], verder te noemen: [B]. [B] geldt op grond van het bepaalde in artikel 1:199, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) als de vader van de man en dientengevolge heeft de man sinds zijn geboorte aanvankelijk de geslachtsnaam [B] gedragen. Het huwelijk tussen de moeder en [B] is op 21 juni 1968 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht. [B] is op 31 augustus 1997 overleden.

2.3. De moeder is op 28 juli 1972 hertrouwd met [C] in voor beiden tweede echt. [C], op [geboortegegevens] geboren, was eerder gehuwd met [W] en binnen dat huwelijk is op [geboortegegevens] geboren [D], de belanghebbende sub 2. Het huwelijk van [C] en [W] is omstreeks 1960 door echtscheiding ontbonden.

2.4. Bij Koninklijk besluit van 7 november 1973, nummer 44, is de geslachtsnaam van de man gewijzigd van [B] in [C].

2.5. [C] is op 7 mei 2008 te Maastricht overleden, na bij zijn ten sterfdage van kracht zijnde testament, op 3 maart 1998 voor de plaatsvervanger van mr. J.M. Ruyters, destijds notaris te Maastricht, verleden over zijn nalatenschap te hebben beschikt.

Bij dat testament heeft [C], voor zover ter zake doende, benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, ieder voor gelijke delen, zijn echtgenote en zijn kinderen, geboren uit zijn eerste huwelijk respectievelijk het huwelijk met zijn echtgenote.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoek van de man strekt allereerst tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] en vervolgens tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C].

3.2. De man heeft in verband hiermee aangevoerd dat zijn moeder in 1966 een affectieve relatie heeft gekregen met [C], dat [C] en zijn moeder al bij elkaar woonden toen hij werd geboren en dat hij altijd is verzorgd en opgevoed in het gezin van de moeder en [C]. [B] daarentegen, zo stelt de man, heeft nooit enige opvoedende, financiële of familiale rol in zijn leven gespeeld. Het is [C] geweest die altijd alle kosten van verzorging, opvoeding en studie van de man heeft betaald en bij Koninklijk Besluit is de geslachtsnaam [B], die de man bij zijn geboorte kreeg, gewijzigd in [C]. De man heeft verder aangevoerd dat hij van [C] het vak van parketteur heeft geleerd, dat hij altijd in het bedrijf van [C] heeft gewerkt en na het overlijden van [C] de inmiddels gezamenlijke onderneming alleen heeft voortgezet. Volgens de man heeft [C] tijdens zijn leven in de veronderstelling geleefd dat de man ook in juridische zin zijn zoon was. De man zelf heeft nooit twijfels gehad over het feit dat niet [B] maar [C] zijn biologische vader was, gelet ook op de uiterlijke gelijkenis tussen hem en [C]. Ten slotte heeft de man gewezen op het testament van [C], waarin deze spreekt over "mijn zoon [verzoeker]".

3.3. Volgens de man is in het licht van dat alles beschouwd volstrekt helder dat zijn moeder en [C] altijd de bedoeling hebben gehad de man in overeenstemming met de feitelijke gezinssituatie als zoon van [C] door het leven te laten gaan. Waarom bij de geslachtsnaamswijziging van de man in 1973 is verzuimd tevens het juridisch vaderschap van [C] vast te doen stellen, is voor de man thans niet meer te achterhalen.

Pas na kennisneming van het door het overlijden van [C] op 7 mei 2008 van kracht geworden testament is voor de man duidelijk geworden dat [B] altijd zijn juridische vader is gebleven. Daarom stelt de man belang erbij te hebben dat de juridische situatie alsnog in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke. Voor zover hem zou worden tegengeworpen dat hij de termijn van artikel 1:200 lid 6 BW, waarbinnen hij het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] had moeten indienen heeft overschreden, stelt de man dat die termijn op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) in dit geval buiten toepassing dient te blijven.

4. Het verweer

4.1. [D] heeft betwist dat [C] de biologische vader is van de man. Volgens [D] was de man al vijf jaar toen hij met zijn moeder bij [C] is gaan wonen en brengt het feit dat de man door [C] is opgevoed als ware hij zijn eigen zoon nog niet als vanzelfsprekend mee dat sprake is van een biologische band. De geslachtsnaamswijziging van de man van [B] in [C] had slechts praktische redenen en helemaal niets te maken met de stelling van de man dat hij een biologisch kind is van [C].

4.2. [D] heeft als meest verstrekkende verweer verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de ruime overschrijding van de termijn van artikel 1:200 lid 6 BW. Volgens [D] moet de man op enig moment tijdens zijn minderjarigheid bekend zijn geworden met het feit dat niet [B] maar [C] zijn biologische vader was, zodat hij uiterlijk binnen drie jaren nadat hij meerderjarig was geworden, een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] had moeten indienen. Aangezien de man dit heeft nagelaten, kan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C] niet meer aan de orde zijn. De rechtszekerheid wordt bovendien geschaad indien thans geen toepassing zou worden gegeven aan de in artikel 1:200 lid 6 BW opgenomen termijn. Het erfgenaamschap van [D] én dat van de moeder van de man zou worden aangetast bij toewijzing van het verzoek, hetgeen uitdrukkelijk niet de wens was van [C]. Volgens [D] heeft [C] bewust geweigerd de erfrechtelijke positie van de man gelijkwaardig te maken aan de positie van [D]. [D] biedt van deze stelling uitdrukkelijk bewijs aan door middel van getuigen.

4.3. Voor zover de rechtbank de man wel ontvankelijk acht, heeft [D] ten verwere aangevoerd, kort samengevat, dat het verzoek van de man onvoldoende met feiten en bewijzen is onderbouwd en om die reden afgewezen dient te worden.

4.4. Ter zitting heeft [D] verklaard mee te willen werken aan een DNA-onderzoek, om zekerheid te verkrijgen over de vraag of [C] de biologische vader is van de man.

5. Reactie op het verweer

5.1. De man heeft in reactie op het verweer verklaard dat de afstammingsrelatie tussen hem en [C] nooit eerder een geschilpunt is geweest. In dat verband heeft de man nog toegelicht dat [D] is geboren uit het huwelijk van [C] en diens eerste echtgenote [W] en dat dat huwelijk in 1964 is ontbonden door echtscheiding. [D] is vervolgens bij zijn eigen moeder [W] opgegroeid. De moeder van de man heeft pas in 1966 een relatie gekregen met [C] en zij woonde zelfs al bij [C] toen de man geboren werd. De man stelt zelfs geboren te zijn in het huis waarin zijn moeder samenwoonde met [C]. Dat adres staat ook vermeld op de geboorteakte. De man is daarna opgegroeid in het gezinsverband dat zijn moeder samen met [C] vormde. Hij heeft nooit met [B] in gezinsverband samengeleefd. [D], zijn halfbroer, maakte geen deel uit van het gezin, maar kwam wel regelmatig op bezoek. Ter zitting zijn door de man foto’s getoond ter onderbouwing van het gezinsverband tussen hem en [C] en van de uiterlijke gelijkenis tussen hem en [C]. Volgens de man was de gehele familie op de hoogte van de feitelijke biologische afstammingsband tussen hem en [C]. Gelet daarop en mede bezien in het licht van artikel 8 EVRM is er geen reden hem thans de verjaringstermijn van artikel 1:200 lid 6 BW tegen te werpen.

5.2. Voor zover nodig biedt de man getuigenbewijs aan van zijn stelling dat iedereen op de hoogte was van de feitelijke biologische afstammingsband tussen hem en [C]. De man staat positief tegenover een DNA-onderzoek. Hij wijst erop dat zelfs nog DNA van [C] voorhanden is.

6. Beoordeling

6.1.Voor zover het verzoek van de man strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] zal de rechtbank [D] niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv beschouwen, nu belanghebbende is, degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Bij de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] zijn de rechten of verplichtingen van [D] niet betrokken. Die rechten en verplichtingen zijn wel betrokken bij het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. In dat opzicht zal de rechtbank [D] wel beschouwen als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 798 lid 1 Rv.

6.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht, nu de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden woonplaats in Nederland hebben.

6.3. De rechtbank Maastricht is ingevolge het bepaalde in artikel 262, aanhef en onder a, Rv voorts relatief bevoegd van het verzoek kennis te nemen, nu de belanghebbenden woonplaats hebben binnen het rechtsgebied van deze rechtbank.

6.4. Op grond van artikel 2, lid 1 juncto artikel 1, lid 1 van de Wet conflictenrecht afstamming wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man kan worden ontkend, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en de man elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet conflictenrecht afstamming is voor de toepassing van het eerste lid bepalend het tijdstip van de geboorte van het kind, dan wel indien het huwelijk van de ouders voordien is ontbonden, dat van de ontbinding.

6.5. Het huwelijk tussen de moeder en [B] is op 21 juni 1968 ontbonden, zodat met betrekking tot het onderhavige verzoek voor de toepassing van het eerste lid van artikel 1 Wet conflictenrecht afstamming bepalend is het tijdstip van de geboorte van de man.

6.6. Eerst dient te worden beoordeeld of de moeder en [B] een gemeenschappelijke nationaliteit hadden ten tijde van de geboorte van het kind. De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat op grond van het overgelegde uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (gba) van [B] ervan moet worden uitgegaan dat [B] ten tijde van de geboorte van de man "staatloos" was. Uit het overgelegde uittreksel uit de gba van de moeder blijkt dat de moeder toen de Nederlandse nationaliteit had.

6.6.1. Nu niet kan worden vastgesteld dat [B] en de moeder ten tijde van de geboorte van de man een gemeenschappelijke nationaliteit hadden, dient te worden beoordeeld waar [B] en de moeder hun gewone verblijfplaats hadden op het tijdstip van de geboorte van de man. Uit het gba-uittreksel van [B] blijkt dat hij op 13 mei 1921 geboren is te Maastricht en op 31 augustus 1997 overleden is te Amsterdam. Uit niets blijkt dat [B] omstreeks de geboorte van de man in 1966 niet in Nederland woonachtig is geweest en ook uit de stellingen van partijen volgt dat niet. Uit het gba-uittreksel van de moeder blijkt dat zij op 25 mei 1928 geboren is te Maastricht. Ook de man is in Maastricht geboren en de moeder woont ook thans nog in Maastricht. Gelet op die in onderling verband en samenhang te beschouwen feiten en omstandigheden, gaat de rechtbank ervan uit dat [B] en de moeder ten tijde van de geboorte van de man beiden in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden, zodat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek van de man tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B].

6.7. Op grond van artikel 1: 200, lid 6, BW dient een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap als bedoeld in artikel 1:199, onder a en b, BW door het kind te worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend geworden is met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

6.8. Uit de stukken blijkt dat de man, die is geboren binnen het huwelijk van de moeder en [B], in de registers van de burgerlijke stand staat ingeschreven als zoon van [B].

Vast staat echter ook dat de man van jongs af aan is opgegroeid in het gezin van [C] en de moeder en dat de man sinds 1973 de geslachtsnaam [C] draagt. Uit de op zichzelf duidelijke bewoordingen van het ten sterfdage van kracht zijnde testament van [C] blijkt bovendien dat [C] heeft benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, ieder voor gelijke delen, zijn echtgenote en zijn kinderen, geboren uit zijn eerste huwelijk respectievelijk het huwelijk met zijn echtgenote, waarmee wordt bedoeld, de belanghebbende sub 1 en de moeder van de man. Nu ten tijde van het verlijden van het testament redelijkerwijs niet was te verwachten dat er nog (andere) kinderen uit het huwelijk van [C] met de moeder zouden kunnen worden geboren, kan [C] naar het oordeel van de rechtbank met "het kind geboren uit het huwelijk met mijn echtgenote" geen ander dan de man op het oog gehad hebben. Daarvoor ziet de rechtbank ook de verdere inhoud van het testament steun bieden, nu [C] onder V. ERFSTELLING BIJ OVERLIJDEN TEGELIJK MET MIJN ECHTGENOTE en onder VI. LEGAAT EN ERFSTELLING BIJ OVERLIJDEN NA ECHTGENOTE refereert aan de man als "mijn zoon [verzoeker]". Van belang is tevens dat [C], voor het geval hij tegelijk met of na zijn echtgenote zou overlijden, ook, voor een/derde gedeelte, "de zoon van mijn echtgenote uit haar eerste huwelijk, te weten [X] (de rechtbank houdt het ervoor dat de naam [B] hier een kennelijke fout bevat) geboren op [...]" tot erfgenaam van zijn nalatenschap heeft benoemd. Uit de hiervoor aangehaalde wijze waarop [C] heeft gemeend uitvoering te moeten geven aan zijn laatste wil leidt de rechtbank af dat [C] de man moet hebben gezien als een kind geboren uit zijn tweede huwelijk, het huwelijk met de moeder van de man. Die duidelijke bewoordingen in verband met de wijze waarop de man zijn laatste wil gestalte heeft gegeven, wettigen naar het oordeel van de rechtbank maar één conclusie, namelijk dat [C], toen hij zijn laatste wil aan de notaris toevertrouwde, in de – achteraf onjuist gebleken – veronderstelling moet hebben verkeerd dat hij niet alleen de biologische vader was van de man maar ook zijn juridische.

6.9. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de man pas na het overlijden van [C], toen de erfgenamen zich tot de notaris hadden gewend met het verzoek de nalatenschap af te wikkelen, ermee bekend is geworden dat [B] vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Dat betekent ook dat voor de man pas kort na het overlijden, na kennisneming van het door het overlijden van [C] van kracht geworden testament, aanleiding bestond het door het huwelijk met de moeder ontstane vaderschap van [B] te ontkennen. Met het daartoe strekkende verzoek van 23 maart 2011 is de man dus binnen de termijn zoals gesteld in de eerste volzin van artikel 1:200 lid 6 BW gebleven. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

6.10. De vraag is dan vervolgens of de door de man aan het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden die gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] kunnen rechtvaardigen. Daarvoor is vereist, dat vast komt te staan dat [B], wiens vaderschap wordt betwist, niet de biologische vader van de man kan zijn. De stelplicht en, zonodig, de bewijslast te dier zake rusten op de man. De rechter is evenwel te allen tijde bevoegd ambtshalve bewijs te verlangen zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Net als de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap leidt ook het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, indien gehonoreerd, tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

6.11. De aan de rechtbank overgelegde stukken en de mondelinge toelichtingen daarop ter zitting acht de rechtbank onvoldoende om in deze zaak als vaststaand te kunnen aannemen dat [B] niet de biologische vader van de man kan zijn. Bovendien kan het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [B] niet los worden gezien van het door de man tegelijkertijd ingediende verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C]. Dat verzoek is in beginsel toewijsbaar als komt vast te staan dat [C] de verwekker van de man is geweest, waarmee dan tevens het antwoord op de vraag of [B] de biologische vader van de man is, zou zijn gegeven. Uit de stukken en de toelichtingen daarop ter zitting blijkt echter evenmin met de daarvoor vereiste mate van zekerheid dat [C] de verwekker is van de man.

6.12. De stellingen van de man dat [C] zijn verwekker is, zijn door [D] met klem betwist en in dat kader heeft [D] een bewijsaanbod gedaan. Voor zover het bewijsaanbod ziet op de stelling dat [C] geen erfrechtelijke gelijkstelling van de man en [D] heeft willen bewerkstelligen, wordt die stelling gelogenstraft door de bewoordingen van het testament van [C]. Voor zover [D] heeft willen aanbieden te bewijzen dat het nooit de bedoeling is geweest van [C] om de man in juridische zin als zijn zoon te erkennen, zal de rechtbank dat als niet ter zake dienend passeren. Daargelaten welke bedoeling [C] heeft gehad, voor de gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap hoeft slechts vast te staan dat hij de verwekker is van de man.

6.13. Nu zowel [B] als [C] zijn overleden en ander bewijs omtrent het biologisch vaderschap van [B] en het verwekkerschap van [C] niet kan worden geleverd, heeft de rechtbank behoefte aan nader bewijs, dat in dit geval alleen door middel van DNA-onderzoek kan worden geleverd. In dat verband is van wezenlijk belang dat de man ter zitting heeft verklaard dat mogelijk geschikt DNA-materiaal van [C] nog voorhanden is in de vorm van sigarenstompjes. De rechtbank zal dan ook van haar bevoegdheid gebruik maken en in deze zaak op voet van artikel 194 Rv een deskundigenbericht bevelen aldus dat een onderzoek zal worden gelast naar het DNA van de man, [D] en zo mogelijk [C] ter beantwoording van de vraag of [C] de verwekker is van de man en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid. Daarbij verdient aantekening dat indien het DNA-materiaal van [C] niet geschikt blijkt voor een onderzoek, het DNA-onderzoek uitsluitend zal kunnen uitwijzen of er al dan niet bloedverwantschap bestaat tussen de man en [D]. Hoewel de man én [D] zich tijdens de mondelinge behandeling op 16 augustus 2011 bereid hebben verklaard onvoorwaardelijk mee te werken aan een dergelijk door de rechtbank gelast

DNA-onderzoek, wil de rechtbank toch ook erop wijzen dat uit de wet volgt dat zij verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek door de deskundige en dat, als aan die verplichting niet wordt voldaan, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.

6.14. De rechtbank zal bepalen dat de man en [D] ieder een bedrag van € 577,50 dienen te storten op de rekening van de rechtbank als voorschot op de declaratie van de deskundige, welke declaratie voorlopig wordt begroot op € 1.155,--. De rechtbank brengt verder onder de aandacht van partijen dat de declaratie telkens verhoogd kan worden met een bedrag van € 375,-- voor iedere poging om DNA-materiaal van [C] te verkrijgen.

In haar eindbeschikking zal de rechtbank aan de hand van de dan bekende feiten en omstandigheden de totale kosten van de deskundige vaststellen en een beslissing nemen over de vraag ten laste van wie deze kosten uiteindelijk moeten worden gebracht.

6.15. Nadat het deskundigenrapport is uitgebracht zullen partijen door de rechtbank in de gelegenheid gesteld worden om hun mening over het rapport aan de rechtbank kenbaar te maken.

6.16. De rechtbank zal iedere verdere beslissing op het verzoek tot ontkenning vaderschap van [B] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [C] aanhouden, in afwachting van het resultaat van het deskundigenbericht.

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. gelast een onderzoek naar het DNA van de man, [D] en zo mogelijk [C], ter beantwoording van de vraag of [C] de verwekker van de man is en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, dan wel ter beantwoording van de vraag of er bloedverwantschap bestaat tussen de man en [D];

7.2. benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd te verrichten dr. Monika Hidding of haar plaatsvervang(st)er, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Einsteinweg 5, 2333 CC Leiden, (Postbus 1336, 2302 BH Leiden), telefoonnummer 071-528 46 96;

7.3. bepaalt dat de man en [D] binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak voor het onderzoek dienen te maken met een medewerker van Verilabs, onder verwijzing naar het zaaknummer van deze zaak;

7.4. bepaalt dat de man en [D] uiterlijk één maand na heden elk een bedrag van € 577,50 als voorschot op de kosten van de deskundige zullen deponeren door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.645 ten name van DA 542 MVJ Arrondissement Maastricht, onder vermelding van het zaaknummer;

7.5. bepaalt dat de deskundige de werkzaamheden niet behoeft aan te vangen zolang hij van de griffier niet het bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gestort;

7.6. bepaalt dat de deskundige binnen drie maanden nadat zij van de griffier bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gestort en de stukken zijn ontvangen een schriftelijk gemotiveerd bericht ter griffie van de rechtbank dient neer te leggen, met vermelding van de kosten van het deskundigenbericht;

7.7. bepaalt dat indien de deskundige bemerkt dat het voorschot onvoldoende zal zijn om de uiteindelijke kosten van de deskundige te bestrijken, hij dit tijdig aan de rechtbank dient door te geven, zodat over de kosten van de deskundige met partijen overleg gevoerd kan worden; bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de benoemde deskundige zal zenden;

7.8. stelt partijen, desgewenst, in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van het deskundigenbericht bij afzonderlijke akte nader hierover uit te laten;

7.9. houdt iedere verdere beslissing aan voorlopig pro forma voor de duur van vier maanden.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

MK

Tegen deze beschikking kan – voor zover een eindbeslissing inhoudende - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.