Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU4966

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
03/703250-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zijn reisdocument aan een ander ter beschikking heeft gesteld met het oogmerk dat paspoort door deze persoon dan wel een derde te doen gebruiken als ware het aan die derde verstrekt respectievelijk dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. De dagvaarding wordt nietig verklaard voor wat betreft het doen van een valse aangifte, nu geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit maar van vermissing van een reisdocument. De tenlastelegging van dit feit is innerlijk tegenstrijdig. Verdachte wordt vrijgesproken van de verdenking dat hij zijn reisdocument aan een ander ter beschikking heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703250-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J.J.M. Heuvelmans, advocaat te Simpelveld.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 oktober 2011 en 2 november 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zijn vluchtelingenpaspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6], met het oogmerk dat paspoort door [naam medeverdachte 6] dan wel een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt;

Feit 2: valse aangifte heeft gedaan.

3 De voorvragen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan verdachte onder feit 1 tenlastegelegde dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is om van dit feit kennis te nemen, het openbaar ministerie vervolgingsrecht toekomt en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging van verdachte.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde het volgende.

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd. In de verfeitelijking van het ten laste gelegde is opgenomen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaard dient te worden, nu er geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit.

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging inhoudelijk tegenstrijdig is. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd, hierin bestaande dat verdachte aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort. Het verliezen van een paspoort is evenwel geen strafbaar feit. Om die reden zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaren.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn paspoort aan [naam medeverdachte 6] gaf voor het verkrijgen van een visum. Hij wist echter dat een visum alleen via de ambassade verkregen kon worden. Verdachtes verklaring komt overeen met de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 2], die om precies dezelfde reden zijn paspoort zou hebben uitgeleend aan [naam medeverdachte 6]. De verklaring van verdachte is dan ook ongeloofwaardig voor wat betreft de reden van het uitlenen van zijn paspoort. Verdachte kent het netwerk rondom [naam medeverdachte 6] en moet dus geweten hebben dat zijn paspoort voor de smokkel van mensen gebruikt zou worden. De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op te leggen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zijn paspoort slechts uitleende voor het verkrijgen van een visum. Hij heeft nooit het oogmerk gehad om zijn paspoort ter beschikking te stellen van een derde ([naam medeverdachte 6] of een andere persoon) en het reisdocument door deze te doen gebruiken als ware het aan deze derde verstrekt. Daarnaast was er geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd - kort weergegeven - dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010, al dan niet samen met (een) ander(en) zijn vluchtelingenpaspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6] met het oogmerk dit paspoort door die [naam medeverdachte 6] en/of een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt.

Verdachte heeft op 26 oktober 2010 bij de politie verklaard dat hij zijn vluchtelingenpaspoort aan [naam medeverdachte 6] heeft gegeven voor het regelen van een visum. Toen aan verdachte een foto werd getoond van [naam medeverdachte 6], heeft verdachte verklaard dat dit [naam medeverdachte 6] is aan wie hij zijn paspoort heeft gegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij een visum wilde aanvragen voor het bezoeken van zijn moeder in Turkije. De termijn voor de aanvraag van een visum bedroeg drie tot vier maanden. [naam medeverdachte 6] had gezegd dat hij binnen één tot drie weken een visum voor verdachte kon regelen voor € 150,-. [naam medeverdachte 6] kwam na minder dan een week terug met het paspoort en zei dat het niet was gelukt.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie opgemerkt dat verdachte bij de politie heeft gezegd dat hij weet dat een visum alleen via de ambassade verkrijgbaar is. De rechtbank leest dit echter niet terug in de verklaring van verdachte. Wel is in het verhoor van verdachte als opmerking van de verhorende verbalisanten opgenomen dat een visum alleen maar verkrijgbaar is op het consulaat. Deze opmerking wordt niet gevolgd door een bevestigende of ontkennende verklaring van verdachte op dit punt.

Verdachte heeft op 22 februari 2010 aangifte gedaan bij de politie van verlies van zijn paspoort. Volgens verdachte was hij het paspoort verloren in de trein.

Bij de verklaring van verdachte dat hij zijn paspoort is verloren in de trein kunnen vraagtekens worden geplaatst. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] werd er door verdachte van op de hoogte gesteld dat verdachte aangifte had gedaan van het verlies van zijn paspoort. In het dossier is te lezen dat ook [naam medeverdachte 2] bij de politie aangifte heeft gedaan van verlies van zijn paspoort in de trein. Later is [naam medeverdachte 2] hierop teruggekomen. Evenals verdachte heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat hij zijn paspoort aan [naam medeverdachte 6] had gegeven omdat een visum voor Turkije via [naam medeverdachte 6] snel geregeld kon worden. Later heeft [naam medeverdachte 2] nog verklaard dat hij zijn paspoort aan [naam medeverdachte 6] had gegeven omdat [naam medeverdachte 6]een vriend hierheen wilde brengen.

De tenlastelegging onder feit 1 is toegespitst op artikel 231 Wetboek van Strafrecht. Voor strafbaarheid is vereist dat de verdachte het reisdocument van hemzelf of van een ander ter beschikking heeft gesteld van een derde met het oogmerk dit reisdocument door deze derde te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt. Wat er ook zij van de verklaring van verdachte met betrekking tot de vermissing van zijn paspoort, uit het dossier blijkt niet dat het oogmerk van verdachte gericht was op het doen gebruiken door [naam medeverdachte 6] en/of een onbekend gebleven persoon van een door verdachte aan [naam medeverdachte 6] ter beschikking gesteld reisdocument als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt. Uit het dossier kan slechts volgen dat verdachte zijn reisdocument aan [naam medeverdachte 6] heeft gegeven voor het aanvragen van een visum voor Turkije. Derhalve dient verdachte van het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Nietige dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 nietig;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aan hem of een ander verstrekt reisdocument, te weten een vluchtelingenpaspoort (nr [nummer]), ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6], met het oogmerk dat reisdocument door die [naam medeverdachte 6] en/of een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt;

2.

hij op of omstreeks 22 februari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van verbalisant [S.] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van vermissing van zijn paspoort.