Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU4961

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
03/703251-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zijn paspoort aan een ander ter beschikking heeft gesteld met het oogmerk dat paspoort door deze persoon dan wel een derde te doen gebruiken als ware het aan die derde verstrekt respectievelijk dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. De dagvaarding wordt nietig verklaard voor wat betreft het doen van een valse aangifte, nu geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit maar van vermissing van een reisdocument. De tenlastelegging van dit feit is innerlijk tegenstrijdig. Bewezen wordt verklaard dat verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld van een ander met het oogmerk dat reisdocument door een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt. Het bewezenverklaarde levert niet op het strafbare feit als omschreven in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/40

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703251-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J.J.M. Heuvelmans, advocaat te Simpelveld.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 oktober 2011 en 2 november 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zijn vluchtelingenpaspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6], met het oogmerk dat paspoort door [naam medeverdachte 6] dan wel een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt;

Feit 2: valse aangifte heeft gedaan.

3 De voorvragen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan verdachte onder feit 1 tenlastegelegde dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is om van dit feit kennis te nemen, het openbaar ministerie vervolgingsrecht toekomt en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging van verdachte.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde het volgende.

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd. In de verfeitelijking van het ten laste gelegde is opgenomen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaard dient te worden, nu er geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit.

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging inhoudelijk tegenstrijdig is. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd, hierin bestaande dat verdachte aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort. Het verliezen van een paspoort is evenwel geen strafbaar feit. Om die reden zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaren.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte - nadat hij in eerste instantie een leugenachtige verklaring heeft afgelegd - heeft verklaard dat hij zijn paspoort aan [naam medeverdachte 6] gaf. [naam medeverdachte 6] wilde een vriend - die op verdachte leek - naar Nederland brengen. De verklaring van verdachte komt overeen met de modus operandi die [naam medeverdachte 6] hanteert bij mensensmokkel. Verdachte kende bovendien de contacten die [naam medeverdachte 6] onderhield in het kader van mensensmokkel. De officier van justitie stelt zich ten slotte op het standpunt dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte slachtoffer is geworden van de werkwijze van [naam medeverdachte 6]. Zij heeft een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden gevorderd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte nooit het oogmerk heeft gehad om zijn paspoort ter beschikking te stellen aan een derde ([naam medeverdachte 6] of een andere persoon) en het reisdocument door deze te doen gebruiken als ware het aan deze derde verstrekt. Verdachte kan noch als medepleger noch als uitlokker van het onderhavige feit worden gezien.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - al dan niet samen met een ander zijn vluchtelingenpaspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6] met het oogmerk dat reisdocument door die [naam medeverdachte 6] en/of een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt.

Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij zijn paspoort heeft gegeven aan een jongen met de naam [naam medeverdachte 6] voor het regelen van een visum. Bij het tonen van een foto van [naam medeverdachte 6] heeft verdachte verklaard dat dit de [naam medeverdachte 6] is waar hij over verklaard heeft.

Later heeft verdachte verklaard dat [naam medeverdachte 6] naar hem toe kwam en zei dat hij verdachtes schrift wilde hebben. Met schrift bedoelde [naam medeverdachte 6] verdachtes vluchtelingenpaspoort. [naam medeverdachte 6] zei dat hij het paspoort nodig had en dat hij ook twee pasjes van verdachte nodig had. Verdachte zei dat hij het niet wilde geven. [naam medeverdachte 6] zei dat hij een vriend had die hij hierheen wilde brengen en dat verdachte op die vriend leek. [naam medeverdachte 6] begon er een beetje op aan te dringen omdat verdachte zei dat hij het niet wilde geven. Uiteindelijk is verdachte gezwicht en heeft zijn paspoort aan [naam medeverdachte 6] meegegeven. Dat was op de parkeerplaats bij [naam supermarkt] in Geleen.

Nadat verdachte aan [naam medeverdachte 6] had gevraagd hoe het zat, zei [naam medeverdachte 6] na drie weken dat hij verdachtes paspoort was kwijtgeraakt. [naam medeverdachte 6] zei dat verdachte maar naar de politie moest gaan en dat verdachte moest zeggen dat hij zijn paspoort was kwijt geraakt.

Blijkens een registratie in Blue View heeft verdachte op 28 februari 2010 bij de politie aangifte gedaan van vermissing van zijn vreemdelingenpaspoort. Uit de kopieƫn van aanvragen van een reisdocument blijkt dat het document, dat door verdachte als vermist werd opgegeven, aan verdachte was verstrekt op 19 januari 2010 en dat dit document het nummer [NUMMER] had.

Blijkens de gegevens van reisbureau [naam reisbureau]heeft een boeking plaats gevonden voor een enkele reis Iran - Italiƫ - Brussel op 14 februari 2010 op naam van [naam verdachte].

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte in of omstreeks februari 2010 - derhalve binnen de ten laste gelegde periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010 - zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6] met het oogmerk dat reisdocument door een onbekend gebleven persoon (een vriend van [naam medeverdachte 6]) te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, een aan hem verstrekt reisdocument, te weten een vluchtelingenpaspoort (nr [nummer]), ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6], met het oogmerk dat reisdocument door een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010 zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6] met het oogmerk dat reisdocument door een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet oplevert het strafbare feit van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Uit de delictsomschrijving van artikel 231 WvSr volgt dat voor strafbaarheid is vereist dat het reisdocument ter beschikking is gesteld van een derde met het oogmerk het document door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt.

Hetgeen onder feit 1 bewezen is verklaard is niet strafbaar gesteld in artikel 231 WvSr zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De beslissing

De rechtbank:

Nietige dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 nietig;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde onder feit 1 geen strafbaar feit oplevert;

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aan hem of een ander verstrekt reisdocument, te weten een vluchtelingenpaspoort (nr [nummer]), ter beschikking heeft gesteld van [naam medeverdachte 6], met het oogmerk dat reisdocument door die [naam medeverdachte 6] en/of een onbekend gebleven persoon te doen gebruiken als ware het aan die onbekend gebleven persoon verstrekt;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van verbalisant [W.] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van vermissing van zijn paspoort.