Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU4960

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
03/703248-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, wegens het medeplegen van gewoontemensensmokkel, een poging tot mensensmokkel begaan in vereniging, het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen van geld en het in bezit hebben van een vals reisdocument. De dagvaarding wordt nietig verklaard voor wat betreft het doen van een valse aangifte, nu geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit maar van vermissing van een reisdocument. De tenlastelegging van dit feit is innerlijk tegenstrijdig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703248-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. S. Weening bijgestaan door mr. E.E.W.J. Maessen, advocaten te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 31 oktober 2011, 1 november 2011 en 2 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een gewoonte heeft gemaakt van mensensmokkel, dan wel medeplichtig is geweest aan mensensmokkel;

Feit 2: een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geld, dan wel opzettelijk geld heeft witgewassen, dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen;

Feit 3: heeft geprobeerd een persoon te smokkelen;

Feit 4: valse aangifte heeft gedaan;

Feit 5: een vals of vervalst reisdocument in bezit heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding:

Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd. In de verfeitelijking van het ten laste gelegde feit is opgenomen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort.

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig verklaard dient te worden, nu geen aangifte is gedaan van een strafbaar feit.

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging inhoudelijk tegenstrijdig is. Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat feit niet was gepleegd, hierin bestaande dat verdachte aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn paspoort. Het verliezen van een paspoort is evenwel geen strafbaar feit. Om die reden zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig verklaren.

Bevoegdheid rechtbank tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en recht tot strafvervolging van het openbaar ministerie:

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1, zaakdossier 5.6.1, en feit 3 op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is hiervan kennis te nemen, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, handelingen zou hebben verricht vanuit Nederland. Hierdoor is niet artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, maar artikel 5a van het Wetboek van Strafrecht. Nu artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht niet in laatstgenoemde bepaling is opgenomen, heeft de rechtbank geen rechtsmacht om kennis te nemen van eerdergenoemde strafbare feiten.

De officier van justitie heeft zich naar aanleiding van dit verweer op het standpunt gesteld dat verdachte wel degelijk handelingen vanuit Nederland heeft verricht en dat artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht derhalve onverkort van toepassing is.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

De rechtbank merkt allereerst op dat de vraag of de Nederlandse strafwet van toepassing is getoetst dient te worden aan hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. In het onderhavige feit is dat mensensmokkel vanuit Nederland, dan wel vanuit een aantal andere Europese landen, dan wel vanuit Turkije, Syrië, Iran of Irak. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Voor deze gevallen schept artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht voor de Nederlandse rechter. Op grond van dit artikel is de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt, het zogenaamde territorialiteitsbeginsel. Hierbij is dus niet relevant of de verdachte al dan niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 30 september 19997, LJN-nummer ZD0811; HR 2 februari 2010, LJN-nummer BK6328) is vervolging van een strafbaar feit op grond van bovengenoemd artikel ook mogelijk ten aanzien van de - van dat strafbare feit deel uitmakende - gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Nederlandse strafwet om deze reden van toepassing is en dat zij derhalve bevoegd is om kennis te nemen van de strafbare feiten zoals deze ten laste zijn gelegd, en dat het openbaar ministerie ter zake van deze feiten ook vervolgingsrecht toekomt, ook voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op strafbare handelingen welke zich (mogelijk) deels in het buitenland hebben afgespeeld.

De rechtbank is overigens van oordeel dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, het openbaar ministerie vervolgingsrecht toekomt en er geen reden is voor schorsing van de vervolging van verdachte.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 5 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van mensensmokkel. Hierbij werd gebruik gemaakt van paspoorten welke hij van derden had ontvangen. Ook heeft verdachte zijn eigen paspoort ter beschikking gesteld. Verdachte en de personen die hun paspoorten ter beschikking stelden deden vervolgens aangifte van vermissing van hun paspoort. Er werden reizen geboekt op naam van de paspoorthouders. De betrokkenheid van verdachte bij de mensensmokkel blijkt volgens de officier van justitie uit de vele telefonische contacten die verdachte had met de personen die hun paspoort ter beschikking stelden of met de personen die betrokken waren bij de mensensmokkel, de documenten - betrekking hebbend op de smokkel van in de tenlastelegging genoemde personen - die bij verdachte werden aangetroffen en de reisgegevens, waaruit blijkt dat in een aantal gevallen de reizen door verdachte werden geboekt en betaald. Daarnaast hebben [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] belastend verklaard jegens verdachte. Ook uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat verdachte betrokken was bij de smokkel van meerdere personen. Dat sprake was van een gewoonte maken van mensensmokkel blijkt volgens de officier van justitie uit het grote aantal valse documenten waarmee verdachte in verband kan worden gebracht en de lange periode waarin verdachte actief is geweest met zijn activiteiten op het gebied van mensensmokkel.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich in het kader van mensensmokkel heeft bezig gehouden met witwassen. Hierbij gaat het om geldbedragen welke werden betaald voor het organiseren van de smokkel. Dat verdachte geld verdiende met de mensensmokkel blijkt uit tapgesprekken, getuigenverklaringen en bankafschriften. Volgens de officier van justitie heeft verdachte een gewoonte gemaakt van witwassen, nu de witwaspraktijken omvangrijk en langdurig waren.

Onder feit 3 kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft geprobeerd [persoon 1] te smokkelen. Dit blijkt volgens de officier van justitie uit tapgesprekken, waarin onder andere aan verdachte werd gemeld dat [persoon 1] werd aangehouden door de Syrische autoriteiten. Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt dat verdachte de poging tot smokkel van [persoon 1] organiseerde.

Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat tijdens een huiszoeking in de woning van verdachte een identiteitskaart werd aangetroffen van diens zoon [naam zoon verdachte]. Deze bleek vals te zijn. Gelet op de staat van de valse identiteitskaart kan het niet anders dan dat verdachte deze kaart als echt en onvervalst wilde gebruiken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1, zaakdossiers 5.3, 5.6.1 en 5.6.3 - onder verwijzing naar jurisprudentie - aangevoerd dat er geen sprake is van wederrechtelijke toegang dan wel doorreis van de gesmokkelden [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 2], aangezien zij een (geslaagd) beroep kunnen doen op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag nu zij rechtstreeks van een grondgebied kwamen waar hun leven of vrijheid werd bedreigd. Hierdoor kan niet bewezen worden dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was. Verdachte dient van deze feiten in de visie van de verdediging dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1, zaakdossiers 5.1, 5.2 en 5.8.2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een reis heeft plaatsgevonden door een onbekend gebleven persoon. Zulks geldt voor wat betreft zaakdossier 5.2 te meer nu het document van [naam medeverdachte 2] in Teheran werd aangetroffen. Bovendien valt niet uit te sluiten dat de gesmokkelde onbekende personen een (geslaagd) beroep kunnen doen op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.

Ook voor wat betreft feit 1, zaakdossier 5.6.2 kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een reis is gemaakt. Mocht er al een reis zijn gemaakt, dan is niet duidelijk of [persoon 5] deze reis heeft gemaakt. Dit is volgens de verdediging onwaarschijnlijk gelet op het verstrekken van een verblijfsvergunning aan [persoon 5] in België op 15 maart 2010. Dit zou namelijk betekenen dat [persoon 5] drie maanden na zijn aankomst in België al een verblijfsvergunning zou hebben gekregen.

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1, zaakdossier 5.5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Mocht de rechtbank verdachte vrijspreken van de zaakdossiers 5.1, 5.2, 5.3, 5.6 en 5.8.2, dan wordt verzocht verdachte tevens vrij te spreken van de ten laste gelegde gewoontemensensmokkel.

Ook voor wat betreft feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Mocht de rechtbank bij feit 1 tot een vrijspraak komen van de zaakdossiers 5.1, 5.2, 5.3, 5.6 en 5.8.2, dan wordt verzocht om verdachte tevens vrij te spreken van het onder 2 primair ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat evident sprake is van een simpele, thuisgemaakte kopie van de originele identiteitskaart, zodat niet gesproken kan worden van vervalsing van een reisdocument. Verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Algemene overwegingen

Alvorens over te gaan tot bespreking van de afzonderlijk ten laste gelegde feiten, merkt de rechtbank het volgende op.

De verdediging heeft tijdens haar pleidooi verzocht tot het doen horen van de CIE-informant(en), met als doel bewijsuitsluiting ingevolge artikel 344a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bewerkstelligen.

Nu de rechtbank de CIE-informatie evenwel niet als bewijs in de strafzaak tegen verdachte zal gebruiken, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het door de verdediging gedane verzoek.

De rechtbank heeft kennis genomen van de verklaringen van [naam medeverdachte 5]. [naam medeverdachte 5] heeft belastend verklaard over verdachte. [naam medeverdachte 5] werd driemaal gehoord in het kader van het onderzoek jegens verdachte, te weten ten overstaan van de politie op 8 oktober 2010 en 6 december 2010 en ten overstaan van de rechter-commissaris op 25 juli 2011. De rechtbank constateert dat [naam medeverdachte 5] tijdens deze verhoren wisselende, deels zelfs tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank acht de verklaringen van [naam medeverdachte 5] niet betrouwbaar en zal deze dan ook niet gebruiken voor het bewijs.

Inleiding

In april 2010 werd via de Criminele Inlichtingen Eenheid informatie ontvangen, waarin werd gesteld dat [naam verdachte ], een Irakese man die in Sittard woont, op grote schaal paspoorten, reis- en verblijfsdocumenten van voornamelijk Irakese mensen koopt. Hierbij worden Irakese mensen benaderd om hun paspoort, reis- of verblijfsdocument te verkopen aan [naam verdachte ]en moeten zij aangifte doen van verlies of diefstal bij de politie. Vervolgens moeten deze mensen bij de gemeente een nieuw paspoort, reis- of verblijfsdocument aanvragen. De mensen krijgen een pasfoto mee die zij moeten inleveren bij de aanvraag van het nieuwe document. Op de pasfoto’s staan Irakese mensen afgebeeld die enige gelijkenis vertonen met degene die de aanvraag voor een nieuw reisdocument gaat doen. Het nieuwe reisdocument wordt vervolgens aan [naam verdachte ]gegeven. Hij stuurt deze documenten naar Irak van waaruit en met gebruikmaking waarvan Irakese mensen naar België komen.

Verder worden in de informatie de namen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] genoemd. Deze personen zouden hun paspoort aan [naam verdachte ]hebben verkocht.

Uit onderzoek is gebleken dat met de in de informatie genoemde personen worden bedoeld [naam verdachte], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]. Ook is komen vast te staan dat deze personen aangifte deden van verlies van hun vluchtelingenpaspoort.

Tevens is uit onderzoek gebleken dat in de periode van 1 januari 2008 tot juni 2010 een groot aantal Irakese mensen bij de Politie Limburg-Zuid aangifte deden van verlies dan wel diefstal van hun vreemdelingenpaspoort.

In mei 2010 werd via de Criminele Inlichtingen Eenheid wederom informatie ontvangen over [naam verdachte ]met verwijzing naar diens gegevens en bij hem in gebruik zijnde telefoonnummers.

Op grond van dit alles werd [naam verdachte] als verdachte van mensensmokkel aangemerkt, waarna een grootschalig onderzoek werd gestart. Verdachte werd op

28 september 2010 aangehouden.

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt

Ten aanzien van feit 1:

Aan verdachte zijn in totaal 12 concrete verdenkingen van mensensmokkel ten laste gelegd. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht dan wel zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten ontkend. Ten aanzien van de in de tenlastelegging afzonderlijk met naam genoemde gesmokkelde personen, overweegt de rechtbank zoals hierna is vermeld.

Gedachtestreepje 1, zaakdossier 5.1

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 1], naar Nederland dan wel een lidstaat van de Europese Unie heeft gesmokkeld.

Uit onderzoek is gebleken dat [naam medeverdachte 1] op 22 februari 2010 aangifte deed van vermissing van zijn reisdocument. Ook bleek dat bij reisbureau [naam reisbureau] te Maastricht op 6 februari 2010 een enkele reis was geboekt op naam van [naam medeverdachte 1] vanuit Iran via Istanbul met eindbestemming Brussel. Niet is bekend wie deze reis heeft geboekt.

[naam medeverdachte 1] werd op grond van bovenstaande constateringen door de politie ondervraagd. Hij heeft verklaard Nederland niet te hebben verlaten. Hij heeft verder verklaard dat hij zijn paspoort vóór 22 februari 2010 aan verdachte heeft uitgeleend ter verkrijging van een visum in zijn paspoort om naar Turkije te kunnen reizen. Kort daarna heeft [naam medeverdachte 1] zijn paspoort retour ontvangen van [naam verdachte ]met de mededeling dat het niet gelukt was een visum te verkrijgen.

De verdenking ten aanzien van zaakdossier 5.1 is - zo begrijpt de rechtbank - gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte, terwijl hij in het bezit was van het paspoort van [naam medeverdachte 1], gebruik zou hebben gemaakt van diens paspoort door een onbekend gebleven persoon met dat paspoort naar België te smokkelen. De rechtbank is van oordeel dat zulks op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden. Immers niet kan worden vastgesteld dat verdachte het paspoort van [naam medeverdachte 1] aan een onbekend gebleven persoon heeft gegeven, zodat verdachte reeds om deze reden van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 2, zaakdossier 5.2

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 2], naar Nederland dan wel een lidstaat van de Europese Unie heeft gesmokkeld.

Uit onderzoek is gebleken dat [naam medeverdachte 2] op 28 februari 2010 aangifte deed van vermissing van zijn reisdocument. Ook is gebleken dat bij reisbureau [naam reisbureau] te Maastricht op 14 februari 2010 een enkele reis was geboekt op naam van [naam medeverdachte 2] vanuit Iran via Italië met eindbestemming Brussel. Niet is bekend wie deze reis heeft geboekt. [naam medeverdachte 2] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij zijn paspoort aan verdachte heeft gegeven, omdat verdachte een vriend van hem naar Nederland wilde brengen. Na drie weken heeft verdachte aan [naam medeverdachte 2] verteld dat diens paspoort kwijt was en dat [naam medeverdachte 2] aangifte moest doen.

Hoewel [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij zijn paspoort aan verdachte heeft uitgeleend en er boekingsgegevens voorhanden zijn van een reis op naam van [naam medeverdachte 2], kan niet worden vastgesteld dat daadwerkelijk een onbekend gebleven persoon naar Brussel (België) is gevlogen. Reeds om deze reden dient van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 3, zaakdossier 5.3

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [persoon 3] naar Nederland dan wel een lidstaat van de Europese Unie heeft gesmokkeld.

Op 3 juli 2010 werd op de luchthaven Zaventem te Brussel een controle gehouden op de aankomende vlucht uit Istanbul. Een man identificeerde zich met een Nederlands reisdocument (vluchtelingenpaspoort) als zijnde [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3]). Zijn document bleek in orde te zijn. Enige tijd later identificeerde een andere man zich met een Nederlands reisdocument (vluchtelingenpaspoort) op naam van [naam verdachte]. De uiterlijke kenmerken van de persoon afgebeeld op het reisdocument kwamen niet overeen met de uiterlijke kenmerken van de persoon die het reisdocument aanreikte. Er werd een link gelegd met de eerder gecontroleerde persoon genaamd [naam medeverdachte 3]. Deze persoon hield zich nog steeds op in het controlegebied. De verdenking ontstond dat [naam medeverdachte 3] mogelijk als begeleider fungeerde.

De persoon, zich uitgevende als [naam verdachte ], werd gefouilleerd. Hierbij werd een kopie van een identiteitspagina aangetroffen. De persoon verklaarde dat de naam op de kopie zijn echte identiteit was, te weten [persoon 3 ] (hierna: [persoon 3]). Zowel [persoon 3] als [naam medeverdachte 3] werd overgebracht voor verhoor.

[persoon 3] heeft ten overstaan van de Belgische politie verklaard dat hij het Nederlandse vluchtelingenpaspoort van [naam verdachte ]gebruikte voor de reis. De reis werd georganiseerd door ene [naam medeverdachte 5], welke [persoon 3] in Irak leerde kennen. [naam medeverdachte 3] was de begeleider van [persoon 3] tot in België.

De reis, te weten een enkele reis van Iran via Istanbul met eindbestemming Brussel op 3 juli 2010, werd geboekt bij reisbureau [naam reisbureau]. De vlucht stond op naam van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3]. De eigenaar van dit reisbureau, genaamd [naam eigenaar], werd gehoord en verklaarde dat de betreffende reis werd geboekt en contant werd betaald door verdachte op 2 juli 2010 bij het kantoor van het reisbureau te Maastricht.

Na onderzoek bleek dat er op 3 juli 2010 drie keer telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoonnummers [06-nummer] en [06-nummer], zijnde respectievelijk het telefoonnummer in gebruik bij verdachte en [naam medeverdachte 3].

Op grond van de bevindingen van de Belgische autoriteiten en de verklaring van [persoon 3] stelt de rechtbank vast dat [persoon 3] gebruik heeft gemaakt van een paspoort op naam van verdachte voor zijn reis vanuit Iran naar Brussel. Zijn reis zou zijn georganiseerd door ene [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 3] begeleidde [persoon 3] bij zijn reis. Gelet op de verklaring van [naam eigenaar] en de telefonische contacten tussen verdachte en [naam medeverdachte 3], stelt de rechtbank vast dat verdachte actief betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 3]. Niet alleen boekte en betaalde verdachte vanuit Nederland (Maastricht) de reis van [persoon 3], maar ook onderhield hij telefonisch contact met [naam medeverdachte 3], kennelijk om op de hoogte te blijven van de stand van zaken. Hij stelde bovendien zijn reisdocument ter beschikking voor de reis van [persoon 3] naar Brussel.

De verdediging heeft ten aanzien van de aan verdachte tenlastegelegde mensensmokkel van [persoon 3] het verweer gevoerd dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond en dat daarom het tenlastegelegde onderdeel dat verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang van [persoon 3] tot België wederrechtelijk was, niet kan worden bewezen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat [persoon 3] na zijn aankomst in België kennelijk een geslaagd beroep heeft gedaan op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Verdachte dient mee te profiteren van de straffeloosheid van [persoon 3], aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het volgende.

De rechtbank stelt vast dat [persoon 3] na zijn binnenkomst in België op 3 juli 2010 is verhoord door de gerechtelijke politie op de luchthaven Zaventem te Brussel en na dat verhoor de "burelen" van de gerechtelijke politie heeft verlaten. [persoon 3] heeft in België een aanvraag politiek asiel ingediend. Het is de rechtbank niet gebleken dat [persoon 3] in België is of wordt vervolgd ter zake illegale binnenkomst in het land. Evenmin is gebleken dat [persoon 3] na zijn binnenkomst in België een verblijfstatus heeft gekregen en/of dat hij zich heeft beroepen op de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Nu dit verweer niet uitdrukkelijk is onderbouwd met feitelijke gegevens, maar louter is gebaseerd op veronderstellingen, komt de rechtbank niet toe aan een nadere bespreking van dit verweer.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de smokkel van [persoon 3].

Gedachtestreepje 4, zaakdossier 5.5

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.5 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 6 ] en haar dan wel [naam medeverdachte 4]’s kinderen.

Uit onderzoek is gebleken dat bij reisbureau [naam reisbureau] een enkele reis vanuit Iran via Istanbul naar Brussel op 31 juli 2010 werd geboekt onder andere op naam van [alias persoon 6 ], [persoon 7 ], [persoon 8 ] en [persoon 9 ]. [naam eigenaar], de eigenaar van het reisbureau, heeft verklaard dat verdachte deze reis heeft geboekt en contant heeft betaald op het kantoor te Maastricht.

[naam medeverdachte 4] heeft verklaard dat verdachte zijn gezin, bestaande uit zijn vrouw genaamd [persoon 6 ] en zijn drie kinderen genaamd [persoon 7 ], [persoon 8 ] en [persoon 9 ], heeft gesmokkeld. Zij reisden op een officieel Irakees paspoort. De gegevens van zijn vrouw in het paspoort waren echter niet juist. Zijn vrouw reisde op naam van [alias persoon 6 ]. De kinderen stonden in dit paspoort bijgeschreven. De gegevens van de kinderen waren juist vermeld. [naam medeverdachte 4] wist dat de documenten vervalst waren. De documenten werden door de zus van verdachte, genaamd [naam zus verdachte], overhandigd in Irak. [naam medeverdachte 4] maakte afspraken over de prijs met verdachte, die op dat moment in Nederland was. Er werd uiteindelijk via [naam zus verdachte] een bedrag van 30.000 dollar aan verdachte betaald. Het gezin van [naam medeverdachte 4] kwam op 1 augustus 2010 in België aan.

[naam medeverdachte 4] heeft met betrekking tot het vervalsen van de reisdocumenten nog verklaard dat hij middels een e-mailbericht pasfoto’s van zijn vrouw en kinderen verstuurde. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte, werd een mobiele telefoon aangetroffen en in beslag genomen. Na onderzoek bleek deze telefoon drie afbeeldingen te bevatten van verblijfskaarten van vreemdelingen jonger dan 12 jaar. De afbeeldingen bleken afkomstig te zijn van een internetpagina c.q. e-mailaccount en op de telefoon gedownload te zijn.

Gelet op de gegevens van het reisbureau en de verklaring van [naam medeverdachte 4] en [naam eigenaar] stelt de rechtbank vast dat verdachte [persoon 6 ] en haar dan wel [naam medeverdachte 4]’s kinderen naar Brussel heeft gesmokkeld. De namen van de kinderen welke werden opgegeven bij de boeking van de reis, kwamen - op kleine afwijkingen na - overeen met de namen van de kinderen van [naam medeverdachte 4]. De rechtbank stelt daarnaast vast dat het gezin gebruik heeft gemaakt van een vervalst paspoort. Het paspoort waarvan tijdens de reis gebruik werd gemaakt was weliswaar via de officiële weg verkregen, maar dit paspoort stond niet op naam van [persoon 6 ]. De gegevens van de kinderen werden in dat paspoort bijgeschreven. De rechtbank begrijpt dat daartoe pasfoto’s via e-mail aan verdachte werden verzonden. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de afbeeldingen welke op een bij verdachte aangetroffen telefoon stonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte betrokken was bij het maken van het vervalste paspoort. Ook was verdachte betrokken bij het vervoeren van het gezin, aangezien verdachte de reis heeft georganiseerd. Nu verdachtes zus [naam zus verdachte] de vervalste documenten aan het gezin ter hand heeft gesteld en de betaling voor de reis heeft ontvangen en aldus hieruit haar betrokkenheid bij de smokkel blijkt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de smokkel van [persoon 6 ] en haar dan wel [naam medeverdachte 4]’s kinderen naar België.

Gedachtestreepje 5, zaakdossier 5.5

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.5 is eveneens aan verdachte de betrokkenheid van de smokkel van [naam medeverdachte 4] ten laste gelegd.

Blijkens de gegevens van het reisbureau [naam reisbureau] werd een enkele reis geboekt vanuit Damascus via Praag met eindbestemming Brussel op 14 september 2010 op naam van [naam medeverdachte 4]. [naam eigenaar] heeft verklaard dat verdachte de reis heeft geboekt en contant heeft betaald op het kantoor te Maastricht.

[naam medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij door verdachte naar Europa werd gesmokkeld. Verdachte heeft hem geholpen met het verkrijgen van documenten om naar België te komen. Het betrof vervalste documenten, waaronder een vervalste Belgische verblijfstitel. Deze documenten heeft [naam medeverdachte 4] begin september 2010 ontvangen uit handen van [naam zus verdachte], de zus van verdachte. [naam medeverdachte 4] vloog op 14 september 2010 van Bagdad naar Syrië en van Syrië naar Brussel. Hij kwam op 15 september 2010 in Brussel aan. [naam medeverdachte 4] betaalde voor deze reis via [naam zus verdachte] 7.500 dollar aan verdachte. [naam medeverdachte 4] had gedurende de hele reis contact met verdachte.

Gelet op de gegevens van het reisbureau en de verklaringen van [naam medeverdachte 4] en [naam eigenaar] stelt de rechtbank vast dat verdachte, [naam medeverdachte 4] naar België heeft gesmokkeld. Verdachte heeft immers de reis geregeld en heeft prijsafspraken met [naam medeverdachte 4] gemaakt. [naam medeverdachte 4] maakte bij zijn reis gebruik van een vervalst reisdocument, hetwelk hem door verdachte via [naam zus verdachte] ter hand werd gesteld. Ook werd hem een vervalst verblijfspapier ter hand gesteld. [naam medeverdachte 4] betaalde de reis aan [naam zus verdachte]. Gelet op de rol die [naam zus verdachte] heeft gespeeld, namelijk het afleveren van de vervalste documenten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met een ander [naam medeverdachte 4] naar België heeft gesmokkeld.

Gedachtestreepje 6, zaakdossier 5.6.1

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.6.1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 4 ].

In het dossier bevinden zich tapverslagen van afgeluisterde gesprekken, waaruit blijkt dat verdachte spreekt over het naar Nederland halen van zijn broer [persoon 4 ].

[persoon 4 ] heeft verklaard dat verdachte niet betrokken was bij zijn smokkel naar België. Hij heeft verklaard dat hij naar België kwam, gebruik makend van het paspoort van [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 5] heeft op zijn beurt ontkend zijn paspoort ter beschikking te hebben gesteld. Hij heeft verklaard dat verdachte hem vroeg tegen betaling zijn paspoort aan verdachte te geven. Verdachte zou op die manier - zo begrijpt de rechtbank - [persoon 4 ] naar Europa willen smokkelen. Aangezien [naam medeverdachte 5] weigerde zijn paspoort af te geven, zou verdachte het paspoort van [naam medeverdachte 3] gebruikt hebben om [persoon 4 ] te smokkelen.

Hoewel de rechtbank voorafgaand aan haar overwegingen ten aanzien van het bewijs reeds heeft overwogen dat zij de verklaring van [naam medeverdachte 5] niet voor het bewijs zal gebruiken, gaat zij met betrekking tot zaak 5.6.1 toch nader in op de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 5] werd met de verklaring van [persoon 4 ] geconfronteerd. Hij verklaarde ten overstaan van de politie op 8 oktober 2010 dat verdachte een kopie van zijn paspoort in zijn computer had staan. Verdachte zou deze kopie bemachtigd hebben door op [naam medeverdachte 5]s e-mailaccount in te loggen. Op 6 december 2010 heeft [naam medeverdachte 5] verklaard dat verdachte misschien het paspoort bij [naam medeverdachte 5] thuis uit zijn jasje heeft gehaald. Ten overstaan van de rechter-commissaris op 25 juli 2011 heeft [naam medeverdachte 5] verklaard dat verdachte niet om zijn paspoort vroeg, maar dat verdachte het paspoort heeft zien liggen bij de computer.

Gelet op de steeds wisselende verklaringen van [naam medeverdachte 5] over de wijze waarop verdachte in het bezit zou zijn gekomen van (een kopie van) [naam medeverdachte 5]s paspoort, acht de rechtbank de verklaringen van [naam medeverdachte 5] niet betrouwbaar.

Nu er, behalve enkele telefoongesprekken van verdachte met derden die slechts aanwijzingen bevatten dat verdachte zijn broer naar Nederland zou hebben gehaald, verder geen bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken was bij de smokkel van [persoon 4 ], dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 te worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 7, zaakdossier 5.6.2

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.6.2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 5].

Op 3 september 2010 werd een gesprek opgenomen, waarbij gebeld werd met het telefoonnummer [06-nummer] naar ene [S.]. Het telefoonnummer [06-nummer] is in gebruik bij verdachte. Verdachte verklaarde in het gesprek: “We zijn allemaal in Nederland, ik heb ze allemaal hier gebracht, ze zijn hier gekomen, [persoon 5] (…) allemaal.”

[persoon 5] (hierna: [persoon 5]) heeft op 23 oktober 2010 verklaard dat hij sinds tweeënhalf jaar in Europa verblijft. Hij heeft al twee keer oud en nieuw meegemaakt in Europa. Hij is gereisd vanuit Turkije naar België.

Gelet op het tapgesprek en de verklaring van [persoon 5] acht de rechtbank aannemelijk dat [persoon 5] naar België is gereisd. Met betrekking tot de wijze waarop [persoon 5] naar België is gekomen en de mogelijke betrokkenheid van verdachte hierbij, overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens bevindingen van de politie heeft verdachte op 1 december 2008 aangifte gedaan van vermissing van zijn reisdocument. Op 9 december 2008 werd door verdachte een nieuw reisdocument aangevraagd. Bij de aanvraag van dit reisdocument werd een pasfoto van [persoon 5] ingeleverd. [persoon 5 ] heeft zichzelf op de bij de aanvraag overgelegde foto herkend.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij zelf heeft gemeld dat de foto op het aanvraagformulier niet zijn foto was. Dit zag hij pas de volgende dag. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat op het paspoort niet zijn foto stond. Hij zou dit echter onmiddellijk gemeld hebben bij de heer [getuige 1 ] van de gemeente.

[getuige 1 ] werd als getuige gehoord. Hij verklaarde dat verdachte niet terug is gekomen op het gemeentehuis met de melding dat er een verkeerde pasfoto op het paspoort stond.

De rechtbank stelt vast dat verdachte een nieuw reisdocument heeft aangevraagd met een pasfoto van [persoon 5]. Hij heeft voorts een leugenachtige verklaring afgelegd over het melden van deze fout. Van het melden van deze fout blijkt namelijk niet uit de verklaring van [getuige 1 ].

De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte een reisdocument met de pasfoto van [persoon 5] in bezit heeft gehad. Gelet op de inhoud van het eerdergenoemde tapgesprek, stelt de rechtbank vast dat verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan [persoon 5], zodat deze - met het vervalste paspoort - vanuit Turkije naar België kon reizen.

Gelet op de verklaring van [persoon 5] stelt de rechtbank ten slotte vast dat [persoon 5] naar België is gekomen in de periode van 9 december 2008, zijnde de datum van de aanvraag van een nieuw reisdocument, tot en met 31 december 2008, gelet op het feit dat [persoon 5] op de dag van zijn verhoor verklaarde reeds tweemaal oud en nieuw te hebben meegemaakt.

Alles overwegende acht de rechtbank bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 5].

Gedachtestreepje 8, zaakdossier 5.6.3

Onder verwijzing naar zaakdossier 5.6.3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de smokkel van [persoon 2].

[persoon 2] heeft verklaard dat hij met behulp van een mensensmokkelaar genaamd [naam medeverdachte 3] naar België reisde.

Verdachte nam in eerste instantie contact op met [naam medeverdachte 3]. Hij vertelde tegen [naam medeverdachte 3] dat [persoon 2] een goede kandidaat was voor mensensmokkel. Later belde verdachte [persoon 2] op om hem te zeggen dat hij [naam medeverdachte 3] moest vertrouwen en dat [naam medeverdachte 3] een goede mensensmokkelaar was. [naam medeverdachte 3] regelde het paspoort en het vertrek van [persoon 2].

[persoon 2] reisde vanuit Turkije naar Brussel. [naam medeverdachte 3] hielp hem hierbij. [persoon 2] maakte gebruik van vervalste documenten. Voor zijn reis naar België maakte [persoon 2] gebruik van een paspoort op naam van [alias persoon 2 ]. [persoon 2] betaalde 2.300 dollar aan verdachte als bankgarantie voor [naam medeverdachte 3].

Uit de gegevens van reisbureau [naam reisbureau] bleek dat een enkele reis werd geboekt vanuit Iran naar Istanbul met eindbestemming Brussel op naam van [alias persoon 2 ] en [naam medeverdachte 3]. De reis vond plaats op 30 juni 2010. [naam eigenaar] verklaarde dat verdachte de reis heeft geboekt en contant heeft betaald op zijn kantoor te Maastricht.

Gelet op de verklaringen van [persoon 2] en van [naam eigenaar] stelt de rechtbank vast dat verdachte en [naam medeverdachte 3] betrokken waren bij de smokkel van [persoon 2], waarbij gebruik werd gemaakt van een vervalst paspoort. Verdachte deed - zo begrijpt de rechtbank - een goed woordje voor [persoon 2] bij [naam medeverdachte 3]. Ook prees verdachte [naam medeverdachte 3], als mensensmokkelaar, aan bij [persoon 2]. Verdachte nam ten slotte een bankgarantie in ontvangst. Verdachte was bovendien degene die de reis boekte en betaalde. Uit al het voorgaande blijkt dat verdachte samenwerkte met [naam medeverdachte 3].

Ook ten aanzien van de mensensmokkel van [persoon 2] heeft de verdediging het verweer gevoerd dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond en dat daarom het tenlastegelegde onderdeel dat verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang van [persoon 2] tot België wederrechtelijk was, niet kan worden bewezen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat [persoon 2] na zijn aankomst in België kennelijk een geslaagd beroep heeft gedaan op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Verdachte dient mee te profiteren van de straffeloosheid van [persoon 2], aldus de raadslieden.

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

[persoon 2] heeft in België een verblijfsvergunning gekregen en verblijft derhalve rechtmatig in België. Niet blijkt op welke grond [persoon 2] een verblijfstitel heeft verkregen en of de verstrekking daarvan verband houdt met de aan verdachte gerelateerde binnenkomst van [persoon 2] in België. Wel is duidelijk dat [persoon 2] door de Belgische autoriteiten aangemerkt is (geweest) als verdachte in de onderhavige zaak. Over een eventuele vervolging van [persoon 2] in België ter zake onrechtmatige binnenkomst in België is in het dossier niets te lezen.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier om aan te nemen dat [persoon 2] zich heeft beroepen op de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.

Evenals de rechtbank hiervoor reeds ten aanzien van [persoon 3] het gevoerde verweer heeft verworpen, verwerpt zij het verweer ook ten aanzien van [persoon 2].

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte samen met een ander betrokken was bij de mensensmokkel van [persoon 2].

Gedachtestreepje 9, zaakdossier 5.8.2

Onder verwijzing naar zaak 5.8.2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [getuige 2], naar Nederland dan wel een lidstaat van de Europese Unie heeft gesmokkeld.

Bij reisbureau [naam reisbureau] te Maastricht werd een enkele reis geboekt van Iran naar Istanbul met eindbestemming Brussel op 6 februari 2010 op naam van [getuige 2].

[getuige 2] heeft verklaard dat hij aangifte deed van vermissing van zijn reisdocument. Hij vermoedde dat verdachte zijn paspoort had gestolen. Hij heeft verder verklaard niet met het paspoort te hebben gereisd.

De verdenking bij zaakdossier 5.8.2 is - zo begrijpt de rechtbank - gebaseerd op de omstandigheid dat verdachte het paspoort van [getuige 2] in bezit heeft gehad en vervolgens aan een onbekende persoon heeft verstrekt, teneinde deze naar België te laten reizen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan zulks niet worden vastgesteld. Op grond van het voorgaande kan enkel worden vastgesteld dat een reis werd geboekt op naam van [getuige 2] en dat [getuige 2] deze reis zelf niet maakte. Niet kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk een onbekend gebleven persoon naar Brussel (België) is gevlogen. Reeds om deze reden dient verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Gedachtestreepje 10:

Onder gedachtestreepje 10 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de smokkel van een of meerdere niet met naam genoemde personen.

Op basis van het dossier zijn er aanwijzingen dat er paspoorten zijn gemaakt ten behoeve van de smokkel van onder andere personen genaamd [persoon 10 ] en [persoon 11 ]. Er zijn echter geen concrete bewijzen dat deze personen daadwerkelijk naar Nederland dan wel een andere Europese lidstaat zijn gereisd. Er is dan ook onvoldoende bewijs voorhanden om tot een veroordeling te komen. Verdachte dient van dit laatste onderdeel van feit 1 van de tenlastelegging dan ook te worden vrijgesproken.

Algehele conclusie:

Op grond van de afzonderlijke overwegingen ten aanzien van de verschillende gesmokkelde personen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander dan wel anderen vijf keer over is gegaan tot mensensmokkel, waarbij in totaal acht personen werden gesmokkeld in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010. Gelet op het aantal gesmokkelde personen en de wijze van smokkelen met de daarbij behorende voorbereidingen, acht de rechtbank bewezen dat sprake is van het medeplegen van gewoontemensensmokkel.

Gelet op de samenhang tussen de feiten 1 en 3, die beide betrekking hebben op (poging tot) mensensmokkel, zal de rechtbank nu overgaan tot bespreking van het aan verdachte onder feit 3 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 3

Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de poging om een persoon zich noemende [persoon 1] naar Europa te smokkelen.

Op 18 september 2010 (08:04 uur) werd door verdachte telefonisch contact opgenomen met [persoon 1]. Verdachte zei in dit gesprek dat [persoon 1] bij het aanvragen van een visum moest zeggen dat hij de Belgische verblijfsvergunning had. Verder gaf verdachte informatie aan [persoon 1] over de gang van zaken tijdens zijn reis naar Syrië. Vijf minuten later (08:09 uur) heeft verdachte met [persoon 4 ] gebeld en aan [persoon 4 ] medegedeeld dat hij al in de winkel stond en dat [persoon 4 ] naar de winkel toe moest komen om te praten. De winkel van verdachte is gelegen aan de [R.weg] te Sittard.

Op 18 september 2010 (12:33 uur) werd door [persoon 12 ] en een onbekend gebleven man telefonisch contact opgenomen met het telefoontoestel van verdachte. Het toestel bleek op dat moment in gebruik te zijn bij [persoon 2 ], zijnde [persoon 2 ]. Hierin werd onder andere het volgende gezegd:

[persoon 2 ]: “En wanneer hij uitstapt, haalt hij zijn paspoort uit en zijn naam is [persoon 5], dat mag hij niet vergeten.”

Onbekend gebleven man: “Ja, als hij uitstapt, heet hij [persoon 5]. Dat vergeet hij niet.”

[persoon 2 ] (hierna: [persoon 2]) heeft - geconfronteerd met de inhoud van dit gesprek - verklaard dat dit gesprek gaat over de smokkel van de man van zijn zus. Zijn zus is genaamd [persoon 12 ]. Zij heeft naar verdachte gebeld. Verdachte heeft de telefoon aan [persoon 2] gegeven. Hij heeft zijn zus het advies gegeven dat verdachte kon zorgen voor de smokkel van haar man, die in Irak verblijft. Verdachte heeft [persoon 2] verteld wat hij moest zeggen.

[persoon 2] heeft verder verklaard dat hij meekreeg dat zijn zus 8.500 dollar moest betalen aan verdachte voor de smokkel. De naam van de echtgenoot van zijn zus is [persoon 1]. [persoon 1] zou op de identiteitskaart van [persoon 5], de broer van verdachte, reizen.

Op 18 september 2010 (14:42 uur) vond er nog een gesprek plaats tussen [persoon 1] en [persoon 2 ], waarin laatstgenoemde zei: “Niet vergeten, zodra het vliegtuig vliegt wissel je van paspoort.”

Op basis van het afluisteren van telefoongesprekken van verdachte ([06-nummer]) stelt de politie dat verdachte regelmatig gesprekken voert met of over [persoon 1]. Uit de afgeluisterde gesprekken volgt dat [persoon 1] op 18 september 2010 om 17.00 uur vertrekt en dat [persoon 1] op 21 september 2010 een ticket gaat kopen voor België. De lokale autoriteiten van de luchthaven Brussel werden naar aanleiding van deze bevindingen geïnformeerd over een op handen zijnde smokkel.

Op 22 september 2010 vond een telefoongesprek plaats tussen verdachte en [persoon 1]. In dit gesprek zei verdachte: “Stel dat je met Irakese paspoort van [persoon 5] wordt uitgezet, dan moet je het in vliegtuig verscheuren. Bij uitstappen moet je zeggen dat je paspoort in beslag genomen is door Syrische autoriteiten en dat je terug moet.”

Op 23 september 2010 vond er een telefonisch gesprek plaats tussen verdachte en [H.], welke in Syrië verblijft. In dit gesprek gaf [H. ] aan verdachte door dat [persoon 1] een groot probleem heeft. (…) [H. ] zegt dat [persoon 1] een bekentenis heeft afgelegd dat hij nooit in België is geweest, vandaar dat ze zelfs zijn “id-kaart” vals verklaren. [persoon 1] zou ook de naam van [persoon 5] hebben doorgegeven aan de politie.

Op 25 september 2010 vond er een telefonisch gesprek plaats tussen verdachte en [persoon 13 ]. In dit telefoongesprek heeft verdachte gezegd dat het paspoort via [naam zus verdachte] geregeld was. Desgevraagd deelde hij nog mede dat hij een “id” hier heeft laten vervaardigen, met de foto van [persoon 1] en op naam van [persoon 5]. Als [persoon 1] niet zegt dat zijn “id” vals is, hij dan naar België gestuurd wordt en anders wordt hij naar Irak gestuurd.

De rechtbank stelt op grond van de telefoongesprekken en de verklaring van [persoon 2 ] vast dat de smokkel van een persoon genaamd [persoon 1] werd voorbereid. De rechtbank stelt tevens vast dat onder andere verdachte en [persoon 2 ] op de hoogte waren van de op handen zijnde smokkel. Het was namelijk [persoon 2 ] die zijn zus adviseerde om verdachte als mensensmokkelaar aan te nemen. Er waren bovendien meerdere gesprekken - al dan niet namens verdachte - over de gang van zaken tijdens de reis. Ook verdachte heeft aanwijzingen gegeven aangaande de gang van zaken tijdens de reis van [persoon 1]. Bovendien zou verdachte, volgens de verklaring van [persoon 2 ], geld in ontvangst hebben genomen voor de smokkel.

De rechtbank stelt voorts op basis van het telefoongesprek op 23 september 2010 vast dat [persoon 1] door de Syrische autoriteiten werd aangehouden en dat de smokkel daarmee in een poging is blijven steken. Gelet op de beschrijving die verdachte op 25 september 2010 geeft van het reisdocument dat gebruikt werd door [persoon 1], stelt de rechtbank ten slotte vast dat gebruik is gemaakt van een vals reisdocument. Dit reisdocument werd door [naam zus verdachte] ter hand gesteld. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [persoon 1] naar België te smokkelen.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte enige handeling vanuit Nederland heeft verricht, verwijst de rechtbank naar het telefoongesprek tussen verdachte en [persoon 4 ] op 18 september 2010 (08:09 uur). In dit gesprek zegt verdachte dat ze al in de winkel te staan. De winkel is gelegen in Sittard. Kort daarvoor voert verdachte een gesprek met [persoon 1], waarin hij informatie geeft over hoe de reis zal verlopen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte (een) voorbereidingshandeling(en) heeft verricht vanuit Nederland, zodat het verweer van de verdediging verworpen dient te worden.

Ten aanzien van feit 2:

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij geld heeft witgewassen.

Op 17 september 2010 werd een telefoongesprek tussen verdachte en ene [persoon 14 ] afgeluisterd. In dit gesprek verklaarde verdachte dat hij een gezin hierheen heeft gehaald voor zes schriften. Zes schriften komt overeen met een bedrag van 60.000 dollar.

In het kader van verdenking van mensensmokkel door verdachte, werden (onder andere) de getuigen [naam medeverdachte 4] en [persoon 2] gehoord. [naam medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij via [naam zus verdachte] in totaal 37.500 dollar betaalde aan verdachte, die in Nederland verbleef. Voor dit bedrag werd niet alleen hij, maar ook zijn gezin naar België gesmokkeld.

[persoon 2] heeft verklaard dat hij een bedrag van 2.300 dollar overmaakte aan verdachte, welk bedrag moest worden betaald als bankgarantie voor de op handen zijnde mensensmokkel van [persoon 2]. Ook ontving verdachte 8.500 dollar van [persoon 12 ], voor de smokkel van haar echtgenoot genaamd [persoon 1].

Gelet op het tapgesprek en de verklaringen van [naam medeverdachte 4] en [persoon 2] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander of anderen geld heeft witgewassen.

Het witwassen heeft plaatsgevonden in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in het kader van de mensensmokkel, waarvan de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt.

Gelet op de directe relatie tussen het geld enerzijds en de onder feit 1 bewezenverklaarde gewoontemensensmokkel, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van feit 5:

Aan verdachte is onder feit 5 ten laste gelegd dat hij een vals dan wel vervalst reisdocument van zijn zoon, genaamd [naam zoon verdachte], in bezit heeft gehad.

Op 28 september 2010 heeft een doorzoeking plaats gevonden van de woning van verdachte aan de [B.straat] te Sittard. Op de babykamer werd in een dressoir een Irakees paspoort aangetroffen op naam van [persoon 15 ]. In dit paspoort bevond zich een Irakese identiteitskaart op naam van [naam zoon verdachte]. Na onderzoek bleek het te gaan om een valse identiteitskaart. Het document bleek qua detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie- en beveiligingstechnieken niet overeen te komen met het origineel door de Irakese autoriteiten afgegeven documenten van dit model. Daarnaast bleek de ondergrondbedrukking van het document middels een printtechniek te zijn aangebracht, in tegenstelling tot het origineel waarbij de ondergrondbedrukking wordt aangebracht middels een druktechniek.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de inbeslaggenomen identiteitskaart van zijn zoon een kopie betrof van het originele document. De originele identiteitskaart bleef tijdelijk in Irak, aangezien er een paspoort op naam van zijn zoon was aangevraagd. Via e-mail werd een scan van het document naar verdachte verzonden. Verdachte heeft hiervan een afdruk gemaakt. Verdachte verklaarde ten slotte ter zitting dat als hij het origineel zou kwijtraken, hij dan de kopie kon gebruiken. Ten aanzien van de vraag waarom de kopie gelamineerd was, heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.

De rechtbank stelt op grond van de bevindingen van de politie vast dat de inbeslaggenomen identiteitskaart vals was. Gelet op het feit dat dit document bij verdachte in huis werd aangetroffen, kan worden gesteld dat verdachte het document in bezit had. Daar komt nog bij dat verdachte wist van de aanwezigheid van het document, gelet op zijn verklaring ter zitting.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is van een vals document, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de omstandigheid dat de identiteitskaart qua uiterlijk, laminering en formaat was gemaakt in overeenstemming met het originele document en gelet op de verklaring van verdachte, dat hij de kopie wilde gebruiken als de originele zou kwijtraken, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte de identiteitskaart wilde gebruiken als ware het de originele identiteitskaart.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte een valse identiteitskaart in bezit had.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in Nederland en/of in België en/of in Syrië en/of in Iran en/of in Irak, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk anderen of een ander behulpzaam zijn bij en/of van het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen aan anderen of een ander, bij het zich verschaffen van toegang tot een lidstaat van de Europese Unie, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) toen aldaar meermalen telkens opzettelijk valse of vervalste reisdocumenten en/of verblijfspapieren doen verschaffen/verschaft aan en/of opzettelijk met bestemming België vervoerd

- [persoon 3] en

- [persoon 6 ] en haar en/of [naam medeverdachte 4]’s drie kinderen en

- [naam medeverdachte 4] en

- [persoon 5] en

- [persoon 2],

terwijl verdachte en zijn mededader(s) telkens wisten dat voornoemde toegang wederrechtelijk was;

2.

in de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in Nederland of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte meermalen tezamen en in vereniging met een ander of anderen hoeveelheden geld verworven, terwijl verdachte en zijn mededader(s) telkens wisten dat voornoemde hoeveelheden geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

in de periode van 18 september 2010 tot en met 23 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of in Syrië en/of in Irak tezamen en in vereniging met anderen of een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een persoon zich noemende "[persoon 1]" opzettelijk behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot een lidstaat van de Europese Unie, met dat opzet die "[persoon 1]" daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door het opzettelijk doen verstrekken van een vals reisdocumenten aan en door het opzettelijk vervoeren met bestemming België van voornoemde "[persoon 1]" terwijl verdachte en zijn mededader(s) wisten dat voornoemde toegang wederrechtelijk was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

op 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Irakese identiteitskaart (ten name van [naam zoon verdachte]), waarvan hij wist dat het reisdocument vals was, bestaande de valsheid hieruit dat de ondergrondbedrukking van voornoemd document was aangebracht middels een printtechniek en voornoemd document qua detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie- en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met origineel door de autoriteiten van Irak afgegeven document van dit model.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

een gewoonte maken van mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

Ten aanzien van feit 3:

poging tot mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen

Ten aanzien van feit 5:

een vals reisdocument in bezit hebben

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht en onder verwijzing naar een vergelijkbare strafzaak, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de strafeis van de officier van justitie te hoog is. De strafzaak waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, kan niet als een vergelijkbare zaak worden gezien nu het hierbij om een veelvoud van gevallen van mensensmokkel ging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft de smokkel van zeven Irakese onderdanen vanuit Irak naar België gefaciliteerd. De smokkel van één Irakese onderdaan is in een poging blijven steken. Bij de mensensmokkel werd gebruik gemaakt van valse dan wel vervalste paspoorten. Ook had verdachte een valse identiteitskaart in bezit. Gelet op het belang van deze reisdocumenten in het maatschappelijk verkeer, moet van de echtheid ervan kunnen worden uitgegaan. Door de handelwijze van de verdachte en zijn mededader(s) is afbreuk gedaan aan de waarde die deze reisdocumenten in de dagelijkse praktijk vertegenwoordigen.

Verdachte is door zijn activiteiten op het gebied van mensensmokkel lichtvaardig omgegaan met de belangen van lidstaten van de Europese Unie. De rechtbank rekent verdachte dat ernstig aan. Landen van de Europese Unie kunnen niet onbeperkt vreemdelingen opnemen. Onder druk van de toestroom van velen, onder wie personen die niet voor een vluchtelingenstatus in aanmerking komen, hebben Europese landen hun gastvrijheid moeten inperken door middel van een restrictief toelatingsbeleid. Dientengevolge wordt het voor échte vluchtelingen steeds moeilijker om asiel te krijgen. Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf en illegale toegang tot Nederland doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het sociale overheidsbeleid wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd. Mensensmokkel is daarom een ernstig feit, waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Hier komt nog bij dat verdachte geld afkomstig van misdrijven heeft witgewassen. De handelingen van verdachte in het kader van mensensmokkel hebben geleid tot behoorlijke verdiensten voor verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank ziet redenen om over te gaan tot oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de bewezenverklaarde feiten en de werkwijze die hierbij naar voren is gekomen, heeft verdachte meerdere contacten die zich bezighouden met de smokkel van Irakese onderdanen. Verdachte heeft een gewoonte gemaakt van mensensmokkel en witwassen. Mensensmokkel blijkt voor verdachte winstgevend te zijn gelet op de bedragen die betaald werden om de smokkel naar Europa mogelijk te maken. De rechtbank ziet in deze twee aspecten een groot recidiverisico. De voorwaardelijke straf dient van forse omvang te zijn, opdat verdachte niet opnieuw de fout ingaat.

De officier van justitie heeft bij haar strafeis verwezen naar een volgens haar vergelijkbare strafzaak, waarbij vijf jaren gevangenisstraf werden opgelegd. De strafoplegging in deze strafzaak werd - zo begrijpt de rechtbank - in grote mate gebaseerd op de bewezenverklaring van 26 gesmokkelde personen. Deze strafzaak staat dan ook niet in vergelijking met de bewezenverklaring van negen gesmokkelde personen (waarvan één poging) in de onderhavige zaak. Dat leidt ertoe dat de rechtbank bij de strafoplegging in belangrijke mate zal afwijken van de strafeis van de officier van justitie.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 17 tot en met 21 en 54 kunnen worden teruggegeven aan de Irakese ambassade. Het in beslaggenomen geboortebewijs onder nummer 55 dient bewaard te worden ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 197a, 231 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Nietige dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 4 nietig;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

nr. 17: Paspoort (A-017-00) Irakese paspoort op naam van [persoon 16 ];

nr. 18: Paspoort (A-018-00) Irakese paspoort op naam van [persoon 17];

nr. 19: Paspoort (A-019-00) Irakese paspoort op naam van [persoon 18];

nr. 20: Paspoort (A-020-00) Irakese paspoort op naam van [persoon 19];

nr. 21: Paspoort (A-021-00) Irakese paspoort op naam van [persoon 15 ];

nr. 54: Paspoort (G-001) Irakese paspoort;

aan de Irakese ambassade;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 55: Geboortebewijs (G-002) akte ten name van [persoon 20].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. F.A.G.M. Vluggen en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of Brussel, in België en/of Praag, in Tsjechië en/of elders in de Europese Unie en/of Istanbul, in Turkije en/of Damascus in Syrië en/of in Iran en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk anderen of een ander behulpzaam zijn bij en/of van het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen aan anderen of een ander, bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) toen aldaar (meermalen) (telkens) opzettelijk onderdak/(een) verblijfplaats(en) in Nederland verschaft aan en/of opzettelijk valse of vervalste reisdocumenten en/of verblijfspapieren doen verschaffen/verschaft aan en/of opzettelijk met bestemming Nederland en/of België vervoerd

- in (eerste) voornoemde periode, althans in de periode van 17 maart 2010 tot en met 6 februari 2010 althans op of omstreeks 6 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 1] (zaak 5.1) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, altthans in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 14 februari 2010, althans op of omstreeks 14 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 2] (zaak 5.2) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans in de periode van 25 mei 2010 tot en met 3 juli 2010, althans op of omstreeks 3 juli 2010 [persoon 3] (zaak 5.3) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans op of omstreeks 31 juli 2010 [persoon 6 ] en/of haar en/of [naam medeverdachte 4]’s drie kinderen (zaak 5.5) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans in de periode van 23 augustus 2010 tot en met 14 september 2010, althans op of omstreeks 14 september 2010 [naam medeverdachte 4] (zaak 5.5) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans op of omstreeks 9 januari 2010 [persoon 4 ] (zaak 5.6.1) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans op of omstreeks 30 januari 2010 [persoon 5] (zaak 5.6.2) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans in de periode van 10 juni 2010 tot en met 30 juni 2010, althans op of omstreeks 30 juni 2010 [persoon 2] (zaak 5.6.3) en/of

- in (eerste) voornoemde periode, althans in de periode van 10 januari 2010 tot en met 6 februari 2010, althans op of omstreeks 6 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [getuige 2] (zaak 5.8.2) en/of

- een of meer andere perso(o)n(en),

terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat voornoemde toegang en/of voornoemde doorreis wederrechtelijk was/waren;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of Brussel, in België en/of Praag, in Tsjechië en/of elders in de Europese Unie en/of Istanbul, in Turkije en/of Damascus in Syrië en/of in Iran en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk anderen of een ander, te weten

- in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 17 maart 2010 tot en met 6 februari 2010, althans op of omstreeks 6 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 1] (zaak 5.1) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 14 februari 2010, althans op of omstreeks 14 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 2] (zaak 5.2) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 25 mei 2010 tot en met 3 juli 2010, althans op of omstreeks 3 juli 2010 [persoon 3] (zaak 5.3) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans op of omstreeks 31 juli 2010 [persoon 6 ] en/of haar drie kinderen (zaak 5.5) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 23 augustus 2010 tot en met 14 september 2010, althans op of omstreeks 14 september 2010 [naam medeverdachte 4] (zaak 5.5) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans op of omstreeks 9 januari 2010 [persoon 4 ] (zaak 5.6.1) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans op of omstreeks 30 januari 2010 [persoon 5] (zaak 5.6.2) en/of

-in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 10 juni 2010 tot en met 30 juni 2010, althans op of omstreeks 30 juni 2010 [persoon 2] (zaak 5.6.3) en/of

- in voornoemde (eerste) periode, althans in de periode van 10 januari 2010 tot en met 6 februari 2010, althans op of omstreeks 6 februari 2010 een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [getuige 2] (zaak 5.8.2) (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die ander(en) daartoe gelegenheid,middelen of inlichtingen heeft verschaft, door het (telkens) opzettelijk verschaffen van onderdak/(een) verblijfplaats(en) in Nederland en/of België en/of door het (telkens) opzettelijk (doen) verstrekken van valse of vervalste reisdocumenten en/of verblijfspapieren aan en/of door het (telkens) opzettelijk vervoeren met bestemming Nederland en/of België van

- voornoemde onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 1] (zaak 5.1) en/of

- een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van [naam medeverdachte 2] (zaak 5.2) en/of

- [persoon 3] (zaak 5.3) en/of

- [persoon 6 ] en/of haar drie kinderen (zaak 5.5) en/of

- [naam medeverdachte 4] (zaak 5.5) en/of

- [persoon 4 ] (zaak 5.6) en/of

- [persoon 5] (zaak 5.6.2) en/of

- [persoon 2] (zaak 5.6.3) en/of

- een onbekend gebleven persoon, gebruik makend van een document ten name van

[getuige 2] (zaak 5.8.2)

terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat voornoemde toegang en/of voornoemde doorreis wederrechtelijk was/waren;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of in België en/of elders in de Europese Unie en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of in België en/of elders in de Europese Unie en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) dat voornoemde hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of in België en/of elders in de Europese Unie en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2010 tot en met 23 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen en/of elders in Nederland en/of Brussel, in België en/of elders in de Europese Unie en/of Damascus in Syrië en/of in Iran en/of in Irak en/of elders buiten de Europese Unie tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een persoon zich noemende "[persoon 1]" opzettelijk behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, met dat opzet die "[persoon 1]" daartoe gelegenheid,middelen of inlichtingen heeft verschaft, door het opzettelijk verschaffen van onderdak/(een) verblijfplaats(en) in Nederland en/of België en/of door het opzettelijk (doen) verstrekken van valse of vervalste reisdocumenten en/of verblijfspapieren aan en/of door het opzettelijk vervoeren met bestemming Nederland en/of België van voornoemde "[persoon 1]" terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat voornoemde toegang en/of voornoemde doorreis wederrechtelijk was/waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (zaak 5.11)

4.

hij op of omstreeks 5 juli 2010 in de gemeente Heerlen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van verbalisant [J.] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van vermissing van zijn paspoort;

5.

hij op of omstreeks 28 september 2010 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Irakese identiteitskaart (ten name van [naam zoon verdachte]), waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat de ondergrondbedrukking van voornoemd document was aangebracht middels een printtechniek en/of voornoemd document qua detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie- en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met origineel door de autoriteiten van Irak afgegeven document van dit model.