Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3849

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
03/148056-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Juiste toepassing van artikel 4.17a Vb2000? Nee, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de bestuurder van deze auto een stopteken kreeg. Bewijsuitsluiting, omdat verdachte legaal in België verbleef en hij door de onrechtmatige controle getroffen is in zijn fundamentele recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/148056-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 november 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is, na verwijzing door de politierechter op 23 september 2011, inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Ter terechtzitting van de politierechter d.d. 23 september 2011 is de tenlastelegging gewijzigd.

Deze gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander [N.I.] vanuit België en/of Duitsland naar Nederland heeft vervoerd, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft allereerst de kwestie aan de orde gesteld van de al dan niet rechtmatige aanhouding van verdachte in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna te noemen: MTV-controle) op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna te noemen: Vw 2000) juncto artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna te noemen: Vb 2000). Zij acht deze aanhouding rechtmatig. De officier van justitie heeft haar standpunt als volgt toegelicht.

De officier van justitie heeft gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de ABRvS) van 20 oktober 2011 (LJN: BU2849, 201108181/1/V4) en heeft op basis van deze uitspraak geconcludeerd dat de aanhouding van verdachte rechtmatig is. Zij heeft in dit verband tevens gewezen op de onderliggende stukken, waaronder een aanvullend proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee (hierna te noemen: de KMar), van 20 oktober 2011, proces-verbaalnummer PL27/YL/11-045367.

De ABRvS heeft in de hiervoor genoemde uitspraak vastgesteld dat in artikel 4.17a van het Vb 2000 naar aanleiding van een uitspraak van de ABRvS van 28 december 2010 (LJN: BP0427, 201010789/1/V3) onder meer de intensiteit en de frequentie van op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 uit te voeren MTV-controles ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding nader zijn gereguleerd. Uit rechtsoverweging 75 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEG) van 22 juni 2010 (Melki en Abdeli), die in samenhang met de rechtsoverwegingen 73 en 74 moet worden gelezen, moet worden afgeleid dat indien een nationale regeling identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt en die controles niet afhankelijk zijn van het gedrag van betrokkene of van specifieke omstandigheden, de controlebevoegdheid zodanig dient te worden gereguleerd, dat deze niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. In de omstandigheid dat in artikel 4.17a van het Vb 2000 geen rekening is gehouden met het gedrag en specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat die bepaling niet aan de eisen van het arrest zou voldoen, aldus de ABRvS en waarnaar de officier van justitie verwijst.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich allereerst uitgelaten over de rechtmatigheid van de controle van de KMar en geconcludeerd dat de staandehouding en de daaropvolgende aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Hij heeft zijn standpunt als volgt onderbouwd.

Op 19 juni 2011 was de KMar bezig met een MTV-controle op basis van artikel 4.17a, eerste lid, onder c van het Vb 2000. De staandehouding van verdachte is gebaseerd op artikel 50, eerste lid van de Vw 2000. Artikel 4.17a van het Vb 2000 is eerst op 1 juni 2011 in werking getreden naar aanleiding van de jurisprudentie aangaande artikel 50 van de Vw 2000. De raadsman heeft in dit verband gewezen op de hiervoor reeds aangehaalde jurisprudentie van het HvJEG van 22 juni 2010 en van de ABRvS van 28 december 2010 en voorts op - de in de ter zitting overgelegde pleitnota nader aangeduide - uitspraken van de Rechtbank Maastricht, de Rechtbank Roermond, de Rechtbank Arnhem en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

De raadsman heeft aangevoerd dat met het Besluit van 30 mei 2011 weliswaar een wettelijk kader is geschapen waarin nadere regels ten aanzien van zonering, intensiteit en frequentie zijn opgenomen die gelden in het kader van toezicht op vreemdelingen, maar dat daarmee niet is gewaarborgd dat wordt voorkomen dat de steekproefsgewijze controle feitelijk hetzelfde effect als een grenscontrole kan hebben. Hieruit volgt volgens de raadsman dat artikel 4.17a Vb 2000 strijdig is met het Europese recht en dat de controle van de KMar en derhalve ook de staandehouding en de daarop volgende aanhouding van verdachte onrechtmatig zijn. De raadsman heeft om deze reden geconcludeerd tot vrijspraak.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat in artikel 4.17a van het Vb 2000, naar aanleiding van de hiervoor meergenoemde uitspraak van de ABRvS van 28 december 2010, onder meer de intensiteit en de frequentie van op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 uit te voeren MTV-controles ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding nader zijn gereguleerd.

Artikel 4.17a van het Vb 2000 houdt voor zover in deze zaak van belang onder meer in:

1. De bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:

(…)

c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

Uit rechtsoverweging 75 van het meergenoemde arrest van het HvJEG van 22 juni 2010, die in samenhang met de rechtsoverweging 73 en 74 moet worden gelezen, moet worden afgeleid dat indien een nationale regeling identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt en die controles niet afhankelijk zijn van het gedrag van betrokkene of van specifieke omstandigheden, de controlebevoegdheid zodanig dient te worden gereguleerd, dat deze niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

De rechtbank overweegt dat, zoals ook de ABRvS heeft vastgesteld in de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van 20 oktober 2011, artikel 4.17a van het Vb 2000 voldoende aanknopingspunten geeft om te waarborgen dat het toezicht op vreemdelingen ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole in de zin van de Schengengrenscode. Zo is, naar het oordeel van de rechtbank, het in het eerste lid, onder c, van artikel 4.17a van het Vb 2000 genoemde gebied van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland, een voldoende ruim gebied om te waarborgen dat het toezicht niet hetzelfde effect hoeft te hebben als een grenscontrole. Ook het aantal van ten hoogste 90 uren genoemd in het vijfde lid van het artikel, waarborgt dat het om een steekproef kan gaan en niet om een grenscontrole. Een maand heeft gemiddeld immers 30 dagen en een dag bestaat uit 24 uren, in totaal dus 720 uren. Een eenvoudige rekensom leert dat de 90 uren dan slechts een beperkt deel, namelijk 1/8 deel van de tijd, in beslag nemen.

Dat de regeling voldoende waarborgen biedt om controles te houden die niet het effect van een grenscontrole hebben, is evenwel niet voldoende om in een concreet geval te kunnen oordelen of dat effect in dat geval ook daadwerkelijk is uitgebleven. Daarvoor zal de concrete situatie moeten worden beoordeeld. Ter beoordeling ligt daarom nu voor of de toepassing van artikel 4.17a van het Vb2000 in deze zaak wel of niet het effect heeft gehad van een – niet toegestane – grenscontrole en of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vw 2000. Daarvoor is van belang dat in het proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de aanhouding, maar dat tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. De rechtmatigheid van het handelen van de verbalisanten moet in een proces-verbaal voldoende inzichtelijk en concreet worden gemaakt. Het is immers aan de rechtbank om te toetsen of de staandehouding werd uitgevoerd conform het gestelde in artikel 4.17a van het Vb 2000. De enkele mededeling van verbalisanten dat zij bezig waren met een controle ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding en dat de controle werd uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in artikel 4.17a van het Vb 2000 is daartoe onvoldoende. Ook de mededeling van verbalisanten dat het toezicht werd uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens moet nader geëxpliciteerd worden.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vraag of in deze zaak de controle daadwerkelijk is uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 4.17a van het Vb 2000 geformuleerde kaders/begrenzingen uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de verbalisanten van de KMar van 24 juni 2011 met bijlagen.

Op 19 juni 2011 waren verbalisanten belast met de uitoefening van het mobiele toezicht op basis van de artikelen 50 en 51 van de Vw 2000, conform het gestelde in artikel 4.17a van het Vb 2000. De verbalisanten bevonden zich op de parkeerplaats “Langveld” op de openbare autoweg A76/E314 gelegen in de gemeente Heerlen, net achter de Duitse – Nederlandse grensovergang. De verbalisanten stellen dat uit ervaring is gebleken dat langs deze weg illegale immigratie plaatsvindt. Een motoragent zag een personenauto, merk Ford, type Fiësta, voorzien van Belgische kentekenplaten, de Duits - Nederlandse grens passeren en Nederland binnenrijden. De motoragent gaf de bestuurder, zijnde de verdachte [naam verdachte], een stopteken waaraan hij voldeed. Vervolgens werden [naam verdachte], de bijrijder, zijnde de medeverdachte [[naam medeverdachte]en de vrouwelijke passagier gezeten achter in de auto, die zich later [N.I.] noemde, staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000, ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status. [naam verdachte] en [naam medeverdachte]overhandigden de motoragent een geldig Congolees paspoort en een geldige verblijfstitel van België. De vrouwelijke passagier overhandigde geen enkel document waaruit haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status konden blijken. Hierop kregen de verbalisanten het vermoeden dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte]behulpzaam waren om de vrouwelijke passagier toegang te verschaffen tot Nederland, terwijl zij wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was.

Ter zitting heeft de officier van justitie de in dit proces-verbaal genoemde ervaringsregel met betrekking tot illegale immigratie nog gespecificeerd en uiteengezet dat het feit dat in deze auto twee mannen en een vrouw zaten een factor is in de afweging of het zou kunnen gaan om illegale immigratie.

In een aanvullend proces-verbaal van de KMar (proces-verbaalnummer PL27YL/11-045367) wordt verder gerelateerd, voor zover van belang:

- dat het mobiele toezichtcontrole is uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding,

- dat de A76 te Heerlen is gelegen binnen de zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met Duitsland,

- dat in de maand juni 2011 tot en met de controle waarbij [naam verdachte] en [naam medeverdachte]zijn aangehouden op deze weg één of meerdere toezichtcontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 19 uur,

- dat op 19 juni 2011 op deze weg één of meerdere toezichtcontroles hebben plaatsgevonden van 08.55 uur tot 09.05 uur en 09.30 uur tot 12.15 uur, totale duur van 2 uur en 55 minuten en

- dat tijdens de controle waarbij [naam verdachte] en [naam medeverdachte]zijn aangehouden daadwerkelijk 19 vervoermiddelen zijn stilgehouden en het hier een deel betreft van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verstrekte informatie in beide processen-verbaal alsmede de aanvulling van de officier van justitie onvoldoende om vast te stellen dat het om een controle ging in de zin van artikel 4.17a van het Vb 2000 die niet het hetzelfde effect had of kon hebben als een grenscontrole.

Met het aanvullend proces-verbaal is niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat de controles hebben plaatsgevonden met inachtneming van het gestelde in artikkel 4.17a Vb . Zo is niet gerelateerd hoeveel vervoermiddelen zijn gepasseerd. Weliswaar wordt aangegeven dat op de bewuste dag 19 auto’s zijn gecontroleerd en dat dit een deel betrof van het aantal gepasseerde voertuigen, maar niet wordt aangegeven hoeveel voertuigen in totaal zijn gepasseerd. Daarbij is evenmin aangegeven wat de aanleiding was om juist die betreffende 19 voertuigen te controleren. Door zo summier te relateren waarom bepaalde handelingen zijn verricht, kan de rechtbank niet toetsen of de uitgevoerde controle niet toch het effect van een grenscontrole zou kunnen hebben of kan hebben gehad.

Ook het gegeven dat in de betreffende auto twee mannen en een vrouw zaten is onvoldoende, nu er geen nadere uitleg is waarom die gegevens bijdragen aan het vermoeden van illegale immigratie.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de in het dossier aanwezige stukken onvoldoende informatie bevatten over de factoren genoemd in artikel 4.17a van het Vb 2000, zodat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld dat de controle heeft plaatsgevonden overeenkomstig het gestelde in artikel 4.17a van het Vb 2000. Nu dat niet kan worden vastgesteld, moet het ervoor worden gehouden dat de controle onrechtmatig was.

Dit dient te worden beschouwd als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en is onherstelbaar. De staandehouding en de aanhouding van verdachte volgend op de onrechtmatige controle zijn daarom eveneens onrechtmatig.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag welke consequentie aan dit vormverzuim verbonden moet worden.

De rechtbank overweegt dat verdachte door de onrechtmatige controle is getroffen in het fundamentele recht op vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie. Dit recht komt toe aan onderdanen van de EU-lidstaten en voorts aan personen die legaal in één van die lidstaten verblijven. Verdachte verblijft legaal in de EU-lidstaat België, zo blijkt uit de stukken, en hem komt dus het recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie toe.

Nu het bewijs tegen verdachte is verkregen als onmiddellijk gevolg van de onrechtmatige controle, moet dit worden uitgesloten van de bewijsvoering. Omdat overig wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, dient verdachte van het hem tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. G. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 juni 2011 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een ander, te weten [N.I.], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenehid, middelen of inlichtingen heeft verscahft, immers heeft verdachte voornoemde [N.I.] met een door hem, verdachte, bestuurde auto vanuit België en/of Duitsland naar Nederland vervoerd, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.