Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3427

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
165560 / OT RK 11-1787 en 165648 / OT RK 11-1799
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg. Bevooroordeelde gedragswetenschapper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

Zaaknummers: 165560 / OT RK 11-1787 en 165648 / OT RK 11-1799

BESCHIKKING OP VERZOEK VOORLOPIGE ONDERTOEZICHTSTELLING EN MACHTIGING UITHUISPLAATSING IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking t[de minderjarige]e minderjarige:

[Naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [1994],

verder te noemen [de minderjarige],

Advocaat: mr. J.G. van Ek

kind van:

[Naam moeder], overleden te [plaats van overlijden] op [2004],

en

[Naam vader], wonende te [woonplaats], [adres].

1. Verloop van de procedure

In zaak 165560:

Op 12 oktober 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. De raad heeft voorts verzocht [de minderjarige] alvast voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van ten hoogste drie maanden.

Tevens heeft de raad verzocht bureau jeugdzorg te machtigen [de minderjarige] te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. De raad heeft verzocht deze machtiging voorlopig voor de duur van maximaal vier weken te verlenen en heeft voorts verzocht om een aansluitende machtiging gesloten jeugdzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

De raad heeft ten slotte verzocht de beschikking aanstonds af te geven, omdat de raad van mening was dat het horen van belanghebbenden niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige].

Bij beschikking van 12 oktober 2011 heeft de kinderrechter [de minderjarige], hangende het door de raad te verrichten onderzoek, voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Het verzoek om zonder voorafgaand verhoor een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te verlenen heeft de kinderrechter afgewezen.

In zaak 1165648:

Bij faxbericht van 14 oktober 2011 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg (verder te noemen: bureau jeugdzorg) de kinderrechter verzocht een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29c van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) af te geven voor de duur van maximaal vier weken.

Bij beschikking van 14 oktober 2011 heeft de kinderrechter met ingang van 14 oktober 2011 machtiging verleend tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken.

Bij faxbericht van 21 oktober 2011 heeft bureau jeugdzorg een indicatiebesluit overgelegd dat [de minderjarige] voor de duur van drie maanden aanspraak geeft op 24 uurs verblijf in de accommodatie van de zorgaanbieder Juvent.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 oktober 2011.

2. Vaststaande feiten

De vader oefent het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft aan [adres], [woonplaats].

3. Overwegingen

3.1

De raad is van mening dat onmiddellijk ingrijpen onvermijdelijk is, omdat [de minderjarige] ernstige risico’s loopt die zijn veiligheid bedreigen. [de minderjarige] heeft een zeer belaste voorgeschiedenis. In 2004 is zijn moeder vermoord. [de minderjarige] is bekend met stemmingsproblematiek en emotionele kwetsbaarheid en is alcohol- en drugsafhankelijk. [de minderjarige] laat zich door niets of niemand meer aansturen en heeft momenteel het contact met iedereen verbroken. [de minderjarige] was ten tijde van het verzoek van de raad al een week niet meer thuis geweest en had ook geen contact meer opgenomen met zijn opa en oma, bij wie hij in het verleden vaak zijn heil zocht. Hij is ook niet meer op school verschenen, niet meer op zijn bijbaantje geweest en ook zijn vrienden hebben aangegeven hem niet meer gezien te hebben. Voorts is sprake van ernstige problemen in de opvoedingscontext. De vader is onmachtig zijn gezag te doen gelden en is, samen met de stiefmoeder, pedagogisch niet meer in staat om de basale veiligheid van [de minderjarige] te garanderen. [de minderjarige] houdt iedere vorm van hulpverlening af. Het lijkt erop dat hij zichzelf aan het vernietigen is.

3.2

Bureau jeugdzorg heeft voor de motivering van haar verzoek verwezen naar de door haar overgelegde verklaring als bedoeld in artikel 29b lid 4 en artikel 29c lid 3 van de Wjz en naar de instemmingsverklaring van de (aan bureau jeugdzorg verbonden) gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29b lid 5 en artikel 29c lid 4 van de Wjz.

Bureau Jeugdzorg heeft verklaard dat [de minderjarige] sinds lange tijd bekend is met ADHD, gedrags-, stemmings- en rouwverwerkingsproblemen. Tevens is er sprake van drugs- en drankmisbruik. De moeder van [de minderjarige] is vermoord toen hij 10 jaar oud was. Sinds 2001 is, met tussenpozen, hulpverlening betrokken bij [de minderjarige] en het gezin. De bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] neemt momenteel rap in tempo toe. Hij onttrekt zich aan het gezag van zijn ouders en is zeer zelfdestructief bezig.

3.3

In haar instemmingsverklaring van 12 oktober 2011 heeft de gedragswetenschapper, na een overzicht te hebben gegeven van de hulpverleningsgeschiedenis van het gezin, aangegeven dat [de minderjarige] inmiddels al een week door niemand meer is gezien. Het lijkt erop dat [de minderjarige] niets meer te verliezen heeft en dat hij zich volledig heeft afgesloten voor iedereen. Gelet op zijn emotionele kwetsbaarheid (stemmingsproblematiek) in combinatie met de zeer belaste voorgeschiedenis en de huidige gezinsproblematiek wordt dit gezien als een zeer zorgelijke situatie. [de minderjarige] maakt een zeer depressieve indruk. Het streven dient te zijn gericht op een gesloten plaatsing, om vervolgens om rust te creëren van waaruit kan worden bekeken wat [de minderjarige] zou kunnen helpen om zijn leven verder vorm en inhoud te geven.

Nadat [de minderjarige] gevonden was, heeft de gedragswetenschapper [de minderjarige] op 14 oktober 2011 gesproken en hiervan verslag gedaan in een aanvullende verklaring. Deze laat zich als volgt samenvatten, waarbij de kinderrechter aangeeft dat de verklaring grotendeels in detail zal worden weergeven. De in de samenvatting aangegeven aanhalingstekens zijn geplaatst door de gedragswetenschapper.

De gedragswetenschapper heeft aangegeven dat [de minderjarige] begrijpt dat er grote zorgen zijn, maar dat hij een gesloten plaatsing erg overdreven vindt. Wel is hij “zeer geïnteresseerd” in kamertraining. Volgens [de minderjarige] heeft de hulpverlening in het verleden geen enkel nut gehad. [de minderjarige] heeft verteld dat het thuis moeilijk was, ook toen zijn moeder nog leefde. Er was in het gezin weinig aandacht voor elkaar. Toen, kort opeenvolgend, zijn moeder overleed, hij naar de middelbare school ging en het gezin ook nog eens verhuisde, is het helemaal misgegaan. [de minderjarige] begon te roken, eerst sigaretten en later wiet, en is gaan drinken. [de minderjarige] heeft rondgehangen bij een vaste groep jongeren waarin wiet geoorloofd was, maar waar je buiten viel als je andere dingen zou gebruiken. [de minderjarige] zegt geen andere dingen te hebben gebruikt.

[de minderjarige] heeft een duidelijk toekomstperspectief. Hij wil zijn opleiding afmaken en dan als vliegtuigmonteur aan de slag gaan in Dubai. Daar wil hij dan een gezin stichten. Dat dat niet echt reëel is omdat school een verwijderingsprocedure is gestart, vergeet [de minderjarige] maar even. [de minderjarige] zegt nu overal aan mee te willen werken (“Julie zijn de deskundigen”), ook als dat een gesloten plaatsing inhoudt. Maar bij dat laatste heeft hij wel het gevoel dat we dan zijn toekomst “verkloten”, omdat hij dan niet naar de huidige school kan blijven gaan.

Uit de verklaring blijkt voorts dat de gedragswetenschapper de vader en de stiefmoeder van [de minderjarige] uitdrukkelijk heeft uitgenodigd om bij het gesprek aanwezig te zijn. Zij zijn kort voor het einde van het gesprek verschenen. In de verklaring is vermeld dat de emoties vervolgens snel zijn opgelopen. Vermeld is dat de ouders duidelijk aangeven dat [de minderjarige] veel zegt, maar dat het meeste “gelogen” is, of althans vanuit zijn eigen denkkader ingegeven. Zij vermoeden dat [de minderjarige] bij een open plaatsing al snel weer zal weglopen op het moment dat er een regel gesteld wordt die hem niet bevalt.

De gedragswetenschapper heeft vervolgens geconcludeerd dat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is, die zijn gevoelswereld als vlak beschrijft. Niets lijkt hem te deren; hij laat alles gelaten over zich heenkomen. [de minderjarige] doet wel beloftes, maar legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Niets lijkt hem te deren. Er is geen fundament, geen intrinsieke motivatie om tot verandering te komen. Voor [de minderjarige] is het al goed als hij een dak boven zijn hoofd heeft en eten. [de minderjarige] neemt de werkelijkheid waar vanuit zijn eigen denkkader en belevingswereld, interpreteert hem zoals het hem het beste uitkomt en handelt daar ook naar. Dat maakt dat er een groot risico is op het zich opnieuw onttrekken aan het gezag of de hulpverlening, met alle gevolgen van dien. [de minderjarige] overziet niet de gevolgen van zijn handelen en loopt daarmee opnieuw een groot veiligheidsrisico. Daar komt bij dat [de minderjarige] letterlijk geen plek meer heeft waar hij kan verblijven en deze dan zoekt bij mensen uit zijn kennissenkring (ex-klanten van BJZ), die hem ook niet de veiligheid kunnen geven die hij nodig heeft, omdat er totaal geen toezicht en controle is, noch op zijn daginvulling, noch de dingen die hij doet (alcohol, drugsmisbruik, etc.).

3.4

De vader heeft ter zitting benadrukt dat de gedragsproblemen van [de minderjarige] al dateren van vóór de moord op zijn moeder. Al op de basisschool ging [de minderjarige] andere kinderen te lijf. De vader heeft voorts verklaard dat de moeder van [de minderjarige] destijds heeft geprobeerd [de minderjarige] op een kostschool in België heeft willen plaatsen, zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen. Volgens de vader vond [de minderjarige] “het stukje sensatie” dat met de moord op zijn moeder gepaard ging erg interessant. Volgens de vader toonde [de minderjarige] geen enkele emotie over de dood van zijn moeder. Van de zijde de Mondriaan Zorggroep zou zijn gezegd dat helemaal geen geweten heeft.

3.5

De advocaat van [de minderjarige] heeft verklaard dat hij [de minderjarige] niet ziet als een psychiatrische patiënt, maar als een intelligente jongen die begrijpt dat voor hem thuis geen plaats meer is. Volgens de advocaat heeft [de minderjarige] een time out nodig, om daarna zijn leven zo spoedig mogelijk op de rails te krijgen. [de minderjarige] heeft wel zelfinzicht en realiseert zich dat hij met de verkeerde vrienden is omgegaan. [de minderjarige] is, na alles wat er is gebeurd, nog niet toe aan kamertraining. [de minderjarige] ziet geen weg meer terug naar zijn vader en stiefmoeder.

[de minderjarige] zelf heeft verklaard dat hij thuis was weggelopen nadat hij door zijn vader weer verweten werd vanuit leugens, vanuit zijn eigen belevingswereld, te handelen. Dat is het constante verwijt dat hij van zijn vader krijgt. Zijn vader kan er niet tegen wanneer hij wordt tegengesproken en noemt [de minderjarige] gewetenloos. [de minderjarige] geeft echter aan dat hij niet gemakkelijk over zijn gevoelens praat, maar dat hij daardoor niet slechter gaat functioneren. [de minderjarige] heeft voorts aangegeven dat hij niet vrijuit met de gedragswetenschapper heeft kunnen spreken, omdat zijn vader en stiefmoeder bij het gesprek aanwezig waren.

Gelet op de ontstane, voor [de minderjarige] zeer onveilige situatie, stemt [de minderjarige] in met het verzoeken van de raad en bureau jeugdzorg.

4. Beoordeling

4.1

De kinderrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de minderjarige instemt met de gesloten plaatsing niet wegneemt dat de kinderrechter zal dienen te beoordelen of aan de gronden voor toewijzing van de verzoeken is voldaan. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.2

Met betrekking tot het verzoek van de raad de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken overweegt de kinderrechter dat [de minderjarige] en de vader met dit verzoek instemmen. De kinderrechter is van oordeel dat aan de in artikel 1: 254 lid 1 gestelde criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter handhaaft in zoverre de beschikking van 12 oktober 2011.

4.3

Met betrekking tot het verzoek om een machtiging [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, overweegt de kinderrechter dat dient te worden beoordeeld of de bij beschikking van 14 oktober 2011 op verzoek van bureau jeugdzorg uitgesproken voorlopige machtiging kan worden gehandhaafd en voorts of de door de raad verzochte machtiging tot gesloten plaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

Zoals de kinderrechter eerder in de beschikking van 2 juni 2010 (LJN: BM7024) heeft overwogen vormt uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg een inbreuk op het door artikel 5 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van een ieder op vrijheid van zijn persoon. Met betrekking tot minderjarigen is een inbreuk op hun persoonlijke vrijheid gerechtvaardigd in geval van rechtmatige detentie met het doel toe te zien op de opvoeding. Tot deze detentie moet bovendien besloten zijn overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure. Voor Nederland is dit de procedure die is vastgelegd in hoofdstuk IVA van de Wjz en in de bepalingen waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen.

Op grond van vaste jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) mag alleen tot plaatsing van een minderjarige in gesloten jeugdzorg worden besloten indien deze met het oog op de opvoeding noodzakelijk is, in die zin dat niet met minder verstrekkende maatregelen kan worden volstaan. De noodzaak van de maatregel moet door de verzoekende instantie zoveel mogelijk feitelijk worden onderbouwd.

Bij deze feitelijke onderbouwing komt groot gewicht toe aan de door artikel 29b lid 5 en artikel 29c van de Wjz voorgeschreven instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper. Van de gedragswetenschapper mag worden verwacht dat hij/zij, op basis van een onderzoek, dat mede een gesprek met de minderjarige omvat, een zelfstandig oordeel geeft over de noodzaak om de minderjarige gesloten te plaatsen. Daarvoor is essentieel dat de gedragsdeskundige enige afstand tot de in artikel 29b lid 4 van de Wjz bedoelde verklaring van bureau jeugdzorg betracht, opdat het oordeel van de gedragswetenschapper, gelet op zijn of haar deskundigheid, een toegevoegde waarde voor de beoordeling van de noodzaak tot uithuisplaatsing kan hebben.

Het voorgaande kan ook zo worden samengevat dat voor een goede onderbouwing van het verzoek een onbevooroordeelde houding van de gedragswetenschapper noodzakelijk is. Het gaat daarbij niet alleen om, zoals in genoemde beschikking is overwogen, een onbevooroordeelde houding jegens bureau jeugdzorg als verzoekende instantie, maar diezelfde houding mag van de gedragswetenschapper verwacht worden jegens anderen die een rechtens relevant belang hebben bij het verzoek, zoals de ouder(s) van de minderjarige.

Naar het oordeel van de kinderrechter kan uit het in artikelen 29b lid 5 en 29c lid 4 van de Wjz opgenomen vereiste dat de gedragswetenschapper de minderjarige kort voor het opmaken van zijn verklaring heeft onderzocht, niet afgeleid worden dat de aanwezigheid andere personen, onder wie de ouder(s), bij dit onderzoek zou zijn uitgesloten. Naar het oordeel van de kinderrechter brengt echter alleen al de omstandigheid dat verzoeken om een machtiging tot gesloten plaatsing worden gedaan in situaties waarin de spanning tussen de minderjarige en zijn/ haar ouder(s) vaak tot het kookpunt is opgelopen mee dat voor een deugdelijke gedragsdeskundige rapportage essentieel is dat deze mede is gebaseerd op een gesprek met de minderjarige alleen.

Vast staat dat de vader en de stiefmoeder uitdrukkelijk door de gedragswetenschapper zijn uitgenodigd om bij haar gesprek met [de minderjarige] aanwezig te zijn. Vast staat ook dat de gedragswetenschapper op de hoogte had kunnen zijn van de bijzondere spanningen die bestaan tussen [de minderjarige] en zijn vader en stiefmoeder. Zo blijkt uit de motivering van de verzoeken van de raad dat bureau jeugdzorg heeft gemeld dat de vader en de stiefmoeder geen enkel vertrouwen meer in [de minderjarige] hebben en hem in alles als de schuldige aanwijzen. Ter zitting gaf de vader blijk van een jegens [de minderjarige] beschuldigende, aan meedogenloosheid grenzende, houding.

Daargelaten hoe lang de vader en de stiefmoeder van [de minderjarige] bij het gesprek aanwezig zijn geweest, is de kinderrechter van oordeel dat dit feit in ernstige mate afbreuk doet aan de waarde die aan de verklaring van de gedragsdeskundige kan worden toegekend. De kinderrechter wordt in dit oordeel gesterkt doordat, afgaande op de instemmingsverklaring in onderling verband met hetgeen [de minderjarige] ter zitting heeft aangevoerd, aangenomen moet worden dat de gedragswetenschapper de door de vader gebezigde bewoordingen dat [de minderjarige] de werkelijkheid waarneemt vanuit zijn eigen denkkader en belevingswereld tot de hare heeft gemaakt. Nog daargelaten dat deze bewoordingen – op de keper beschouwd – nietszeggend zijn, is de kinderrechter van oordeel dat ook in deze omstandigheid een sterke aanwijzing is gelegen dat de gedragswetenschapper onvoldoende afstand heeft betracht tot de vader en de stiefmoeder, en wel in die mate dat de verklaring niet geacht kan worden op een onbevooroordeelde wijze tot stand te zijn gekomen.

Het voorgaande brengt mee dat de verzoeken van de raad en bureau jeugdzorg op een essentieel onderdeel onvoldoende zijn onderbouwd en om die reden niet voor toewijzing in aanmerking zouden komen. De kinderrechter is echter van oordeel dat uit de overige stukken, waaronder de inleidende rapportage van de raad en het door bureau jeugdzorg overgelegde analyseverslag, alsmede uit de verklaringen van alle betrokken partijen ter zitting, voldoende naar voren komt dat er bij [de minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig beperken. Voorts dient te worden voorkomen dat [de minderjarige] zich aan de voor hem noodzakelijke hulpverlening onttrekt. Daarmee is voldaan aan de gronden voor de gevraagde machtiging en wordt in ieder geval bereikt dat [de minderjarige] wordt beschermd, of, zoals hij dat zelf heeft uitgedrukt, weer een dak boven zijn hoofd heeft. Het is vervolgens van groot belang dat onderzocht wordt hoe [de minderjarige] het beste op zijn naderende volwassenheid kan worden voorbereid. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de motivering van de verzoeken is overwogen acht de kinderrechter het van essentieel belang dat er ook naar [de minderjarige] zelf wordt geluisterd en dat in het bijzonder aandacht bestaat voor de gevolgen die [de minderjarige] heeft ondervonden van de sterk afwijzende houding van zijn vader.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter de beschikking van 12 oktober 2011, waarbij de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is uitgesproken, zal handhaven. Dat zelfde geldt voor de beschikking van 14 oktober 2011, waarbij een voorlopige machtiging is gegeven tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Ten slotte zal de kinderrechter het verzoek van de raad om een machtiging om [de minderjarige] aanvullend, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, gesloten te plaatsen toewijzen.

De beslissingen die zien op de (voorlopige) machtiging tot gesloten plaatsing zijn op grond van artikel 29h van de Wjz (van rechtswege) uitvoerbaar bij voorraad.

5. Beslissing

De kinderrechter:

Handhaaft de beschikking van 12 oktober 2011, waarbij voornoemde minderjarige voorlopig onder toezicht is gesteld voor de duur van drie maanden;

Handhaaft de beschikking van 14 oktober 2011, waarbij met ingang van die datum een voorlopige machtiging is verleend tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Wijst het verzoek van de raad om een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling toe.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 25 oktober 2011 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RB

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.