Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU3368

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
164173/HA RK 11-100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij verzoekschrift d.d. 17 augustus 2011 hebben MGL en LGM I de rechtbank verzocht hen ingevolge artikel 104 lid 7 Pensioenwet toestemming te verlenen de met [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomsten op te zeggen.

MGL en LGM I stellen zich op het standpunt dat ten gevolge van het ontslag van [verweerder] als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL op 15 augustus 2011, aldus voor het moment van indienen van het verzoekschrift, het vijfde lid van artikel 104 Pensioenwet, op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen met de werknemer die lid is van een bestuur van een pensioenfonds, niet van toepassing is, doch zich hier de situatie van het zesde lid van artikel 104 Pensioenwet voordoet, ingevolge welke de werkgever de voorafgaande toestemming van de rechtbank nodig heeft alvorens de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met, ondermeer, een werknemer die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een bestuur van een pensioenfonds.

[Verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van de raad van commissarissen van LMG I niet rechtsgeldig is en daarom het opzegverbod van artikel 104 lid 5 Pensioenwet van toepassing is.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat [verweerder] niet rechtsgeldig is ontslagen als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL en dat de situatie zoals is bedoeld in artikel 104 lid 6 Pensioenwet aan de orde is. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken van het bestaan van een verband tussen de opzegging waartoe toestemming wordt gevraagd en de in artikel 104 lid 1 Pensioenwet bedoelde omstandigheden. Het verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/157 met annotatie van L.H. Blom CPL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 164173 / HA RK 11-100

Beschikking van 20 oktober 2011

in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIA GROEP LIMBURG BV,

gevestigd te Heerlen,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LMG NETHERLANDS I BV,

gevestigd te Amsterdam,

verzoeksters,

advocaat mr. A. Robustella te Ede,

tegen

[VERWEERDER],

wonende te Maastricht,

verweerder,

advocaat mr. J.L.J.E. Koster te Maastricht.

Partijen zullen hierna MGL, LMG I en [[verweerder]] worden genoemd

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift met producties en nagestuurde producties;

-de op voorhand door verweerder overgelegde producties;

-de mondelinge behandeling.

2.Het geschil

2.1.[[verweerder]] is op 1 november 2002 bij MGL in dienst getreden in de functie van statutair directeur. Als uitvloeisel van die arbeidsovereenkomst is [[verweerder]] op 8 juni 2006 tevens aangesteld als statutair bestuurder van LMG I.

Bij besluiten van 9 juni 2011 hebben de aandeelhouders van MGL en LMG I [[verweerder]] om redenen als in de notulen van de aandeelhoudersvergaderingen uiteengezet ontslagen. Bij schrijven van diezelfde datum hebben MGL en LMG I de arbeidsovereenkomst met [[verweerder]] opgezegd tegen 1 juli 2012.

Bij brief van 2 augustus 2011 heeft [[verweerder]] de nietigheid van de aan hem gerichte opzegging van de arbeidsovereenkomst ingeroepen. Daartoe heeft hij er MGL en LMG I op gewezen dat hij sedert 1 juli 2004 bestuurslid is van de Stichting Pensioenfonds Media Groep Limburg te Sittard. In verband daarmee stelt hij zich op het standpunt dat het de werkgever op grond van artikel 104 lid 5 van de Pensioenwet niet is toegestaan de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

2.2.De raad van commissarissen van LMG I, op dat moment bestaande uit het enige nog overgebleven lid dhr. [[X]], heeft vervolgens bij besluit van 15 augustus 2011 [[verweerder]] met ingang van die datum ontslagen als, op grond van artikel 9.1 sub a van de statuten van de Stichting Pensioenfonds MGL benoemd, bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL. Ter motivering van dit besluit is vermeld dat de aandeelhouders van LMG I te kennen hebben gegeven dat zij [[verweerder]] willen ontslaan als statutair directeur/bestuurder van LMG I en alle andere daaruit voortkomende en daarmee samenhangende overeenkomsten met [[verweerder]] wensen te beëindigen.

2.3.Bij verzoekschrift d.d. 17 augustus 2011 hebben MGL en LGM I vervolgens de rechtbank verzocht hen ingevolge artikel 104 lid 7 Pensioenwet toestemming te verlenen de met [[verweerder]] bestaande arbeidsovereenkomsten op te zeggen.

3.De beoordeling

3.1.Gelet op de formulering van het hiervoor weergegeven verzoek en gelet op hetgeen dienaangaande ter zitting van de zijde van MGL en LMG I is verklaard, begrijpt de rechtbank dat MGL en LMG I zich op het standpunt stellen dat het beroep op de nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 9 juni 2011 slaagt en deze opzegging als niet bestaand dient te worden beschouwd in verband met het ontbreken van de toestemming van de rechtbank ingevolge artikel 104 lid 7 Pensioenwet.

3.2.Voorts stellen MGL en LGM I dat ten gevolge van het ontslag van [[verweerder]] als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL op 15 augustus 2011, aldus voor het moment van indienen van het verzoekschrift, het vijfde lid van artikel 104 Pensioenwet, op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen met de werknemer die lid is van een bestuur van een pensioenfonds, niet van toepassing is, doch zich hier de situatie van het zesde lid van artikel 104 Pensioenwet voordoet, ingevolge welke de werkgever de voorafgaande toestemming van de rechtbank nodig heeft alvorens de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met, ondermeer, een werknemer die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een bestuur van een pensioenfonds.

3.3.[[verweerder]] heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van de raad van commissarissen van LMG I niet rechtsgeldig is en daarom het opzegverbod van artikel 104 lid 5 Pensioenwet van toepassing is. Dienaangaande voert hij aan, dat ten gevolge van overnames de aandelen van MGL in handen zijn van LMG I en dat bij statutenwijziging van

15 juni 2006 de raad van commissarissen van MGL is opgeheven en verplaatst naar LMG I. In de statuten van de Stichting Pensioenfonds MGL staat echter nog steeds vermeld dat twee leden van het bestuur van het fonds benoemd en ontslagen worden door de commissarissen. Dat, aldus [[verweerder]], terwijl MGL sedert 2006 geen raad van commissarissen meer kent en in artikel 3 van de statuten twee aangesloten ondernemingen vermeld staan, LMG II en Multimedia Thuis aan Huis, die evenmin een raad van commissarissen kennen. Nu de aangesloten ondernemingen geen raad van bestuur kennen, komt het recht tot ontslag daarom volgens [[verweerder]], evenals bij andere bestuursleden, thans toe aan het bestuur van de Stichting Pensioenfonds Media Groep Limburg.

3.4.MGL en LMG I zijn een andere mening toegedaan. Zij stellen dat MGL in 2004 deel uitmaakte van de Telegraaf Media Groep. Deze groep is in 2006 verkocht aan Mecom Group Plc te Londen. Door de Mecom Group Plc is de volgende structuur ontwikkeld: Mecom Media Holding houdt 100% van de aandelen in het kapitaal van LMG Netherlands I BV; LMG I kent een raad van commissarissen; LMG I houdt voor 100% de aandelen van het kapitaal van LMG II; LMG II houdt voor 100% de aandelen in het kapitaal van MGL. Uit de wijziging van de statuten van Stichting Pensioenfonds MGL d.d. 2 juni 2008 respectievelijk de versie 2009 volgt: “Als aangesloten onderneming zijn toegetreden LMG Netherlands II BV en de met haar gelieerde ondernemingen”. In de optiek van MGL en LMG I kent het begrip “gelieerde ondernemingen” een zodanige reikwijdte dat ook LMG I een aangesloten onderneming geacht kan worden respectievelijk geacht moet worden te zijn.

Het begrip “de commissarissen” in de statuten van de Stichting Pensioenfonds MGL refereert daarom aan de raad van commissarissen van LMG I en die raad komt de bevoegdheid tot ontslag van [[verweerder]] toe, aldus MGL en LMG I.

3.5.Naar het oordeel van de rechtbank dient de raad van commissarissen van LMG I te worden aangemerkt als de in de statuten van de Stichting Pensioenfonds MGL bedoelde raad van commissarissen. Uit de met het oog op de overname door de Mecom Group tot stand gekomen statutenwijzigingen – inclusief opheffing van de raad van commissarissen van MGL – van zowel MGL als van de Stichting Pensioenfonds MGL, de hiervoor weergegeven structuur van de Mecom Group en de statuten van LMG I, in het bijzonder de onder artikel 17 e.v. opgenomen bepalingen betreffende de raad van commissarissen, blijkt dat is beoogd om de taken van de raad van commissarissen van MGL, inclusief die met betrekking tot de Stichting Pensioenfonds MGL, over te dragen aan de raad van commissarissen van LMG I.

3.6.Voorts is de rechtbank van oordeel dat voornoemde raad van commissarissen, in tegenstelling tot wat [[verweerder]] dienaangaande stelt, ondanks het feit dat deze op het moment van besluitname slechts uit één commissaris bestond, toch bevoegd was tot het nemen van het besluit tot ontslag van [[verweerder]] als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL. Hoewel ingevolge artikel 17.1 van de statuten van LMG I de raad van commissarissen behoort te bestaan uit 3 of meer commissarissen, blijft de raad van commissarissen ook in geval van (tijdelijke) onvolledigheid bevoegd tot het nemen van besluiten. Uit artikel 19.3 van de statuten van LGM I blijkt dat die mogelijkheid is onderkend.

Blijkens de verstrekte informatie heeft dhr. [[Q]] kort tevoren bij brief van 14 juni 2011 zijn positie als lid van de raad van commissarissen opgezegd en is LMG I doende om twee vervangende commissarissen aan te trekken. Hangende deze situatie kunnen door de raad van commissarissen in de persoon van dhr. Allen als de enig bevoegde commissaris rechtsgeldig besluiten worden genomen. Daartoe behoort ook de ingevolge artikel 9.1 van de statuten van de Stichting Pensioenfonds MGL gegeven bevoegdheid om de door de commissarissen benoemde, zoals bij [[verweerder]] het geval is, leden van het bestuur van die stichting te ontslaan. Deze leden kunnen ingevolge het derde lid van artikel 9 te allen tijde door de commissarissen worden ontslagen. De door [[verweerder]] aangehaalde situatie van artikel 9.20 is op [[verweerder]] niet van toepassing, deze ziet op andere, niet door de commissarissen benoemde, leden van het bestuur.

3.7.Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat [[verweerder]] niet rechtsgeldig is ontslagen als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL. Gelet hierop kan worden geoordeeld dat de situatie zoals is bedoeld in artikel 104 lid 6 Pensioenwet in casu aan de orde is. De rechtbank komt aldus thans toe aan de beoordeling van de in artikel 104 lid 7 Pensioenwet geformuleerde vraag of de voorgenomen opzegging van de arbeidsovereenkomst met [[verweerder]] geen verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid van artikel 104 Pensioenwet, te weten of die opzegging geen verband houdt met zijn werk als lid – de rechtbank begrijpt: tevens betreffende een gewezen lid – van het bestuur van de Stichting Pensioen MGL.

3.8.MGL en LMG I hebben in dat verband gesteld dat uit de besluitvorming op 9 juni 2011 blijkt dat zij zich toen niet hebben gerealiseerd dat [[verweerder]] bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL was en dit onmiskenbaar tot uitdrukking brengt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in artikel 104 lid 1 Pensioenwet.

3.9.[[verweerder]] betwist dat en stelt zich op het standpunt dat zij dit niet aannemelijk hebben gemaakt, noch kunnen maken. In dat verband stelt hij met regelmaat aan LMG I, LMG II en Mecom duidelijk te hebben gemaakt dat er investeringen gedaan moeten worden in het pensioenfonds. Laatstelijk heeft hij in april 2011 kenbaar gemaakt dat een dotatie tussen de 5 en

15 miljoen euro gedaan moet worden, tot schrik van de heren Allen en Davis van Mecom. Volgens [[verweerder]] zijn zij er voorstander van de pensioenen te laten afstempelen en heeft hij zich daartegen verzet.

3.10.In het verzoekschrift zijn in het kader van de vermelding van de gronden voor de wens om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met [[verweerder]] te komen, de in de besluiten van de algemene aandeelhoudersvergadering van

9 juni 2011 daarvoor gegeven motivering weergegeven. Kort samengevat is daartoe gesteld, dat de Mecom Group voornemens is om tot een fusie van MGL en Koninklijke Wegener NV te komen en besloten heeft om de leiding over dat proces aan de statutair bestuurder van Wegener, dhr. [[M]] te geven. Daartoe heeft men besloten, omdat men er onvoldoende vertrouwen in heeft dat [[verweerder]] geschikt is voor deze taak en men voorziet dat diens persoonlijkheid een risico voor het welslagen van dat proces kan vormen, welk risico niet genomen kan worden. In dit verband worden onder andere genoemd de problematische verhouding van [[verweerder]] met de ondernemingsraad van MGL en het onvoldoende genieten van het vertrouwen van het bestuur van de Mecom Group en de directeuren van de gelieerde vennootschappen.

3.11.Uit de hiervoor onder 3.10 weergegeven gronden blijkt niet van enig verband met de taakvervulling als bestuurslid van de Stichting Pensioenfonds MGL. Gelet op het feit dat deze gronden zijn genoemd voordat men zich bewust was van de noodzaak tot het indienen van het onderhavige verzoek, het tegendeel niet is gesteld of gebleken, alsmede gelet op het ontbreken van enige onderbouwing van de door [[verweerder]] in zijn verweer genoemde mogelijke redenen voor het bestaan van een verband tussen de opzegging en die taakvervulling als bestuurslid, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken van het bestaan van een verband tussen de opzegging waartoe toestemming wordt gevraagd en de in artikel 104 lid 1 Pensioenwet bedoelde omstandigheden. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen.

3.12.[[verweerder]] zal worden verwezen in de kosten van deze procedure, welk aan de zijde van MGL en GLM I tot op heden zijn begroot op:

- griffierecht €560,00

- salaris advocaat €452,00

Totaal €1.012,00

4.De beslissing

De rechtbank

4.1.verleent MGL en LMG I op grond van artikel 104 lid 7 Pensioenwet toestemming tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomsten met [[verweerder]],

4.2.veroordeelt [[verweerder]] in de proceskosten, aan de zijde van MGL en LMG I, tot op heden begroot op € 1.012,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken op

20 oktober 2011.

EvdS?