Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BU2166

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
165407 / OT RK 11-1745
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling; machtiging uithuisplaatsing; indicatiebesluit. De stichting dient ingevolge artikel 1:261, leden 1 en 2 BW een besluit als bedoeld in artikel 6 Wjz bij het verzoek over te leggen als een machtiging uithuisplaatsing zorg betreft als bedoeld in artikel 5 lid 2 Wjz. Bij het inleidend verzoekschrift heeft de raad de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een voorziening voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. In deze zaak betreft het een vorm van zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat. Uit artikel 5 lid 2, aanhef en onder b van de Wet op de jeugdzorg bezien in onderling verband en samenhang met de algemene maatregelen van bestuur die dienen tot verdere regeling van de Wjz en de AWBZ (waarvan met name artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en de artikelen 3 tot en met 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ) volgt dat het tot de taak van de stichting behoort om vast te stellen of een jeugdige op die zorg is aangewezen. Nu dat indicatiebesluit er niet is en de stichting het onjuiste standpunt is blijven verdedigen dat niet de stichting maar uitsluitend het CIZ ter zake bevoegd is, zal de kinderrechter de beslissing van 7 oktober 2011, voor zover machtiging tot uithuisplaatsing is verleend niet handhaven voor de periode na heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 24 oktober 2011

Zaaknummer: 165407 / OT RK 11-1745

BESCHIKKING OP VERZOEK VOORLOPIGE ONDERTOEZICHTSTELLING EN

MACHTIGING UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[Naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [1998],

verder te noemen: [de minderjarige],

advocaat mr. C. Wendenburg,

kind van:

[Naam moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder te noemen: de moeder,

en

[Naam vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder te noemen: de vader.

1. Verloop van de procedure

Op 7 oktober 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen de raad, een verzoekschrift tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend.

Bij beschikking van 7 oktober 2011 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen verleend voor de termijn van vier weken, onder aanhouding van de beslissing op de resterende termijn.

In verband met het recht van de belanghebbenden om ter zake te worden gehoord is de zaak mondeling behandeld ter zitting van 20 oktober 2011.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft op grond van de beschikking van de kinderrechter van 7 oktober 2011 thans in ’t Raayke in Tienray.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

De raad heeft op 7 oktober 2011 verzocht de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uit te spreken voor een periode van drie maanden en machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

3.2

De advocaat heeft namens [de minderjarige] hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

De moeder heeft zich tegen beide maatregelen verzet.

3.4

De vader, ofschoon behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen.

4. Beoordeling

4.1

Indien een verzoek tot ondertoezichtstelling is gedaan, kan de kinderrechter hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Een voorlopige ondertoezichtstelling berust, anders dan een definitieve ondertoezichtstelling, op artikel 1:255 BW, kan ten hoogste drie maanden duren en is te allen tijde herroepbaar. Indien niet binnen drie maanden op het, op artikel 1:254 BW berustende en tegelijkertijd in te dienen verzoek om een definitieve ondertoezichtstelling te verlenen, is beslist vervalt de voorlopige ondertoezichtstelling.

Tijdens de mondelinge behandeling op 20 oktober 2011 heeft de raad de ernst van de zorgen over [de minderjarige] geschetst en inzichtelijk gemaakt. Die zorgen, die verder gaan dan 'pubergedrag', hebben de raad ertoe gebracht onderzoek te doen naar de vraag of er een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing voor [de minderjarige] moet komen.

Vanwege die zorgen is de kinderrechter met de raad van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is om [de minderjarige], hangende het onderzoek van de raad naar de vraag of een definitieve ondertoezichtstelling geboden is, op voet van artikel 1:255 BW voorlopig onder toezicht te stellen. Derhalve zal de kinderrechter de beschikking van 7 oktober 2011, voor zover die ziet op de voorlopige ondertoezichtstelling, handhaven.

4.2

Voor zover de beschikking van 7 oktober 2011 ziet op de verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van vier weken overweegt de kinderrechter het volgende.

Door de advocaat van [de minderjarige] is op daartoe bij pleitnotitie aangevoerde gronden betoogd dat de kinderrechter in deze zaak niet mag voorbijgaan aan het ontbreken van een indicatiebesluit en bestaat reeds op die grond aanleiding de bij beschikking van 7 oktober 2011 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet te handhaven. De William Schrikker Stichting (hierna: WSSJ) betwist dat en stelt, kort samengevat, dat de zorg waarvoor de raad machtiging heeft verzocht zorg betreft waarop aanspraak bestaat ingevolgde de AWBZ en dat indicaties voor deze vorm van zorg niet door een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg (hierna: de stichting) maar uitsluitend door het CIZ plegen te worden verstrekt.

4.3

Ingevolge artikel 1:261, leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek dient de stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 Wjz bij het verzoek over te leggen als een machtiging uithuisplaatsing zorg betreft als bedoeld in artikel 5 lid 2 Wjz. Bij het inleidend verzoekschrift heeft de raad, voor zover hier van belang, de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een voorziening voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Naar van de zijde van WSSJ ter zitting is toegelicht gaat het bij de plaatsing van [de minderjarige] in 't Raayke om een vorm van zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat. Uit artikel 5 lid 2, aanhef en onder b van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) bezien in onderling verband en samenhang met de algemene maatregelen van bestuur die dienen tot verdere regeling van de Wjz en de AWBZ (waarvan met name artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en de artikelen 3 tot en met 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ) volgt dan dat het tot de taak van de stichting behoort om vast te stellen of een jeugdige op die zorg is aangewezen.

De kinderrechter wijst in dit verband ook op het bepaalde in artikel 9b, lid 4, van de AWBZ, waarin is bepaald dat een jeugdige slechts aanspraak heeft op zorg aangewezen krachtens artikel 5, lid 2, aanhef en onder b van de Wjz, indien de stichting hiertoe een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die zorg is aangewezen.

Hieraan kan overigens niet afdoen dat het vaststellen of en zo ja op welke zorg de jeugdige is aangewezen bij de stichting op praktische bezwaren stuit. Die praktische bezwaren brengen wellicht mee dat enige onderlinge afstemming tussen het CIZ en de stichting noodzakelijk is, maar zij kunnen geen argument opleveren voor doorbreking van de bij formele wet geregelde bevoegdheidsverdeling.

4.4

Dat betekent, nu de plaatsing van [de minderjarige] in 't Raayke een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5 lid 2, aanhef en onder b van de Wjz betreft, en voor deze vorm van zorg ingevolge de Wjz een indicatiebesluit is vereist, de stichting als het bevoegde bestuursorgaan heeft te gelden voor de afgifte van een indicatiebesluit. Nu dat indicatiebesluit er niet is en, WSSJ maar ook de raad tijdens de mondelinge behandeling het onjuiste standpunt zijn blijven verdedigen dat niet de stichting maar uitsluitend het CIZ ter zake bevoegd is, zal de kinderrechter de beslissing van 7 oktober 2011, voor zover ten behoeve van [de minderjarige] machtiging tot uithuisplaatsing is verleend niet handhaven voor de periode na heden.

4.5

Overigens heeft de kinderrechter zijn ogen niet gesloten voor de door de wetgever in artikel 3 lid 5 van de Wjz en artikel 9b, lid 2 AWBZ in het leven geroepen mogelijkheid dat toch aanspraak op (jeugd)zorg bestaat terwijl de afgifte van het indicatiebesluit niet kan worden afgewacht. Die situatie, door de regelgever nader uitgewerkt in artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit Wjz, is hier echter niet aan de orde.

5. Beslissing

De kinderrechter:

Handhaaft de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2011 voor wat betreft het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden;

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Handhaaft de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2011 niet, voor wat betreft het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], voor de periode na heden en wijst, voor zover noodzakelijk, alsnog af het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, kinderrechter, en in het openbaar op 24 oktober 2011 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.H. van Gils, griffier.

fg

Voor zover tegen deze beschikking hoger beroep openstaat kan dat - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.