Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BT7294

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
447668 BM VERZ 11-1786
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6112, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknr: 447668 BM VERZ 11-1786

Datum beschikking: 12 oktober 2011

De kantonrechter geeft de volgende beschikking, inzake de ambtshalve voordracht tot ontslag van de bewindvoerder:

Mr. [[L]],

h.o.d.n. Cirkel Bewindvoeringen B.V.,

gevestigd te Maastricht

in al die zaken waarin hij door de kantonrechter te Maastricht tot bewindvoerder is benoemd.

1. verloop van de procedure

Bij brief van 29 augustus 2011 is mr. [[L]], verder te noemen: de bewindvoerder, geïnformeerd over het voornemen van de kantonrechter om hem ambtshalve op grond van gewichtige redenen als bewindvoerder te ontslaan.

Bij brief van 6 september 2011 zijn de personen van wie de goederen onder bewind zijn gesteld, verder te noemen: de rechthebbenden, eveneens op de hoogte gesteld van voormeld voornemen en zijn zij in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, ter terechtzitting of schriftelijk door middel van een antwoordformulier.

De bewindvoerder is op 28 september 2011 gehoord op het voorgenomen ontslag. Ter terecht¬zitting heeft hij, onder overlegging van een pleitnota met bijlagen, verweer gevoerd. De recht¬hebbenden, met uitzondering van degenen die in hun reactie op de brief van 6 september 2011 hebben aangegeven niet te willen worden gehoord en de beslissing aan de kantonrechter over te willen laten, zijn ook voor deze zitting opgeroepen.

De rechthebbenden die schriftelijk te kennen hebben gegeven hun reactie op het voorgenomen ontslag van de bewindvoerder in een afzonderlijke zitting mondeling toe te willen lichten, almede de rechthebbenden van wie geen reactie op de brief van 6 september 2011 was ontvangen, zijn op respectievelijk 28, 29 en 30 september 2011 in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Bij deze zittingen was de bewindvoerder aanwezig.

Bij schrijven van 30 september 2011 heeft de bewindvoerder als bijlage het door hem ontvangen zogenaamde Auditrapport Ingelaste audit van de BPBI (Branchevereniging) de dato 30 september 2011 aan de kantonrechter doen toekomen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

2.1

De bewindvoerder (voorheen handelend onder de naam Budgetbeheer Limburg B.V., thans handelend onder de naam Cirkel Bewindvoeringen B.V.) is (een) door deze rechtbank toegelaten bewindvoerder en is in 1990 benoemd tot beschermingsbewind van meerderjarige personen die zelf niet of slechts gedeeltelijk in staat zijn hun eigen vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Verder stelt hij zich bezig te houden met inkomensbeheer en financiële begeleiding. Daarnaast is hij advocaat te Maastricht en als zodanig sedert 1990 in dat arrondissement werkzaam.

2.2

De bewindvoerder is door de kantonrechters in het arrondissement Maastricht altijd in persoon in bewindzaken benoemd.

2.3

De bewindvoerder dient in de bewindzaken jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen aan de kantonrechters verbonden aan de rechtbank te Maastricht die belast zijn met het toezicht op de belangen van de rechthebbenden. Bij het toezicht gebruikt de kantonrechter Maastricht, naast de wet, de (landelijke) Aanbevelingen Meerderjarigenbewind van het LO(VC)K (thans versie 26 mei 2011) en de (plaatselijke) Handleiding Meerderjarigenbewind van het bewinds¬bureau Maastricht, waarbinnen het toezicht van de kantons Maastricht, Sittard en Heerlen is gecentraliseerd.

2.4

In 2007 en in augustus 2009 heeft de kantonrechter contact gezocht met de bewindvoerder omdat er klachten waren binnengekomen van rechthebbenden. De klachten in 2007 zagen op het in rekening brengen van een te hoge beloning en de klachten in 2009 zagen onder meer op het gebruik van een (duur) 0900-nummer waarop rechthebbenden de bewindvoerder konden bellen en de wijze van communiceren met de rechthebbenden. De kantonrechter heeft in 2008 de goedkeuring over de in de rekeningen en verantwoordingen van het jaar 2007 opgenomen bedragen die afweken van de landelijke normen beperkt, tot het landelijk vastgestelde bedrag met de uitdrukkelijke vermelding “wijst af het meer of anders verzochte”.

2.5

Omdat er nadien nog steeds onevenredig veel klachten binnen kwamen met betrekking tot het dure 0900-nummer en de bejegening van de rechthebbenden, heeft de kantonrechter de bewindvoerder bij brief van 22 december 2009 uitgenodigd voor een gesprek op 6 januari 2010. Deze afspraak werd op 5 januari door de bewindvoerder afgezegd. Daarop heeft de kanton¬rechter een brief aan de bewindvoerder doen toekomen (gedateerd 6 januari 2010) waarin melding werd gemaakt van de gesprekspunten die de kantonrechter op 3 februari 2010 aan de orde wilde stellen. Als bijlagen bij die brief waren gevoegd voorbereidende aantekeningen en een overzichtslijst met betrekking tot de controle rekeningen en verant¬woordingen 2008 van de circa 150 zaken die aan de bewindvoerder waren toevertrouwd. De in deze brief genoemde bezwaren lieten zich op dat moment als volgt samenvatten:

- er is sprake van een relatief groot aantal zaken waarin de bewindvoerder aan zijn eigen advocatenkantoor betalingen doet zonder voorafgaande machtiging tot procederen;

- er is in een groot aantal dossiers sprake van betalingen aan/gebruik van de derdengelden¬rekening van zijn bewindvoerderskantoor;

- in een relatief groot aantal bewindsdossiers is tijdens het bewind door de bewindvoerder de schuldenlast met meer dan

€ 20.000,- toegenomen in een relatief korte periode;

- vaak blijkt het bewindvoerdersloon onjuist te zijn berekend;

- in vrijwel alle dossiers ontbreken de originele bankafschriften en wordt alleen een uitdraai van de eigen administratie aangetroffen;

- in een groot aantal dossiers is, hoewel de termijn daarvoor inmiddels is verstreken, geen rekening en verantwoording ingediend.

Naar aanleiding van dit schrijven heeft mr. E.H.J.M. Rutten zich als raadsman van de bewind¬voerder bij de kantonrechters gemeld en heeft hij een notitie aan de kantonrechter doen toe¬komen, gedateerd 2 februari 2010, waarin inhoudelijk op voornoemd schrijven wordt gereageerd.

2.6

Op 3 februari 2010 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen twee kantonrechters van het bewindsbureau Maastricht enerzijds en de bewindvoerder en zijn toenmalige raadsman ander¬zijds. Er zijn tijdens dat gesprek afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van het bewind door de bewindvoerder.

2.7

Op 1 juni 2010 is namens de kantonrechter een schrijven aan de bewindvoerder verstuurd met de mededeling dat het bewindsbureau, ondanks toezeggingen daartoe door de bewindvoerder, nog steeds geen bankafschriften in de diverse bewinddossiers had ontvangen, met als gevolg dat aan de rekeningen en verantwoordingen over 2008 en 2009 ( die inmiddels ook waren ontvangen en globaal waren bekeken) geen goedkeuring verleend kon worden. Tevens werd hierbij vermeld dat die gang van zaken voor met name de administratie van het bewindsbureau zeer belastend was.

2.8

Inmiddels was ook gebleken dat de bewindvoerder vanaf medio 2009 in vrijwel alle dossiers € 10,- per maand betaalde terzake van “administratiekosten Smart, St. Idieka smart of “”Idieka BV Smart”.

2.9

Op 9 juni 2010 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen de hiervoor onder 2.6 genoemde personen, waarin wederom een aantal verbeterpunten aan de orde zijn gekomen. Zo is onder meer het gebruik van de bewindvoerder van de software applicatie Smart FMS besproken, waarin de kantonrechter vooral kritiek heeft geuit op het in rekening brengen van de aan deze software verbonden kosten aan rechthebbenden, aangezien deze tot de normale kantoorkosten gerekend hoorden te worden. Een nadien geplande afspraak die op 14 juli 2010 zou plaatsvinden werd door de bewindvoerder afgezegd.

2.10

Bij beschikkingen van 19 juli 2010 werd de bewindvoerder in twee dossiers als bewindvoerder ontslagen en werd hij bevolen om de te veel geïnde beloning, de kosten die hij in rekening had gebracht voor het gebruik van zijn administratiesysteem Smart FMS en niet onderbouwde advocatenkosten aan de rechthebbenden terug te betalen.

De bewindvoerder is van deze beschikkingen op 19 oktober 2010 in appèl gekomen maar heeft berust in zijn ontslag in beide zaken.

2.11

Bij beschikkingen van 20 januari 2011 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de hiervoor genoemde beschikkingen integraal bekrachtigd. Tegen deze beschikkingen heeft de bewind¬voerder op 20 april 2011 cassatie ingesteld, zij het uitsluitend inzake de oordelen met betrekking tot de kosten voor Smart FMS en de advocatenkosten.

2.12

Nadat een op 16 februari 2011 tussen de kantonrechter en de bewindvoerder gepland gesprek door laatstgenoemde was afgezegd, heeft de kantonrechter, ter voorbereiding op de nieuw geplande afspraak van 9 maart 2011 bij schrijven van

21 februari 2011 aan de bewind¬voerder, samengevat, bericht dat de kantonrechters betrokken bij het bewindsbureau zich op het stand¬punt stelden dat, gelet op de financiële belangen van de rechthebbenden, een uitspraak van de Hoge Raad niet kon worden afgewacht en dat de bewindvoerder de over de jaren 2008 tot en met 2010 te veel berekende bedragen aan bewindvoerdersloon, advocaten¬kosten en kosten Smart FMS aan de rechthebbenden diende terug te betalen, welk totaal terug te betalen bedrag op tenminste € 50.000,- werd geschat. Voor de terugbetaling werd aan de bewindvoerder een termijn gegund tot uiterlijk 31 december 2011 onder de voor¬waarde dat de bewindvoerder een zekerheid zou verschaffen in de vorm van een bank¬garantie, af te geven voor 1 april 2011. Aan de bewindvoerder werd tevens medegedeeld dat hij pas weer in nieuwe bewindsdossiers zou worden benoemd nadat alle in de brief genoemde punten naar tevredenheid zouden zijn afgehandeld.

2.13

Op 9 maart 2011 heeft een gesprek tussen twee kantonrechters van het bewindsbureau en de bewindvoerder plaatsgevonden, waarbij de raadsman van de bewindvoerder kenbaar heeft gemaakt niet langer als zodanig op te treden en de bewindvoerder heeft aangegeven het in de brief van 21 februari 2011 gestelde niet tijdens het gesprek te willen bespreken, maar dat hij daarop vóór 1 april 2011 schriftelijk zou reageren.

2.14

Op 23 maart 2011 heeft de bewindvoerder een uitvoerig schrijven aan de rechthebbenden doen uitgaan en (onder meer) als volgt bericht:

(…) Na uitgebreid overleg met de Rechtbank Maastricht, heeft deze ons laten weten dat de Rechtbank van oordeel is dat het gebruik van de software applicatie Smart FMS, waarmee u direct online inzage heeft in uw financiële situatie, geen toegevoegde waarde heeft voor u als cliënt. (….) Helaas betekent dit voor u, dat u niet langer online inzage heeft in uw financiële situatie!

Uiteraard delen wij dit standpunt van de Rechtbank Maastricht niet en procederen wij op dit moment tegen de beslissing. Wij vinden dat u recht heeft om ten allen tijden inzage te kunnen hebben in uw financiële situatie. De rechtbank Maastricht is van mening dat wij in afwachting van de uitkomst van de procedure hun standpunt dienen te volgen. Wij zullen hier dan ook gehoor aan geven. (….)

De Rechtbank Maastricht is van oordeel dat wij als bewindvoerder voordeel zouden hebben uit het gebruik van de software apllicatie Smart FMS. Dit is geenszins het geval! Het verrichten van de reguliere handelingen met betrekking tot de uitvoering van het bewind is gelijk bij het gebruik van Smart FMS als bij het gebruik van elke andere software apllicatie. Echter, alléén de software applicatie Smart FMS heeft de mogelijkheid voor u als cliënt om direct online inzage te verkrijgen in uw financiële positie. Dit is dus direct uw voordeel uit het gebruik van deze applicatie. De kosten die gemoeid gaan met het gebruik van Smart FMS zijn derhalve puur en alleen gericht op de inzage die u als cliënt heeft. Door het gebruik van deze applicatie heeft u namelijk op elk gewenst moment inzage in uw financiën.

Als u geen gebruik maakt van deze applicatie zult u dus slechts één keer per kwartaal bankafschriften ontvangen. Als u tussentijds een totaaloverzicht wenst conform dezelfde richtlijnen als de jaarlijkse rekening en verantwoording, dan dient u hier extra kosten voor te betalen ter hoogte van € 186,83. Dit geldt voor elke keer dat u een tussentijdse rekening en verantwoording vraagt! De gegevens die u ziet op de (tussentijdse) rekening en verantwoording zijn gelijk aan de gegevens die u via de online software applicatie Smart FMS kunt inzien. Door het gebruik van Smart FMS kunt u dus onbeperkt deze inzage verkrijgen zonder dat u hiervoor telkens € 186,83 hoeft te betalen. U betaalt voor het gebruik van Smart FMS minder en u heeft het hele jaar door actuele gegevens tot uw beschikking. (.…)

2.15

Bij schrijven van 29 maart 2011 heeft de bewindvoerder aan de kantonrechter bericht, samen¬gevat, dat er weliswaar in sommige dossiers te veel bewindvoerdersloon is berekend, doch dat hij nog een aanzienlijk bedrag van de rechthebbenden tegoed had wegens niet in rekening gebrachte kosten ter zake van aan het bewind voorafgegaan inkomensbeheer door de bewind¬voerder. Toegezegd werd om alle bedragen uiterlijk 1 juli 2011 te zullen ver¬rekenen met de rechthebbenden. Met betrekking tot de advocatenkosten stelde de bewind¬voerder zich op het standpunt dat hij voorafgaande aan het voeren van een procedure geen toestemming aan de kantonrechter hoefde te vragen nu hij die toestemming van de recht¬hebbende had verkregen en met betrekking tot de Smart FMS kosten was hij bereid om die kosten voorlopig niet in rekening te brengen totdat op het beroep in cassatie zou zijn beslist. Volgens de bewindvoerder was er, gelet op de feiten en omstandigheden, geen plaats voor het afgeven van een bankgarantie.

2.16

Bij schrijven van 20 mei 2011 heeft de sectorvoorzitter civiel/kanton van de rechtbank Maas¬tricht de bewindvoerder een uiterste termijn gegund tot 15 juni 2011 voor het verstrekken van een garantie ad € 50.000,- van een Nederlandse bank, bij gebreke waarvan zou worden overwogen om de bewindvoerder bij beschikking op de voet van 1:363 BW te bevelen dit alsnog binnen 14 dagen te doen, met toezending van een afschrift van die beschikking aan alle recht¬hebbenden, dan wel wegens verder ontbreken van vertrouwen de bewindvoerder aanstonds in alle aan de bewindvoerder toevertrouwde bewinden voor ontslag voor te dragen.

2.17

In reactie op de hiervoor vermelde brief heeft de bewindvoerder de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie) gedagvaard in kort geding teneinde te bewerkstelligen dat er geen zekerheid behoefde te worden gesteld, noch dat tot rechtsmaatregelen zou worden overgegaan totdat de Hoge Raad zou hebben beslist in de twee bij hem aanhangige zaken zoals hiervoor genoemd onder 2.11.

2.18 Bij vonnis van 24 juni 2011 heeft de voorzieningenrechter verbonden aan de rechtbank te ’s-Gravenhage geoordeeld dat de toezichthoudende kantonrechter een bij de wet gegeven bevoegdheid heeft om de bedoelde beschikkingen af te geven. Toewijzing van de vorde¬ringen strekkende tot een bevel aan de Staat om zich te onthouden van een bevel tot zeker¬heidstelling dan wel van een beschikking tot ontslag, zou deze op de wet gebaseerde bevoegdheid op een onaanvaardbare wijze doorkruisen. De voorzieningenrechter heeft dan ook geoordeeld dat de gevraagde voorziening in strijd is met de wet en de bewindvoerder niet ontvankelijk in zijn vorderingen verklaard.

2.19

Op 17 juni 2011 heeft de bewindvoerder aan de landsadvocaat onder meer als volgt bericht:

(…) De inhoud van uw pleinota, tegen welke inhoud ik reeds bij de voorzieningenrechter bezwaar heb gemaakt op grond van een litanie van aperte leugens met het verzoek deze kwalificatie als zodanig in het proces-verbaal van zitting op te nemen, heb ik niet alleen als uitermate diffamerend ervaren, maar gisteren ook dientengevolge voorgelegd aan een strafrechtadvocaat in den lande. Nu als gevolg van de inhoud van Uw pleitnota de voorzieningenrechter een apert onjuist beeld van ondergetekende kreeg voorgeschoteld zie ik mij genoodzaakt (rechts-) maatregelen te moeten gaan treffen. Alvorens hier toe over te gaan, geef ik U de gelegenheid Uw pleitnota te rectificeren en deze gerectificeerde pleitnota aan de voorzieningenrechter toe te zenden bij gebreke waarvan ik mij vrij acht niet alleen aangifte te zullen gaan doen tegen de Staat der Nederlanden, maar in het bijzonder tegen mr. (…), welke voortdurend door u als bron van de in Uw pleitnota onware beweringen werd genoemd.

Het behoeft geen betoog dat mocht mede hierdoor de uitspraak negatief voor mij uitvallen ik mij het recht voorbehoud hier adequaat met alle middelen rechtens op te reageren. Ik in persoon. Tevens behoud ik mij het recht voor deze brief in rechte over te leggen.

Graag verneem ik van U vóór 20 juni 17.00 uur of u bereid bent tot rectificatie over te gaan bij gebreke waarvan ik zonder nadere aankondiging tot verdere actie zal overgaan, waarbij ik U de gelegenheid bied het dossier te Maastricht in te komen zien, waaruit het kennelijke leugenachtige verhaal van de rechtbank blijkt c.q. valt af te leiden (…)

2.20

In reactie op het hiervoor onder 2.16 vermelde schrijven van de sectorvoorzitter civiel/kanton van 20 mei 2011 heeft de nieuwe raadsman van de bewindvoerder bij schrijven van 1 juli 2011, samengevat, te kennen gegeven dat voor de jegens de bewindvoerder aan¬gekondigde rechts¬maatregelen geen rechtsgronden aanwezig zijn. Voor zover er een terugbetalingsverplichting zou zijn geweest, was die kwestie inmiddels volgens de raadsman financieel afgewikkeld en hij verwijst daartoe naar een bijlage, die echter niet met de brief is meegezonden.

2.21

Bij aan de raadsman van de bewindvoerder gericht schrijven van 12 juli 2011 is het eerder weergegeven standpunt van de sectorleider kanton/civiel namens laatstgenoemde gehand¬haafd en is verzocht om toezending van de bijlage waaruit de gestelde betalingen zouden blijken. Hierop is geen reactie ontvangen.

2.22

De kantonrechter heeft in alle dossiers van de controle van de berekeningen van de rekeningen en verantwoordingen de cijfermatige bevindingen over de periode 2008 tot en met 2010 aan de bewindvoerder toegezonden, voor zover betrekkend hebbende op de in rekening gebrachte beloning over de gehele periode van zijn bewind, de aan zijn advocaten¬kantoor betaalde bedragen, de bedragen betaald aan zijn derdengeldenrekening en de in rekening gebrachte kosten voor Smart FMS.

2.23

Op 29 augustus 2011 heeft de kantonrechter de bewindvoerder schriftelijk opgeroepen voor de zitting van 28 september 2011 teneinde te worden gehoord ter zake het voorgenomen ambts¬halve ontslag van de bewindvoerder in al zijn dossiers op grond van gewichtige redenen.

2.24

Bij beschikkingen van 9 september 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de hiervoor onder 2.9 vermelde zaken waartegen de bewindvoerder beroep in cassatie had ingesteld. Voor zover thans van belang heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogen¬bosch voor zover betrekking hebbende op de Smart FMS kosten vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor door het Hof. Met betrekking tot de door de bewind¬voerder in rekening gebrachte advocatenkosten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het oordeel van het Hof geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en dat het niet onbegrijpelijk was. De zaken zijn door de Hoge Raad verwezen naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

2.25

Op 29 september 2011 is namens de bewindvoerder wederom een kort geding aanhangig gemaakt jegens de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie) teneinde te bewerkstelligen dat de Staat zou worden bevolen:

1. zich te onthouden van iedere maatregel tot ontslag of tot de voorbereiding daarvan zolang niet door de Rechtbank ’s-Gravenhage is beslist in de bij haar aanhangige zaak;

2. het materiaal dat is verkregen na 21 september (het horen van mr. [[l]] op 28 september 2011, het horen van rechthebbenden op 28/29/30 september 2011) ter zijde te leggen en te houden totdat de rechtbank ’s-Gravenhage zal hebben beslist in de bij haar aanhangige zaak.

Bij verkort vonnis van 6 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage de bewindvoerder niet ontvankelijk verklaard ter zake van het hiervoor onder 1. gevorderde en de vordering zoals hiervoor vermeld onder 2. afgewezen.

2.26 Op 7 oktober 2011, heeft de bewindvoerder de door hem berekende afrekeningen per rechthebbende, inclusief “betaalbewijzen” aan de kantonrechter doen toekomen.

3. De beoordeling

3.1

Ter beantwoording ligt voor de vraag of de bewindvoerder zich bij zijn taakuitoefening als een redelijk handelend en redelijk bekwaam bewindvoerder heeft gedragen en of de gebreken waarvan in dat geval sprake zou zijn reden vormen voor een ambtshalve ontslag op grond van gewichtige redenen.

3.2

Voorop gesteld zij dat van een bewindvoerder mag worden verwacht dat hij de vermogens¬rechtelijke belangen van de rechthebbende naar behoren waarneemt. Dit brengt onder meer met zich mee dat de bewindvoerder het vermogen van de rechthebbende op een verant¬woorde manier beheert. De in de wet verankerde verantwoordingsplicht van de bewind¬voerder brengt verder met zich dat een bewindvoerder op een deugdelijke en inzichtelijke wijze verantwoor¬ding aflegt over dat door hem gevoerde beheer.

3.3

In het onderhavige geval dient de bewindvoerder, die in diverse bij de rechtbank Maastricht aanhangige bewindzaken als bewindvoerder is benoemd, verantwoording af te leggen aan de kantonrechter verbonden aan het bewindsbureau te Maastricht, die toezicht houdt op de belangen van de rechthebbenden.

3.4

De bewindvoerder wordt in de brief van 29 augustus 20011 verweten dat hij – in ieder geval in de periode vanaf 1 januari 2008 tot 31 december 2010 – het bewind in zijn zaken niet naar behoren heeft gevoerd en ook de bijbehorende rekeningen en verantwoordingen niet naar behoren heeft afgelegd. Hoewel de bewindvoerder zijn werkwijze in 2010 op een aantal punten heeft aangepast, wordt gesteld dat een aantal bezwaren op wezenlijke punten nog actueel zijn.

3.5

Bij aan de bewindvoerder gericht schrijven van 29 augustus 2011 zijn de thans actuele bezwaren toegelicht en is het voornemen kenbaar gemaakt de bewindvoerder ambtshalve te ontslaan in al zijn dossiers op grond van gewichtige redenen. Aan het voornemen tot ontslag wordt ten grond¬slag gelegd:

1. het onjuist in rekening brengen van het bewindvoerdersloon;

2. de bezwaren tegen in rekening gebrachte bewindskosten in maanden zonder aangetoond beheer;

3. de betalingen aan andere, kennelijk aan de bewindvoerder gelieerde, rechtspersonen;

4. de bezwaren tegen het gebruik van een derdengeldenrekening en het in rekening brengen van hoge kosten daarvoor;

5. de bezwaren tegen de “verrekenposten” voor inkomensbeheer;

6. de bezwaren tegen de in rekening gebrachte kosten voor de softwareapplicatie Smart FMS;

7. de onjuiste informatie inzake Smart FMS aan de rechthebbenden;

8. de bezwaren tegen betalingen aan een aan de bewindvoerder gelieerd advocatenkantoor.

9. de weigering om zekerheid te stellen;

10. de bezwaren met betrekking tot bejegening van de bewindvoerder jegens de toezichthouder.

3.6

In het navolgende zal de kantonrechter overgaan tot de beoordeling van de hiervoor onder 3.5 weergegeven bezwaren, welke bezwaren, voor zover thans van belang, cursief zullen worden weergegeven.

3.6.1 De eerste grief, voor zover thans van belang, luidt:

Bezwaar tegen het onjuist in rekening brengen van bewindvoerdersloon

In de periode tot december 2008 heeft u stelselmatig een te hoog bedrag aan bewindvoerdersloon in rekening gebracht, namelijk € 70,- per maand. Dit is meer dan de landelijke aanbevelingen van het LO(VC)K toelieten ( op jaarbasis € 59,40 teveel). De salarismachtigingen waren op dit punt altijd duidelijk, telkens werd het exacte bedrag van de toegekende beloning in het dictum genoemd. Tegen geen van deze beschikkingen bent in appel gegaan. Desondanks bleef u voortgaan met innen van te hoge bedragen waarbij u ten onrechte op de afschriften vermeldde dat de beloning “conform de landelijke norm”zou zijn. Op dit punt hebt u uw cliënten dus misleid. Ondanks de bepaling “wijst af het meer of anders verzochte” in de salarismachtigingen met betrekking tot 2007, leert controle van uw rekeningen en verantwoordingen dat u de te veel in rekening gebrachte bedragen niet aan uw cliënten heeft terugbetaald.

Dit rekent de kantonrechter u ernstig aan. Van een redelijk en vakbekwaam handelend bewindvoerder mag worden verwacht dat hij te veel geïnde bedragen eigener beweging per omgaande aan zijn – veelal armlastige – cliënten terugstort.

In 2008 en 2009 heeft u in veel dossiers een aanzienlijk te hoog bedrag aan beloning geïnd – meestal ruim € 100,- - bestaande uit een onjuiste herrekening over 2008 en in 2009 een “dertiende maand”bewindvoerdersloon. Dit is met u besproken in het voorjaar van 2010 naar aanleiding van de controle van de rekeningen en verantwoordingen over 2008 en 2009 en tot in detail berekend in de beschikkingen in de dossiers BM 12421 en BM 12526 (…..) Uit de controle van de rekeningen en verantwoordingen van 2010 is tot nu toe niet gebleken dat u deze te veel geïnde beloning heeft terugbetaald.

Bij de controle over 2008 is ook gebleken dat u in een aantal gevallen te weinig beloning in rekening heeft gebracht. Bij uw verantwoordingen ontbrak op dit punt een schriftelijke toelichting, noch was een overzicht van alsnog te innen beloning bijgevoegd. Ook in 2010 is structureel een klein bedrag (€10,11 per dossier op jaarbasis) te weinig in rekening gebracht.

Er is bij de verantwoordingen over 2010 wel een toelichting gevoegd waarin u aangeeft wat u over de jaren 2008 tot en met 2010 denkt te moeten terugbetalen of nog zou mogen innen, maar daarbij ziet u de onterecht geïnde beloning van voorliggende jaren over het hoofd. Evenmin is duidelijk geworden dat u de door uzelf aangegeven bedragen heeft terugbetaald, noch is enig voorstel tot terugbetaling bijgevoegd.

(…) Tot op heden is (…) in geen enkel dossier gebleken dat de beloning tot en met december 2010 correct in rekening is gebracht.

De bewindvoerder heeft ten verwere aangevoerd dat de omstandigheid dat hij tot november 2008 maandelijks een bedrag ad € 70,- aan bewindvoerderssalaris heeft geïnd terug te voeren is op het feit dat de boedel van rechthebbenden niet altijd verhaal bood voor het innen van intakekosten (of meerkosten). Door gedurende een langere periode (36 maanden) maande¬lijks een hogere beloning te innen, konden voormelde kosten worden gespreid. Volgens de bewind¬voerder is dit altijd gebeurd met medeweten en goedkeuring van de kantonrechter. Verder bestrijdt de bewindvoerder dat hij in 2009 een “dertiende maand” in rekening heeft gebracht. Sedert juni 2009 betaalden de rechthebbenden aan het eind van de maand de bewindkosten vooruit, waardoor het leek alsof er in december 2009 een “dertiende maand” was geïnd, terwijl dit feitelijk de verschuldigde bewindkosten over januari 2010 betrof. Nadat door de kanton¬rechter was aangegeven dat de bewindkosten in de lopende maand dienden te worden geïnd, is de bewindvoerder hier weer toe overgegaan. Tot slot bestrijdt de bewindvoerder dat hij geen helder beeld met betrekking tot de eindafrekeningen per rechthebbende heeft verschaft. In 2011 heeft hij in een groot aantal dossiers eindafreke¬ningen ingediend, met de daarbij behorende toelichtingen.

Anders dan de bewindvoerder, is de kantonrechter van oordeel dat het door de bewind¬voerder gevoerde beheer over de dossiers de toets der kritiek niet kan doorstaan.

Uit het aan de bewindvoerder toegezonden overzicht blijkt immers dat over de periode 2008-2010 in geen enkel dossier de beloning correct is berekend en geïnd. In tegenstelling tot hetgeen de bewindvoerder met betrekking tot de door hem in de jaren voor 2008 in rekening gebrachte bewindvoerdersbeloning heeft gesteld, is hieraan geen (volledige) goedkeuring verleend. Integendeel, uit de salarisbeschikkingen van voor 2008 blijkt duidelijk dat de goedkeuring zag op de beloning zoals landelijk vastgesteld en dat het “meer of anders verzochte” niet voor vergoeding in aanmerking kwam. In 2011 heeft de bewindvoerder aangaande die zaken twee keer (verschillende) herberekeningen gemaakt te weten op 9 maart en 22 april. Volgens die laatste berekening zou de bewindvoerder nog veel gelden tegoed hebben van rechthebbenden aangaande door hem, voorafgaand aan het bewind, verricht inkomensbeheer. Gelet echter op het feit dat met betrekking tot die claims niets terug te vinden is in de door de bewindvoerder in de betreffende zaken opgemaakte boedel¬schrijvingen (waaruit immers de stand van het vermogen van de betrokkene zo nauwkeurig mogelijk moet blijken), noch in de betreffende rekeningen en verantwoordingen, gaat de kantonrechter, los van de vraag of die claims terecht zouden kunnen zijn, hieraan voorbij. Aan het vorenstaande doen niet af de op 7 oktober 2011 aan de kantonrechter toegezonden en door de bewindvoerder opgemaakte berekeningen en “betaalopdrachten”. Het betreffen door de bewindvoerder opgemaakte en uitgeprinte betaal¬opdrachten, zonder dat gebleken is dat de gestelde opdrachten ook daadwerkelijk zijn uitge¬voerd; er zijn geen bankafschriften overgelegd die genoemde mutaties staven.

Met betrekking tot de in 2009 in rekening gebrachte “dertiende maand” overweegt de kanton¬rechter dat uit de dossiers naar voren is gekomen dat in veel gevallen in juli 2009 twee maal bewindvoerdersloon is berekend, zonder dat dit nadien is verrekend. De kantonrechter verwijst in dit verband onder meer naar de zaak BMnr. 12401 waar uit het dossier het navol¬gende blijkt: op 18 juni 2009 wordt er een bedrag ter zake van bewindskosten afgeboekt van de rekening ten behoeve van Budgetbeheer met de vermelding “bewindkosten aankomende maand”. Op 2 juli 2009 wordt er van diezelfde rekening een bedrag afgeboekt onder de vermelding “bewindkosten juni” en op 20 juli 2009 wordt er wederom een bedrag afgeboekt van die betreffende rekening onder de vermelding “”bewindkosten aankomende maand”. In totaal is er in de meeste dossiers die de bewindvoerder heel 2009 in beheer had dertien keer sprake van inning van bewindkosten, waarbij telkens twee maal in de maand juli. Het behoeft geen betoog dat de rechthebbenden hierdoor financieel zijn benadeeld.

Ten aanzien van het verweer van de bewindvoerder dat niet kan worden gezegd dat hij het door hem gevoerde beheer niet inzichtelijk heeft gemaakt, overweegt de kantonrechter dat de omstandigheid dat de bewindvoerder in 2011 twee keer verschillende bescheiden aan de recht¬bank heeft doen toekomen, inhoudende een toelichting op de door hem afgelegde rekeningen en verantwoordingen en een “verbetering” van de beloning over 2008 tot en met 2010, waaruit blijkt dat hij erkent dat over 2008 en 2009 doorgaans aanzienlijk teveel beloning is geïnd niet strookt met hetgeen van een professioneel handelend bewindvoerder mag worden verwacht.

3.6.2 De tweede grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen het in rekening brengen van bewindskosten in maanden zonder aangetoond beheer

Op grond van het bepaalde in artikel 1:436 lid 4 BW bent u verplicht zo spoedig mogelijk een bankrekening te openen ten behoeve van het beheer over de goederen van de rechthebbende, de zogenaamde beheerrekening. In een aantal dossiers blijkt echter dat er na instelling van het bewind enige, of zelfs geruime tijd (meer dan 1 maand) geen beheer heeft plaatsgevonden via zo’n beheerrekening noch via uw derdengeldenrekening, terwijl u wel bewindvoerdersloon in rekening brengt. De beheerrekening is soms pas (veel) later geopend. (…)

Nu is bekend dat het lange tijd voor u en ook voor uw collega’ bewindvoerders in verband met de houding van de banken moeilijk is geweest een beheerrekening te openen, echter een beloning zal over perioden waarin geen beheershandelingen hebben plaatsgevonden als ongegrond worden geweigerd.

De bewindvoerder heeft deze klacht bestreden, stellende dat het feit dat er geen financiële mutaties hebben plaatsgevonden niet ook betekent dat er geen werkzaamheden zijn verricht. Overigens is er geen rechtsgrond aanwezig welke inhoudt dat alle werkzaamheden, waarvoor jaarlijks zestien uren worden vergoed, evenredig in elke maand verricht zouden moeten worden, noch is er een restitutieregeling op het moment dat er in een bewind onverhoopt minder dan zestien uren gewerkt zou worden, aldus de bewindvoerder.

De bewindvoerder verliest hier naar het oordeel van de kantonrechter uit het oog dat de landelijke Aanbevelingen zien op maximaal in rekening te brengen tarieven. Voor het enkele feit dat er bewindvoering is ingesteld kunnen geen kosten in rekening worden gebracht. Aangetoond dient te worden dat er daadwerkelijk beheerdaden zijn verricht. Gelet op het feit dat de bewindvoerder heeft nagelaten toe te lichten welke werkzaamheden in die specifieke zaken door hem ten behoeve van de rechthebbenden zijn verricht, hetgeen in de rekening en verant¬woording tot uitdrukking had moeten komen, faalt dit verweer. Zowel de kanton¬rechter als de rechthebbenden hebben recht op en belang bij een deugdelijke onderbouwing van de kosten die door de bewindvoerder in rekening worden gebracht.

3.6.3 De derde grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen de betalingen aan andere, kennelijk aan de bewindvoerder gelieerde, rechtspersonen

Voorts is opgevallen dat u in 2008 betalingen doet aan rechtspersonen die voor ons enkel via het gebruikte bankrekeningnummer aan uw kantoor gelinkt kunnen worden (Budgetbeheer Mestreech, Stichting Sociaal Loket Limburg). Een toelichting daarvoor is niet gegeven. Deze handelwijze ontbeert de nodige transparantie. Om praktische redenen zullen deze kosten worden aangemerkt als bewindvoerdersbeloning en alleen worden geweigerd indien zij boven de toepasselijke beloningsnorm uitgaan.

De bewindvoerder erkent dat hij in 2008 betalingen heeft gedaan aan rechtspersonen die enkel via het gebruikte bankrekeningnummer aan het kantoor van de bewindvoerder gelinkt kunnen worden (Budgetbeheer Mestreech, Stichting Sociaal Loket Limburg). Hij wijt zulks aan een interne reorganisatie bij de huisbankier van het kantoor van de bewindvoerder waardoor tenaamstellingen vaak verkeerd op de bankafschriften van de boedelrekening werden weer¬gegeven. Gelet op de te dezer zake gegeven toelichting van de bewindvoerder is de kanton¬rechter van oordeel dat, hoewel de bewindvoerder dit had dienen toe te lichten in de betreffende rekeningen en verantwoordingen, hieraan verder geen consequenties hoeven te worden verbonden.

3.6.4 De vierde grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaren tegen het gebruik van een derdengeldenrekening en het in rekening brengen van hoge kosten daarvoor

Soms duurde het enige tijd voordat er na de instelling van het bewind een beheerrekening werd geopend. Om de hiervoor onder 2 vermelde redenen wordt u dat niet verweten. In veel gevallen maakte u dan voor het beheer gebruik van een derdengeldenrekening. Dit is echter voor een bewindvoerder niet toegestaan. (…) In sommige gevallen hebt u deze ongewenste toestand onnodig lang laten voortbestaan, soms tot in het voorjaar van 2010, ook al was er al meer dan een maand een beheerrekening geopend. Dit is met u besproken in februari 2010.Voorbeeld in BM 13113: de beheerrekening was in gebruik vanaf 23 a-8-2008, de derdengeldenrekening wordt gebruikt tot 6-1-2010.(...) Bij gebruik van de derdengeldenrekening hebt u meestal aan de rekening en verantwoording een opstelling toegevoegd uit uw eigen administratie waarin de ontvangsten ten goede komende aan een bepaalde cliënt, of betalingen in zijn belang zijn gedaan, zijn opgenomen. Stortingen vanaf uw derdengeldenrekening op de beheerrekening of de leefgeldrekening zijn op de afschriften daarvan te zien en evenals overboekingen vanaf de beheerrekening naar uw derdengeldenrekening. Soms stelt u dat u rechtstreeks vanaf uw derdengeldenrekening betalingen ten behoeve van een bepaalde cliënt zou hebben gedaan of daarop gelden voor hem of haar zou hebben ontvangen. Dat laatste kunnen wij niet nagaan.(…) Daarvoor is een diepgaande en tijdrovende accountantscontrole op uw kantoor nodig, gepaard gaande met aanzienlijke kosten. (…)De stelling van mr. Garretsen in zijn brief van 1 juli 2011, dat het bewindsbureau volledige inzage zou hebben gehad in uw derdengeldenrekening en deze zou hebben gecontroleerd is (…) ongegrond. (…)

In een aantal dossiers is opgevallen dat u voor het gebruik van de derdengeldenrekening € 10,- per maand in rekening brengt bij de cliënten. Een onderbouwing van deze kosten is niet gegeven. Er zal dan ook geen machtiging voor worden verstrekt. Deze bedragen moeten dus worden terugbetaald. Voorbeeld in BM 13113: u rekent daar € 50,- voor vijf maanden gebruik van de derdengeldenrekening.

De bewindvoerder betwist het aan hem gemaakte verwijt dat hij in sommige gevallen de derden¬geldenrekening onnodig lang voor het beheer heeft gebruikt. Hij wijst er in dit verband op dat nadat een beheerrekening is geopend het vaak nog enige tijd kan duren voordat deze gebruikt kan worden aangezien er eerst nog tal van handelingen verricht dienen te worden. Zo dient de rechthebbende eerst nog een aan hem verstuurd contract te onder¬tekenen en duurde het vaak lange tijd voordat dit contract terug werd gestuurd.

Ingevolge artikel 1: 436 lid 4 BW is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een ingevolge artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstelling en is hij verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt zoveel mogelijk van die rekening gebruik te maken. Daarnaast is het gebruik van een derdengeldenrekening voor een bewindvoerder niet toegestaan op grond van de Wet op het financieel toezicht en de Handleiding Meerder¬jarigenbewind van de rechtbank Maastricht. Ook de kwaliteitsverordening van de Branchevereniging laat dit niet toe. In het onderhavige geval kan een kortdurend gebruik van de derdengeldenrekening de bewind¬voerder echter niet worden aangerekend, gelet op het feit dat het langere tijd moeilijk is geweest om bij banken een beheerrekening te openen. Anders ligt dit echter met betrekking tot het verdere gebruik van de derdengeldenrekening na de opening van de beheerrekening. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter onrechtmatig. Hieraan doet niet af de stelling van de bewind¬voerder dat het verdere gebruik veelal te wijten was aan de rechthebbenden zelf, nu het inherent aan het bewindvoerderschap is er op toe te zien dat het maken van onnodige kosten (er werd voor het gebruik van de derden¬gelden¬rekening maandelijks € 10,- bij de rechthebbenden in rekening gebracht) door recht¬hebbenden wordt vermeden. De bewindvoerder had de recht¬hebbenden naar het oordeel van de kantonrechter moeten wijzen op de consequenties van hun “laks” gedrag. Tot slot overweegt de kantonrechter te dezer zake dat nu de bankafschriften met betrekking tot de financiële mutaties via de derdenrekening klaarblijkelijk meer vragen hebben opgeroepen dan er beantwoord worden, de bewindvoerder wederom niet heeft voldaan aan het transparantievereiste.

3.6.5 De vijfde grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaren tegen “Verrekenposten” voor inkomensbeheer

Op 22 april 2011 heeft u bij het bewindsbureau een pakket eindafrekeningen”ingediend, waarin u in een aanzienlijk aantal dossiers plotseling claimt nog (veel) geld tegoed te hebben van cliënten wegens aan het bewind voorafgaand inkomensbeheer. Deze claims zijn in die dossiers niet opgenomen in de boedelbeschrijving of in enig schuldenover¬zicht tot en met 2010 vermeld, noch opgenomen in de op 9 maart 2011 bij ons bewindsbureau ingekomen “aanvullingen” op de rekeningen en verantwoordingen over de periode 2008 tot en met 2010. Voorbeeld in BM 13113: in uw “aanvulling rekening en verantwoording 2008 tot en met 2010”, gedateerd 28 februari 2011, staat dat u aan deze cliënt nog € 126,40 zou moeten terugbetalen wegens teveel geïnde bewindskosten. Uit de “eind¬afrekening” zou echter volgen dat u nog een vordering zou hebben op deze cliënt van € 83,60. (…) Ook op dit punt geldt dat deze handelwijze de noodzakelijke transparantie voor uw cliënten en de toezichthouder ontbeert. Dit staat los van het oordeel over de vraag of deze claims terecht zouden kunnen zijn.

Met de indiening in april 2011 van deze nagekomen “claims” hebt u het bewindsbureau veel extra werk bezorgd omdat het gaat om claims die betrekking hebben op de beginperiode van het bewind, waardoor de medewerkers van het bewindsbureau aan de hand van oude rekeningen en verantwoordingen moeten bezien of uw stellingen enige grond zouden kunnen hebben. In veel van die dossiers is echter gebleken dat er nog geen beheerrekening actief was op de datum van instelling van het bewind, noch werd er aantoonbaar gebruik gemaakt van beheer via de derden¬geldenrekening. Deze plotseling opgekomen verrekenposten komen in die gevallen dan ook niet aannemelijk voor en zullen niet in de berekeningen van de door u aan uw cliënten terug te betalen bedragen worden betrokken. Voorbeeld in BM 13113: in de map eindafrekeningen neemt u op dat u van deze cliënt nog € 210,- te goed zou hebben wegens kosten inkomensbeheer, maar er is geen beheerrekening of derdengeldenrekening actief op datum instelling bewind (zie de gegevens vermeld onder 2).

De bewindvoerder heeft ten aanzien van het hem gemaakte verwijt dat hij eerst in 2011 heeft geclaimd nog veel geld tegoed te hebben van rechthebbenden wegens aan het bewind vooraf¬gaand inkomensbeheer zonder dat hiervan ooit uit de boedelbeschrijving noch uit de afgelegde rekeningen en verantwoordingen is gebleken, ten verwere aangevoerd dat uit de berekeningen per rechthebbende blijkt dat de afrekening ten aanzien van de kosten inkomensbeheer vaak direct na instelling van het bewind heeft plaatsgevonden. Echter, omdat het bewind toen reeds was uitgesproken is in de berekening deze betaling geplaatst onder het kopje “bewind”, aldus de bewindvoerder.

De kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder ook hier niet heeft gehandeld zoals het een goed bewindvoerder betaamt. Los van de vraag of de door hem ingediende claims terecht zijn, de bewindvoerder heeft geen contracten overgelegd terzake van inkomens¬beheer, hadden de gestelde vorderingen van de bewindvoerder zonder meer opgenomen moeten worden in de boedelbeschrijvingen en de rekeningen en verantwoordingen. Van een bewindvoerder mag worden verwacht dat hij zijn eigen vorderingen op de rechthebbenden kent en daar tijdig melding van maakt. Transparantie ontbreekt en adequaat toezicht is op deze wijze niet mogelijk. Overigens begrijpt de kantonrechter niet waarom de bewind¬voerder nog claims op recht¬hebbenden uit inkomensbeheer zou hebben nu hij zelf heeft aangevoerd dat de afrekening ten aanzien van deze kosten veelal direct na instelling van het bewind heeft plaatsgevonden.

3.6.6 Deze grief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Bezwaar tegen in rekening gebrachte kosten voor de softwareapplicatie Smart FMS

In het voorjaar van 2010 zijn met u, in aanwezigheid van uw toenmalige raadsman, de bezwaren besproken die de kantonrechter heeft tegen het in rekening brengen van kosten voor de softwareapplicatie Smart FMS. Deze kosten zijn voor het eerst aan het licht gekomen bij het nakijken van de rekeningen en verantwoordingen over 2009. In de meeste dossiers gaat het om een totaalbedrag van € 190,- per dossier over de jaren 2009 en 2010.

Deze kosten vallen naar het oordeel van de kantonrechter, en van het Hof Den Bosch zo is inmiddels gebleken, onder de vergoeding voor kantoorkosten in uw jaarlijkse beloning. Immers, alle bewindvoerders hebben software nodig om hun dossiers te beheren en daar is de kantoorkostencomponent in de jaarlijkse beloning voor bedoeld. Er is geen plaats voor extra kosten ten laste van uw cliënten omdat u gebruik maakt van Smart FMS.

Dit staat los van de vraag of dit systeem voor uw cliënten een meerwaarde heeft. U heeft tijdens de besprekingen uitgelegd dat u dit systeem gebruikt om het beheer uit te oefenen en dat dit voor u het voordeel oplevert dat u geen tussentijdse betalingsoverzichten meer aan uw cliënten hoeft te verstrekken, want zij kunnen te allen tijde hun rekeningen inzien en de stand van hun schulden bekijken. U kunt met een simpele druk op de knop elke dag een uitdraai maken, waarin de betalingen en de stand van de schulden zijn opgenomen. Het systeem levert u daarnaast tijdwinst op omdat uw cliënten bij u geen telefonische navraag hoeven doen over saldi en betalingen.

Voor een aantal van uw cliënten heeft de Smart FMS-applicatie dus zeker een meerwaarde, voor anderen echter niet. Hierover zijn dan ook de nodige – terechte – klachten ontvangen. Sommige rechthebbenden beschikken immers niet over een computer. In een enkel geval, BM 13136, heeft u aangegeven dat er ook geen geld voor de aanschaf van een computer was. Anderen zijn op grond van hun intellectuele vermogens niet in staat van de voordelen van dit systeem te profiteren, bijvoorbeeld in BM 12568, waar rechthebbende analfabete is. Toch zijn alle dossiers aan het Smart FMS-systeem gekoppeld, wat vanuit het oogpunt van eenvormige bedrijfvoering begrijpelijk is.

De kantonrechter heeft toen aangegeven dat de koppeling van alle cliënten in het systeem niet bezwaarlijk hoeft te zijn, mits er maar geen extra kosten voor in rekening worden gebracht en de rechthebbenden die geen computer hebben gewoon elk kwartaal een mutatieoverzicht blijven ontvangen.

De bewindvoerder is het met deze zienswijze niet eens en heeft naar aanleiding van twee door de kantonrechter te dezer zake genomen beschikkingen beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Nadat het Hof bij beschikkingen van 20 januari 2011 de beschikkingen van de kantonrechter had bekrachtigd, heeft de bewindvoerder beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij beschikkingen van 9 september 2011 heeft de Hoge Raad de beschikkingen van het Hof vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de zaken ter verdere afdoening verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.

De kantonrechter onderschrijft hetgeen hieromtrent is geoordeeld in het schrijven van 2.9 augustus 2011, doch zal zich, gelet op de omstandigheid dat de zaak ter verdere beslissing en afhandeling is verwezen naar het Hof te Arnhem, van een verdere beslissing onthouden. Wel wijst de kantonrechter er in dit verband op dat zowel de Branchevereniging als het LO(VC)K de visie van de kantonrechter te Maastricht en het Hof te ’s-Hertogenbosch onderschrijven en dit standpunt hebben overgenomen.

3.6.7 Deze grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen onjuiste informatie inzake Smart FMS aan uw cliënten

In een brief aan uw cliënten van 23 maart 2011, aan het bewindsbureau ter beschikking gesteld door de klachtencommissie van de BPBI, geeft u het standpunt van de kantonrechter met betrekking tot de Smart FMS-applicatie onjuist weer. U schrijft “dat de Rechtbank van oordeel is dat het gebruik van de software applicatie Smart FMS, waarmee u direct online inzage heeft in uw financiële situatie, geen toegevoegde waarde heeft voor u als cliënt.”

U heeft uw cliënten misleid door het standpunt van de kantonrechter onjuist weer te geven en te verzwijgen dat de bezwaren alleen zien op het in rekening brengen van de extra kosten.

Ondanks de bezwaren van de kantonrechter tegen het in rekening brengen van deze kosten bent u daarmee onverkort voortgegaan tot 31 december 2010. Volgens uw mededeling bij de bespreking op 9 maart 2011 zou u hiermee pas op

1 maart j.l. zijn gestopt.

De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat hij een correcte weergave heeft gegeven van hetgeen hem door de rechtbank Maastricht met betrekking tot het gebruik van de software applicatie Smart FMS is medegedeeld.

Anders dan de bewindvoerder is de kantonrechter van oordeel dat de bewindvoerder een volstrekt onjuiste weergave heeft verstrekt van hetgeen hem met betrekking van het gebruik van Smart FMS is opgedragen. Uit het procesdossier valt nergens af te leiden dat de kantonrechter het gebruik van het betreffende software applicatie afkeurt, doch enkel bezwaar heeft tegen de voor het gebruik van deze software in rekening gebrachte kosten. De kantonrechter acht voornoemd schrijven van de bewindvoerder dan ook misleidend. Overigens is de kantonrechter van oordeel dat ook de overige inhoud van genoemd schrijven in strijd is met hetgeen van een professioneel handelend bewindvoerder mag worden verwacht.

In de brief wordt verder vermeld:

(…) “Als u geen gebruik maakt van deze applicatie zult u dus slechts één keer per kwartaal bankafschriften ontvangen. Als u tussentijds een totaaloverzicht wenst conform dezelfde richtlijnen als de jaarlijkse rekening en verantwoording, dan dient u hier extra kosten voor te betalen ter hoogte van € 186,83. Dit geldt voor elke keer dat u een tussentijdse rekening en verantwoording vraagt! De gegevens die u ziet op de (tussentijdse) rekening en verantwoording zijn gelijk aan de gegevens die u via de online software applicatie Smart FMS kunt inzien. (…)”

.

De kantonrechter acht ook deze tekst misleidend aangezien het voor veel rechthebbenden niet duidelijk zal zijn dat zij per kwartaal zonder meer recht hebben op een gratis mutatie-overzicht en dat dit iets anders is dan een “tussentijds totaaloverzicht conform dezelfde richtlijnen als de rekening en verantwoording”.

3.6.8. Deze grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen betalingen aan een aan de bewindvoerder gelieerd advocatenkantoor

Bij de controle is gebleken dat in ongeveer 50 % van uw dossiers betalingen hebben plaatsgevonden aan een aan u gelieerd advocatenkantoor, aanvankelijk Advocatenkantoor Heer, later [[l]] Advocaten, etc. (de afgelopen jaren is de kantoornaam enige malen gewijzigd).

Bij andere (advocaat-)bewindvoerders vindt dit hoogst zelden plaats.

Doordat u voor uw cliënten optreedt als advocaat en als bewindvoerder tegelijk vindt een onwenselijke belangenverstrengeling plaats. Immers u bent in uw kwaliteit van bewindvoerder opdrachtgever en in uw kwaliteit van advocaat opdrachtnemer. U dient als bewindvoerder dan uw werk als advocaat te beoordelen op kwaliteit en noodzaak. Aanschouwelijk gezegd leidt dit ertoe dat u dan optreedt “als de slager die zijn eigen vlees keurt”.(…)

Tijdens de bespreking in februari 2010 is de eis gesteld dat u voortaan in alle dossiers aan de kantonrechter een machtiging vraagt voordat u gaat procederen, conform de regeling in de Faillissementswet. Daarbij is aangegeven dat een goede wettelijke regeling, vergelijkbaar met die van de faillissementswet, op dit moment ontbreekt. Voor de beschermingsbewindvoerder geldt slechts artikel 1:443 BW.

U hebt toen aangevoerd dat uw cliënten de vrijheid hebben om aan u te vragen om als uw advocaat op te treden en u daartoe te machtigen.

De kantonrechter heeft aangegeven dat uw rechthebbenden “tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen”, wat de altijd de vraag doet rijzen of zij wilsbekwaam zijn en zo ja, of u hen voldoende hebt voorgelicht over de financiële gevolgen van deze soms lichtvaardige procedures en of zij de draagwijdte daarvan konden beseffen en hebben beseft. Soms lijkt dat onwaarschijnlijk. Voorbeelden in BM 12679, zie het vonnis van de kantonrechter te Maastricht van 3 februari 2010, en in BM 12568 waarin u zich voor rechthebbende, een analfabete, hebt gesteld (kennelijk zonder uw kwaliteit van bewindvoerder bekend te maken) en bij gebreke van steekhoudend verweer bij vonnis van de kantonrechter van 10-2-2010 een veroordeling in de proceskosten volgde. Dit leidt nogal eens tot aanzienlijke verhoging van de schuldenlast.

U bent erop gewezen dat de betalingen aan uw advocatenkantoor moeten berusten op een behoorlijke factuur en van een inhoudelijke toelichting moeten worden voorzien (bijvoorbeeld aangeven wat het resultaat was van een gevoerde procedure). Het zou onredelijk zijn om met terugwerkende kracht de eis van een machtiging te stellen, uiteraard met uitzondering van de gevallen van wilsonbekwaamheid van de rechthebbende. Het is de kantonrechter evenwel gebleken dat waar u meent als advocaat te moeten optreden, het nogal eens om een normale bewindvoerderstaak gaat en waarin u met een eenvoudige brief had kunnen volstaan, bijvoorbeeld bij een onregelmatige huuropzegging of bij het indienen van een bezwaarschrift bij (gedeeltelijke) afwijzing van een bijstandsuitkering. Op deze wijze jaagt u uw cliënt - en, in geval een beroep wordt gedaan op bijzondere bijstand, ook de samenleving - nodeloos op kosten omdat voor een toevoeging een eigen bijdrage verschuldigd is.

Bij de controle is gebleken dat vaak een behoorlijke factuur voor de advocaatkosten in het dossier ontbreekt. Dit ondanks uw toezegging nog een onderbouwing te zullen aanleveren. In een groot aantal gevallen is een factuur aangetroffen voor schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening is echter geen normale taak voor een advocaat. Deze hulpverlening is bovendien voor uw cliënten kosteloos beschikbaar bij de Kredietbank Limburg.

De facturen voor schuldhulpverlening zullen dan ook worden opgevat als een verzoek om extra uren te mogen declareren in problematische schuldensituaties in het kader van uw taak als bewindvoerder. Evenals dat bij dergelijke verzoeken van andere bewindvoerders gebeurt, zal dit meestal worden geweigerd. Op dit punt zijn de landelijke aanbevelingen van het LOVCK leidend.

Voor alle hiervoor vermelde betalingen, waarin een factuur ontbreekt of uw optreden als advocaat niet noodzakelijk was of waarin het gaat om schuldhulpverlening, zult u dan ook geen machtiging ontvangen en zullen de kosten moeten worden terugbetaald aan de rechthebbenden.

Voorts is gebleken dat u nogal slordig met de betaling van de facturen van uw advocatenkantoor bent omgesprongen. Meermalen is gebleken dat facturen twee of zelfs driemaal zijn geïnd, bijvoorbeeld in BM 13103, of dat er meer dan het factuurbedrag wordt betaald aan uw advocatenkantoor, zie BM 12743. In een enkel geval, BM 12401, hebt u uw advocatenfactuur als schuld opgenomen in het schuldenoverzicht van 31-12-2007, maar deze na toelating van uw cliënt tot de wsnp alsnog aan uw advocatenkantoor uitbetaald. Deze betaling is paulianeus.

De bewindvoerder betwist dat zijn bevoegdheid om namens de rechthebbenden te procederen afhankelijk is van de toestemming daartoe van de kantonrechter. Hij verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 1:443 BW waarin is neergelegd dat de bewindvoerder, alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording kan doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is of weigerachtig is, door de kantonrechter. Volgens de bewind¬voerder is het inherent aan zijn taak van bewindvoerder om te beslissen of een procedure namens de rechthebbenden dient te worden gevoerd nu hij er, als vermogensbeheerder, voor dient te waken dat het vermogen van de rechthebbenden op de juiste wijze wordt beheerd. Overigens zijn de rechthebbenden er alleen maar bij gebaat dat hij als advocaat de juridische kwesties voor hen behandelt nu hij als bewindvoerder volledig bekend is met de informatie die nodig is voor het op de juiste wijze voeren van de juridische procedure, aldus de bewindvoerder. Hij voegt hier nog aan toe dat een rechthebbende weliswaar niet in staat is zijn vermogens¬rechtelijke belangen zelf te behartigen doch dat hij nog wel degelijk wilsbekwaam is. Hoewel de bewindvoerder er niet toe gehouden was, heeft hij altijd toestemming gevraagd aan de betreffende rechthebbenden om zelf als advocaat te mogen procederen, welke toestemming hem ook werd verleend, aldus nog steeds de bewindvoerder.

Voorop gesteld zij dat de wetgever de kwestie met betrekking tot het in bewindzaken vooraf verlenen van een machtiging door de kantonrechter niet in de wet heeft vastgelegd. Dit zou verklaard kunnen worden uit het feit dat er van professionele bewindvoering ten tijde van de invoering van de wettelijke regeling aangaande bewindvoering nog niet echt sprake was. Destijds waren het toch vaak personen uit de directe omgeving van de rechthebbende die deze bewindvoerderstaak op zich namen. In ieder geval mag worden aangenomen dat de wetgever er niet echt aan heeft gedacht dat de beschermingsbewindvoerder ook advocaat kan zijn. Dit is anders met betrekking tot faillissementszaken, waar in artikel

68 lid 2 Fw is bepaald dat de curator, ook vrijwel altijd een advocaat, alvorens in rechte op te treden, de machtiging behoeft van de rechter-commissaris.

Vast staat dat er vanaf januari 2007 een enorme toename van bewindszaken is geweest, hetgeen leidde tot een uitbreiding van het bewindsbureau Maastricht. Gelet op die enorme toename, ontstond er een noodzaak tot het uitvaardigen van regels en richtlijnen om zo het toezicht zo efficiënt mogelijk in te richten. Zo is onder meer de Maastrichtse Handleiding Meerderjarigen¬bewind opgesteld. Daarnaast richt de Maastrichtse rechtbank zich voor wat betreft bewind¬voeringszaken op de Landelijke Aanbevelingen. Ieder half jaar vindt er een zogenaamd bewind¬voerdersoverleg plaats (waar bewindvoerders en kantonrechters van gedachten kunnen wisselen over het door de rechtbank gevoerde beleid en waar prangende vragen aan de orde kunnen worden gesteld) en het daarvan opgemaakte verslag wordt vervolgens aan iedere bewindvoerder toegezonden. Zo is in het verslag, dat naar aanleiding van het op 17 juni 2010 gevoerde bewindvoerdersoverleg is opgemaakt, opgenomen dat de bewindvoerder die tevens een advocatenkantoor heeft, aan de kantonrechter machtiging moet vragen om voor de rechthebbende in rechte te mogen optreden. In gevallen waarin de toestemming niet kan worden afgewacht wordt (blijkens het verslag) van de bewindvoerder/advocaat verwacht dat hij een reële inschatting maakt van de te voeren procedure en de te verwachten kosten en dient hij dit achteraf te verantwoorden.

De kantonrechter is van oordeel dat het optreden van een bewindvoerder als advocaat in bewindzaken de schijn van belangenverstrengeling met zich kan brengen en derhalve niet de voorkeur geniet. Het optreden als advocaat in aan hem toebehorende bewindszaken zonder toestemming van de kantonrechter, acht de kantonrechter echter ongepast. Immers, de bewind¬voerder handelt als opdrachtgever en de advocaat als opdrachtnemer en dit staat een objectieve beoordeling van de noodzaak en kwaliteit in de weg. Ter voorkoming van ieder integriteits¬conflict dient een dergelijke handelwijze te worden voorkomen. Overigens heeft de kanton¬rechter ingevolge artikel 1:441 lid 2 sub f BW de bevoegdheid om ook in andere dan in de wet genoemde handelingen te bepalen dat de bewindvoerder de toestemming van de rechthebbende of de kantonrechter behoeft, zodat niet gezegd kan worden dat gehandeld wordt in strijd met de wet indien voorafgaand aan een procedure een machtiging wordt vereist. Inmiddels is die voor¬waarde ook opgenomen in de Maastrichtse Handleiding Meerderjarigenbewind. Als uitzondering op de regel behoeft een machtiging vooraf niet te worden gevraagd indien deze machtiging, vanwege het spoedeisend belang van de zaak, niet kan worden afgewacht. Hiervan zal echter niet vaak sprake zijn. De bewindvoerder merkt op dat bij deze bewindvoerder de rechthebbenden wel in ongebruikelijk veel gevallen kennelijk bijstand van een advocaat behoefden. Deze bewindvoerder voert in 50% van zijn dossiers advocatenkosten op en altijd ten behoeve van zijn eigen advocatenkantoor. Bij nader onderzoek blijkt dit nogal eens niet noodzakelijk te zijn omdat hij vaker met een brief of eenvoudig bezwaarschrift had kunnen volstaan. De betreffende bewindvoerder/advocaat zal altijd de noodzaak van deze handelwijze moeten aantonen en zulks dient ook altijd te blijken uit de toelichting op de onderliggende factuur (zie ook de overwegingen in de beschikking van het Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 20 januari 2011, nadien bevestigd in de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 september 2011). Indien die noodzaak niet wordt aangetoond, zal achteraf geen goedkeuring voor de betreffende opgevoerde kosten kunnen volgen. Dit geldt uiteraard eveneens indien in het geheel geen factuur is overgelegd, zulks terwijl er wel kosten in rekening zijn gebracht. Aan al het vorenstaande doet niet af de stelling van de bewindvoerder dat hij altijd de toestemming van de betreffende rechthebbende had alvorens tot procederen over te gaan. Immers, de rechthebbenden missen doorgaans het inzicht te beoordelen of advocatenkosten noodzakelijk zijn.

3.6.9 Deze grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen de weigering om zekerheid te stellen

Bij het op een rij zetten van de voormelde bezwaren is gebleken dat uw slordige beheer ertoe heeft geleid dat u ongeveer

€ 40.000,00 teveel in rekening hebt gebracht bij uw cliënten. In deze berekening zijn te veel in rekening gebrachte beloning en kosten in de bewinden die voor 1 januari 2011 zijn beëindigd nog niet betrokken. U hebt geweigerd over de terugbetaling aan uw cliënten met de kantonrechter afspraken te maken.

In het belang van uw rechthebbenden heeft de kantonrechter daarom aan u gevraagd zekerheid te stellen. Ook dit heeft u geweigerd, onder meer verwijzend naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Deze enkele verwijzing is onvoldoende. U hebt de polis van uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering niet overgelegd en het is niet gebruikelijk dat stelselmatige fouten, waarop al jaren geleden is gewezen, voor vergoeding in aanmerking komen.

U hebt voorts gesteld dat de zekerheid slechts per dossier gespecificeerd gevraagd kan worden. U ziet daarbij over het hoofd dat alle terugbetalingsverplichtingen in de afzonderlijke dossiers tesamen, leidend tot een totaalbedrag van voormelde omvang, verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de financiële basis van uw kantoor en daarmee voor de financiële belangen van al uw cliënten. Alleen daarom al is het voor de toezichthouder noodzakelijk het totaalbedrag niet uit het oog te verliezen. Voorts is het verzoek om een enkele bankgarantie voor het totale bedrag ook in uw belang.

Het is vanzelfsprekend dat voormelde weigeringen het vertrouwen in u als bewindvoerder ernstig schaden. Door de aard van het toezicht, altijd achteraf, bestaat er op dit moment geen inzicht in de door u bij uw cliënten in dit jaar mogelijk nog in rekening gebrachte extra kosten. Het is denkbaar, mede gelet op uw brief van 23 maart 2011 aan uw cliënten, dat de terug te betalen bedragen in 2011 nog verder zullen oplopen.

(…)

De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot zekerheidstelling niet op zijn plaats is aangezien hij in alle bewindsdossiers met de rechthebbenden heeft afgerekend. Bovendien berust een collectieve zekerheidstelling niet op de wet, aldus de bewindvoerder. Tot slot merkt hij op dat, zelfs indien hij een beroepsfout zou hebben gemaakt ten gevolge waarvan de rechthebbenden schade zouden hebben geleden, zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen de schade zullen dekken. Hij heeft als bewindvoerder een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, alsmede als advocaat.

Het verzoek om zekerheidsstelling is gebaseerd op de artikelen 1:445 lid 4 BW juncto artikel 1:363 lid 1 BW. In artikel 1:363 lid 1 BW is bepaald dat de kantonrechter te allen tijde kan bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast. In artikel 1:445 lid 4 BW is genoemd artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op het meerderjarigenbewind. Anders dan de bewindvoerder is de kantonrechter van oordeel dat er wel degelijk een collectieve zekerheid kon worden verlangd. Uit het procesdossier blijkt dat de bewindvoerder weliswaar erkent dat hij in sommige gevallen wellicht te veel kosten bij rechthebbenden in rekening heeft gebracht, doch dat hij zich op het standpunt stelt dat hij op zijn beurt nog veel meer geld van rechthebbenden tegoed heeft. Controle van de diverse dossiers heeft evenwel uitgewezen dat zijn berekeningen in een groot aantal dossiers niet juist waren en dat er in al die dossiers kosten in rekening waren gebracht die of wel te hoog waren of wel helemaal niet in rekening hadden mogen worden gebracht ( aan bewindvoerdersloon € 3.631,11, aan administratiekosten € 16.751,13 en aan advocatenkosten

€ 21.713,42) . De kantonrechter is van oordeel dat het stellen van collectieve zekerheid de aangewezen weg was aangezien het stellen van zekerheid per dossier onnodige extra kosten voor de bewindvoerder zou hebben meegebracht. Een overzicht van de zaken, met daarbij behorende toelichting, is aan de bewindvoerder toegezonden. Aan het vorenstaande doet niet af dat ongeveer de helft van de kosten ziet op in rekening gebrachte kosten Smart FMS over welke kosten nog dient te worden geoordeeld door het gerechtshof te Arnhem. Van de bewindvoerder geen betaling doch enkel zekerheid is verlangd. Het verweer van de bewindvoerder dat zelfs indien hij gehouden zou zijn nog betalingen aan rechthebbenden te verrichten, zulks aangemerkt dient te worden als een beroepsfout waarvoor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering zal opkomen, kan hem evenmin baten. Niet gebleken, noch aannemelijk is dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering overgaat tot uitkering in die zaken waarin een bewindvoerder er diverse malen op is gewezen dat de door hem in rekening gebrachte kosten niet juist waren en hij hier vervolgens mee doorgaat.

Tot¬ slot acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de bewindvoerder de te veel door hem in rekening gebrachte kosten aan de rechthebbenden heeft gerestitueerd, nu de bewindvoerder te dezer zake geen bescheiden heeft overgelegd. Hoewel de raadsman van de bewindvoerder in zijn schrijven van 1 juli 2011 eveneens heeft betoogd dat de verschuldigde kosten waren betaald, daarbij verwijzende naar een “bijgevoegde” overzichtsstaat, is zulks niet gebleken nu die betreffende staat niet was bijgevoegd en deze ook naderhand, ondanks verzoek daartoe, niet is toegezonden, noch thans bij de pleitnota is gevoegd. Voor een ordelijk verloop van het toezicht had het op de weg van de bewindvoerder gelegen hierover aanstonds duidelijkheid te verschaffen.

3.6.10. Deze grief luidt, voor zover thans van belang:

Bezwaar tegen de bejegening van de bewindvoerder jegens de toezichthouder

Tenslotte heeft u de toezichthoudende relatie ernstig belast door in het geheel niet onderbouwde verwijten van leugens aan de zijde van de kantonrechter.

De bewindvoerder heeft 11 punten aangedragen waaruit zou moeten blijken dat hij altijd een goede verstandhouding met het bewindsbureau heeft nagestreefd, dat hem niets verweten kan worden en dat hij er alles aan heeft gedaan om de bewindvoering voor de rechthebbenden in zo goed mogelijke banen te leiden. De verwijten van de bewindvoerder komen er kort gezegd op neer dat hem een aantal zaken worden verweten waar achteraf bezien geen reden voor is gebleken. Hij wijst in dit verband onder meer op het feit dat bepaalde schulden onder zijn bewind zijn opgelopen, zulks terwijl pas achteraf bleek dat de rechthebbende bij de aanvang van het bewind bepaalde schulden had verzwegen, alsmede op het feit dat hij bankafschriften niet heeft overgelegd, dit terwijl de bewindvoerder hierin volstrekt afhankelijk was van zijn huisbankier. Voorts zijn aan hem eisen gesteld aangaande de bewindvoering die niet stroken met het te dier zake door de rechtbank gevoerde beleid. Hij wijst in dit verband op de aan hem gestelde eis om bankafschriften over te leggen, zulks terwijl het al jarenlang beleid was dat slechts het eindsaldi per december en het beginsaldi per januari geverifieerd hoefde te worden.

De kantonrechter is van oordeel dat wat er verder ook zij van hetgeen de bewindvoerder te dezer zake ten verwere heeft aangevoerd - genoemde punten liggen immers niet ten grond¬slag aan het voornemen tot het ambtshalve ontslag -, vast staat dat de vertrouwensbasis tussen de kantonrechter en de bewindvoerder ernstig is geschaad. Uit de processtukken blijkt dat de bewindvoerder de uitkomst van gesprekken die met hem zijn gevoerd volstrekt anders heeft weergegeven en dat hij rechthebbenden een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent hetgeen hem door de kantonrechter te Maastricht was opgedragen (zie brief van 23 maart 2011) en dat hij zich jegens de rechtbank op uitermate grievende wijze heeft uitgelaten (zie het onder 2.18 genoemde schrijven van de bewindvoerder aan de landsadvocaat d.d.

17 juni 2011 waarin zowel de kantonrechter als de rechtbank beticht worden van het verkondigen van aperte leugens). Dit acht de kantonrechter uitermate kwalijk. Voorts komt uit de overgelegde stukken naar voren dat er diverse gesprekken met de bewindvoerder zijn gevoerd om te komen tot een betere samenwerking, doch dat de bewindvoerder bespreekpunten dikwijls opvatte als het ter discussie stellen van zijn integriteit en de toezichthoudende kantonrechter zelfs beschuldigde van een “persoonlijke hetze”. De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor het zakelijk oplossingsgericht werken werd bemoeilijkt. Tot slot hecht de kantonrechter er in dit verband aan op te merken dat uit het procesdossier is gebleken dat de verwijten van de bewindvoerder zich vrijwel uitsluitend richtten op één van de kantonrechters verbonden aan het bewindbureau te Maastricht. De kantonrechter wil in dit verband opmerken het ontoelaatbaar te achten om de grieven uitsluitend te richten op één van de kantonrechters in persoon, nu gebleken is dat evaluatie¬gesprekken met de bewindvoerder in 2010 en 2011 altijd zijn gevoerd door twee kanton¬rechters en ook beslissingen omtrent de verdere in deze te nemen stappen werden gedragen door meerdere kantonrechters. In dit verband zij verwezen naar het feit dat behalve de betreffende kantonrechter ook de sectorvoorzitter kanton/civiel de bewindvoerder er schriftelijk op heeft gewezen dat er verregaande maatregelen zouden worden genomen indien hij niet aan bepaalde door de rechtbank aan hem gestelde eisen voldeed.

3.7

Tijdens de hoorzittingen hebben een aantal rechthebbenden aangegeven tevreden te zijn over het door de bewindvoerder gevoerde bewind maar heeft het merendeel te kennen gegeven een andere bewindvoerder te wensen. De klachten liepen uiteen van “niet bereikbaar zijn”, tot “onheuse bejegening”tot “het niet inzichtelijk maken van de financiële mutaties”. Daarnaast is tijdens die zittingen gebleken dat de bewindvoerder in veel gevallen de recht¬hebbenden voorafgaand aan het bewind een contract heeft laten ondertekenen aangaande schuldhulpverlening voor een periode van 3 jaren. Door de bewindvoerder is gesteld dat ten gevolge van dat inkomensbeheer een “spaarpotje” was gecreëerd . Hoewel in de door de bewindvoerder afgelegde rekeningen en verantwoordingen is te zien dat de schulden van de rechthebbenden zijn afgenomen, blijkt hieruit niet dat er een “spaarpotje” aanwezig was waaruit de kosten voor inkomensbeheer werden betaald. Dit “spaarpotje”is ook niet in de boedelbeschrijving opgenomen. Het is de kantonrechter derhalve volstrekt onduidelijk hoe de kosten voor het inkomensbeheer worden gefinancierd. De omstandigheid dat het apart in rekening brengen van dit inkomensbeheer kennelijk van den beginne af aan het toezicht van de kantonrechter is onttrokken, rekent de kantonrechter de bewindvoerder ten zeerste aan. Opnieuw blijkt dat de transparantie, noodzakelijk voor ordelijk toezicht, ontbreekt.

3.8

Samenvattend:

Al het hiervoor overwogene in onderling verband en samenhang bezien, hebben tot gevolg dat de kantonrechter niet het vertrouwen heeft dat de bewindvoerder zijn taak naar behoren zal verrichten met vooropstelling van de (financiële) belangen van de rechthebbenden en dat daar op een ordelijke en zakelijke wijze toezicht op kan worden gehouden. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is geweest van structureel slecht en ondoorzichtig beheer. Dit nu de bewindvoerder in de achterliggende jaren stelselmatig te veel loon en kosten in rekening heeft gebracht bij de aan zijn bewind toevertrouwde rechthebbenden, de administratie door de bewindvoerder onvoldoende transparant is gebleken, de bewindvoerder zich niet richt naar de richtlijnen en aanwijzingen van de kantonrechter te Maastricht en de bewindvoerder niet in staat blijkt een werkbare toezichtrelatie te onderhouden. Een en ander, zeker in onderlinge samenhang bezien, vormt naar het oordeel van de kantonrechter een gewichtige reden voor ontslag als bewindvoerder in al zijn aan hem toevertrouwde bewindsdossiers (een lijst betreffende de rechthebbenden en de daarin geregistreerde onregelmatigheden zal aan deze beschikking worden gehecht). Hieraan doet niet af dat tijdens een door de Branchevereniging voor Professionele Bewindvoerders ingelaste audit kennelijk geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. De kantonrechter is hier geenszins aan gebonden en overigens logenstraffen de bevindingen van de kantonrechter, zoals uit al het voorgaande blijkt, genoemde constatering.

Het ontslag gaat, in afwijking van hetgeen hieromtrent in het schrijven van 29 augustus 2011 is opgenomen, in op

1 december 2011. Deze langere termijn is nodig om opvolgend bewindvoerders aan te kunnen zoeken en te benoemen, opvolgende bewindvoerders de tijd te geven intake-gesprekken te voeren en de overdracht van de dossiers te kunnen bewerkstelligen. In de zaak met het BMnr. 26358 blijft de bewindvoerder aangesteld tot 9 december 2011 nu dat bewind op die datum van rechtswege eindigt en het niet opportuun is om voor die korte periode nog een andere bewindvoerder te benoemen.

3.9

De kantonrechter zal voorzien in opvolgende bewindvoering. De rechthebbenden zullen op korte termijn benaderd worden door een nieuw te benoemen bewindvoerder en na onder¬tekening van een bereidverklaring door laatstgenoemde zal deze bewindvoerder bij beschikking worden benoemd. Zulks geldt eveneens voor diegenen die door de recht¬hebbenden zelf als bewindvoerder zijn aangezocht. Na een ondertekende bereidverklaring, en nadat gebleken is dat de potentiële bewindvoerder aan de voorwaarden voldoet, zal ook deze bij beschikking benoemd worden. De rechthebbenden die aangegeven hebben een opheffing van het bewind te wensen, zullen binnen afzienbare tijd worden opgeroepen om ten aanzien van dit verzoek voor de kantonrechter te verschijnen.

De kantonrechter gaat er van uit dat de bewindvoerder ten aanzien van de overdracht van de dossiers naar de opvolgende bewindvoerders alle medewerking zal verlenen.

De ontslagen bewindvoerder moet als hierna aangegeven rekening en verantwoording afleggen.

4. beslissing

De kantonrechter beschikt als volgt:

ontslaat met ingang van 1 december 2011 mr. [[L]] als bewindvoerder over alle onder het bewind vallende goederen die toebehoren aan de rechthebbenden, genoemd in de aan deze beschikking gehechte lijst met vermelding van het zaaknummer;

bepaalt dat de bewindvoerder uiterlijk op 1 december 2011 aan de kantonrechter, alsmede aan zijn opvolgers, rekening en verantwoording dient af te leggen over het gehele bewind;

bepaalt dat de bewindvoerder de eindrekeningen en eindverantwoordingen na ondertekening voor akkoord door de opvolgende bewindvoerder(s) stuurt naar de Rechtbank Maastricht, Bewindsbureau, Postbus 1989, 6201 BZ Maastricht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. M.T.A.C. Russel, kantonrechter, in tegenwoordigheid van M.M.G. Merckelbagh griffier.

* Aan alle rechthebbenden wordt een kopie van deze beschikking gestuurd. Ter bescherming van de privacy van de andere rechthebbenden worden echter de bijlagen niet meegestuurd.

* Tegen deze beslissing kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - , hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch

door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.